Oud hout is niet lelijk: Het hergebruik van bouwmaterialen

Eeuwenlang werden bouwmaterialen zo veel mogelijk hergebruikt. Er werd weinig gesloopt en het meeste van wat nog goed en bruikbaar was, werd gewoon behouden. Pas met de industrialisatie nam de sloop toe. Amsterdamse monumenten laten zien hoe het ooit heel vanzelfsprekend was om verstandig met kostbare grondstoffen om te gaan. 

Toen in de laatste decennia van de 15de eeuw een bakstenen stadsmuur rond Amsterdam moest worden gebouwd, was een van de grote vragen waar al dat materiaal vandaan moest komen. Amsterdam ligt in een drassig gebied. Klei om stenen mee te bakken is hier niet voorhanden. De baksteen moest daarom worden geïmporteerd en daar hing een prijskaartje aan.  

Bij gerechtelijke uitspraken werden burgers daarom nogal eens veroordeeld tot het betalen van een steenboete. Tussen 1490 en 1552 werden er in Amsterdam zeker 123 steenboetes uitgedeeld, naast boetes die levering van zand of kalk voorschreven. Dit waren doorgaans hoge vermogensstraffen, die burgers flink in de problemen konden brengen. 

Niet alleen baksteen, ook natuursteen en hout moesten altijd worden geïmporteerd, soms over enorme afstanden. Natuursteen kwam doorgaans uit de Zuidelijke Nederlanden of uit de omgeving van het Duitse Bentheim. Bouwhout kwam vaak van nog veel verder weg; er zijn voorbeelden uit het oosten van Duitsland en Scandinavië, maar ook uit het Baltisch gebied. Dat men zuinig was op die materialen, zal niemand verbazen. Hoe zuinig, blijkt vaak bij bouwhistorisch onderzoek, bijvoorbeeld in de Zuiderkerk. 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

Toren

De bouw van de Zuiderkerk nam meer dan tien jaar in beslag. Op 14 juli 1603 begon men met de fundamenten en iets meer dan een maand later kon de eerste steen al worden gelegd. Die steen was allerminst nieuw. Omdat Amsterdam in de jaren daarvoor flink was uitgebreid, was men twee jaar voor die eerste steenlegging begonnen met de sloop van de oude stadsmuur. Het onderste stuk van de muur bleef als kademuur bestaan, maar de bakstenen daarboven verdwenen uit het straatbeeld. De stenen werden opgeslagen en even later gebruikt bij de bouw van de kerk. In 1608 werd de kap op de kerk gezet en met Pinksteren 1611 kon het gebouw met een dienst in gebruik worden genomen.

De voltooiing van de 68 meter hoge toren op de hoek van de Zandstraat en de Zanddwarsstraat volgde later. Het werd de eerste toren bij een protestantse kerk in Nederland en het was tevens het eerste torenontwerp van Hendrick de Keyser. Boven de vierkante, in baksteen uitgevoerde onderbouw volgt een achtkant van zandsteen met daarboven een met lood en leien beklede houten spits. Het werk was – getuige het jaartal boven de wijzerplaten – in 1614 gereed.

Ook bij de bouw van de toren werd gebruik gemaakt van oudere bakstenen. In de onderbouw zijn forse stenen aangetroffen, veel te groot voor wat in de 17de eeuw gangbaar was. De maten komen vrijwel overeen met de exemplaren die nog in de 15de-eeuwse Schreierstoren zijn te vinden. Door hergebruik werd economisch gebouwd, grondstoffen kregen op een vanzelfsprekende manier een tweede leven.

Nieuwe gevel

Niet alleen baksteen werd opnieuw gebruikt. Ook in houtconstructies kan vaak ouder hout worden aangetroffen. Het is een bekend fenomeen dat achter voorgevels uit de 18de en 19de eeuw vaak oudere huizen schuilgaan. In plaats van hun huizen te slopen en nieuw te bouwen, kozen de Amsterdammers er in die tijd nog voor het casco van hun huis grotendeels te laten staan.

Soms besloot men de kapconstructie op te tillen en het huis een extra verdieping te geven. Er werd een nieuwe gevel voor gezet, er kwam een achterhuis bij, het interieur werd van stucplafonds voorzien. Het materiaal dat voor de bouw van zo’n huis werd gebruikt, was soms nóg ouder

Een fraai voorbeeld is het huis Keizersgracht 339. De voorgevel hiervan stamt uit de eerste helft van de 19de eeuw, maar de constructie daarachter dateert grotendeels van rond 1620, uit de jaren toen het eerste stuk van de grachtengordel werd aangelegd. Bij houtonderzoek van de kapconstructie bleek echter dat de timmerlieden die oorspronkelijk de kap hadden gebouwd, daarvoor allerminst nieuw hout gebruikten: jaarringanalyse leerde dat de bomen die hiervoor werden gebruikt al rond 1475 waren gekapt.

Keizersgracht 339 is beslist geen uitzondering. Kromme Waal 16 werd kort na 1585 gebouwd, maar in het souterrain bevinden zich balken uit 1508, 1521 en 1538. Herengracht 78 werd in 1614 gebouwd door metselaar Hendrick Gerritszoon, als onderdeel van een rij kleine huisjes met trapgevels. De kapconstructie lijkt in zijn geheel van een ander gebouw afkomstig te zijn, dat rond 1590 moet zijn opgetrokken. Binnenkant 44 – staande op het in 1644 aangeplempte Waalseiland – bevat in het achterhuis hout uit 1612.

Schaarste

De indruk ontstaat dat hergebruik van hout met name plaatsvond in tijden van krapte. Schaarste leidde tot hogere prijzen en hergebruik was in zulke gevallen extra aantrekkelijk. Vooral tijdens de grote stadsuitbreidingen werden in korte tijd duizenden gebouwen neergezet, waarvoor onoverzienbare hoeveelheden hout en bakstenen nodig waren. Tijdens de Derde Uitleg werden in circa vijftien jaar tijd ongeveer 3850 gebouwen gerealiseerd, en de vraag naar eikenhout was in die jaren enorm. Op 4 augustus 1619 klaagde glasmaker Jan Hendricksz Soop dat hij masten had moeten gebruiken als brandhout en dat hij vier maanden lang überhaupt geen hout had gehad om te stoken.

Hoe gespannen de houtmarkt op dit moment was, bleek ook uit het onderzoek naar de Noorderkerk. Op 16 april 1623 werd de eerste preek in de kerk gehouden, maar onderzoek van hout in een van de aanbouwen maakte duidelijk dat voor de kapconstructie daarvan hout uit het jaar 1497 was gebruikt.Ook bij Huis Bartolotti, Herengracht 172, gebouwd tijdens de Derde Uitleg, en Huis van Loon (Keizersgracht 672) uit de Vierde Uitleg was sprake van meerdere partijen hout uit verschillende tijden, al lang niet meer nieuw.

De grote vraag naar hout zorgde ervoor dat in de meest uiteenlopende gebieden en steeds verder weg in Europa hout voor de Amsterdamse markt werd gezocht. Het huis Noorderdwarsstraat 7 heeft een gevel uit 1880, maar bezit aan de achterzijde een veel oudere kap en balklagen, rond 1700 gebouwd met hout uit het gebied rond het Onegameer in Karelië, ten noordoosten van Sint-Petersburg. Aan het einde van de 17de eeuw lijkt het hout voor de Amsterdamse markt van steeds verder weg te komen.

Grotere oppervlakten

De omgang met bouwmaterialen veranderde aan het einde van de 19de eeuw radicaal. De bouwtechniek vernieuwde in deze tijd voortdurend. Het gebruik van ijzer werd steeds gebruikelijker en door de aanleg van kanalen, havens en spoorlijnen werden transportroutes geopend die voorheen niet beschikbare materialen konden aanvoeren.

Door de opkomst van nieuwe gebouwtypen en nieuwe eisen aan functie, comfort en gebruik, besloten eigenaren en opdrachtgevers aan het einde van de negentiende eeuw steeds vaker om een bestaand gebouw helemaal te slopen en te vernieuwen, zeker als dat gepaard ging met schaalvergroting. Men had behoefte aan grotere oppervlakten, bijvoorbeeld voor kantoren, banken of verzekeringsgebouwen.

Door de opkomst van de monumentenzorg en de zorg voor het historische stadsbeeld kwam het regelmatig voor dat oude gebouwen werden gesloopt voor een nieuw pand in beton, maar dat de voorgevel ervan in historische vormen werd uitgevoerd. Een goed voorbeeld hiervan zijn de panden Rokin 54-56. Op het eerste gezicht lijken deze twee huizen uit de 17de en 18de eeuw te stammen. In feite waren ze zelfs nog ouder en waren het 16de-eeuwse huizen met later vernieuwde voorgevels. Maar in 1964 werden beide gebouwen gesloopt om daarna met moderne middelen te worden herbouwd, waarbij de voorgevels nauwkeurig werden gekopieerd. Rokin 54 kreeg daarbij wel een extra verdieping.

Gelukkig wordt sloop tegenwoordig steeds minder vanzelfsprekend, al zijn er nog steeds veel gebouwen die uit het stadsbeeld dreigen te verdwijnen. Dat dit lang niet altijd nodig is, kunnen we leren van vroegere generaties, die in sommige opzichten veel verstandiger waren dan wijzelf.

Gabri van Tussenbroek is hoogleraar Stedelijke identiteit en monumenten, in het bijzonder van de stad Amsterdam aan de Universiteit van Amsterdam.

Beeld: 'Zandstraat 17' - Stadsarchief Amsterdam / Archief van de Dienst Ruimtelijke Ordening en rechtsvoorganger
Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Architectuur
Editie:
September
Tijdperk:
1500-1600 1600-1700
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal