Oudebrugsteeg 23

Tulpengekte
6 februari 1636

In het najaar van 1636 sloeg de tulpengekte toe. Ook in Amsterdam. De prijs voor tulpenbollen begon spectaculair te stijgen door speculatie. Binnen enkele maanden spatte de zeepbel uiteen. In Amsterdam diende de crash zich vrijdagavond 6 februari 1636 aan op een veiling in een vermaarde herberg in de Oudebrugsteeg. De prijs ging onderuit.

Kwekers haalden hun neus op voor Switsers, zoals ze heetten. ‘Vodderije’ noemden zij deze tulpensoort, die een paar maanden eerder nog voor ƒ 60,- per pond van de hand ging. Een fikse som geld, zeker, maar bij lange na niet zoveel als de duizelingwekkende bedragen die tijdens de tulpengekte over tafel gingen. Op de fatale veiling in Amsterdam ging een pond Switsers bij opbod voor ƒ 1065,- van de hand, terwijl een paar dagen eerder nog ƒ 1500,- was neergeteld.
De herberg waar het gebeurde heette d’Os in de Bruyloft, maar stond algemeen bekend als de Meniste Bruyloft, naar de doperse achtergrond van waard Jan Theunisz. Een bijzondere man. Hij was voormalig lector Arabisch in leiden en ook actief als drukker en uitgever. Voor het drukken van Hebreeuwse teksten draaide hij – als eerste in Amsterdam – zijn hand niet om. Zijn herberg was vermaard om de muziek. Er stonden een waterorgel, een klavecimbel en zelfs een mechanisch ‘carillon’ met porseleinen ‘klokken’. Die winter was het een geliefde plek voor de tulpenhandel, zoals ook Het Witte Wambuys op de Nieuwendijk dichtbij de Dam.

Trekgeld
Wat er zich die bewuste vrijdagavond afspeelde in de Meniste Bruyloft weten we dankzij getuigenverklaringen, opgetekend door notarissen nadat de markt was ingestort. Jan Jeuriaensz de Meyer was gekozen als veilingmeester, een informeel college van bollenhandelaars zat aan tafel. De veiling verliep volgens een die winter ontwikkeld methode, die ‘in het ootje’ werd genoemd. Op een leitje schreef de veilingmeester een symbolisch bedrag dat de koper moest betalen aan de verkoper, het ‘treckgelt’. Om dat bedrag werd een cirkel – een ‘ootje’ – getrokken en daarboven een streep gezet. Links kwam de inzet te staan, rechts het hoogste bod. Of we hieraan de uitdrukking ‘in het ootje nemen’ aan te danken hebben?
Het was spannend, want toen de prijs was blijven steken bij ƒ 1060,-, ging Jacques de Poer (waarschijnlijk de wolhandelaar Jacques du Pours) staande op een bank er nog vijf gulden overheen. De Meyer wenste hem geluk en zag erop toe dat hij een schelling trekgeld betaalde. Eerder die avond had een pond Swisters bij een andere verkoping ƒ 1100,- opgebracht, “te leveren in droge bollen als de bol in de bloem zit”. De koper was ene Joost van Cuyck. Hij betaalde twee schellingen als ‘wijnkoop’, normaal een tegemoetkoming in de drankrekening, maar in dit geval bestemd voor de armen.
De volgende dag eiste de verkoper een betalingsgarantie voor die f 1100,-: de angst voor een prijsval zat er al in. Een voorbode was er drie dagen eerder in Haarlem geweest toen tijdens een veiling een pond Switsers ingezet was op ƒ1250, maar zelfs tegen ƒ1000,- onverkocht bleef.
Toch stortte de markt niet meteen in. Een veiling van de inventaris van een overleden kweker uit Alkmaar twee dagen later (woensdag 5 februari) bracht maar liefst ƒ 90.000,- op, waarbij voor de duurste bol maar liefst ƒ 4203,- werd geboden. De verweesde kwekerskinderen hebben er geen cent van gezien, want de fabelachtige prijzen zijn nooit betaald.

Bladluizen
De speculanten zaten met de handen in het haar: de bollen – die ze niet hadden, want die zaten in de grond – waren doorverkocht voor steeds hogere prijzen, die ze onmogelijk konden betalen. Het was een soort optiehandel geworden, een handelsvorm die in Amsterdam zo’n 25 jaar eerder was ontstaan en ondanks overheidsverboden floreerde.
Ook de kwekers zaten in het schip. Om hun handel te redden hielden kwekers uit dertien plaatsen op 27 februari in Amsterdam een vergadering. Alle transacties van vóór 30 oktober (de laatste dag dat er bollen de grond in gingen) werden ongeldig verklaard, tegen 10% vergoeding van de afgesproken prijzen. De Amsterdamse kwekers tekenden die overeenkomst overigens niet. Zij vonden dat percentage nog te hoog en uiteindelijk werd in Haarlem 3,5% overeengekomen.
Hoe was de tulp eigenlijk het object van speculatie geworden? Oorspronkelijk een inheemse bloem op de berghellingen van de Himalaya, was de tulp door de Turken in Europa geïntroduceerd. De botanicus Carolus Clusius (Charles de l’Ecluse) kweekte ze in de Leidse hortus en vanuit Leiden vond de bol een weg in (voornamelijk) Holland. Hoe gevlamder de tulp, hoe exclusiever en dus duurder hij was. Die vlammen ontstonden door een virus dat bladluizen overbrachten, maar dat zou pas in 1928 door Britse botanici worden ontdekt. Daarmee was ook verklaard waarom bijbollen (klisters) niet altijd identieke bloemen opleverden.
Aanvankelijk waren tulpen een verzamelobject voor rijkaards. De Amsterdamse regent Adriaen Pauw bijvoorbeeld had in de tuin van zijn buiten bij Heemstede een zeer zeldzame Semper Augustus staan, met spiegels erachter om nog meer indruk te maken. De meeste veredelde tulpenvariëteiten kregen de naam van de kweker, voorafgegaan door ‘admirael’ of (goedkoper) ‘generael’. De Amsterdamse kweker Jan Hendricxsz noemde zichzelf zelfs Admirael. Liefhebber Nicolaes Pietersz koos Tulp als familienaam. En florist Marcus Cornelisz vond de naam Flora wel passend.

Cappisten
Over de oorzaak van die plotselinge tulpengekte is al heel lang een historisch debat gaande. Professor Nico Posthumus (grondlegger van het IISG) zag allerlei elementen die speculatie in de hand werkten, zoals de overgang naar een optiemarkt met ondeskundige deelnemers, gebruiken als ‘wijnkoop’ (handelaars konden gratis slempen) en de introductie van het aan de goudhandel ontleende gewicht per ‘aas’ (circa 48 milligram) voor bijzondere bollen. Hij wees er ook op dat door de pestepidemie in 1635 er meer geld uit erfenissen in omloop was gekomen en veel meer bollen werden verhandeld dan er waren.
Tastte de crash ook de economie aan en gingen er veel mensen failliet, zoals pamflettenschrijvers suggereren? De Amerikaanse Ann Goldgar betwijfelt dat in haar boek Tulipmania (2007). Het geschokte vertrouwen maakte meer indruk dan de verliezen, meent zij. Eeuwen later waren er wél flinke verliezen toen in 2003 het investeringsfonds Novacap failliet ging, waardoor 85 miljoen euro verdampte. Het fonds beloofde gouden bergen door … in nieuwe tulpenrassen te investeren! Misschien had de naam een belletje moeten laten rinkelen bij investeerders als Philips topman Cor Boonstra, want speculanten in tulpen werden tijdens de tulpengekte ‘cappisten’ genoemd. Ze zaten ‘in de cap’, zoals de uitdrukking was. Spottend legden tekenaars een relatie met een zottekap, een met belletjes versierde narrenkap.
Tulpen uit Amsterdam kwamen in 1637 van tuinderijen buiten de Regulierspoort, de omgeving van het huidige Rembrandtplein. Op de bloemenmarkt daar vlakbij gaan ze nog altijd grif van de hand.


JAN THEUNISZ
Jan Theunisz (1569-1637), die zich ook deftig Joannes Antonides noemde, was geboren in Alkmaar en werd in 1604 poorter van Amsterdam. Twee jaar later opende hij zijn herberg d’Os in de Bruyloft. Boven de ingang hing een van zijn gedichtjes Een Duitse reiziger noteerde in 1627 de tekst, waarvan het begin luidde: “Heel boven op dit Huys, is ’t als een-Paradijs / Daar is Fonteyngeruys, Snaer, Pijpen, soet gekrijs.”

Delen:

Gerelateerd

Oude Schans, oktober 1833: Schimmige spokendans
Oude Schans, oktober 1833: Schimmige spokendans
Hier gebeurde het 30 juni 2022
Woonboten. Wildgroei op het water
Woonboten. Wildgroei op het water
Voorproefje 29 juni 2022
Roode Karel en het blok aan zijn been
Roode Karel en het blok aan zijn been
Voorproefje 29 juni 2022