Overlevingskunstenaars. Ruigoord is er nog steeds na 50 jaar

In 1973 kraakte een groep kunstenaars het verlaten dorpje Ruigoord. Er ontstond een levendige vrijplaats, ingedamd tussen haven en industrie. Sloop dreigde meerdere keren. Hoe wisten ze te overleven?

Onder de rook van Amsterdam en omsloten door de akkers van de Houtrakpolder ligt het dorpje Ruigoord, ooit een eilandje in het IJ. Na de inpoldering van 1872 kwamen boeren uit Zeeland en West-Friesland om het nieuwe land te bewerken. Zij bewoonden boerderijen, hun knechten vestigden zich in het dorp.

In de jaren zestig spoot de gemeente Amsterdam een deel van de grond op met een metershoge laag zand. De polder kreeg een nieuwe bestemming als petrochemische haven, om te kunnen concurreren met het internationale handelsverkeer van Rotterdam. De boeren werden uitgekocht en verhuisden naar Spaarndam, Halfweg en Zwanenburg. Op zondag 22 juli 1973 vond in de Ruigoordse Sint-Gertrudiskerk de laatste mis plaats.

De volgende dag barricadeerden Amsterdamse kunstenaars de weg naar het dorp en kraakten de huizen, om te voorkomen dat de gemeente de sloop zou starten. Ze kregen hulp van de pastoor, die als ‘wraakactie’ voor de voorgenomen afbraak van ‘zijn’ dorpje, de sleutel van de pastorie en de kerk had gegeven. Diezelfde dag nog trok Amsterdam de sloopvergunning voorlopig in.

Schrijver, dichter en ex-provo Hans Plomp (1944) en (toneel)schrijver Gerben Hellinga (1937) waren de aanvoerders. Zij hadden elkaar leren kennen toen zij in het net-geopende Paradiso samen een aantal shows organiseerden. In de winter van 1972 vroegen zij op een persconferentie in Ruigoord aandacht voor het “brute slopen van dit unieke dorpje” en kwamen daarmee in actie tegen het “naar het Westen oprukkende industriefront” van Amsterdam. Na de kraak richtten de kunstenaars het Comité Ruigoord op en formuleerden een alternatief bestemmingsplan voor de regio.

 

Koekeloerders

Ruigoord werd “het ideaal van menig utopist”, aldus Hellinga en Plomp. In 1974 schreef Plomp in de Haagse Post dat Ruigoord “een utopisch tegenwicht” bood voor de in zijn ogen “grauwe werkelijkheid van de Bijlmermeer en het Westelijk Havengebied”. Het kunstenaarsdorp moest als cultureel centrum gaan fungeren en het gebied eromheen als natuurpark. Hellinga omarmde de omschrijving die Harry Mulisch in NRC Handelsblad had gegeven: “De godsdienst wijkt voor de oprukkende technologie, maar de kunst ligt op de loer om in de kier tussen die twee te springen.” Hellinga: “Zo is het. Wij zagen een kier.” De mens had “behoefte aan land, vrijheid en ruimte voor fantasie”, aldus de krakers. Zij zeiden naar die behoefte te handelen en legitimeerden zo hun alternatieve samenleving. In Ruigoord wilden zij “levensmogelijkheden creëren voor enkele duizenden mensen” en het dorp openstellen, voornamelijk “door er mensen te laten wonen die door de grote stadsgemeenschap op de vuilnisbelt zijn gegooid”.

De idealen en de verbeelding die in de eerste jaren vorm kregen in het alternatieve bestemmingsplan van Comité Ruigoord stonden echter op gespannen voet met de praktische verwezenlijking. Voor de “enkele duizenden mensen” die zij wilden verwelkomen, hadden de krakers eigenlijk geen ruimte: niet iedereen mocht en kon deelnemen aan de alternatieve samenleving. Voor nieuwe mensen was in het dorp geen plaats, zeiden Plomp en Rudolph Stockvis (organisator van activiteiten) in 1987 nog maar eens in Het Parool: “We zitten echt vol.” Eventuele nieuwkomers waren aangewezen op de zandvlakte, “en daar is het leven hard”. Toen een bewoner opperde om in de kerk uitvoeringen te geven voor buitenstaanders, verwierpen de anderen dit al snel, want “dat betekende honderden extra koekeloerders in het dorp, dranghekken, kortom een reservaat-gevoel”.

 

Milieu

De krakers wisten zich te handhaven dankzij de besluiteloosheid van de gemeente Amsterdam, die nog werd versterkt door de oliecrisis van 1973, waardoor de aanleg van een nieuwe haven opeens minder noodzakelijk was. De opgespoten grond was van Amsterdam, maar het gebied lag binnen de gemeentegrenzen van Haarlemmerliede, wat de stad afhankelijk maakte van de grillen van deze kleine buurgemeente en haar burgemeester Frank IJsselmuiden. Hij was tegen de industrialisatieplannen.

Maar in 1991 stelden de beide gemeenten en de provincie Noord-Holland een nieuw bestemmingsplan op, Ruigoord 1991, waarin stond dat het dorp grotendeels moest verdwijnen ten behoeve van een gemengd industrie- en haventerrein. Nu het voortbestaan onder vuur kwam te liggen, moesten de Ruigoorders hun positie opnieuw bepalen. Ze richtten het actiecomité Ruigoord Ongehavend op en zochten steun bij de buitenwereld.

Stokpaardje was niet meer verzet tegen industrialisatie, maar behoud van het milieu en de natuur rondom Ruigoord. Ze verwachtten daarmee zowel de politiek als de samenleving achter zich te krijgen en stelden het dorp langzaam open voor sympathisanten, onder andere door culturele en publieke activiteiten te organiseren. Ook richtten ze een ‘fanclub Ruigoord’ op, die uiteindelijk vorm kreeg in Vrienden van Ruigoord, een initiatief waarmee het dorp morele en financiële steun verkreeg en dat nog altijd bestaat.

Niet iedereen in de gemeenschap was even overtuigd van die koerswijziging. “Ik geloof helemaal niets van al die babbels over het milieu. Over bossen aanleggen en zo”, zei Gerben Hellinga. “Ik geloof er helemaal niets van. Zolang de machtsstructuren van nu blijven bestaan, loopt het helemaal verkeerd af.”

 

Groenoord

Ruigoord Ongehavend zette in op het natuurgebied, een “uniek steppegebied” te midden van “het zand van Joop”, zoals Hans Plomp zei. Het comité nam biologen in de arm, die hielpen bij de analyse van grondmonsters en bij wateronderzoek. Bewoners belden de milieuklachtenlijn over de stank die het dorp binnendrong vanuit de omliggende industrie. Er werd zelfs bezwaar aangetekend bij het Europees Gerechtshof dat de gemeente de verplichte milieueffectrapportage niet correct had uitgevoerd. Ook pleitte het comité voor een referendum over de komst van de geplande haven.

De milieukoers sloeg aan. Milieuactivisten van GroenFront!, de Nederlandse vertakking van Earth First!, schoten in juli 1997 te hulp. De directe aanleiding was een grenscorrectie van de Houtrakpolder op 1 januari 1997, waardoor Ruigoord voortaan juridisch onder Amsterdam viel, die nu zonder instemming van Haarlemmerliede haar gang kon gaan. De gemeente was al gestart met de eerste “herstelbare en omkeerbare werkzaamheden” voor de aanleg van de Afrikahaven, door het graven van een vijf meter diep, 1500 meter lang en 350 meter breed gat.

Onder de leuze EarthFirst!, No Compromise!, No Violence! richtten de milieuactivisten het actiekamp Groenoord in, een nieuwe utopische gemeenschap aan de rand van Ruigoord. In grote tenten kwamen bewoners en bezoekers bij elkaar, aten veganistisch en hielden open vergaderingen waarbij beslissingen op basis van consensus genomen werden. De actievoerders bouwden boomhutten en groeven een tunnelstelsel om ontruiming door de ME te bemoeilijken.

Maar ook hier dook de spanning tussen idealen en praktijk op. Groenoord trok behalve idealisten ook drugstoeristen, nomadisch volk en zwervers aan. De Ruigoorders deelden de waarden van de nieuwe, groene sympathisanten, maar de mogelijkheden om zich daadwerkelijk aan te sluiten door er te gaan wonen, bleven voor buitenstaanders beperkt. De eerste bewoners wilden nog altijd geen plek bieden aan ‘koekeloerders’.

 

Oase

Uiteindelijk konden de activisten de ontruiming van Groenoord niet verhinderen. In oktober 1997 werd het natuurgebied met de grond gelijk gemaakt en maakte plaats voor industrie en de haven. Opmerkelijk genoeg werd Ruigoord zelf gespaard: Amsterdam liet het dorp “als groene oase te midden van het aan te leggen havenindustrieterrein Afrikahaven” bestaan.

Een mogelijke verklaring voor die omslag is het ‘broedplaatsenbeleid’, dat Amsterdam vanaf 1999 begon. De gemeente erkende – mede onder druk van de kraakbeweging – dat er in de stad te weinig betaalbare atelierruimte was en ging verzamelgebouwen voor startende kunstenaars en creatieven faciliteren. Ruigoord werd een gelegaliseerde kunstenaarskolonie. De bewoners moesten zich nu wel als gemeenschap opnieuw ‘uitvinden’. “In de vroegere strijd ging het hippie-imago tegenwerken en toen hebben we gekozen voor het imago van een kunstenaarsdorp. Nu moeten we weer werken aan het imago, we hebben goud, een oase”, zei Hellinga in oktober 2005 tijdens de dorpsvergadering.

Vier jaar eerder was Stichting Ruigoord opgericht, die de opstallen en gronden huurt van het Gemeentelijk Havenbedrijf. Een tweede stichting, Landjuweel, opgericht in 1987 voor de organisatie van culturele evenementen, maakte plannen voor de toekomst. Voorzitter van de Stichting Ruigoord werd Ulke Hoekstra, op dat moment ook directeur van de naburige verffabriek Sigma Coatings, oud-Havenbedrijfdirecteur Godfried van den Heuvel werd de fondsenwerver.

De samenwerking tussen de kunstenaars en de gemeente berustte op het idee dat de Ruigoorders zo de grootst mogelijke vrijheid behielden en de creatieve geest in stand bleef. Hoekstra: “Na ingreep van de gemeente is het proces van illegaal naar legaal een feit. Nu komen de handhavers met echte regels om de hoek kijken. Laten we zorgen dat we minimaal aan hun eisen voldoen om daarmee volledige vrijheid te krijgen en te tonen dat er daarmee niets de nek omgedraaid kan worden.” Een van de kunstenaars zei dat de “gevestigde orde” slechts geldschieter was: “Wij, de mensen, zijn Ruigoord.”

 

Contract

In de dorpsvergaderingen ontstond onenigheid over de nieuwe situatie. Plomp sprak er in oktober 2005 zijn onvrede over uit: “We zijn geen stomme hippies, we zijn en werken met mensen van aanzien. We moeten niet opeens braaf zijn en gaan hielenlikken.” Maar de aanpassing zette door. Cultuursubsidies werden een belangrijke inkomstenbron en kwamen met allerlei voorwaarden en veiligheidsvoorschriften. Zowel activiteiten als de verhuur van ateliers moesten rendabel zijn. In samenwerking met het Havenbedrijf maakte Ruigoord een ‘havenfietsroute Ruigoord’. De kerk en Salon Ruigoord openden de deuren voor feesten en partijen. De legale fase ging gepaard met een drastische inperking van de vrijheid. Het gevoel van onbegrensde mogelijkheden was voorbij.

In de bijna vijftig jaar van het bestaan is sloop van het dorp voorkomen, doordat de gemeenschap herhaaldelijk de ideologische bakens heeft weten te verzetten. Gerben Hellinga zei in 2012: “Vroeger leefden wij als een outcast in de wilde natuur. Nu zijn wij de natuur in een industriële wildernis.” Hans Plomp, in hetzelfde jaar: “Na de bevrijding van scharrelvarken en scharrelkip is het tijd voor de bevrijding van de scharrelmens, met misschien zelfs een vrije uitloop.” Stichting Ruigoord tekende in 2017 een nieuw contract met het Havenbedrijf. Het voortbestaan van het dorp is daarmee in ieder geval tot 2027 verzekerd.

RENÉE KARSTEN SCHREEF HAAR BACHELORSCRIPTIE VOOR TAAL- EN CULTUURSTUDIES (UNIVERSITEIT UTRECHT) OVERDE PARADOX VAN MAXIMALE VRIJHEID: ‘WIJ, DE MENSEN, ZIJN RUIGOORD’. DE ONTWIKKELING VAN RUIGOORD ALS UTOPIE VAN 1973 TOT NU.

 

Oktobernummer 2020

 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right
Delen:

Editie:
Oktober
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Buurten:
West
Tijdperk:
1950-2000 Vanaf 2000