Sloop van de Heinekenhoek

Wie zich zorgen maakt om het historisch erfgoed rond het Leidseplein en het Kleine-Gartmanplantsoen staat zwak. Dit was in de zeventiende eeuw al een werkplein; toen de wallen overbodig werden kwamen er drukkerijen te staan, een gevangenis en een salpeterzuurfabriek, en vanaf het eind van de 19de eeuw voltrokken zich opnieuw grote veranderingen.

De Stadsschouwburg en het American Hotel kwamen tot stand, er werd in 1901 een groot politiebureau gebouwd, nu Bulldog Palace, en in 1912 verrees het enorme Hirsch-gebouw. In oktober 1935 werd het City Theater geopend, toen de grootste bioscoop van het land. Tussen die ‘grootsteedse’ veranderingen bleef iets van de oude kleinschaligheid bestaan, in het rijtje zeventiende-eeuwse pandjes aan de noordkant van het plein, maar verder was - en bleef - het Leidseplein een plek van verandering.

'Het zetten van een pennemes in een uurwerk'

In 1901 voorkwam een pamflet van Jan Veth (‘Stedenschennis’) de demping van de Reguliersgracht. Veth vond echter de ‘gewoonte-aesthetiek’ van de Amsterdammers, de neiging om alles wat ‘oud’ was maar te beschermen, onrealistisch. De noodzaak tot vernieuwing, schreef hij (in 1923), ‘kan tot architectonisch waardeerbare motieven leiden, waar de voortgezette traditie ons nooit toe zou hebben gebracht.’ 

Pleinbezoekers van een eeuw geleden zullen waarschijnlijk net zo hebben gefronst over de architectuur van het Hirschgebouw, het American Hotel of het Politiebureau. Maar Veth had een punt: in de 17de eeuw bestond de bioscoop domweg nog niet. Er was geen ‘traditie’ die voorschreef hoe een groot modemagazijn, een bioscoop of een grand hotel er uit zou moeten zien. 

Op de hoek van Leidseplein en Kleine-Gartmanplantsoen staan drie lage panden naast elkaar, daterend uit de eerste jaren van de 20ste eeuw, in 1972 samengevoegd tot één complex. Sinds mensenheugenis is er de Heinekenhoek gevestigd. De witte panden zijn opvallend door hun onopvallendheid. De aandacht ging altijd meer uit naar de grote lichtreclame met twee bewegende glazen bier. 

De Caransa-groep zal daar nu een 4-sterrenhotel van zes verdiepingen bouwen, ontworpen door MVSA Architects. Het gebouw krijgt twee gevels: ‘De binnengevel wordt voorzien van wit plaatmateriaal in een driehoekig patroon met drie verschillende dieptes, waardoor er een subtiel reliëf ontstaat.’ Volgens de ontwikkelaars draagt deze ‘zorgvuldig en expressief vormgegeven architectuur’ positief bij aan ‘de leefbaarheid en kwaliteit van het gebied’.

De huizen van de Heinekenhoek zijn rijksmonument noch gemeentelijk monument. Een strijd om ze te behouden liep op niets uit. Dat is spijtig. Het pijnlijke aan de sloop van de Heinekenhoek is niet per se het verdwijnen van een stel aardige vroeg-twintigste-eeuwse panden. 

Veth schreef: ‘Elk ingrijpen in een organisch gegroeid stadsplan loopt groot gevaar, analoog te worden aan wat een staatsman onlangs ‘het zetten van een pennemes in een uurwerk’ heeft genoemd. Zeer zelden biedt zich de kans tot een operatie, waardoor de grondslag van het bestaande geëerbiedigd blijft.’ Daarbij hoeft dus niet, zeggen wij Veth na, die ‘gewoonte-aesthetiek’ te worden gevolgd: ‘De groei van een stad, door de tijden heen, zal niet ‘altoos in een en denzelfden geest kunnen geschieden’.

Natuurlijk bouwen wij eigentijds in onze eigen tijd. Volgens Veth kunnen ‘in rustige aaneensluiting, in sprekende contrasten, schoonheidselementen naar voren [...] komen. Het City-Theater van Jan Wils vormt ontegenzeggelijk zo’n ‘sprekend contrast’, dat ‘waardeerbare’ kwaliteit heeft.

Dat die nieuwe architectuur van dat hotel - nóg een hotel! - gruwelijk is, en niets te maken wil hebben met de context van het plein, en net zo goed in Zoetermeer, Lelystad of Rotterdam had kunnen staan, dat is een kwestie van opvatting, en smaak, dat is duidelijk. Maar dat het beter had gekund, lijkt ons zeker. Het is misschien tijd om eerst eens te denken over die ‘rustige aaneensluiting’, voor er voor de zoveelste keer eerst wordt gesloopt, om dan aan het zoveelste voorbeeld van zwakke ‘expressief vormgegeven architectuur’ wordt begonnen. 

Jan Veth, De Gids, 1923

Delen: