Rijke Amsterdammers vangen vluchtelingen op

In september 1914 werd Amsterdam overspoeld door Belgische vluchtelingen die het oorlogsgeweld in hun vaderland ontvluchtten. Velen werden opgevangen in loodsen en openbare gebouwen, maar ook stelden welvarende Amsterdammers hun huizen open. Het echtpaar Tom Gleichman en Annebet Heldring bijvoorbeeld, op Herengracht 478.

De Amsterdammers trekken zich het lot van de Belgische vluchtelingen gedurende de Eerste Wereldoorlog flink aan. Welvarende families stellen zelfs hun huizen open en vangen de overwegend Vlaamstalige Belgen op. Zo ook Annebet Heldring en haar man Tom Gleichman. Tom houdt zijn vader in acht brieven op de hoogte van alles wat hij dan meemaakt. 

“Mijn vrouw, haar broer en zusters hadden gisteren de goede opwelling om het huis Heerengracht 478 ter beschikking te stellen tot het opnemen van Belgische vluchtelingen”, schrijft effectenmakelaar Thomas Theodore Gleichman op 9 oktober 1914 aan zijn vader. “Gisteren is het voorzien van 30 bedden en alles wat daarbij behoort. De groote moeilijkheid was nu een administrateur te vinden, die de bende regeeren wil en ik heb gemeend mij daarvoor wel te mogen aanbieden.” ‘Tom’, zoals hij genoemd wordt, is getrouwd met Anna Elizabeth (Annebet) Heldring, die met haar broers en zussen het huis van hun in april overleden moeder heeft geërfd. Het grachtenpand aan de Gouden Bocht staat met zijn grote zalen al een half jaar leeg. De kinderen Heldring zijn erg begaan met de enorme stroom vluchtelingen uit het door de Duitsers ingenomen Antwerpen en besluiten als een van de eerste Amsterdamse families hun huis af te staan aan Belgische vluchtelingen. 
Tom Gleichman komt aan het hoofd te staan van wat hij een ‘armelijk zooitje’ noemt. Hij neemt zijn intrek bij de vluchtelingen. Ineens leeft hij zij aan zij met de eenvoudigste lieden. “Mijn mannen hier zijn enkel bootwerkers”, schrijft Gleichman aan zijn vader, die hij in acht uitvoerige brieven tussen 9 en 20 oktober op de hoogte houdt. “Ik hoef u dus niet te zeggen hoe ze zijn.”

Kogels op zak
Als een vader waakt hij over de ontheemden en organiseert de boel met strenge regels. Roken mag niet. Kinderen mogen overdag in geen geval het huis uit zonder dat ze zich in zijn kamer gemeld hebben. Volwassenen moeten om zes uur thuis zijn. ‘Avondpermissie’ geeft hij niet. Hij is dan ook erg ontsteld dat er mensen aan de deur zitplaatsen voor een café chantant komen aanbieden. “Voor mijn menschen, voor die stumpers die zoveel hebben doorgemaakt en die nog in zulke angsten zijn om hun betrekkingen. Ik heb hun gezegd dat in mijn oogen hun liefdadigheid een vreemden vorm aannam, die in ieder geval niet strookte met mijn huisregels.” 
Steeds meer raakt Gleichman begaan met het lot van zijn vluchtelingen. “Al die menschen hebben dingen gezien waarvan we hier geen begrip hebben. Die hebben voor en achter zich de ‘srapnels’ zoals ze zeggen, zien ontploffen en de jongens dragen de kogels in hun zak. Ik heb ook zoo’n medelijden met die meisjes en die vrouwen, die zonder aanleiding weer huilen gaan en die kinderen, die ’s nachts schreeuwende wakker worden als ze weer denken aan wat ze gehoord en gezien hebben. Als ze dan gaan praten, worden ze dikwijls onbegrijpelijk door hun flux de bouche, maar het was zo ontstellend duidelijk toen ik gisterenavond nog wat praatte met den man, die was aangekomen en die zijn hoofd in zijn handen heen en weer wiegde en klaagde: ‘O, dat kanon. Boem! Boem!’”

Madammeke Annebet
Dagelijk is Gleichman te vinden in de Effectenbeurs, het verzamelpunt waar alle net gearriveerde vluchtelingen worden geregistreerd en doorverwezen. Het is er net een slavenmarkt, vindt hij, met al die mensen die maar zitten of liggen te wachten. Op weg van het station naar de beurs ziet hij een “nieuwe stoet van 1500 ellendigen, door bereden politie voorafgegaan, terwijl matrozen, soldaten en padvinders de ouden van dagen steunden en kinderen en pakken droegen. Het is niet om aan te zien en de menigte snikt waar dat langs komt.”
In zijn eigen opvanghuis loopt alles “ongelooflijk vlot”. Gleichmans vrouw – ‘Madammeke’ genoemd door de vluchtelingen – is helemaal in haar element. Haar zussen Henriette en Louise helpen mee. “Geen werkje is hun te vuil”, merkt hij trots op. Van buitenshuis bieden mensen van alles aan. “Nu eens zijn het menschen, die denken dat we hier het werk niet af kunnen, dan weer zijn het meisjes-padvinders, die komen vragen of ik ook kleeren of nachtgoed  van hen wil aannemen. Allerlei autoriteiten die in comités zitten, wandelen hier de kamer maar in. En gisterenavond laat kreeg ik nog bij me een smid en zijn vrouw, die me kwamen zeggen dat ze geen kinderen hadden maar dat ze er zo graag een van die Belgen zouden nemen, zoals de vrouw zei; ‘een kindje dat zich aan je hecht’. Ze waren nog enigszins verbouwereerd dat ik er hun niet een meegaf.”

Nieuwsgierige kijkers
Aanloop met twijfelachtige bedoelingen is er al vanaf de eerste dag. “Doornsche chatelains, die menschen willen opnemen, verdachte dames die beweren dat ik brieven voor hen moet hebben, padvinders met boodschappen en allerlei menschen, die het hier wel eens willen zien, maar die ik dan met een grote beleefdheid de deur weer uitwerk zonder dat ze wat gezien hebben. Zoo kwam er gisteren een zekere De Vries, die onder zijn overjas een breed ordelint droeg, ‘niet om te geuren’, zoals hij zei, maar hij was lid van ‘het Comité’ en dat wilde hij mij bewijzen en nu had hij zijn vrouw medegebracht, die dan natuurlijk wel eens mocht kijken, want ze had gehoord, dat er hier zulke ‘snoezige’ kindertjes waren en nu wilde ze versnaperingen komen ronddeelen! Het is dan een heele kunst om zulken brutalen duidelijk te maken, dat ze hier geen steek te maken hebben en dat ze niets te zien krijgen.” 
“Er is anders genoeg te zien dat typisch is”, merkt hij een paar regels verder op. “Zoo speelden straks na het middageten een paar van de jongens op mondharmonica’s in die prachtige marmeren gang hier en toen ik er zoo naar keek en naar het bonte gezelschap, dat er om heen op de trappen zat en de ‘Vlaamsche Leeuw’ mee neuriede dacht ik bij mezelf: ‘hoe zonde dat ik hier nu alleen ben om zoo iets merkwaardigs te savoureeren’.”

Luizenkapjes op
Als de dagen verstrijken gaan de Belgische vluchtelingen zich steeds losser en vrijer gedragen en moet er “zoo nu en dan eens flink gedonderd worden” om er voor te zorgen dat het geen “hopelooze rommel” wordt. “Ik ben altijd maar bang, dat zo’n groote kerel, dien ik gebied om onmiddellijk op zijn stoel te gaan zitten, eens tegen mij in opstand zal komen, of dat de moeder van een kind dat zijn portie moet opeten, mij te lijf zal gaan. Het is ongelooflijk zoo weinig als die ouders over hun kinderen te zeggen hebben.” 
Hij voelt zich prima tussen deze volkse Vlamingen. Hij eet met ze van de volkskeuken (geen jus maar vet, “het smaakt best”). Als enkele vluchtelingen aan tafel weigeren kapjes tegen luizen te dragen, belooft hij zelf de volgende dag met een luizenkapje aan de maaltijd te verschijnen (en zwichten ze). Hij spreekt lof over de manier waarop ze met elkaar om gaan. “Mijn indruk is dat mijn menschen een goed soort zijn, al zullen mijn manieren er wel niet op vooruit zijn gegaan en mijn uiterlijk schijnt zich ook bij dat der vluchtelingen aan te passen, want op de slavenmarkt werd mij al door een padvinder met een medelijdend gezicht een sigaar aangeboden.”

Ander onderdak
Na tien dagen met de Belgische vluchtelingen begint hij weer naar zijn oude, gerieflijke leven te verlangen. “Ik zal niet weten hoe ik het heb als ik weer in mijn eigen bed slaap en bij mijn eigen kinderen ben. Ernst, Emilie, Chris en John boden mij van de week een déjeuner aan in een restaurant en toen was het zoo heerlijk om de beschaving weer eens te genieten.” De lange brief die hij ontvangt waarin het gemeentebestuur duidelijk maakt dat Amsterdam de terugkeer van de Belgen zoveel mogelijk wil bevorderen, komt hem goed uit. “Straks aan het middagmaal zal ik de passages voor lezen die mij het meeste passen.”  
Het einde van het vluchtelingenavontuur is dan in zicht. “Het zal heerlijk zijn om niet meer te verblijven in dit koude huis en op die planken vloeren en te midden van die hoogst twijfelachtige geuren.” Op 24 oktober laat hij het huis ontruimen, de vluchtelingen krijgen onderdak in loodsen aan het IJ. Tegenwoordig herinnert niets nog aan de functie die Herengracht 478 in de Eerste Wereldoorlog korte tijd vervulde.

Op 9 oktober 1914 geeft Antwerpen zich over aan de Duitsers en komt er een enorme stroom vluchtelingen naar Nederland op gang. De stadscommandant heeft de bevolking opgeroepen de stad te verlaten. Een half miljoen Vlamingen beweegt zich met karren en kinderwagens vol haastig ingepakte huisraad richting Nederland en Engeland. Koningin Wilhelmina had twee maanden eerder in de troonrede beloofd dat vluchtelingen welkom zouden zijn. De bevolking maakt haar woorden waar. Overal spannen Nederlanders zich in om hen op te vangen. 
Het inderhaast opgerichte Comité tot steun van Belgische en andere vluchtelingen loodst de duizenden vluchtelingen die per trein op het Centraal Station aankomen naar beide beursgebouwen een paar honderd meter verderop, waar ze na registratie een opvangadres toegewezen krijgen. Particulieren bieden spontaan hun leegstaande huizen aan, de gemeente richt enkele loodsen in aan het IJ en ook talloze openbare gebouwen komen ter beschikking (zoals de diamantslijperij van Asscher in de Tolstraat, de tijdelijke Bijenkorf, de Hollandsche Manege, Artis en Odeon). 
Op 12 oktober zendt de stationscommandant van Roosendaal een bericht naar het gemeentebestuur van Amsterdam met de vraag hoeveel vluchtelingen de stad nog kan herbergen: géén, is het antwoord. Er zijn er dan al 20.000. 
Naarmate oktober verstrijkt begint de gemeente steeds meer met de vluchtelingen in haar maag te zitten en wil ze kwijt. Als berichten doorkomen dat Antwerpen er tamelijk ongeschonden bij ligt (omdat er Duits kapitaal in de gebouwen zit, weet een verslaggever van het Algemeen Handelsblad) en de Duitse commandant heeft laten weten dat de vluchtelingen veilig naar hun huizen kunnen terugkeren, begint de gemeente hen aan te moedigen te vertrekken. Wie niet wil wordt eerst ondergebracht in de weinig comfortabele en koude loodsen aan het IJ, daarna naar doorgangskampen als Ede en Nunspeet gestuurd. Uiteindelijk keren de meeste Belgische vluchtelingen terug naar hun land, als het niet tijdens de oorlog is, wel kort daarna.

De brieven verschenen in 1976 in het 68ste Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum. Meer weten? Zie: http://amsterdam-eerstewereldoorlog.nl.

Delen:

Jaargang:
2014 66

Gerelateerd

Altijd reuring
Altijd reuring
18 juli 2015
Schrijvers over de jaren zestig
Schrijvers over de jaren zestig
Verhaal 1 december 2014
Koppijn in verdwenen straat
Koppijn in verdwenen straat
18 november 2014