Rembrandt

150 jaar held op sokkel

Zijn doeken lokken vele toeristen naar Amsterdam, maar zijn standbeeld staat er op het naar hem vernoemde plein weinig glorieus bij. Het werd 150 jaar geleden onthuld op het ernaast gelegen Reguliersplein (nu Thorbeckeplein) en daar gingen vele strubbelen aan vooraf. Tot en met gewonde arbeiders in de gieterij aan toe.

Na het uitroepen van “Leve het vaderland, hoezee!” gaf koning Willem III op donderdagmiddag 27 mei 1852 tegen enen het sein om het standbeeld van Rembrandt te onthullen. Die had een plaats gekregen op het Reguliersplein (ook wel Kaasplein geheten), dat in 1876 Thorbeckeplein zou gaan heten toen die staatsman daar op een voetstuk werd gezet. Rembrandt zou bij die gelegenheid naar het midden van de Botermarkt verhuizen, welk plein toen zijn naam kreeg. De initiatiefnemende kunstenaars hadden het beeld liever gezien op het pleintje dat ontstaan was door de sloop van de oude Beurs aan het einde van het Rokin (waar nu sinds 1913 gebouw Industria staat), maar daar was het stadsbestuur tegen. De funderingskosten, waarvoor de stad opdraaide, waren daar namelijk veel hoger. Op de dag van de onthulling werd daar niet moeilijk meer over gedaan. Het muziekkorps van de schutterij speelde en er werden nationalistisch getinte toespraken gehouden, met veel Vaderland en weinig Rembrandt. In de avond togen de genodigden naar uitspanning Het Park aan de Nieuwe Herengracht(ter hoogte van het huidige Wertheimpark) waar onder meer een lied klonk van Johannes Verhulst met tekst van Jan Pieter Heije. Het begon met de strofen: “Uit de diepten van het duister / tot het licht / Was Uw leven – was de luister / die U Neêrland is verpligt.” Ten slotte was er een groot bal met verloting van 228 kunstwerken, belangeloos afgestaan ter financiering van het beeld. Iedereen deed mee: de lijst van medewerkers aan het Rembrandtfeest leest als het stratenregister van de Concertgebouwbuurt.

“Ja, dat is grootsch!”

De nationalistische borstklopperij werd in de 19de eeuw steeds luider, en daarin paste het beeld van Rembrandt wonderwel. Standbeelden van beroemde landgenoten waren in Nederland met een lantaarntje te zoeken. Het (koperen) beeld van Erasmus in Rotterdam uit 1622, gemaakt door de Amsterdammers Hendrick en Pieter de Keyser, was het eerste, het Rembrandtbeeld het zevende. Het was van de zelfde hand als het elf jaar ervoor onthulde (ijzeren) beeld van De Ruijter in Vlissingen, die van de veramsterdamste Belg Louis Royer (1793-1868). Deze was in 1837 benoemd tot een van de vijf directeuren van de Academie van Beeldende Kunsten, die toen gehuisvest was in de Oudemanhuispoort. Hij woonde er vlakbij, op Oudezijds Achterburgwal 213, en op dat adres is het Rembrandtbeeld geschapen. De jonge katholieke literator en koopman Jozef Alberdingk Thijm was er kind aan huis en zag het beeld vorm krijgen. Aan een vriend schreef hij in juli 1843: “Hij werkt van ’s morgens zessen tot ’s avonds negenen en vervalt zichtbaar, maar het werk stijgt ten top; het kind groeit ten koste van de moeder.” Toen een jaar later het model klaar was, complimenteerde hij de maker in dichtvorm: “Ja God! ja, dat is grootsch! Dat is het schepsel waardig / Eens door U-zelf gevormd – sterk, vruchtbaar, edelaardig.”

Een technisch kunststukje

Het heeft dus lang geduurd, de weg van model tot onthulling. Het zat ook allemaal niet mee. Het idee voor het beeld ontstond op 11 juni 1841, tijdens een verbroederingsmaaltijd van Nederlandse en Vlaamse kunstenaars in Den Haag, toen schilder Johannes Bosboom hoog opgaf van het beeld van Rubens in Antwerpen en opperde of Rembrandt ook niet op een sokkel gehesen kon worden. De sfeer op deze bijeenkomst was dat kunst grensoverschrijdend was en dat kunstenaars elkaar nodig hadden, een dissident geluid zo kort na de afscheiding van België. Amsterdamse kunstenaars reageerden enthousiast op het initiatief en vormden ook een initiatiefcomité. In november 1841 stelden beide ‘Kommissiën’ een manifest op met als program het oprichten van een standbeeld voor Rembrandt in Amsterdam, door een Nederlandse beelhouwer gemaakt en in een binnenlandse fabriek gegoten. Als voorzitter van beide comités trad Jan Willem Pieneman op, collega van Royer op de Academie. De keus voor hem was ook handig omdat hij een potje kon breken bij de Oranjes, vanwege zijn althans in omvang op de Nachtwacht gelijkende schilderij De Slag bij Waterloo. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitia omarmde het Rembrandtproject met beide armen, en dat deed het Haagse Pulchri ook. Woordkunstenaar Jacob van Lennep deed ook een duit in het zakje en schreef een toneelstuk waarin Rembrandt, Rubens en Frederik Hendrik elkaar ontmoeten (het werd opgevoerd op 7 december 1848 in de Schouwburg en de opbrengsten kwamen ten goede aan het beeld). Maar het revolutiespook dat in dat jaar rondwaarde, deed de staatsobligaties waarin het spaargeld was belegd kelderen, zodat zelfs nog even overwogen werd om het in steen-mastiek (beton dus) te laten uitvoeren. Gelukkig was de som die bijeen was gebracht (door onder meer ruim 400 donateurs) genoeg om door de Haagse metaalfabriek van L.J. Enthoven & Comp. het beeld in ijzer te laten gieten. De eerste gieting mislukte, er raakten zelfs arbeiders gewond, maar de tweede – op 27 september 1851 – slaagde en was een technisch kunststukje omdat het uit één stuk was gegoten en niet zoals bij bronzen beelden in gedeeltes. De naam van meestergieter Ivar Jacobsen kwam daarom ook op de sokkel te staan, maar op de lagere sokkel van 1924, toen het beeld ook een kwartslag gedraaid werd, is die verdwenen.

Vuurwerk en gaslampjes

Als onthullingsdatum werd 1 mei 1852 vastgesteld, maar die termijn bleek te krap. Aannemer J. Rietsnijder die de fundering zou leggen, stuitte al meteen op gasbuizen en dat betekende uitstel. Hij bleek zich ook nog in de vingers gesneden te hebben met zijn lage aanneemsom, omdat de bouwput zelfs met twee pompen niet droog te houden was. Lastig was ook dat niemand precies wist hoe zwaar het beeld was. De schattingen liepen uiteen van 500 tot 600 kilo. “Waarom heeft de heer Eindhoven dat standbeeld niet gewogen,” verzuchtte de directeur van het stadswaterkantoor Jan van Maurik. “Er bestond hier althans geen angst dat Rembrandt gewogen en te ligt bevonden zou zijn.”

Directeur Publieke Werken A.C. Pierson bedacht feestelijkheden voor het volk, maar moest zijn plannen keer op keer bijstellen omdat zijn wethouder die te duur vond. Vuurwerk op de Amstel voor ƒ 500, dat kon dan nog, maar een illuminatie van het Trippenhuis – toen het Rijksmuseum waar de Nachtwacht hing – die ƒ1350 ging kosten, ging te ver. In de fries zou dus geen “Hulde aan Rembrandt” met gaslampjes oplichten en van de geplande 3900 olielampjes (‘lampions’) zouden er maar 1400 overblijven. Rembrandt zelf had ook tegenslagen in zijn leven gehad, zo hielden de mensen die zich druk maakten om zijn beeld zich voor. En al met al staat de schilder er nu al weer 150 jaar. Hij smeekt om een verfkwast. Nog even en het beeld is vergruizeld.

Delen:

Jaargang:
2002 54

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Rood Amsterdam in zwart-wit
Rood Amsterdam in zwart-wit
16 december 2002