Scheepshelling ontdekt in Valkenburgerstraat

Dat er wat sporen van scheepsbouwactiviteit zouden worden aangetroffen, hadden de stadsarcheologen wel verwacht. Maar het gave stukje scheepshelling dat op de op één na laatste graafdag bovenkwam, was toch een blijde verrassing. Lang niet zo groot en imposant als de helling die vorig jaar op de voormalige VOC-werf op Oostenburg werd opgegraven, maar wel minstens een halve eeuw ouder: ongeveer uit de periode 1620-1670.

“Het is niet de eerste keer dat we bij een opgraving op de valreep de aardigste vondsten doen”, glundert Jørgen Veerkamp. Het is woensdag 7 maart tegen tweeën, weerkundig een wat sombere dag, maar niet voor de medewerkers van de gemeentelijke Archeologische Dienst die hier onder Veerkamps leiding aan het werk zijn. Het terrein achter Valkenburgerstraat 210, aan het water van de Uilenburgergracht, is bereikbaar door een poortje. Op de gevel van het woonblok zijn aan weerszijden cartouches aangebracht met de jaartallen 1877 en het joodse equivalent daarvan, 5638. Het was een woonkazerne met naar verluidt erachter een sjoeltje, een kleine synagoge. Dit gaafste stukje scheepshelling kwam vanmorgen bloot toen de machinist van de graafmachine dichter bij het water ging graven; hij was daarbij wél gedwongen de eerder opgegraven resten weer met de hier weggegraven aarde te overdekken, want op het terrein is weinig ruimte. De gisteren nog zichtbare hellingresten waren ook mooi, maar minder spectaculair. Het waren alleen de zware grenen leggers (dwarsbalken), waarop de eikenhouten planken van de eigenlijke helling gerust moeten hebben. Het bijzondere van het deze vrijdag onthulde deel is dat hier die lange planken nog wél bewaard zijn gebleven.
Het zijn niet de eerste sporen van de scheepbouwactiviteiten die in de 17de eeuw op dit voormalige schiereiland Marken alias Valkenburg gevonden zijn, maar wel de duidelijkste tot nu toe.

Marken alias Valkenburg
Misschien is de naam Marken voor dit (aangeplempte) stadseiland een speelse verwijzing naar het aloude échte eiland van die naam in de Zuiderzee, vrij dicht bij Amsterdam. De naam Valkenburg lijkt uitstekend te passen in het rijtje namen Uilenburg, Rapenburg , Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, maar ze kwam pas laat in zwang: de eerste eeuwen werd voor dít eiland bijna uitsluitend de naam Marken gebruikt. Tot ver in de 20ste eeuw hadden vooral joodse Amsterdammers het nog steeds over Marken als ze de Valkenburgerstraat met zijn zijstegen bedoelden. Marken was een deel van de staduitbreiding van 1593, waarbij ook de eilanden Uilenburg en Rapenburg tot stand kwamen. Beide laatste zijn nog steeds herkenbaar als eiland, maar Valkenburg niet meer, omdat een groot deel van het omringende water intussen verdwenen is. In oorsprong werd Valkenburg begrensd door de (nog steeds bestaande) Uilenburgergracht, de Rapenburgerwal (sinds de demping het Rapenburg geheten), de Markengracht (ten westen van de Rapenburgerstraat, waar nu het nieuwe wooncomplex Markenhoven staat) en het oostelijk deel vande Houtkopersburgwal (in de jaren zestig gedempt voor de bouw van het Maupoleum).
Op de plattegrond uit 1597 en 1610, getekend door Pieter Bast, zien we alleen op de oosthelft van het verder lege eiland een paar scheepswerfjes ingetekend, zo’n beetje ter hoogte van de Valkenburgerstraat zuidelijkste huizen van Markenhoven. Balthasar Florisz van Berkenrode tekent op zijn kaart uit 1825 al een eiland vol scheepstimmeractiviteiten. In het kader van de zogeheten Vierde Uitleg van de stad werden tussen 1654 en 1883 op drassig buitendijks gebied de Oostelijke Eiaknden aangelegd, omdat de expanderende haven grote behoefte had aan meer scheepsbouw- en opslagfaciliteiten. Het middelste daarvan, Wittenburg, werd bestemd voor particuliere scheepswerven. Omstreeks 1670 verhuisden steeds meer werfjes van Marken naar het nieuwe eiland. Marken werd in de 18de eeuw omgevormd tot een woongebied en raakte al snel barstensvol met straatarme joodse inwoners. De allerslechtse woningen vond men in de vele gangen aan weerzijden van de Valkenburgerstraat, zoals de Morellegang, de Schuitenvoerdersgang en de Roode Leeuwengang. En het huidige opgravingsterrein lag nog in de 19de eeuw tussen de Visschersgang en de Kanjersgang. In vooral de huizen aan de oostkant van de zeer smalle straat waren erbarmelijk. Zij verdwenen bij de grootscheepse sanering van 1928; bij de herbebouwing van de oostzijde schoof de rooilijn iets naar achteren. De nieuwe huizen hebben hier maar zo’n 35jaar gestaan; in de jaren zestig moesten zij het veld ruimen voor de ingang van de IJtunnel, die nu weer is overkluisd en bebouwd. De huidige Valkenburgerstraat is minstens vier keer zo breed als de oorspronkelijke.

Geen gereedschap
Ook in 1996 werd al een opgraving uitgevoerd aan het begin van de straat (nummer 26-50), op het voormalige terrein van Foltu Bouwmaterialen. Daar werd geen scheepshelling gevonden, maar wel spijkers en gereedschap. Die werden aangetroffen pal langs de straat, waar destijds huisjes van de werfbazen gestaan moeten hebben. Dat op de huidige plek geen geredsschap werd gevonden, is ongetwijfeld te verklaren uit het feit dat ditmaal niet aan de (nog bebouwde) straatkant kon worden gegraven. Het enige losse voorwerp dat ditmaal boven de grond kwam, was een 17de-eeuwse lepel.
In de komende tijd moeten de vondsten nader worden bestudeerd en geanalyseerd, in samenhang met de resultaten van eerdere opgravingen in dit gebied. Over enige tijd hopen we een samenvattend artikel hierover te presenteren.

Tekst: Peter-Paul de Baar

April 2001

Beeld: Valkenburgerstraat (waarschijnlijk) t.h.v. 174 t/m 214 (rechts, v.r.n.l.). Collectie Beeldbank Archief Amsterdam.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Archeologie
Editie:
April
Jaargang:
2001 53
Rubriek:
Herinneringen
Tijdperk:
1600-1700 1700-1800 1800-1900 1900-1950 1950-2000