Rozenstraat. Hanengevechten in het café. Vastenavond, 21 februari 1719

Vastenavond was een van de “paepsche stoutigheden” die de Alteratie van 1578 overleefden, net zoals Sinterklaas en Sint-Maarten. Carnaval (carneval) heette dit feest in Zuid-Europa. Een benaming die heel langzaam ingang zou vinden. Jan van Gijsen schreef over Vastenavond in De Amsterdamsche Merkuur, dat van 1710 tot 1722 verscheen. Hij vierde het in zijn stamcafé in de Rozenstraat.

“De Vastenavond was hier deze week vry groot/ maar ik ellendige was nergens niet genoot”, schreef Jan van Gijsen teleurgesteld in zijn eigen blaadje De Amsterdamsche Merkuur in 1713. Maar later was hij steeds van de partij in café De Eendragt, ook wel Gouden Eendragt geheten, in de Rozenstraat. Daar waren dan hanengevechten, “jaarlijks hoofdvermaak voor Amstels borgerij”. De hanen moesten tegen elkaar vechten in een afgerasterde cirkel – een cockpit heette dat in Engeland – net zolang tot er eentje overbleef. Er werd flink bij gegokt en overvloedig gedronken.

Hanengevechten werden vanouds op Vastenavond gehouden in Den Bosch, een traditie die kennelijk in de Jordaan was overgenomen. In 1719 waren er zeven hanen beschikbaar, en Jan maakte zijn lezers tevoren warm om er naartoe te gaan. De Eendragt bood “goê wijn en bier, goêkoop en volle maat”, en bovendien was een ontmoeting met hem, de volksdichter, ook nooit weg. “Omdat een groot getal (van onbekende vrinden)/ beloven een, twee, drie, vier, vijf, zes ming’len wijn/ om mij te zien/ ’k Zeg: op die tijd zal ik daar zijn/ dan hebt gij het vermaak voor niet om mij te aanschouwen.”

 

Omkeringsfeest

Jan van Gijsen was een doopsgezinde wever uit Haarlem, die eind 17de eeuw in Amsterdam neerstreek, na een mislukte poging om kunstschilder te worden. Na de Goudsbloemstraat verhuisde hij naar de Smidsgang, een steegje tussen de Rozengracht en de Rozenstraat ter hoogte van het in 1913 gebouwde Rozentheater. Daar begon hij zijn moeizame bestaan om van de pen te leven, als gelegenheidsdichter en als medewerker aan obscure blaadjes.

Later betrok hij een huis in de straat zelf, het tweede huis vanaf de hoek met de eerste dwarsstraat richting Prinsengracht. Op weer een ander adres, nu in de Noord-Jordaan, overleed hij in 1722 op 54-jarige leeftijd, vier jaar na zijn vrouw. Zijn eerder gemaakte grafdicht is niet zonder zelfspot: “Hier rust hy die op Aard heel weynig heeft verrigt/ Als dat hij heeft gemaakt zomtyds een Kreupel Digt/ Tot niemands nadeel, maar om eerlijk van te leeven:/ De Goden willen zijn eenvoudigheid vergeeven.”

De oorsprong van Vastenavond ligt diep in de vroege middeleeuwen; eind 11de eeuw besloot een concilie de vastentijd van 40 dagen voor Pasen in te stellen. Langzaam kwam het gebruik op gang om vlak daarvoor nog even de bloemetjes buiten te zetten. Dat ontwikkelde zich in de 15de eeuw tot een omkeringsfeest, waarbij iedereen even uit zijn dagelijkse rol stapte, met maskerades, kinderen als schertsbisschop, narrenkappen en veel eten en drank. Omkeringsfeesten waren er al bij de Germanen en de Romeinen en zelfs daarvoor in het Midden-Oosten – de behoefte om eens per jaar uit de band te springen was van alle tijden. In de 16de eeuw kwamen er optochten bij, en dan mocht een met verklede types bemande schuit op wielen, de ‘Blauwe Schuit’, niet ontbreken.

 

Mommerijen

Met dat soort optochten was het gedaan toen het stadsbestuur in calvinistische handen kwam, maar het vieren van Vastenavond bleef voortbestaan, tot ergernis van rechtzinnigen in de nieuwe leer. Walich Sieuwerts, bijvoorbeeld, fulmineerde in 1602 behalve tegen het Sinterklaasfeest ook tegen de Vastenavondviering. Hij kon niet begrijpen dat “die welcke haar Ghereformeert noemen ende daer voor aengesien willen zijn” daaraan meededen.

Het verbod uit 1579 om gemaskerd op straat te lopen, bleef lang een dode letter. De Kerkenraad drong bij het stadsbestuur herhaaldelijk op maatregelen aan, maar veel haalde dat niet uit. Dominee Petrus Wittewrongel klaagde in 1661: “Men loopt in mommerijen ende sotskappen, met hoornen op het hooft, voghel-necken, kromme neusen, wilde verckens-tanden, vyer-vlammighe ooghen, klauwen, steerten langs de straten. Men maeckt zich soo leelick ende afgrijselijck toe, dat men geen mensche en gelijckt.”

Hij zag het als een grote blamage van de Reformatie dat zijn geloofsgenoten daar even hard aan meededen als de katholieken. Ook van die zijde waren er trouwens bedenkingen. Apostolisch vicaris Philippus Rovenius – de hoogste geestelijke tijdens een groot deel van de eerste helft van de 17de eeuw – ageerde tegen dansen en andere onkuisheden, die op Vastenavond schering en inslag waren.

In de 18de eeuw werden gemaskerde bals populair. Die hadden ook een Joodse tegenhanger bij de viering van het Poerimfeest, wanneer de redding van het Joodse volk tijdens de Babylonische ballingschap door koningin Esther wordt herdacht. Aan de uitbundigheid van die viering – ook in februari/maart, op 14 adar van de joodse kalender – kwam in 1783 een einde toen de overheid vanwege de oorlog met Engeland elke ‘masquerade’ verbood. Achter de gezichtsbedekking kon wel eens kwaadwilligheid schuilgaan, was het idee.

 

Lentefeest

In het katholieke zuiden van Nederland was de carnavalstraditie al eerder op een zeer laag pitje komen te staan, maar dat veranderde in de periode van de vereniging met het latere België, waar die traditie levendig was gebleven – tot ongenoegen van de hoge geestelijkheid. Zo ageerde de Bredase vicaris Adrianus van Dongen jaarlijks tegen de geïmporteerde “vervloekelijke feesten van Bacchus en Venus”. Hand-in-hand met de overheid wist de clerus in de tweede helft van de 19e eeuw het carnavalsgedoe te stoppen. Ook in Amsterdam viel er weinig meer van een Vastenavond te bemerken. Hoogstens stond Carnaval de Venise van Nicolò Paganini op het concertprogramma.

De carnavalsviering herleefde in de loop van de 20ste eeuw en nam weer een hoge vlucht na de Tweede Wereldoorlog. De religieuze betekenis was op de achtergrond gedrongen. Een groot voorstander van de viering uit katholieke hoek, schrijver en journalist, Anton van Duinkerken, zag het als een lentefeest. Al duurde het in een nog zeer katholieke plaats als Tilburg tot de jaren zestig voordat het verbod op carnavalsoptochten opgeheven werd.

Ook in Amsterdam zijn nu weer carnavalsvieringen in cafés en andere gelegenheden. Een soort herleving van het bal masqué uit vroeger tijd. Maar zonder hanengevechten: die zijn sinds 1849 verboden. 

 

Kader

CARNE VALE

Het woord ‘carnaval’ is volgens Jan ter Gouw (De volksvermaken, 1871) afgeleid van het Latijnse ‘carne vale’: “Adieu vleesch!” Een uitleg die aannemelijker klinkt dan dat het woord een verbastering is van ‘carrus navalis’, waarmee het bij optochten meegevoerde narrenschip (de Blauwe Schuit) zou zijn aangeduid. Ter Gouw beschreef de verschillende vieringen van ‘Vastelavond’, een in zijn tijd gangbare aanduiding voor Vastenavond.

 

Marius van Melle en Maarten Hell

Januari/Februarinummer 2020

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
Januari Februari
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1700-1800