Stadslegenden: De Bullebak

Bang voor de Bullebak

Eeuwenlang, totdat halverwege de 19de eeuw de stadswallen werden geslecht, was er een waterspook of watermonster in Amsterdam dat de Bullebak heette. Dat wordt tenminste van generatie op generatie verteld – en dan moet het wel waar zijn. Het verhaal is simpel, al zijn er veel onzekerheden. Bijvoorbeeld over hoe hij eruit zag. Groot, groen, slijmerig, doorzichtig? Hij zou een grimmige tronie hebben gehad, met vurige ogen. Meestal verbleef hij onder water, waar hij vooral bij stormtij stevig kon bulderen.
De Bullebak was vooral bekend wegens een onhebbelijke gewoonte. Als een kind te dicht langs het water liepen, rees hij razendsnel op uit het grachtenwater, en trok de onvoorzichtige dreumes de groezelige diepte in.
Waar was die Bullebak te vinden? Vooral in de Jordaan. Kennelijk was de Lijnbaansgracht, vlak langs de stadsmuur, zijn biotoop. Want al in de 17de eeuw worden daar liefst twee bruggen met sluizen naar hem genoemd: de Bullebaksluis aan het eind van de Bloemgracht en (simpelweg) de Bullebak aan het eind van de Brouwersgracht.

De legende over de Bullebak leek weggezonken in het Amsterdamse stadsgeheugen. Maar onlangs is een schoolmusical over hem gemaakt, in het kader van de viering van 400 jaar Amsterdamse grachten. Voor veel Amsterdamse scholieren heeft zijn naam ineens weer een bekende klank. De revival komt vrij onverwacht. Eerder (tussen ongeveer 1960 en 1990) werd de Bullenbak enkele keren opgerakeld in boekjes over Amsterdamse volksverhalen, maar hij behoorde zeker niet tot het vaste repertoire van rondleiders.

IJselijk waterspook
Zonder twijfel is zijn verhaal eeuwenoud. Etymologen herkennen in 'Bullebak' het verdwenen werkwoord 'bullen' (bulderen) en het zelfstandig naamwoord 'bak', dat bakkes of bek kon betekenen. Hoofdonderwijzer Jan ter Gouw schrijft in zijn boek Amstelodamiana (1874) over de Bullebaksluis naast de Raampoort (einde Bloemgracht): "Wie was sinjeur de Bullebak? Een wezen uit de middeleeuwsche mythologie, wiens schrik in de 17e, ja in de 18e eeuw nog onder 't volk was. 't Was een ijselijk waterspook, dat in diepe kolken woonde, en altijd op de loer lag, om den onvoorzigtige, die zich te digt op 't kantje waagde, bij de beenen te pakken en in de diepte te sleepen. Ook dit sluisgewelf werd voor een schuilhoek van den Bullebak gehouden: bij donkeren avond kon men hem horen brullen en 't water horen ruischen van zijn gewoel; ja, er waren lieden die zijn kop met vurige oogen over de sluisdeur hadden zien uitkijken. Natuurlijk echter is bij 't sloopen van wal en verwulft de Bullebak verhuisd, schoon niemand weet waarheen."
Interessant is dat deze sluis uit 1613 al in dezelfde eeuw de Bullebaksluis heette, blijkens de stadsbeschrijving (1665) van Tobias van Domselaer: "De Bloemgracht loopt onder de wal door een steenen verwulft na[aar] buyten, dat des nachts met twee deuren afgesloten wordt. Dit noemt men de Bulbak-sluys, en daardoor vaert men na de Laken-ramen en Blekerijen." Sinds wanneer die andere brug, bij de Brouwersgracht, 'Bullebak' heet is niet meer te achterhalen, maar in ieder geval een stuk later.

Kinderschrik
De Bullebak als schrikbarend wezen was echt een begrip in Amsterdam. Lees het beroemde blijspel De Spaanse Brabander uit 1618 van Gerard Adriaenszoon Bredero. Daarin wordt over een woest uitziend figuur gezegd: "Mijn docht [Ik dacht-red.] het was de duyvel, of de bulleback!" Een mens wordt hier dus vergeleken met een enge niet-menselijk figuur waarvan iedereen gehoord heeft. Mede dankzij Bredero leeft de bullebak (met kleine letter) voort in de hedendaagse spreektaal: als een onaangenaam bars, intimiderend persoon.
Hoe Amsterdams is de Bullebak eigenlijk? Eerlijk gezegd: nauwelijks. Het enige echt Amsterdamse is zijn beweerde woonplaats in Jordanese wateren. Hij had honderden familieleden in den lande. Volkskundigen typeren hem als een 'kinderschrik': een angstbeeld dat onmachtige ouders inzetten om hun kinderen in het gareel te houden. Als zodanig is hij verwant aan de Bulleman, de Boeman, de Bietenbouw, Ongeboren Roolf, de Tenensnijder, Baas Kinderschrik (die leugenaars de tong uitsnijdt), Haantje (of Heintje) Pik, Zwarte Piet én Sinterklaas en ook de Vogel Bisbisbis ("waar iedereen zo bang voor is") uit een vers van Annie M.G. Schmidt. De Bullebak in een lied voor haar tv-serie Ja, zuster, nee zuster is een vervaarlijke, maar domme reus, die zich door Zuster Klivia en de haren laat verdrinken in een waterput.
Jeroen den Hengst (tekst) en Hans van de Veerdonk (muziek) schreven Bullebak als 'afscheidsmusical' voor groep acht van Amsterdamse basisscholen. Daarin wordt het monster geheel gerehabiliteerd. Eigenlijk blijkt hij een toeverlaat voor gepeste kinderen, aan wie hij met eeuwenlange ervaring ook nog een en ander vertelt over het lot van vooral arme kinderen in de 17de en 19de eeuw "Ze noemden mij de Bullebak/ Een monster dat de kinderen pakt / Terwijl ik hier naar liefde snak / Oooh-oooh-oooh!"

 

Peter-Paul de Baar

Juni 2014

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
Juni
Jaargang:
2014 66
Rubriek:
Herinneringen
Tijdperk:
Middeleeuwen 1500-1600 1600-1700 1800-1900 1900-1950 1950-2000 Vanaf 2000