Roel van Duijn over zijn rol in de Amsterdamse revolutie

De achttienjarige Hagenaar Roel van Duijn organiseerde in 1961 in Amsterdam een sit-in tegen de atoombom. Dat was het begin van een bliksemcarrière in de hoofdstad. Als denker en aanjager van provo en de Kabouters, als wethouder. Amsterdam schudde op zijn grondvesten. Er was succes, er was tegenslag. En doorlopend werd hij door de inlichtingendienst bespioneerd, weet hij sinds kort.

Roel van Duijn (70) woont in een boomrijke buurt vlakbij de Sloterplas. ‘Hulppost liefdesverdriet’ staat er bij de voordeur. Na zijn politieke loopbaan is hij nu te raadplegen bij schrijnend liefdesverdriet. Hij laat mij binnen en maakt warme chocolademelk. De boekenkast in zijn behandelkamer bevat veel titels over de geschiedenis van Amsterdam en politieke filosofie. 
Meteen begint hij over zijn zaak tegen de inlichtingendienst AIVD. Hij ontdekte dat hij vanaf 1961 tot eind jaren tachtig bespioneerd was door de BVD, de voorloper van de AIVD. In 2010 kreeg nog hij zonder problemen een grote doos met rapportages over zijn vroegere activiteiten, maar sindsdien laat de AIVD slechts mondjesmaat meer uit zijn dossier los. 
Vorig jaar publiceerde hij het meeslepende boek Diepvriesfiguur, waarin hij zijn eigen leven reconstrueert aan de hand van de spionageverslagen. De BVD waarschuwde autoriteiten dat de “zogenaamde filosoof Van Duijn” bereid was geweld te gebruiken om een revolutie te veroorzaken. “Volslagen onzin. Ik zette mij juist in voor meer democratie en verafschuw geweld.” Het doet ook pijn, zegt hij. “Ik ben bijna dertig jaar bespioneerd en verraden door mensen van wie ik dacht dat het mijn vrienden waren. Mensen met wie ik dagelijks samenwerkte.”

Wijsheid tegen gezag
Van Duijn was medeoprichter van provo in 1965 en bedenker en oprichter van de Kabouterbeweging in 1969. Van 1974 tot 1976 was hij wethouder voor de PPR: “Ik had grote invloed op het gebied van democratie en milieu. Maar ik was helemaal geen machtig stadsbestuurder.” 
Tijdens het gesprek barst hij geregeld in aanstekelijk lachen uit. Aanleiding is vaak het conflict tussen zijn strikt logische strijd voor positieve zaken en de irrationele maatschappij. Direct bij zijn eerste actie in 1961 was dat conflict er al. Hij woonde nog bij zijn ouders in Den Haag. Vader accountant, hij op het vrij elitaire Montessori Lyceum. Op een dag zag hij in een blad een foto van de tachtigjarige filosoof Bertrand Russel die in Londen op straat op de grond zat bij een sit-in tegen de atoombom. “Ik kreeg het eerste heldere moment van mijn leven.” Hij zag in die foto een strijd tussen de ‘wijsheid’ van de grijze filosoof en het ‘onverantwoordelijke’ gezag.
“Die Bertrand Russel had groot gelijk. Er moest wat gebeuren tegen de levensgevaarlijke verspreiding van atoombommen. Daarom gingen we midden op de dag met z’n vijftigen op een kruispunt in Den Haag zitten.” De actie trok veel aandacht. Van Duijn werd van school gestuurd: “De naam van de school kwam in diskrediet. Terwijl ik dacht dat het de naam van de school sierde dat leerlingen zo actief waren voor de vrede. Dat was dus volkomen verkeerd gedacht van mij.” 
Een maand later organiseerde hij een tweede sit-in. Nu in Amsterdam, op de Heiligeweg. “Door die actie in Den Haag kwamen er allerlei mensen naar ons toe, zoals anarchisten van het tijdschrift De Vrije, nog opgericht door Domela Nieuwenhuis. Wij kwamen in contact met aardige Amsterdammers zoals Simon Vinkenoog en Ed van Thijn. Van Thijn was pas 27, maar had al een veelbewogen leven achter de rug.”

Geïrriteerde autoriteiten
Hij verhuisde naar Amsterdam en ging wonen in de Jordaan, waar veel jonge geestverwanten woonden. “Ik was ervan overtuigd dat de maatschappij te autoritair in elkaar zat. Ik had dat zelf ondervonden toen ik van school werd gestuurd vanwege die vredesactie. Ik was een tegenstander van het patriarchale gezag in Nederland, van oude mannen die beslisten wat goed voor je was. Er moest een revolutie komen, maar de arbeidersklasse deed dat niet. Dus moesten we een nieuwe klasse uitvinden die dat wel ging doen. Zo kwam ik op de naam provo. Dat werd ook de titel van ons blad. Met Provo richtte ik me op het ‘provotariaat’ in plaats van het ‘proletariaat’: mensen die er niet helemaal bij horen.” 
Provo werd wereldnieuws. De kleine Amsterdamse beweging bespeelde tussen 1965 en 1967 virtuoos de autoriteiten en de media. Er waren de happenings op het Spui, de rookbommen bij het huwelijk van Beatrix en Claus in 1966 en de vele ideeën, zoals het Witte Fietsenplan, de strijd tegen de ‘verslaafde consument’, de witte kleding. “Het wonderlijke was dat ik helemaal geen succes verwachtte. Ik schreef: ‘Wij weten dat wij de verliezers zijn en dat de autoriteiten te sterk zijn, maar wij willen klappen uitdelen zolang het nog kan, want in het verzet vind de mens zichzelf.’”
De Amsterdamse bestuurders reageerden onbeheerst. Zo nam de politie het eerste nummer van Provo in beslag, waardoor de nationale kranten erover publiceerden. De inhoud van het blad met een oplage van 300 werd meteen onder miljoenen lezers verspreid. “Die agressieve reactie was niet alleen een kwestie van domheid. De gezagsdragers waren werkelijk onverdraagzaam en snel geïrriteerd. Zij waren de baas en daar mocht je niet aankomen.” 
Aanvankelijk waren de Amsterdammers tegen de provo’s, die wat hen betrof bijvoorbeeld naar een concentratiekamp op Terschelling moesten. Maar hun populariteit groeide, ze kregen succes en aanhang. Tot zijn ongenoegen werd Van Duijn zelfs een soort idool, met een wassen beeld bij Madame Tussauds, dat op zijn werd aandringen vernietigd. 

Van Hall ten val
De opstandigheid en de rellen werden ernstiger. Bouwvakkers bestormden in 1966 het Telegraafgebouw. De politie greep niet in. Stadsgeschiedschrijver Geert Mak ziet 1966 als het begin van de ‘twintigjarige stadsoorlog’ tussen het alternatieve en het officiële Amsterdam. Symbolisch hoogtepunt was de val van burgemeester Van Hall. 
“Waarom moest Van Hall het veld ruimen? Hij raakte opgefokt door de politie die buitengewoon tactloos omging met de happenings. Geweld dat nergens voor nodig was. Na dat heftige bouwvakkersoproer legde hij de schuld bij de provo’s. Wij waren deftige rotjongens die de sfeer in de stad zo hadden verpest, dat de arbeiders de kluts kwijt raakten.” Maar de Commissie-Enschedé concludeerde dat Van Hall niet alert genoeg was geweest en niet krachtig genoeg de orde liet handhaven. “Toen werd zijn positie erg zwak. Meteen veranderden wij onze leus van ‘Van Hall ten val’ in ‘Van Hall moet blijven’. Omdat wij het voor hem opnamen werd zijn positie helemaal onmogelijk. Hij trad af.”

Vijf jaar nadat hij van school gestuurd, hielp Van Duijn mee een gerespecteerde burgemeester te onttronen. De cirkel was rond. “De verhoudingen waren volkomen veranderd. Die deftige rotjongens hadden de burgemeester weggejaagd, daar kwam het wel op neer. Er was een volkomen andere sfeer ontstaan. Vrije liefde, lang haar, antimilitarisme, het milieu, noem maar op. Alles moest anders.”

Provo was zo groot geworden dat veel provo’s de beweging wilden opheffen. Hetgeen gebeurde. “Met de dood van provo had ik het gevoel dat ik zelf ook doodging. Ik kwam in een soort rouw. Ik had me totaal geïdentificeerd met provo en lag maanden doodziek in bed. De dokter kwam en zei: ‘Van Duijn, jij hebt helemaal niets! Jij moet gewoon niet meer over de revolutie piekeren. Kom uit je bed en ga eens op een boerderij werken.’ Een geniaal advies van die man, dokter Wijerman aan de Keizersgracht. Ik ging werken op een boerderij in Zeeland en dat was andere koek.” 

Kabouters verdrijven
Hij moest elke dag spitten, schoffelen en helpen in de bakkerij. De boer legde hem alles uit over natuurlijke landbouw. Voor het rooien van de aardappels werd het loof met een aardappelloofklapper gekapt. “Ik vroeg aan de boer: ‘Moet er bij ons ook zo’n machine komen?’ Hij keek me meewarig aan en zei: ‘Je hoort toch wat een ontzettend lawaai dat maakt? Dat kan toch niet, dan verdrijven we de kabouters, man! Die hebben we nodig voor de groei van de gewassen.’” 
Kabouters! Van Duijn vond ze een voortreffelijk symbool voor de technologische mens die in harmonie met de natuur samenleeft. Mensen moesten ‘cultuurkabouters’ worden. Hij gaf de boer een hand en schreef nog in de trein naar Amsterdam het manifest voor de Kabouterbeweging. 
De Kabouterpartij kwam met maar liefst vijf zetels in de gemeenteraad: “Wij hebben een staat van de Kabouters opgericht, de Oranjevrijstaat, en wilden zo'n beetje alle witte plannen van provo verwezenlijken. We stichtten biologische winkels en ateliers voor de productie van kleren en kraakten leegstaande huizen. Dat is opgebloeid en de Oranje Vrijstaat is weer ingeslapen. Zoals de anarchisten altijd zeiden: ‘De staat moet inslapen.’”
Hij ziet de Kabouters deels als een groot succes:  “Veel is gemeengoed geworden, zoals biologische landbouw. Inspraak, decentralisatie. Amsterdam werd een soort walhalla voor de fietsers. Maar we waarschuwden ook tegen de verslaafde consument en ik vind dat er nu meer mensen verslaafd zijn dan toen, vooral aan elektrische apparaten. Jongeren verzuipen in de iPads.”

600 verschrikkelijke dagen
Een moeilijke periode was zijn tijd als wethouder namens de PPR, van 1974 tot 1976. Hij was wethouder gemeentebedrijven in een college met Han Lammers van de PvdA, Harry Verheij van de CPN en Ivo Samkalden als burgemeester. De jonge, onorthodoxe wethouder op zijn witte racefiets werd door zijn collega’s uiterst vijandig bejegend.
“Het waren 600 verschrikkelijke dagen. Ik droom er nog wel eens van dat ik aan tafel zit met die mensen en dat ze weer beginnen. Ja, het was verschrikkelijk, echt verschrikkelijk. Ik werd bedreigd en kreeg voortdurend denigrerende grappen over mij heen, zoals dat er met mijn hoofd gevoetbald zou worden. Het was niet uit te houden. De BVD-rapporten aan Samkalden zullen daarin een rol hebben gespeeld.”
Grote politieke conflicten zetten de situatie op scherp: de aanleg van de Oostlijn, de opstandige Nieuwmarktbuurt, de botsing tussen de ‘groot’- en ‘kleinschaligen’ in de Amsterdamse samenleving en politiek. Als geestverwant van de kleinschaligen werd Van Duijn gezien als hun bondgenoot. Uiteindelijk klapte het college omdat hij niet zomaar belasting wilde heffen voor een te bouwen kerncentrale, maar de keus aan de Amsterdammers wilde voorleggen. Hij kreeg een motie aan zijn broek, het college viel. Daarna was hij jarenlang een biologische boer in Groningen, om dan toch weer als raadslid terug te keren in de Amsterdamse politiek. Nu in de luwte.

Ridder van Oranje-Nassau
De laatste jaren krijgt hij veel erkenning. “Dat vind ik prettig, ik hoor niet tot de mensen die geen waardering willen. Ik ben in de gemeenteraad lang als een lastige idioot behandeld en dat deed mij wel verlangen naar erkenning.” Hoewel hij tegen de monarchie is, heeft hij een lintje voor zijn “langdurige inzet voor de democratie” aanvaard. “Ik ben nu Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Zo kon ik de AIVD wijzen op de tegenspraak dat het niet logisch is iemand die een gevaar is voor de democratie een onderscheiding te geven voor zijn verdiensten voor de democratie.”

Delen:

Jaargang:
2013 65

Gerelateerd

Sinterklaas en het Damrak
Sinterklaas en het Damrak
1 december 2013
Damrak 2013: lelijke façade verhult veel moois
Damrak 2013: lelijke façade verhult veel moois
18 november 2013
1963: het jaar waarin veel niet meer bij het oude blijft
1963: het jaar waarin veel niet meer bij het oude blijft
18 november 2013