PLEIN DER REVOLUTIE ‘Ha! Nu is ’t uit.’ Vrijdag 19 juni 1795

De beëdiging van het eerste min of meer democratisch gekozen stadsbestuur in juni 1795 was wel een feestje waard. Vijf maanden eerder was het stadhouderlijk bewind gevallen en daarmee de regentenheerschappij. De ‘provisionele representanten van het volk’ haalden alles uit de kast om er voor de ‘Amstellaren’ een gedenkwaardige dag van te maken.

Na de fluwelen revolutie in januari 1795 – de Bataafse omwenteling verliep zonder bloedvergieten – gonsde het in de stad van de politieke activiteiten. In leesgezelschappen en sociëteiten werd vurig gediscussieerd over de toekomst van de stad en het land. Een nieuw fenomeen waren de wekelijkse wijkvergaderingen in de gelagkamers van drankhuizen in bijna alle 65 wijken. Afgevaardigden van al die vergaderingen kwamen bijeen in Het Wapen van Emden, een oude herberg op de Nieuwendijk (nummer 196). Rekest na rekest stelden ze op om het voorlopig stadsbestuur onder druk te zetten. Op 11 april kondigde het stadsbestuur een kiesreglement af, dat helemaal verkeerd viel in die wijkvergaderingen: niet democratisch genoeg. Pas nadat afgevaardigden een rol kregen bij de verkiezingsprocedure – ze mochten stemmen tellen – kon de verkiezingscarrousel beginnen.

Kiesrecht hadden alle mannen van 25 jaar en ouder die ƒ 300,- of meer per jaar verdienden (en daarom belasting op koffie en thee moesten betalen) en minstens drie jaar in de stad woonden – recent uit hun ballingschap teruggekeerde Amsterdamse Patriotten hoefden niet aan die voorwaarden te voldoen. Iedere kiesgerechtigde mocht twee kandidaat-volksvertegenwoordigers voorstellen. Zij selecteerden op hun beurt uit hun gelederen zestig ‘voorstellers’, die op 18 mei onder klaroengeschal naar het stadhuis togen, om met een loting twintig ‘dadelijke voorstellers’ aan te wijzen. Op hun beurt maakten deze twintig een lijst op van 120 ‘geschikte kandidaten’, van wie de kiezers dan zestig namen moesten kiezen.

Op 9 juni kwamen de verkozenen bijeen op het stadhuis. Vijftien weigerden om uiteenlopende redenen hun zetel, waarna mannen met minder voorkeursstemmen aan bod kwamen. Al met al een nogal verwaterde vorm van volkssoevereiniteit dus, maar wel een grote stap vooruit vergeleken met de oude bestuursvorm van regentenfamilies die onderling de baantjes verdeelden. Voordat ze op 19 juni geïnstalleerd werden, kwamen ze drie keer bijeen om de vergaderorde vast te stellen en een dagelijks bestuur te kiezen.

 

Bouwsels

Inmiddels was op 4 juni het Alliantieverdrag tussen Frankrijk en het Bataafse Gemenebest door de Franse Assemblée nationale geratificeerd, dat op 16 mei in Den Haag overeengekomen was. De Nederlandse onderhandelaars – geleid doorde voorzitter van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland,Pieter Paulus, en de Friese jurist Laurens Huber – hadden de exorbitante Franse eisen enigszins kunnen matigen, maar het verdrag zadelde het land wel op met een vergoeding van f 100 miljoen gulden voor de inzet van het Franse leger bij de verdrijving van het stadhouderlijk bewind en bovendien moest de Franse annexatie van Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen geslikt worden. Daar stond tegenover dat Frankrijk de onafhankelijkheid van het land waarborgde – en dat was een feestje waard. (Een toezegging overigens die Napoleon later aan zijn laars lapte.)

Vrijdag 19 juni stelden in de vroege morgen Nederlandse en Franse soldaten en cavaleristen zich op het Plein der Revolutie – de nieuwe naam van de Dam – op voor het Huis der Gemeente, zoals het stadhuis nu heette . Om acht uur gingen alle klokken luiden en stroomde het plein vol met mensen. Winkels en neringen waren gesloten, opdat zoveel mogelijk mensen in de gelegenheid waren om de festiviteiten mee te maken.

Een commissie onder leiding van assuradeur Johannes Goldberg was een maand bezig geweest met de organisatie. Kunstenaars en ambachtslieden waren aan het werk gezet om op tien plekken in de stad tijdelijke bouwsels neer te zetten. Beschilderd, zoals Jacob van Lennep en Jan ter Gouw ruim een halve eeuw later schreven, “met de noodige gebroken jukken en ketenen, Vrijheidsmaagden en vertrapte kronen, hydra’s en Civilissen, en wat het allegorisch vernuft uit die dagen maar kon verzinnen – en rijk met opschriften versierd”. ’s Avonds verlicht waren de tableaus op hun mooist.

 

Noordenwind

Die ochtend werden eerst onder militaire escorte en met trommels en trompetten de gekozen volksvertegenwoordigers uit het Burgerweeshuis opgehaald en de aftredende bestuurders uit de Garnalendoelen op het Singel (nu onderdeel van de Universiteitsbibliotheek). Om twaalf uur hield Rutger Jan Schimmelpenninck als voorzitter van de ‘voorstellers’ een toespraak en beëdigde daarna de zestig verkozenen. Ook andere burgers hielden hooggestemde toespraken. “Het gejuich des volks was onbeseffelijk”, toen de kapitein van de gewapende burgerwacht Paulus van Duirveld de hoop uitsprak “dat Europa, ja de gansche aarde, eens één gezin zal uitmaaken van vrije en gelukkige menschen”, meldde Lieve van Ollefen in zijn Nationaale Courant.

De massa stroomde nu naar het IJ, waar een spiegelgevecht op het programma stond: de Slag bij de Doggersbank (1781), met als apotheose de aftocht van het Britse eskader. Helaas werkte het weer niet mee en moest de voorstelling vanwege de harde noordenwind worden afgeblazen. “Men heeft echter een menigte schoten gedaan, en de toegevloeide schaare met treffelyke muzyk trachten te vermaaken”, schreef de Nationaale Courant. Gelukkig waren er buurtfeestjes, waar gedanst werd rond vrijheidsbomen en gezongen, bijvoorbeeld een bewerking van het Franse revolutionaire lied Ça ira. “Ha!/ Nu is ’t uit (3x)/ met alle dwang der Arístocraten”, waren de eerste woorden. Gedronken werd er natuurlijk ook – vermoedelijk geen oranjelikeur.

 

Vetkaarsjes

De gure wind verstierde ook de avondlijke illuminatie van alle kunstwerken en van sommige gebouwen, omdat veel vetkaarsjes uitwoeien. Vooral jammer was het voor de schilderingen van Jurriaan Andriessen op ‘chassinetten’, van achteren belichte doeken. Hij was een specialist in het beschilderen van behangsel en had samen met zijn leerling Jan Bulthuis en zijn medewerker Johannes van Dregt het hoofdaandeel in het verfraaien van de bouwsels op de pleinen. Een wel heel merkwaardig bouwsel stond op de Botermarkt (nu het Rembrandtplein): de resten van een gotisch gebouw dat de ondergang van de oude constitutie moest verbeelden. Het ontwerp was van Jan Gerard Waldorp (later opzichter van de Nationale Kunstgalerij, de voorloper van het Rijksmuseum), de schildering van Andriessen.

Alle versieringen werden op 22 september weggehaald, maar de afbeeldingen en de ontwerpen zijn bewaard gebleven. De kunstenaars hadden er alles aan gedaan om duidelijk te maken dat voor Amsterdam een nieuwe tijd was aangebroken. Alleen het weer, dát hadden ze niet in de hand.

 

DE VERSIERINGEN

Heel lang is onduidelijk gebleven welke kunstenaars welke versieringen voor het Alliantiefeest hadden gemaakt. De Geschiedenis van Amsterdam deel II-2 kon in 2005 slechts enkele toeschrijvingen doen, ontleend aan het proefschrift Feesten voor het Vaderland. Patriotse en Bataafse feesten 1780-1806 van kunsthistoricus Frans Grijzenhout uit 1989. Zijn vakgenoot Richard Harmanni (hij promoveerde in 2006 op Jurriaan Andriessen), ontdekte in de collectie van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap nog acht gesigneerde ontwerpen. Zo weten we nu met zekerheid wie wat ontworpen heeft. Op de Nieuwmarkt, bijvoorbeeld, waren de schilderingen van Jan Bulthuis en was het schip boven die decoratie van de latere stadsbeeldhouwer Christiaan Welmeer.

 

Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Politiek
Editie:
Juni
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1700-1800