Rivierbodemschatten uit het Damrak

Duizenden vondsten ‘boven water’ gebracht

Eind november 2005 beëindigden stadsarcheoloog dr. Jerzy Gawronski en zijn team de eerste fase van hun archeologisch onderzoek onder de Noord-Zuidlijn in aanleg. Ze groeven ónder het water aan de kop van het Damrak, oftewel de middeleeuwse monding van het Damrak. Dat was (pal onder het zakkende metrocaisson) een nogal hachelijke onderneming, maar Gawronski kijkt er met grote tevredenheid op terug. “We hebben er werkelijk uitgehaald wat erin zat!”

Wat heeft dit onderzoek nu voor nieuwe inzichten opgeleverd in de geschiedenis van Amsterdam? Dáárover laat Jerzy Gawronski zich nu nog heel voorzichtig uit. En met goede redenen: in deze met bijna militaire discipline uitgevoerde operatie ging het erom in korte tijd, vóórdat het zakkende caisson alle sporen zou verwoesten, zo veel mogelijk materiaal veilig te stellen. En al dat spul, triviaal of heel bijzonder, wacht nou in 700 vuilniszakken op nader onderzoek. Nou ja, een aantal heel mooie vondsten is al meteen terzijde gelegd voor nadere inspectie, maar toch moet er nog heel veel nauwkeurig worden bekeken.

Dan hebben we het niet alleen over voorwerpen van menselijke makelij, maar ook over grondmonsters, die iets kunnen leren over de ouderdom van diverse bodemlagen, en planten en dieren langs of in de rivier. Dat soort spul moet eerst naar het laboratorium om onder de microscoop te worden gelegd. Intussen pakken de archeologen zelf hun zakken vol losse voorwerpen uit, en proberen die te sorteren, determineren en dateren. Daar hebben ze nog járen werk aan!

En uit al dat onderzoek te zamen rijst geleidelijk een nieuw beeld op, al blijven in veel gevallen uiteenlopende interpretaties mogelijk. Maar daarover straks méér. Eerst wil Gawronski dolgraag vertellen hoe het onderzoek werd uitgevoerd, want zelden kwam daar zoveel ‘jongensromantiek’ bij kijken.

Wroeten onder het caisson

Vooraf stond vast dat het onderzoek naadloos moest worden ingepast in de werkzaamheden voor de Noord-Zuidlijn. Hier ging het om het afzinken van het caisson dat zal dienen als ‘startschacht’ voor het boren van de metrotunnel. In feite is het betonnen bak van 60 x 20 x 15 meter, waarbinnen de reusachtige boor in elkaar gaat worden gezet, die de komende jaren een tunnel onder de stad door gaat graven. Dat caisson verdween stukje bij beetje in de bodem van het Damrak-water, ter plekke van de middeleeuwse Nieuwebrug. Dat is de (naar huidige maatstaven) vrij smalle brug pal tegenover het Victoria Hotel, naast de veel bredere brug in het verlengde van de rijweg van de Prins Hendrikkade. De Nieuwebrug is voor deze gelegenheid tijdelijk gedemonteerd.

Gawronski: “Het uitgangspunt was: het afzinken moest continu doorgaan. Ons archeologische vond dus plaats tussen de bedrijven door. Dat caisson zakte door zijn eigen gewicht (15.000 ton!) en doordat de grond eronder met waterkanonnen werd losgespoten en vervolgens werd opgezogen. Dat spuit- en wroetwerk gebeurde in een ruimte tussen twee zijwanden die nog een stukje verder naar onderen doorliepen dan de bodem van de caissonbak. Om te zorgen dat dat vochtige hol niet volstroomde met grondwater, werd de lucht daar permanent onder overdruk gehouden."

"Hoe dieper we kwamen, hoe hoger de overdruk werd. Op den duur geeft dat een duizelig gevoel en als je er te lang achter elkaar werkt, kan je de gevreesde caissonziekte krijgen. Dus moesten de bouwvakkers én wij archeologen eerst medisch worden gekeurd; en we mochten maar een paar uur achtereen daar beneden werken. De weg naar beneden leidde door een smalle koker met een decompressietank, een soort schutsluis waarin je geleidelijk kon wennen aan de veranderende luchtdruk. Alléén werken was in die ondergrondse ruimte taboe en zes mensen was het maximum.”

Overdag werkten de archeologen bovengronds, in ploegen van ongeveer tien mensen. Pal naast het caisson stond op een stellage in de buitenlucht een grote industriële zeef, in het verlengde van een lopende band. Daarop braakte een pompmachine continu de modder uit, die van onder het caisson werd opgezogen. Die drab zakte door de zeef en erop bleven alle losse voorwerpen liggen: spijkers, scherven, messen, plaatjes, schelpen, noem maar op. De bijzonderste dingen werden meteen al veilig gesteld; de rest verdween in talloze genummerde en gedateerde zakken, voor nader onderzoek in een later stadium. In totaal werden zo ruim 700 vuilniszakken gevuld.

’s Avonds trad de tweede ploeg aan. Hun werk was nog veel zwaarder en absoluut onmisbaar, legt Gawronski uit: “Kijk, bij een gewone opgraving wordt meteen precies opgetekend uit welke grondlaag een bepaalde vondst afkomstig is. Maar dat ging hier niet. Door het geweld waarmee de grond wordt losgespoten, opgezogen en boven op de band gespuugd raakte natuurlijk alles door elkaar. Juist daarom hadden we afgesproken dat als tegen zessen de metrobouwers naar huis waren, wij archeologen op onze beurt naar beneden gingen. Daar brachten we de bodemprofielen die de volgende dag zouden worden weggespoten in kaart en groeven alvast de grotere voorwerpen die we konden vinden op voorzichtig op uit de bodem en de aarden wanden."

"Zo konden we toch redelijk vaststellen van welke diepte de voorwerpen afkomstig waren die de volgende dat bovengronds zouden worden gepompt, en dus ook bij benadering uit welke periode ze dateerden. Op zeven meter diepte vonden we bijvoorbeeld voorwerpen uit de 17de eeuw, op negen meter uit de 15de en 14de eeuw en weer twee meter dieper kwamen we op het niveau dat de Amstelbodem had in de 13de eeuw, toen Amsterdam zijn eerste bewoners kreeg. Toen het karwei eind november gestaakt werd, zaten we op veertien onder NAP, op een bodemlaag die dateerde van het begin van onze jaartelling. Ook namen we er bodemmonsters: dan schraap je een heel stuk zijwand over een hoogte van 50 cm in een metalen ‘pollenbak’, om later te kunnen onderzoeken wat voor plantenresten, schelpen, steentjes en wieren er allemaal in zitten.’

Stuifmeel en keizelwieren

“Archeologisch onderzoek gaat niet alleen over cultuur, maar ook over natuur,” beklemtoont Jerzy Gawronski. Aan de hand van de aangetroffen kiezelwieren en schelpen of het stuifmeel kan antwoord worden gegeven op vragen als hoe zout en hoe warm in een bepaalde periode en hoe sterk de stroom. Met die gegevens kunnen weer andere vragen worden beantwoord: een scherpe overgang van zout naar zoet water duidt bijvoorbeeld op de bouw van een dam ter plekke. Maar dat onderzoek van de bodemmonsters zal nog wel een hele tijd duren, denkt de stadsarcheoloog.

Daarnaast is de rivierbodem een fantastische verzamelplaats van de meest diverse overblijfselen van het dagelijks leven in vroeger tijd. Sommige dingen komen uit beerputten die in verbinding stonden met de Amstel, andere dingen hebben wandelaars wellicht per ongeluk in het water hebben laten vallen. Soms werd ook de rivieroever opgehoogd met afval van elders in de stad. Daarom is er zo veel uiteenlopend spul te vinden op de bodem van het Damrak, maar om de zelfde reden is het ook moeilijk vast te stellen wie het er heeft achtergelaten en waarom. “Wat we al niet vonden!”, zegt Gawronski. “Veel aardewerk en afgekloven botjes. Maar ook kinderrammelaars en hellebaarden, muntjes en schaakstukken, mantelspelden en moderne mobieltjes! En natuuurlijk veel sporen van de scheepvaart: dissels, hamers, bouten, bootshaken, krammen van scheepswanden, scheepsinstrumenten en dergelijke.”

Een opvallende constatering was dat in de bodemlaag onder die van omstreeks het jaar 1300 het aantal voorwerpen ineens spectaculair afnam. Dat kan komen doordat de IJoever en dus de kop van de Nieuwendijk (toen nog echt de rivierdijk) toen waarschijnlijk nog een stuk zuidelijker lag dan de Nieuwe Brug, die van omstreeks 1360 zal dateren. Maar een andere reden kan zijn dat de Amstelmonding in de 13de eeuw nog zó breed was dat voorwerpen vanaf de oever niet snel terecht kwamen in het midden van de stroom, waar nu de startschacht wordt gebouwd.

Zoals te verwachten was, stuitte men op heel wat restanten van oude versies van die Nieuwe Brug, vooral paalwerk. Daarom was het des te prettiger dat de avondploeg van drie, vier archeologen onder het caisson steeds steeds twee metrobouwers méékreeg. Die hadden onder meer veel werk aan het wegzagen van oude paalfunderingen van de Nieuwe Brug.

Andersom hadden de werklieden die overdag de grond onder het caisson wegspoten altijd gezelschap van één archeologische waarnemer, die spontane vondsten meteen kon determineren en veilig stellen. Die brug had zeker in de Middeleeuwen een militaire functie: ze was in zekere zijn een sluitstuk in de stadswal. “We troffen er dan ook veel wapens aan: zwaarden, dolken, speren, hellebaarden. Maar ik was toch wel verbaasd over de gigantische hoeveelheid messen die we vonden. Je zou bijna denken dat er een messenfabriekje of messenwinkel in de buurt zat, of een depot. Daar weten we nog niet het fijne van.”

In april 2006 zakt het caisson nog dieper: tot 25 meter onder NAP. Sporen van menselijk activiteit zullen niet meer worden aangetroffen, maar wel zal het daarbij plaatsvindende onderzoek ons wellicht wijzer kunnen maken over de alleroudste geschiedenis van de Amstel en het Oer-IJ. Gawronski kan nauwelijks wachten. Maar intussen hoeft hij zich niet te vervelen: die 700 vuilniszakken staren hem verwijtend aan.

Tekst: Peter-Paul de Baar
Foto: Projectbureau Noord/Zuidlijn
Febuari 2006

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Archeologie
Editie:
Februari
Jaargang:
2006 58
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
Vanaf 2000