Rijke bodem onder Rokin

Uniek archeologisch onderzoek in de rivierbedding van de Amstel

Stadsarcheoloog Jerzy Gawronski vertelt met enthousiasme over de opgravingen op het Rokin. De aanleg van de Noord-Zuidlijn geeft de archeologen een uitgelezen mogelijkheid tot diepgravend onderzoek: “Het toekomstig station Rokin is een enorme schoenendoos, precies in de bedding van rivier de Amstel. Die wordt uit gegraven. Daar zijn wij bij. Het is een unieke kans.”

Het zijn voor stadsarcheoloog Jerzy Gawronski en zijn collega’s belangrijke maanden. Op maandag 3 maart begon hun onderzoek op het Rokin. Het moet snel. De directie van de Noord-Zuidlijn wil opschieten. Voorafgaand aan de campagne heeft Gawronski nog even tijd vrijgemaakt voor een gesprek. “Dit moet het gewoon worden”, zegt Gawronksi, hoofd van de afdeling archeologie van het Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) en bovendien sinds kort hoogleraar ‘Maritieme en urbane archeologie van de late middeleeuwen en de vroegmoderne periode, in het bijzonder de stad Amsterdam’. Gawronski praat aan de vooravond van de opgravingen vol enthousiasme over het onderzoek op het Rokin: “Je moet je realiseren dat je in de rivier de Amstel staat. Met om je heen lawaai en machines, maar óók: de geschiedenis. Je staat midden in de 16de en 17de eeuw. Dat ruik je. Je ruikt het verschil. De 17de eeuw is anders dan de 15de.”

Wat ze willen onderzoeken weten de archeologen natuurlijk al lang. Nog maar kort geleden hebben ze te horen gekregen dat hun onderzoek in maart van start moest gaan. Het schema voor de aanleg van de Noord-Zuidlijn is onverbiddelijk. “Het moet snel, we zoeken een evenwicht tussen vlug en verantwoord werken. De ontgraving vindt plaats in vier of vijf etappes. We gaan steeds een paar meter dieper. Normaal werken we met tien mensen, maar nu worden er zo’n 20 tot 30 ingezet. Het is de bedoeling dat we in ploegen van vijf of zes archeologen van zeven uur ‘s morgens tot tien uur ’s avonds in de bouwput aan de slag gaan, zes dagen in de week. Het is haast een militair aangestuurde operatie, je moet wel van aanpakken weten.”

Na de eerdere onderzoeken onder het Damrak is het Rokin de tweede archeologische hoofdlocatie bij de werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn. Op het traject tussen Centraal Station en Rokin komen de archeologen er niet aan te pas. De metrobuizen zullen hier volgend jaar ondergronds worden geboord. De gigantische boor volgt 25 meter onder de grond de oude loop van de Amstel en komt via het Damrak en de Dam bij station Rokin weer tevoorschijn. “Daar ga je dus niet met je schepje achter staan. Dat heeft geen zin. Er komt een soort betonsmurrie uit. Als er iets tussen zit, is het vermalen en door de grootte van de boor worden afzettingen van verschillende ouderdom met elkaar vermengd.”

De archeologen laten de boortunnels schieten. “In theorie kun je op 25 meter restanten tegenkomen van het prehistorisch landschap in het laat-Pleistoceen, een periode met ijstijden, tot zo’n 100.000 jaar geleden. Toen de Noordzee nog niet bestond en je over een grote zandvlakte naar Engeland kon lopen. Maar ja, de kans is natuurlijk niet zo groot dat in die gigantische vlakte net op die ene plek van de tunnelbuis een jager zijn werktuigen heeft achtergelaten of dat er een mammoet is gaan liggen. We nemen wel in de verschillende bouwputten doorlopend tot 30 á 35 meter diepte series bodemmonsters voor het onderzoek naar klimaat, milieu en landschap in die tijden.”

Tussen de mensen

Anders dan op de vorige plekken, graven de archeologen op het Rokin in een deel van de rivier dat na de aanleg van de Dam ook vrij rustig was. De verwachting is dat door de geringe stroming veel interessant materiaal is blijven liggen. “Bij het Damrak was alles gebroken, je zit daar midden in de stroomgeul. Je had daar de werking van eb en vloed. Hier op het Rokin zit je volop in de stad, tussen de huizen en de mensen die daar woonden. De rivier is hier zo zacht, zo conserverend. Een kruik die in 1350 in de rivier terecht is gekomen, vind je bijna heel terug.”

De bouwput die wordt onderzocht is ongeveer 170 meter lang. Hier ligt straks het metrostation Rokin, met ingangen bij het Spui en de Dam. Om de put heen zijn de afgelopen jaren verticale ‘diepwanden’ aangebracht. De lange doos met een geïnjecteerd vloer die zo is ontstaan, wordt nu leeggemaakt. De archeologen weten van te voren al zo’n beetje wat ze tegen kunnen komen. Om te beginnen zit er een laag van zeker drie meter zand die is aangebracht bij de demping van het Rokin in de jaren dertig van de vorige eeuw. Daar zit niet veel in, maar daarna komt het.

“Op drie meter begint het voor ons interessant te worden. Dan beginnen de lagen waar je veel vindt. Op ongeveer elf meter houdt het dan weer op. Dat is de bodem van de rivier. Daartussen in vind je de weerslag van het dagelijks leven in de stad. Dat gaat zeker terug tot in de 14de eeuw, misschien wel verder. En het gaat natuurlijk niet alleen om de vroegste geschiedenis van Amsterdam, vooral ook om de 15de, 16de en 17de eeuw. We verwachten duizenden en duizenden gebruiksvoorwerpen te vinden, kruiken, bekers, schoenen, kleding, speelgoed, pelgrimsinsignes…noem maar op.”

De archeologen gaan ervan uit dat tot op een meter of zeven het meeste te vinden is. In de lagen tussen de zeven en elf meter zitten mogelijk ook sporen van de vroegste bewoning van Amsterdam in de 12de en 13de eeuw. “Het accent ligt bij de vondsten op de 18de tot en met de 15de eeuw. Verder terug in de tijd wordt het minder en verspreider. De oostkant van de rivier heeft een langzaam aflopende oever. Aan de westkant zie je een bocht, daar is het dieper uitgesleten. Daar liggen misschien wel resten van oudere bewoning, die in de 12de eeuw verspoeld zijn.”

Bij het interpreteren van vondsten uit deze vroege periode moeten de archeologen rekening houden met veel onzekere factoren. “Stel je voor, er kwam een stormvloed door de rivier en die veegde huizen op de oever weg. Dat spul zakt weg, dat kan nu misschien ergens anders terug gevonden worden. Er ligt veel door elkaar. We zijn op een hypothese gekomen dat het allemaal door elkaar gehusseld is door vloedgolven en overstromingen in de 12de eeuw, misschien ook in de 15de eeuw. Dat kan ook de reden zijn dat we op het land zo weinig terugvinden van die vroege periode van Amsterdam. In de rivier zouden deze resten nog aanwezig kunnen zijn.”

Een hele rivierbedding

Het onderzoek naar de rivier de Amstel zelf is een belangrijk onderdeel van het archeologisch programma. “Er wordt samengewerkt met specialisten op gebied van het riviermilieu, wieren, schelpen. Met die Amstel is het toch een complex verhaal. Je denkt dat je weet hoe het zit, maar in feite liggen er een hoop vragen. Liep de Amstel oorspronkelijke van zuid naar noord of juist andersom? Hoe is de rivier ontstaan? We hopen onder andere lengteprofielen te kunnen aanleggen waarbij de stroomribbels zicht baar worden.”

Het bijzondere van het onderzoek bij het Rokin is dat er een bouwput komt van 25 tot 30 meter diepte. “En daar zit dan in de bovenste 12 meter een hele rivierbedding in. Die rivier is eeuwen lang de slagader van de stad geweest, het dynamisch centrum van wat er in Amsterdam gebeurde. En het is niet alleen een waterweg geweest. De rivier is ook de plaats waar je dingen in weg gooit als je er van af wilt. Dat is altijd zo geweest. Je vindt er dus als archeoloog wat er in de loop van eeuwen in is gedumpt.”

Wat er nu nog in het Rokin aan voorwerpen ligt, kan ons veel vertellen over wat er zich vroeger op het water en aan de oevers heeft afgespeeld. Gawronski verwacht dat bestaande kennis van de geschiedenis van de stad op belangrijke punten kan worden verdiept. “Als je gaat kijken wat er op de oevers van het Rokin allemaal aan bebouwing heeft gestaan, zie je dat er behalve woonhuizen, werkplaatsen en winkels ook publieke gebouwen waren. De Nieuwezijds Kapel stond er, het Sint-Pietersgasthuis, kloosters, voorzieningen voor de scheepvaart. Daar moet je het nodige van kunnen terug vinden in de rivier. Als er ergens een werkplaats was, werd er afval in de rivier gegooid. Er zijn stadsbranden geweest. Wat zouden ze daarna met het puin gedaan hebben? Dat hebben ze vast niet buiten de stad gebracht. Ik kan me goed voorstellen dat we materiaal terug vinden dat samenhangt met de wederopbouw van de Nieuwezijds Kapel na de stadsbrand in het midden van de 15de eeuw. Hetzelfde geldt voor de Beeldenstorm in de 16de eeuw. Het is heel goed mogelijk dat je daar nog wat van terugvindt. Heiligenbeelden, stukken van het interieur…”

Een culturele biografie

Er komen bij dit soort onderzoek altijd wel opvallende dingen naar boven, maar het is voor de stadsarcheologen geen schatgraven. “Het gaat vooral om de samenhang, om het ruimtelijk tijdsbeeld. We hebben niks aan losse spullen, we moeten ook weten uit welke laag het komt. En uit welk vak in de oevers. We willen iets te weten te komen over wat er zich in al die eeuwen op de oevers heeft afgespeeld. Dat vraagt om een speciale manier van opgraven. We moeten alles documenteren om de relatie te kunnen leggen tussen de vondsten en de percelen op de oevers.”

Belangrijk voor Gawronski is de integratie van de vondstresultaten met bestaand en toekomstig historisch onderzoek. Een speciale bron zijn natuurlijk de prachtige stadsplattegronden van Amsterdam, zoals die van Cornelis Anthonisz (1544).“Die kaarten zijn voor ons uitgangspunt voor analyses. In feite gaan we die kaarten invullen. Die moeten gaan leven. Cornelis Anthonisz heeft hele mooie huisjes neergezet, maar we weten niet wie er woonden en wat ze deden. Op basis van ons onderzoek kunnen we daar straks meer over zeggen. We gaan ín die huisjes kijken. Het gaat in feite om de mensen en die hebben hun spullen in de rivier gegooid. Wat deden ze? Hoe werkten ze? De rivier is de spiegel van wat zich in die huizen heeft afgespeeld.”

Het Bureau Monumenten en Archeologie werkt voor dit onderzoek samen met het Amsterdam Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam. Gawronski wil dat graag uitbreiden. “Je moet hier de samenwerking aangaan met historici en kunsthistorici. We zouden graag willen dat er perceelsgebonden archiefonderzoek komt naar bewoning en gebruik. De resultaten daarvan kun je met de archeologische vondsten in elkaar schuiven. Dan krijg je een culturele biografie van de stad, zo kun je het historisch beeld verfijnen. Je kunt dan komen tot een échte integratie van archeologie en geschreven bronnen. Daar wil ik me sterk voor maken, om al die bronnen niet –zoals nu gebeurt – náást elkaar te gebruiken, maar om ze echt in elkaar te schuiven. Dan ontstaat iets heel nieuws.”

Een werkelijke integratie van alle bronnen voor de geschiedenis van Amsterdam bestaat nog niet. In de recent verschenen meerdelige Geschiedenis van Amsterdam is de bijdrage van de archeologen ondergebracht in aparte beeldverhalen, waarin de vondsten worden toegelicht. Misschien kunnen de opgravingen op het Rokin er toe bijdragen dat het archeologisch vondstmateriaal de plaats krijgt die het hoort te hebben, zegt Gawronski: “Het is een plek in de stad die zeker rond 1300 en waarschijnlijk al eerder flink in ontwikkeling was. Toen was er al bewoning en werkactiviteit rond het stuk Amstel dat nu Rokin heet. Het is en blijft uniek dat je hier een heel stuk rivier kunt uitgraven. Dat bodemarchief is ongelooflijk rijk. Kijk, dit is een Keulse pot uit 1850, hier een Baardmankruik uit 1650, dit zijn kruikjes van rond 1350. Alle eeuwen zitten erin, en massief ook.”

Tekst: Niels Wisman
April 2008

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Archeologie
Editie:
April
Jaargang:
2008 60