Paulus Potterstraat 13, Juni 1947: Het geveltoppenschandaal

Geschokt, reageerden de behoeders van de historische schoonheid van Amsterdam toen ze in de zomer van 1947 doorkregen hoe schandalig liefdeloos door Publieke Werken was omgesprongen met 18de-eeuwse geveltoppen die ter bewaring toevertrouwd waren aan het Stedelijk Museum.

"Het Dagelijks Bestuur van de Bond Heemschut heeft met ontsteltenis geconstateerd, dat de gevel- en bouwfragmenten, welke gedurende ruim dertig jaren zijn verzameld en opgeslagen in het Stedelijk Museum, thans (...) aan ernstige beschadiging, zelfs vernietiging zijn blootgelegd." Het museum had brokken gemaakt met historische geveldelen buiten in de museumtuin. De boze brief waarin de erfgoedbewakers aan B&W opheldering vroegen, werd in juni 1947 geschreven. Pas in oktober kwam er antwoord.
Het kwam hier op neer. Bouwfragmenten waren verplaatst om het hek van de Museumtuin te kunnen verzetten, dat moest nu eenmaal gebeuren. Bovendien was nu een begin gemaakt met het schiften en catalogiseren van de fragmenten om uitvoering te geven aan een besluit uit 1944 van de toenmalige wethouder en architect Jan Gratama. De negen geveltoppen die nog bruikbaar waren, lagen inmiddels opgeborgen in de museumkelder. "PW (stedelijke dienst Publiek Werken, MvM) heeft er dus alles aan gedaan de fragmenten te conserveren."
Schamperend reageerde Heemschut-secretaris Ton Koot: "Insiders weten maar al te goed dat 'de brokstukken die hier werden aangetroffen' voor een groot deel het gevolg waren van het harteloos neersmakken der fragmenten bij de verplaatsing van het tuinhek. Eerst jarenlang aan weer en wind blootstellen en daarna onkundig verplaatsen waardoor 80% der geveltoppen verloren is gegaan!"

Reddingswerk
Een van de gedupeerden was het Koninklijk Oudheidskundig Genootschap (KOG), eigenaar van een aantal geveltoppen en gevelstenen. Het genootschap was ingeschakeld door Eelke van Houten, de oud-hoofdinspecteur van Bouw-en Woningtoezicht die als geen ander zich bekommerde op de gevelbekroningen van gesloopte huizen. De sanering van Uilenburg, her en der in de Nieuwmarktbuurt en de afbraak van onbewoonbaar verklaarde panden in de Jordaan leverde in jaren twintig en dertig veel bouwfragmenten op. Na zijn pensioen in 1936 was hij onvermoeibaar doorgegaan met het redden van geveltoppen. Vaak kocht hij ze uit eigen zak voor een zacht prijsje van de sloper, wat alles bij elkaar nog aardig in de papieren liep. Hij leverde zijn kwitanties wel in bij het KOG, maar geld zag hij nooit. Bijvoorbeeld voor asfaltpapier om houten beelden in te pakken van Anthonie Ziesenis – stadsbeeldhouwer in de tweede helft van de 18de eeuw – die waren gered van de Schouwburgbrand in 1890.
Telkens weer ook stelde hij bijgewerkte lijsten op van geveltoppen (met de herkomst) en stuurde die naar de directeur van het Stedelijk Museum, kort voor zijn pensionering nog naar de toenmalige directeur Cornelis Baard. Na het 'geveltoppenschandaal', zoals Heemschut het noemde, stopte Van Houten gedesillusioneerd met zijn reddingwerk. Hij schreef: "Geen nota van genomen of medewerking in het wederplaatsen verleend, noch door de heeren Röell en Sandberg." David Roëll was Baard in 1936 opgevolgd met Willem Sandberg als adjunct, om na de bevrijding te verhuizen naar het Rijksmuseum, terwijl Sandberg zijn plaats innam bij het Stedelijk.
Eelke van Houten (1872-1970) had niet alleen waardevolle geveltoppen en natuurstenen bouwfragmenten verzameld (bij elkaar 127), maar zich er ook voor ingespannen dat ze herplaatst werden. In maar liefst 65 gevallen was hem dat gelukt. Soms bij restauraties, maar meestal ter bekroning van nieuwbouw die verkrotte panden verving. Deze 'Van Houten-monumenten' verfraaien sindsdien het stadsbeeld, maar wekken als een vorm van schortjesarchitectuur afschuw op bij puristen onder de monumentenzorgers. Lang na zijn tijd ontstond er in 2006 ophef toen zo'n pand, Rozenstraat 92, gesloopt dreigde te worden. De slopers kregen hun zin, maar gelukkig keerde vier jaar later de halsgevel in dezelfde straat terug op nr. 64.

Museumkelders
Willem Sandberg had uitbreidingsplannen met het Stedelijk – allereerst voor de tuinzaal/kantine en de bibliotheek – en wilde af van de bouwfragmenten in de tuin. Ton Koot vreesde het ergste. "Dat de Directeur van het Stedelijk Museum in een onderhoud te kennen gaf, dat hij het liefst de hele boel tot puin geslagen zag, geeft niet de overtuiging dat hij de beste conservator voor deze verzameling is." Ook al niet omdat Sandberg natuurstenen fragmenten weggegeven had aan beeldhouwers. Hij bepleitte daarom in september 1947 bij de Rijkscommissie van Monumentenzorg de oprichting van een centrale instantie voor toezicht op huizen en bouwfragmenten met een historische en cultuurhistorische betekenis.
Tijdens de oorlogsjaren waren er kelders onder het museum uitgegraven om kunstvoorwerpen veilig in op te bergen (de topstukken gingen naar bunkers in de duinen) en was er begonnen met het overbrengen van bouwfragmenten naar die kelders, omdat een deel van de tuin tot openbaar plantsoen was verklaard. Ook toen was er grote schade aangericht. Veel was er overigens niet gedaan, want adjunct Sandberg had zijn handen vol aan belangrijker ondergronds werk (hij zat in het verzet) en directeur Röell traineerde de zaak omdat het opgelegd was door het 'foute' stadsbestuur.
NSB-wethouder Gratama – die in een eerder leven de Transvaalbuurt had ontworpen, waarvan de bewoners nu werden gedeporteerd – was een verklaard voorstander van behoud van stadsgezicht. In 1943 blokkeerde hij de sloop van de Zandhoek en stelde hij een maximale bouwhoogte voor de historische binnenstad. In mei van dat jaar richtte hij ook Bureau Monumentenzorg op (onder Publieke Werken). Dat kreeg slechts weinig armslag, maar was wel belast met het opmeten en in tekening brengen van monumenten en met het redden van geveltoppen van door houtroof tijdens de Hongerwinter vervallen huizen.

Omzwervingen
Na de bevrijding ging het hoofd van Bureau Monumentenzorg Ed Messer met pensioen en nam zijn adjunct Jan Leupen het stokje over. Tussen hem en Sandberg boterde het niet, los daarvan was er ook geen publieksgeld beschikbaar tot de Marshallhulp er kwam. Een van de weinige wapenfeiten uit die tijd was dan ook een particulier initiatief: likeurstokerij Van Wees liet in 1946 enkele panden in de Driehoekstraat restaureren, die geveltoppen kregen van gesloopte panden aan de Geldersekade. Van de weeromstuit kwam monumentenzorg door het geveltoppenschandaal meer in de aandacht te staan. Ook al omdat de nieuwe burgemeester Arnold d'Ailly en de al even nieuwe directeur van Publieke Werken Jacob van Heemskerck van Beest er affiniteit mee hadden. Bureau Monumentenzorg (later aangevuld met Archeologie) kreeg in 1953 meer armslag en werd ook zelfstandiger.
De bouwfragmenten en geveltoppen vonden pas na vele omzwervingen op verschillende locaties – onder meer bij de Uilenburger Synagoge – in 2007 een blijvende plek in de nieuwe monumentenloods aan de Santoriniweg in het Westelijk Havengebied. Gelukkig konden vele geveltoppen herplaatst worden. Ter promotie werden in 1993 langs de muur van het Marine-etablissement in de Kattenburgerstraat twaalf gevels opgesteld. Met succes: negen gevels vonden een herbestemming, onder meer op de Zeedijk. Bij elkaar kregen er na de 65 van Van Houten nog eens 135 tussen 1954 en 2015 een nieuwe plek, vooral afkomstig van de Oostelijke Eilanden en uit de Nieuwmarktbuurt.


BEWAARD
In 2016 verscheen het boek Bewaard voor Amsterdam. Historische geveltoppen herplaatst, 1945-2015. Auteur is de architect Theo Rouwhorst. Hij werkte meer dan 30 jaar bij Bureau Monumenten en Archeologie (en zijn voorganger). Hij spoort de lezer aan om wandelend in de binnenstad omhoog te kijken – niet naar de blauwe lucht, maar naar de gevelpracht. Paul Nieuwenhuizen maakte de schitterende foto's bij de tekst.

 

September 2017

Delen: