Soort bij soort

Jongens en meisjes, apart of samen

 

11122003_Jongens-_en_meisjesscholenAan de gevel van Haarlemmerstraat 134-136, nu buurthuis Straat & Dijk, is nog steeds een fraai tegentableau te zien: “St. Antoniaschool voor Meisjes”. Het is een van de weinige sporen die eraan herinneren dat vroeger heel wat Amsterdamse scholen alleen voor jongens of meisjes bestemd waren. Want dat fenomeen kwam zeker niet alleen in het katholieke zuiden voor. Na 1970 werden al die gescheiden scholen gemengd of opgeheven. Maar hier en daar klinken weer pleidooien om de splitsing naar sekse in ere te herstellen.

Veel mensen denken dat aparte jongens- en meisjesscholen alleen voorkwamen in het confessionele onderwijs, niet in het openbaar onderwijs. Maar dat is niet waar.

Halverwege de 19de eeuw gingen steeds meer meisjes naar school. Het stadsbestuur drong daarop aan. Ook huisvrouwen, dienstmeisjes, winkelmeisjes en naaisters moesten immers een beetje kunnen tellen, lezen en schrijven. Naast gemengde openbare scholen (‘stadsscholen’) werden ook een paar aparte meisjes- en jongensscholen gesticht; sommige ouders lieten anders hun kinderen niet naar school gaan, realiseerde de overheid zich. Het confessioneel onderwijs kwam veel trager op gang, maar de voorkeur voor gescheiden onderwijs was hier veel stereker en principiëler.

De Sint Antoniaschool in de Haarlemmerstraat was een lagere school, geleid door de Zusters Franciscanessen van Roosendaal. Die hadden in 1872 om de hoek (Korte Prinsengracht 21) hun eerste Amsterdamse school geopend. Geleidelijk ontstond er daar tussen de Haarlemmerstraat en de Haarlemmer Houttuinen, naast de Posthoornkerk uit 1861, een compleet rooms blok met een klooster en drie scholen. De Franciscanessen waren niet de eerste kloosterorde die zich in Amsterdam met onderwijs bezig hield. In respectievelijk 1843 en 1852 hadden de Zusters van Tilburg en de Zusters van de Voorzienigheid al scholen voor arme katholieke meisjes gesticht op de Elandsgracht en in de Elandsstraat. Bidden en breien waren daar overigens belangrijker dan lezen en schrijven.

Maar ook in het openbaar lager onderwijs was rukte aanvankelijk de segregatie op. Blijkens een gidsje uit 1927 was toen 30% van de gemeente-scholen naar sekse gescheiden: 18 meisjes- en 17 jongensscholen. Zo was de openbare Burghtschool op de Herengracht, nu een gemengde basisschool, vroeger een meisjesschool. De Elisabeth Wolffschool op de Prinsengracht bij Vijzelstraat (nu Luzac College) was een openbare jongensschool. Na 1930 kwam een omslag: steeds meer openbare scholen werden gemengd.

Inhoudelijk verschilde het onderwijs nauwelijks voor meisjes en jongens. Meisjes moesten zich bekwamen in de nuttige handwerken (sinds de jaren twintig een extra vak. Jongens kregen soms ‘handenarbeid’, maar waarschijnlijk vaker een extra uurtje gymnastiek of taal en rekenen. Die verschillen in lespakket bestonden overigens ook op gemengde scholen: terwijl de jongens naar gymles gingen, kregen de meisjes handwerkles; als de meisjes gymden, knutselden de jongens of kregen ze een extra rekenles. Het grote verschil tussen gemengde en de aparte scholen zat natuurlijk in de ‘socialisatie’, het wennen aan de andere sekse. En in het personeelsbestand: de meisjesscholen en de kleuterscholen werden bijna altijd geleid door een vrouw; jongensscholen én gemengde scholen door een man.

Het aantal katholieke en protestantse scholen groeide explosief na 1921, toen het ‘bijzonder onderwijs’ (confessionele en andere particuliere scholen) recht kreeg op evenveel overheidssubsidie als het openbaar onderwijs. En aangezien met name de katholieke moraal in die tijd extreem preuts was, leidde dat ook tot een groter aantal roomse meisjes- en jongensscholen. Dat betekende overigens niet dat er geen gemengde katholieke lagere scholen waren. Economisch gezien konden scholen immers niet te klein zijn. Bovendien was het katholieke onderwijs erg versnipperd. Sommige scholen hoorden bij een parochie (buurtkerk), andere vielen onder een kloosterorde of godsvruchtige vereniging. En niet ieder schoolbestuur was even streng in de leer.

Middelbaar onderwijs

Het grootste deel van de Amsterdamse jeugd kwam tot de Eerste Wereldoorlog niet verder dan zes of zeven jaar lagere school. Slechts een elite drong door tot de Hogere Burgerschool (HBS), een in 1863 geschapen nieuw schooltype, of zelfs het gymnasium. Meisjes drongen aanvankelijk helemaal niet door tot deze schooltypen, eenvoudigweg omdat zulk onderwijs voor hun onnodig werd geacht. Bovendien had minister Thorbecke in zijn middelbaar-onderwijswet van 1863 ook een speciaal op meisjes toegesneden opleiding opgenomen: de Middelbare School voor Meisjes (MMS) oftewel Meisjes-HBS. Die gaf algemene vorming, maar geen toegang tot de universiteit. In 1887 bepaalden B&W dat toelating van meisjes tot het gymnasium en de ‘gewone’ HBS mogelijk moest zijn, als vaststond dat een leerlinge via andere scholen niet het door haar gewenste beroep kon bereiken. Dat jaar betraden de eerste drie meisjes de oudste HBS, op de Keizersgracht. Het Stedelijk Gymnasium (nu Barlaeus) had in 1880 al vrijwillig de eerste vrouwelijke leerlingen toegelaten.
In katholieke kring was menging der geslachten in het middelbaar onderwijs absoluut taboe: in die leeftijdsgroep was dat immers vragen om ongelukken. In 1895 richten jezuIetenpaters het Sint Ignatiusgymnasium op. Dat was alleen voor jongens. In 1911 kreeg de school er een HBS-afdeling bij en verhuisde onder de nieuwe naam Sint Ignatiuscollege naar de Hobbemakade. In 1914 volgde de R.K. Hogere Burgerschool voor Meisjes in de Vondelstraat, dat in 1924 op de Reijnier Vinkeleskade verderging als R.K. Lyceum voor Meisjes en in 1952 Fons Vitae (Bron van Leven) ging heten. Daarnaast was er de Sint Pius-school (eerst meisjes-ULO en pas in 1935 erkend als MMS) die in de jaren zestig fuseerde met het Sint Nicolaaslyceum.

Maar niet alleen de katholieke middelbare scholen zetten jongens en meisjes apart. Ook het openbaar onderwijs kende tot ver in 20ste eeuw naar sekse gescheiden middelbare scholen. Dat gold per definitie voor de MMS. De eerste Amsterdamse MMS werd geopend in 1872 op het Singel onder de naam Hogere Burgerschool met Driejarige Cursus voor Meisjes. In 1879 verhuisde ze naar Keizersgracht 264 (waar ze in 1899 vijfjarig werd) en in 1930 naar een gloednieuw gebouw in de Euterpestraat (nu Gerrit van der Veenstraat). Inmiddels stond de school bekend als Gemeentelijke Middelbare School voor Meisjes.

Vanaf het begin stond de MMS als afzonderlijk schooltype ter discussie. Het Algemeen Handelsblad uitte naast sympathie een woord van waarschuwing: “Over het algemeen houdt men niet van blauwkousen bij wie de natuurlijke bevalligheid, teederheid en losheid verdwenen zijn door bovenmatige verstandelijke ontwikkeling en vervangen door die afgemeten stroefheid welke zoo dikwerf het gevolg is van ernstige studie en wetenschappelijke arbeid.” En als meisjes dan tóch moesten doorleren: waarom een aparte meisjesschool als ze ook naar de HBS konden? Alleen het HBS- of gymnasiumdiploma gaf tenslotte toegang tot de universiteit. Maar dat was voor de meeste meisjes sowieso nog een brug te ver. De MMS voldeed precies aan de groeiende vraag naar middelbaar onderwijs voor meisjes uit de hogere kringen, met deels dezelfde vakken (talen) als op de gemengde HBS, maar en deels ook andere (handwerken, kunstgeschiedenis) die meer gericht waren op de ‘vrouwelijke vorming’.

Maar na de eeuwwisseling groeiden de ambities. Dat werd heel zichtbaar op de Reijnier Vinkeleskade, waar in 1925 naast het prachtige moderne R.K. Lyceum voor Meisjes ook een indrukwekkend Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes openging. Beide scholen gingen nog veel verder dan de MMS. Zij leidden meisjes op voor dezelfde eindexamens als de jongens, met dezelfde toegangsrechten tot universiteit en hogeschool.

Dat was natuurlijk mooi, maar toch had onderwijswethouder Ed. Polak (die het oprichtingsplan in januari 1925 door de raad loodste) in eigen kring wat uit te leggen, herinnerde hij zich in 1950. Kon dat nog wel, in die roaring twenties, zo’n aparte meisjesschool? Het moest maar, vond Polak. “Zeker, de coëducatie had aanzienlijke vorderingen gemaakt. Men mocht welhaast spreken van een overwinning over de ganse linie. Maar er bleven toch ouders genoeg, die voor hun dochters een afzonderlijke opleiding verlangden. Kon het nu op de weg van de overheid liggen, om aan dit verlangen weerstand te bieden?”

De charismatische eerste rectrix Margrita Freire meende, minder defensief, dat “het meisje wellicht op de gemengde scholen iets te kort kwam”. Volgens haar bood haar meisjeslyceum niet minder maar zelfs méér dan de gemengde concurrenten: “Ïn de eerste plaats moest er gezorgd worden, intellectueel op dezelfde hoogte te komen en te blijven als de te goeder naam en faam bekend H.B.S.-en en het roemruchte Barlaeus-Gymnasium en later ook het Vossius-Gymnasium. Maar bovendien moest men (...) zorgen voor de physieke, aesthetische, de ethische en de sociale opvoeding van het meisje.” Dat dit niet eenvoudig was, erkende ze volmondig: “Het Lyceum moest dus, vreemd genoeg, zijn naam maken níettegenstaande het een meisjesschool en niet omdát het een meisjesschool was.” De school moest serieus worden genomen. Geschiedenisleraar P.J. van Winter riep wel eens uit, als de ‘bakvissen’ te veel giebelden: “Jullie bent hier niet op een meísjesschool!”

Voor het katholieke meisjeslyceum lag dit anders. Roomse meisjes van betere komaf gingen min of meer vanzelfsprekend naar deze school. Hoewel niet allemaal. Het Barlaeus en het Amsterdamsch Lyceum waren natuurlijk nog net iets chiquer; ouders die hun dochter écht hogerop wilden laten komen stuurden haar dus toch maar naar de Weteringschans of het Valeriusplein, ondanks de jongens en de ketters daar.

Lange tijd was de MMS in de Euterpestraat de enige in Amsterdam. Pas na zo’n tien jaar lobbywerk slaagde de Piusschool-MULO voor meisjes er in 1935 in om MMS te worden, niet dan nadat enkele nonnen en lekendocentes op cursus ewaren gestuurd om aan de rijksnormen te voldoen. Het R.K. Meisjeslyceum (Fons Vitae) kreeg pas na de Tweede Wereldoorlog een MMS-afdeling. Dat paste in een trend: ook andere lycea begonnen een MMS-afdeling, omdat het een vrij lichte opleiding was waarheen leerlingen die niet mee konden komen op de gymnasium- of HBS-afdeling konden worden afgeschoven, zonder dat het lyceum leerlingen (en dus subsidie) verloor.

Terwijl de MMS in de jaren vijftig opbloeide, kwam de aparte de aparte meisjesschool voor HBS en gymnasium onder vuur te liggen. Het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes kreeg steeds minder aanmeldingen. In 1962 besloot de gemeenteraad van Amsterdam met ingang van 1963 geen nieuwe leerlingen meer aan te nemen. In 1968 ging de school alsnog op in de (gemengde) Gerrit van der Veenscholengemeenschap. Tegelijk trad de Mammoetwet in werking: in dat nieuwe onderwijsstelsel kwam de MMS niet meer voor.

Ook het Fons Vitae opende in 1970 zijn poorten voor jongens, maar niet bij gebrek aan leerlingen. Hier lag de oorzaak in felle interne conflicten in katholiek Amsterdam, met als brandhaard het studentenpatoraat met als boegbeelden pater Jan van Kilsdonk en ex-pater Huub Oosterhuis. Hun jonge collega Jos Vrijburg, was tevens godsdienstleraar op Fons Vitae en las tot ontzetting van de nonnen de meisjes voor uit de boeken van Gerard van het Reve. Zijn ontslag in 1965 gooide alleen maar olie op het vuur van de revolte tegen de kerkelijke zedenleer (die gezonde omgang met jongens tegenhield) én het nonnenbewind op het Fons Vitea. In 1968 droeg Zuster Cherubine het rectoraat over aan Ben van Gessel, de eerste leek én man in die functie. Niettemin vond hij dat Fons Vitae als meisjesschool nog steeds bestaansrecht had, omdat de meisjes hier door extra aandacht bovengemidelde resultaten behaalden. Maar de tijdgeest wilde anders, dus kwamen in 1970 de eerste jongens het Fons Vitae binnen. In hetzelfde jaar betraden de eerste meisjes het ‘Ig’ op de Hobbemakade.

Hiermee is alleen de geschiedenis van het algemeen vormend onderwijs verteld. Binnen het beroepsonderwijs bestond niet zozeer een formele seksescheiding als wel een naar mannelijk en vrouwelijk geachte beroepen. En leidde de Huishoudschool eigenlijk wel op voor een beroep? Daarover leest u elders in dit nummer méér.

Herwaardering

Nostalgie is in het onderwijsdebat geen onbekende. In Frankrijk hebben trendy filosofen net weer een offensiefje voor gescheiden onderwijs gelanceerd, omdat huns inziens mannen en vrouwen toch wel zeer verschillende wezens zijn. In Nederland wordt door vooral het verdwijnen van de aparte meisjesschool door sommigen betreurd, onder meer vanwege de betere leerprestaties van meisjes in de exacte vakken. Maar was dit echt te danken is aan het gescheiden onderwijs, of aan het vaak elitaire karakter van die scholen? Aparte jongensscholen kennen hier echter weinig voorstanders meer. Het is bekend dat onrustige jongens zich juist vaak kunnen optrekken aan de aanwezigheid van de eerder volwassen meisjes. Het is dan ook de vraag of het recente pleidooi voor meer mannelijke leraren als identificatie voor jongens tot een herwaardering van de jongensschool zal leiden. Natuurlijk, iedere ouder en leerkracht verzucht dat beide seksen, vooral in de puberteit, wat minder met elkaar en wat meer met het leren bezig zouden moeten zijn. Maar in Nederland zijn vooralsnog aparte meisjes- en jongensscholen zijn over en uit, alleen al omdat ze weinig populair zullen zijn bij de achtste groepers die steeds meer invloed hebben op de keuze van een middelbare school.

Blijft voor nu alleen het verschil in behandeling tussen meisjes en jongens op de streng religieuze scholen over. Islamitische en joods-orthodoxe scholen kennen geen absolute scheiding van meisjes en jongens in verschillende klassen, maar aparte rijen in de klas en bijvoorbeeld aparte gymlessen zijn op deze scholen ook in Amsterdam de praktijk. Dat lijkt sprekend op de katholieke meisjes- of jongensschool van de jaren vijftig. Ook hier zal de tijd dus wel zijn werk doen.

Tekst: Saskia Grotenhuis

November-December 2003

 

S. Grotenhuis is sociologe en beleidsmedewerker van de gemeentlijke dienst Onderwijs. Zij schreef een proefschrift over de geschiedenis van het middelbaar onderwijs.

Literatuur

Monique Walboomers e.a. (red.), Een tien voor vlijt, meisjesonderwijs vanaf de oudheid tot de MMS, 1992.

Saskia Grotenhuis, Op zoek naar middelbaar onderwijs, 1998.

Delen: