Opkomst en ondergang van de rode kiosk

Kioskjuffrouwen deden hun werk in nauw corset

De straatkiosk keert terug in de stad. De plannen van enkele ondernemers zijn in een vergevorderd stadium. Onder het straatniveau opende vorig jaar al een AKO-kiosk, op het metrostation Waterlooplein. Het wachten is nu op de eerste bovengrondse kiosk. Oude tijde herleven. Rond 1929 telde de stad 32 van zulke kiosken. Eind maart 1971 sloten de laatste vier, waarmee na bijna een eeuw een vertrouwd straatmeubel was verdwenen.

De Amsterdamsche Courant meldde zaterdag 1 juni 1878: “Heden worden de eerste kiosken geplaatst.” Ze kwamen te staan op de Dam en schuin tegenover Artis. Een week later kwam er ook nog een kiosk op het Frederiksplein. De Kiosk-onderneming had ervoor gezorgd dat dit fenomeen, waarvan Parijs in 1857 de primeur had gehad, nu ook in Nederland zijn intree deed. Als eerste onderneming die zich wijdde aan kioskexploitatie was de firmanaam eenvoudig gehouden. Pas in 1920, na verkoop van de kiosken in Den Haag – waarmee in 1898 was begonnen, ging de firma Amsterdamsche Kiosk-Onderneming heten (AKO), welke naam sinds 1955 gewijzigd zou worden in Algemene Kiosk-Onderneming.
Het had heel wat voeten in de aarde gehad om het gemeentebestuur zover te krijgen dat er een vergunning – concessie heette dat – afgegeven werd om dergelijke bouwsels op de openbare weg neer te mogen zetten. Isaak Meijer Bles (1834-1902) had het voortouw genomen door in 1875een verzoekschrift aan de gemeenteraad te schrijven om ‘ijzeren kiosken’ te mogen neerzetten op de openbare weg, ‘ter verkoop van binnen- en buitenlandse bladen, op dezelfde voet gelijk zulks in het buitenland geschiedt’. B&W hadden niets in dat voorstel gezien, want het was gemeentelijk beleid om in verband met het toenemend verkeer allerlei obstakels op te ruimen. Bovendien betwijfelde burgemeester Den Tex of er wel behoefte was aan dergelijke ‘courantenhuisjes’: in tijden van politieke spanning konden straatverkopers wel in de vraag voorzien. De Frans-Duitse oorlog van 1870/’71 lag nog vers in het geheugen. Doordat toen net de belasting op kranten en advertenties – het dagbladzegel - was afgeschaft waardoor de prijs van kranten was gehalveerd, was het stelpen van de honger naar nieuws voor het eerst niet meer voorbehouden aan de gegoede burgerij.

Losse verkoop
Initiatiefnemer Bles zag een toekomst voor de losse verkoop van lectuur, zoals hij dat gezien had toen hij als letterontwerper in Brussel had gewerkt. Sinds 1874 woonde hij in Amsterdam, waar hij een drukkerij om afbeeldingen te reproduceren was begonnen en in drukkersmateriaal was gaan handelen. Toen zijn associé P. van Dijk met dat laatste alleen verder ging, was hij iets anders gaan doen: het verkopen van petroleum-kooktoestelletjes – een nieuwigheid – op het adres Brouwersgracht 61. 
In 1877 lieten B&W de raad weten dat winkelier J. Bles – in de tijd van voor de typemachine werd de I vaak als J gelezen – opnieuw een verzoekschrift had ingediend om kiosken te mogen exploiteren. B&W zagen nog steeds niets in kiosken, maar dat standpunt werd door de Raad op 9 januari 1878 afgewezen. Het leidde ertoe dat de Raad op 24 april erna instemde met het plaatsen van veertien kiosken door Bles. De in de arm genomen architect IJme Bijvoets – een Fries die zich in Amsterdam had gevestigd – had zich duidelijk laten inspireren door het Franse voorbeeld, dat weer ontleend was aan de zwierige vorm van een Ottomaans (Turks) tuinprieel (kioshk). Ze werden in de kleur van de stadsvlag rood geschilderd.
Al een jaar na de start van de Kiosk-Onderneming werd de concessie overgeschreven op naam van Martin Wolff (1846-1907), die net als Bles uit de kleine joodse gemeenschap van Den Haag afkomstig was. Vermoedelijk was hij al vanaf het begin bij de kioskexploitatie betrokken en had hij de leiding van het bedrijf naar zich toegetrokken omdat hij over meer financiële middelen beschikte. Hij was importeur van wijn en champagne, en bleef dat ook nadat hij in de lectuurhandel was verzeild.
Wolff was een ondernemend type. Dat bleek al in 1879 uit zijn voorstel om samen met J. Kogel en M.J. Boissevain een nieuwe Beurs te bouwen. Dat idee had geen schijn van kans, want maar liefst 240 beursbedrijven keerden zich tegen particuliere exploitatie van de Koopmansbeurs. Beter verging het met zijn initiatief in 1885 om de Vereniging ter Bevordering van het Vreemdelingenverkeer te stichten, de eerste VVV in het land. De fontein op het Frederiksplein was het eerste wapenfeit van die club.Om de expansie van zijn kioskonderneming te financieren was hij ook actief als projectontwikkelaar –in Zandvoort en later ook in Scheveningen – en pachtte hij ook jarenlang de stadsaanplakborden.

Tramkaartjes en postzegels
De zekerheid die in 1888 verkregen werd om nog 25 jaar het monopolie op de stedelijke kiosk-exploitatie te hebben, was het sein om het aantal kiosken nog verder uit te breiden. Toen Wolff in 1907 op 61-jarige leeftijd overleed, stonden er 29 rode kiosken in de stad. De firma had een goede naam, deels door het feit dat je bij de kiosk ook tramkaartjes en postzegels kon kopen, deels vanwege de nobele geste om als personeel weduwen aan te trekken, van wie het lot moeilijk was in een tijd waarin een (weduwe)pensioen een hoge uitzondering was. En de praatgrage breiende kioskjuffrouwen waren ook nog eens bereid om tegen een fooi als alternatief postagentschap te fungeren, hetgeen hen met name bij verliefde brievenschrijvers populair maakten.
Eduard Wolff, die zijn oudere broer Martin als directeur was opgevolgd, deed niet veel meer dan op de winkel passen. Maar toen in 1918 de vijf jaar eerder stilzwijgend verlengde concessie voor kioskexploitatie afliep, werd hij door de gemeente voor het blok gezet. In Rotterdam was bij openbare aanbesteding een veel hogere opbrengst voor de kiosken verkregen en dat voorbeeld verdiende navolging. Als overgangsmaatregel nam de gemeente nu de kiosken over en mocht Wolff de exploitatie tot 1921 tegen een fikse pacht voortzetten. Om dat te betalen verkocht hij nu zijn kiosken in Den Haag, waar zijn broer twintig jaar eerder ‘Amsterdamse’ kiosken had neergezet. In die stad waren meerdere kioskondernemers actief. Een van hen, de Rotterdammer M.A. Vink – eigenaar van firma Dusault – wist vervolgens aan het langste eind te trekken toen de Amsterdamse kiosken in het openbaar verpacht werden.
Voor Eduard Wolff, inmiddels de 70 gepasseerd, was dat het sein om de Amsterdamsche Kiosk-Onderneming – zoals het bedrijf was gaan heten na afstoting van de Haagse kiosken – in 1922 te verkopen aan twee werknemers. Dezen vonden W.G. de Marez Oyens bereid zo goed als de gehele overnamesom van een ton te betalen, in ruil voor de een derde van de winst. AKO omvatte toen – naast enkele stalletjes in hotels als Krasnapolsky – alleen stationskiosken, waarmee in 1889 bij de opening van het Centraal Station was begonnen op de lijnen van Hollandsch Spoor. De Utrechtse firma Bruna exploiteerde vanaf 1891 kiosken op de lijnen van Staatsspoor. Tot irritatie van de laatste bleef het publiek de krantenjongens op de stations nog heel lang Ako’s noemen, ook al waren ze in dienst van Bruna.

Nauw corset
Het waren de nadagen van de rode ijzeren kiosk. In de gemeenteraad was geklaagd over de arbeidsomstandigheden. De hokjes waren zo nauw dat ze de verkoopsters omsloten als een corset. Bovendien ontbeerden de kiosken een wc, een omissie die de arbeidsinspectie zeer ernstig nam. Ook klaagde de Vereniging tot Behartiging van de Belangen der Vrouwen over de lange werktijden en het karige loon van de kioskjuffrouwen. De vrouwen werkten van circa acht uur ‘s ochtends tot acht uur ’s avonds en op zaterdag dikwijls nog langer. Ze ontvingen daarvoor f 6 per week, exclusief bonussen en fooien.
Het gemeentebestuur bleek gevoelig voor de kritiek op de arbeidsomstandigheden en wilde de kiosk vervangen door een multifunctioneel gebouwtje: een kiosk annex openbaar toilet en abri voor de tram. Dat plan moest al snel worden bijgesteld omdat het door de economische inzinking van begin jaren twintig van de vorige eeuw veel te duur was. Er kwamen maar een paar van die gecombineerde kiosken, waarvan het stenen gebouwtje op het Rembrandtplein uit 1921 van de hand van A.A. Kok er nog steeds staat. Publieke Werken kwam toen met de oplossing om de ijzeren kiosken te vervangen door ruimere houten kiosken, voorzien van een wc, die ook als openbare telefooncel gebruikt konden worden.
De nieuwe kiosken, die begin 1926 in gebruik werden genomen, kregen kubistische vormen. Architect Jan de Meijer tekende een model met een breed front en zijn collega Nico Lansdorp een met een smal front, en daarvan zouden de meeste geplaatst worden. Erg enthousiast werd er in de pers niet op gereageerd. HetAlgemeen Handelsblad vond het geen verbetering dat ‘de kruisingen van een Japansche pagode en een Turksch grafmonument’ plaats hadden moeten maken voor grijze ‘pillendoozen.’ ‘Uit een vierkant torentje komt een glazen buik onelegant naar voren, vond deze krant, die met instemming meldde dat het publiek ze omschreef als gasmaskers. 
De pacht van de kiosken werd weer toevertrouwd aan AKO. De pachtsom was bepaald op ƒ 25.000 – een verhoging van tien mille – en een kwart van dat bedrag moest vooruitbetaald worden. Bovendien werd een borg verlangd ter hoogte van de jaarlijkse pacht. Voor de financiering daarvan zorgde H.M. Bruna, directeur van de Algemene Spoorweg Boekhandel. Dat geld zou hij dubbel en dwars terugverdienen, hem zou levenslang een derde van de nettowinst van de Amsterdamse kiosken toekomen. Bruna, de opa van Dick, de schepper van Nijntje, zou bijna 92 jaar worden, zodat deze voor AKO nogal ongunstige regeling tot 1966 zou gelden. Geld was gaandeweg geen probleem meer, want de onderneming verdiende veel aan het in 1924 gestichte weekblad De Lach, een blad dat juist omdat het steeds minder om het lijf had, liep als een tiet. 
Bij de vernieuwing van de kiosken was meteen de gelegenheid gegrepen op voor veel kiosken een andere vestigingsplaats te kiezen, want Amsterdam breidde zich uit en in de nieuwe wijken kwamen kiosken, terwijl er in de binnenstad locaties werden opgegeven. Het aantal werd nauwelijks uitgebreid. In 1926 waren er 29 kiosken, drie jaar later kwamen er drie bij – waarvan drie combinatiegebouwtjes. Die op het Weesperplein, ontworpen door P.L. Marnette, was daarvan het fraaist; deze zou vanwege de metroaanleg in 1967 worden gesloopt. 
Tijdens de crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw viel er niet aan uitbreiding te denken, hoogstens werden sommigen verplaatst naar betere locaties. Zo ging de kiosk bij de pont in Noord naar de Roelof Hartstraat. Omdat er verlies geleden werd op de exploitatie, ging de pacht wat naar beneden. Pas in 1954 werd weer aan uitbreiding gedacht, toen de stad zich naar het westen uitbreidde. Door een directiewisseling ging dat niet door, hoewel de gemeenteraad er al mee ingestemd had. Het bleef bij 32 kiosken.

Goedkope pockets
Doordat het aanbod groter werd en goedkope pockets ook hun weg via de kiosk gingen vinden, begonnen de kiosken uit 1926 eigenlijk te klein te worden. Op drukke punten was er al vanaf het begin ruimtegebrek. Die op het Leidseplein was al in 1929 vervangen door een grotere. Een achthoekige kiosk kwam er in 1954 in de Ferdinand Bolstraat op het pleintje bij de Albert Cuypstraat toen het combinatiegebouwtje het veld moest ruimen wegens herprofilering van die straat. In Nederland was het – anders dan in het buitenland – normaal om op kranten en tijdschriften geabonneerd te zijn. In de losse verkoop werd minder dan 10% verkocht, en dat bleef zo tot in de jaren zestig. Welvaartstijging en ontzuiling zorgden ervoor dat de ‘impulsaankoop’ belangrijker werd. AKO probeerde daarop in te spelen door in 1956 in de Beethovenstraat een winkel te openen. Twee jaar later werd het winkelarsenaal nog met drie winkels uitgebreid, toen kantoorboekhandel A.J. Nuss werd overgenomen, waarmee men in een klap de winkels kreeg op prima locaties: in de Leidsestraat, Paleisstraat en naast Tuschinski in de Reguliersbreestraat. 
De kiosken uit 1926 begonnen ondoelmatig te worden en er werd gestudeerd op een groter model. Het proefmodel van wat een nieuwe generatie kiosken zou moeten worden werd in 1962 in de Paulus Potterstraat bij de Van Baerlestraat geopend, een ontwerp van Publieke Werken-architect B.J. Olink. Toch zou deze glazen kiosk niet de oplossing voor het ruimteprobleem zijn.
Inmiddels was het inzicht gerijpt dat de toekomst van de lectuurverkoop lag in winkels, waar het groeiende aanbod meer tot zijn recht kon komen. Bruna was al veel eerder tot dat inzicht gekomen en opende in ras tempo ILA-zaken, wat stond voor Internationale Lectuur Associatie. AKO kon niet achterblijven en ging ook op de winkeltoer, maar was daar in eerste instantie nogal ongelukkig in door winkels op verkeerde plekken over te nemen. Zo kwam er op Overtoom 66 een winkel op luttele afstand van een Bruna. Dat was wel AKO’s eerste inloopwinkel. Edo Spier droeg zorg voor de verbouwing en ontwierp ook het nieuwe AKO-logo, waarbij rode kleur een herinnering was aan de kiosken waarmee de onderneming was gestart. Met zo’n inloopzaak was AKO aan de late kant, want al in 1929 had Marcus van Gelderen de landelijke primeur gehad om zijn importbladen in een open winkel op Damrak 62 te verkopen. 
In 1966 stelde een nieuwe AKO-directeur vast dat de helft van de kiosken verliesgevend was en werd er begonnen met het sluiten van de meest onrendabele. De loonkosten stegen door verbetering van de arbeidsvoorwaarden, maar desondanks werd het steeds moeilijker om personeel te vinden. De generatie van de met haar kiosk vergroeide kioskjuffrouwen stierf uit. 
Er is nog een poging gedaan om de gemeente te winnen voor het idee van een multifunctionele kiosk, waarvoor architect Hendrik Hartsuyker een ontwerp had gemaakt. Publieke Werken zag er niets in. In 1969, toen AKO inmiddels opgegaan was in de Verenigde Lektuur Bedrijven (VLB), kreeg men ook het beheer over de Rotterdamse kiosken van fusiepartner Van Ditmar Import. Het besluit viel toen om een einde te maken aan de kioskexploitatie. Eind maart 1971 gingen de laatste vier straatkiosken in Amsterdam dicht.
AKO opereert nu onder de vleugels van het Brabantse bedrijf Audax, dat in 1988 VLB overnam. Na een moeizame periode in het laatste kwart van de vorige eeuw is het nu een bloeiende onderneming met meer dan honderd vestigingen, waarvan die op Schiphol de grootste omzetmakers zijn. Op deze luchthaven is AKO al vanaf 1929 actief. Door verschraling van het aanbod van lectuur op sommige plekken in de stad – op het Damrak is geen buitenlandse krant meer te krijgen, bijvoorbeeld – denkt men nu weer aan herleving van de straatkiosk. Door een andere onderneming, de Retail Development Company – opgericht door ontevreden franchisenemers van Bruna – zijn inmiddels stappen gezet om stadskiosken te doen herleven, te beginnen in steden als Zwolle en Almere. Het lijkt erop dat de straatkiosk weer terugkomt, zij het zonder een breiende grijze dame achter het loket.
 

Delen:

Jaargang:
2008 60

Gerelateerd

Czaar Peterbuurt herleeft
Czaar Peterbuurt herleeft
Verhaal 14 december 2010
De onzichtbare hasjhandelaar
De onzichtbare hasjhandelaar
23 november 2008
‘Het regent hier heroïne’
‘Het regent hier heroïne’
Verhaal 23 november 2008