Panoramagebouw in de Plantage was een grote volksattractie

Het Panoramagebouw in de Plantage was de voorloper van de IMAX-bioscoop: je stapte binnen in een geschilderde illusie die je 360 graden omringde. Geen panorama maakte zoveel indruk als Nova Zembla van Louis Apol.

Panoramagebouwen bestonden al langere tijd, overal in Europa. Ze waren populair en trokken vaak veel publiek. In Amsterdam hebben er in de loop van de 19de eeuwzeker zes gestaan. Op 21 december 1880 ging aan de Plantage Middenlaan het Panoramagebouw open, dat zich onmiddellijk ontpopte als een echte volksattractie. Grote man achter het initiatief was Gerard Frederik Westerman (1807-1890). Hij had in oktober 1878 de Panorama-Maatschappij opgericht, met een kapitaal van ƒ 250.000,-. Westerman was geen onbekende in de Plantage: hij was in 1838 medeoprichter en eerste directeur van Artis. 

Architect Isaac Gosschalk (1838-1907) nam het Panorama van Parijs aan de Champs-Élyséesals voorbeeld, maar voegde er een royaal voorgebouw aan toe. Het cirkelvormige gebouw had een diameter van 40 meter en een hoogte van vijftien meter en droeg bovenop de koepel de Amsterdamse keizerskroon. De entree kreeg een arcade, met kleine koepeltjes op de hoeken. Het totale oppervlak was ongeveer 1600 vierkante meter. Om ruimte te maken moest een deel van de Nieuwe Prinsengracht – die toen nog doorliep tot aan het Entrepotdok – worden gedempt. Het gebouw rustte op 670 palen en elke paal droeg circa 14.500 kg; het totale gewicht bedroeg 3.500.000 kg. 

 

Succes

Bij de opening op 21 december 1880 was de pers lovend over zowel het gebouw als het eerste panorama, Het Beleg van Haarlem door Pierre Tétar van Elven, die vlakbij op de Plantage Muidergracht woonde. Maar al snel volgde de kritiek: er zaten historische en topografische fouten in het schilderij, het perspectief klopte niet, de rol van Kenau Simonsdochter en haar vrouwenleger was een fabeltje en de vijf meter hoge figuren waren veel te groot. Een deel van de voorstelling werd in 1882 overgeschilderd: Kenau Simonsdochter verdween volledig. De schilder zelf wist van niets – hij zat in het buitenland.

Behalve de grote Panoramazaal in de koepel was er in het voorgebouw ook een kunstzaal voor tijdelijke tentoonstellingen. Schilders als Charles Rochussen, Louis Apol, Jan Hendrik Weissenbruch, Theophile de Bock, Jozef Israëls en Meijer de Haan behoorden tot de eerste exposanten. In 1882 hingen er ‘kunstenaressen van Nederland’: Thérèse Schwartze, Anna Alma Tadema en Sientje Mesdag-Van Houten. En twee jaar na het overlijden van Vincent van Gogh waren er in 1892 De Boomgaard, De Slaapkamer, Middagrust en Café de Nuit te zien.

De echte trekkers waren natuurlijk de enorme panorama’s van 115 meter lang, vijftien meter hoog. Het Panoramagebouw sloeg in: het eerste jaar kwamen er 80.000 bezoekers. Het effect van de panorama’s was dan ook heel sterk. Ze waren in feite de voorlopers van blockbusters in de hedendaagse IMAX-projectie. De bezoeker stond midden in het cirkelvormige panorama. Op de grond voor het schilderij werd de illusie verder versterkt met ‘sfeerelementen’ – denk aan het Panorama Mesdag in Den Haag, waar anno 2020 nog altijd echt duinzand ligt, met gras, visnetten, een mand en een verdwaalde klomp.

 

Concurrent

De verwoesting van Pompeï – een doek met een gewicht van 7000 kilo, vervaardigd door Ernst Witkamp en Nicolaas van der Waay – was in januari 1887 het tweede panorama. In vijf maanden kwamen er 15.000 bezoekers op af. In 1889 volgde het Panorama van Scheveningen van Hendrik Willem Mesdag, dat als een van de weinige panoramaschilderijen bewaard is gebleven en nu in het museum Panorama Mesdag in Den Haag hangt. Jeruzalem was nummer vier in november 1890, over de kruisdood van Jezus van Nazareth op Golgotha, door de huis- en rijtuigschilder Antoon Brouwer.

Jeruzalem was een bijzonder geval. Speciaal voor dit doel hadden Amsterdamse katholieken de Panoramamaatschappij Jeruzalem opgericht, die het gebouw afhuurde. Het Algemeen Handelsblad vond het ding “erg ordinair”, maar het bleef er jaren hangen. De maatschappij ging in 1909 failliet. Niemand wilde Jeruzalem hebben: bij de openbare verkoping werd de minimumprijs van f 1000,- niet gehaald.

De matige ontvangst maakte duidelijk dat de toekomst niet per se zonnig was voor het stilstaande panoramabeeld. Binnen enkele jaren groeide de bewegende film uit tot een fikse concurrent. Een rol speelde ook dat de panorama’s meer als volksvermaak dan als ‘echte’ kunst werden gezien – met Mesdag als uitzondering. Architect Gosschalk mocht in 1890 dan ook een ontwerp maken voor de verbouwing van het Panoramagebouw tot schouwburg – een goed gekozen moment, want de Stadsschouwburg op het Leidseplein was net afgebrand. Het bleef bij een plan op papier.

 

Expeditie

Maar in 1896 was het panorama nog één keer buitengewoon succesvol: een gezicht op het ijzige landschap van Nova Zembla, geschilderd door de Hagenees Louis Apol (1850-1936), die er zelf voor naar het hoge noorden was gereisd. Hij was gespecialiseerd in winterlandschappen en werd daarom in 1880 gevraagd mee te gaan op een van de expedities van het zeilschip Willem Barentsz, dat zich inspande om in het poolgebied de Nederlandse vlag te laten zien, wetenschappelijk onderzoek te doen en monumenten te plaatsen op ooit door Nederlanders ontdekte plekken.

Die missies waren een kwestie van nationaal prestige. Het stak de initiatiefnemers bijvoorbeeld dat de resten van het Behouden Huys van Willem Barentsz in 1871 waren teruggevonden door een Noor, Elling Carlsen. Moderne Engelse, Noorse en Duitse poolvaarders gaven nieuwe namen aan kapen, eilanden en baaien die eeuwen geleden al door Nederlanders waren bezocht.

Vóór zijn vertrek sloot Apol een contract met de Panorama Maatschappij voor een doek van 144 bij vijftien meter. Hij legde zijn indrukken vast in enkele honderden schetsen en aquarellen, met in zijn achterhoofd dat die ooit tot één groot geheel samengevoegd moesten worden. “Apol teekent en schetst overal; zelfs op de jacht verzuimt hij niet, zijn schetsboek mede te nemen”, noteerde de kapitein van de Willem Barentsz.

De verwachtingen waren hooggespannen. Lang voordat de schilder aan het feitelijke werk begon, kwam in de kranten al een flinke golf publiciteit op gang. Het Algemeen Handelsblad: “Een panorama als de Noordpool, door Apol geschilderd en gerangschikt, heeft zulk een kans van slagen, dat het mij niet verwonderen zou als half Nederland toestroomde om dat ‘onherbergzaam oord’, ons door kunstenaarshanden voorgetooverd, te aanschouwen.”

 

Damespraatjes

Hoewel de Willem Barentsz door slecht weer en tegenslag het Behouden Huys nooit heeft bereikt, maakte Apol er een pakkend schouwspel van, dat een kolossaal publiekssucces werd. De verwachtingen werd volledig waargemaakt. In Het Nieuws van den Dag van 31 juli verscheen een uitgebreide recensie van kunstcriticus Anton Loffelt: “Ik erken reeds dadelijk, dat dit schijnbaar mijlen uitgestrekte natuurtafereel een diepen indruk op mij gemaakt heeft. [...] Ik twijfel geen oogenblik of dit panorama van Apol zal niet alleen een groote populariteit ten deel vallen, maar ook de ontwikkelde en artistieke gemeente zal er meermalen een genotvol uurtje kunnen doorbrengen.” Zijn voorspelling kwam uit: tegen eind september waren er meer dan 20.000 bezoekers op afgekomen.

Apol en de Panorama Maatschappij hadden het onderwerp goed gekozen: de meeste Nederlanders waren vertrouwd met het ontdekkingsverhaal. Uit de geschiedenisboekjes en vooral uit het populaire gedicht De overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597 van Hendrik Tollens uit 1819. Hij had daarin de ontberingen en de gevaren van het poollandschap en de ijszee in ronkende bewoordingen geschilderd: Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,/ Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt./ Hier is de grond versteend, om nimmermeer te ontdooijen;/ ’t Zijn vlokken, anders niet, wat hier de wolken strooijen; [etc.].

Tollens had er een geduchte concurrent bij gekregen, schreef Thérèse Hoven in de Java-Bode onder het pseudoniem Fanny in haar rubriek ‘Damespraatjes’: “Vroeger was zijn naam voor ons met ’t barre eiland saamgegroeid, doch nu zullen we, in betrekking tot Nova Zembla, steeds naast Tollens aan Apol denken.”

 

Neergang

Op 29 april 1897 brachten koningin-regentes Emma en koningin Wilhelmina een bezoek aan het Panoramagebouw. Na dit hoogtepunt raakte de attractie geleidelijk maar onvermijdelijk financieel in de problemen. Het was niet langer mogelijk, bijvoorbeeld, om het omliggende plantsoen te onderhouden, een taak die de gemeente nu overnam. Wanneer het panorama van Apol werd verwijderd, is onbekend, evenmin als wat er daarna mee gebeurde. Het enige wat rest zijn foto’s, destijds aangeboden aan de twee koninginnen, en de talrijke schetsen die Apol maakte.

In 1920 was er een mogelijke koper die van het gebouw een volksschouwburg wilde maken, maar dat bleek onmogelijk door de voorwaarden waarop de gemeente de grond ooit aan de maatschappij had afgestaan. De gemeente kocht daarop zelf het gebouw en verplichtte zich om er een schouwburg van te maken, maar er gebeurde vervolgens niets. Plannen bleven plannen, een publieke verkoop in 1927 mislukte.

Het gebouw bleef nog open tot 1 oktober 1928 met het panorama De intocht van Jezus. Daarna kwam het leeg te staan. Wat ermee te doen? Dagblad Het Volk schreef een wedstrijd uit. Henri Polak stelde voor er een planetarium van te maken. Andere suggesties waren: een kunstijsbaan, een zwembad, een grote draaimolen, een opslagplaats voor oud roest van leger en vloot of “een gevangenis voor godslasteraars”. Terwijl de discussie voortduurde, verviel het gebouw tot “een deplorabele staat”. Het besluit tot sloop viel in oktober 1934.

 

Sloop

De Amsterdamse jeugd stak alvast een helpende hand uit, met kleine vernielingen. En soms gebeurden er mysterieuze zaken. Spoken! Een agent nam het zelf waar: witte schimmen, soms een lichtschijnsel, krijsende, krakende en huilende geluiden. Hij betrad het gebouw met een voor de zekerheid opgeroepen collega en zag een dertigtal in witte gewaden gehulde gestalten rondom een geïmproviseerd kampvuur, die er vandoor gingen zodra ze de politie zagen en naar de nok van het gebouw vluchtten, waar zij werden ontmaskerd. Het bleek om schooljongens te gaan. De Tijd publiceerde dit verhaal op 1 april 1935.

De sloop, ten slotte, op 15 oktober 1935, was spectaculair. Met een grote klap stortte de koepel van het imposante gebouw naar beneden. Omwonenden was gevraagd niet voor de ramen te gaan staan, de bewoners van het nabijgelegen Sint Jacobsgesticht waren tijdelijk elders ondergebracht. Het Algemeen Handelsblad schreef: “De laatste voorstelling was een succes.”

FRITS SLICHT IS OUD-LERAAR GESCHIEDENIS

Januari/Februarinummer 2020

Delen:

Buurten:
Oost
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
Januari Februari
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950