Ons Amsterdam september 2012

09-2012-cover-145x212
Prijs € 6,- Uitverkocht




Op het omslag: Indorock was dé dansmuziek in het Amsterdam van de jaren vijftig. Hier The Rocking Strings.

-Indorock
-Esther de Boer-van Rijk
-Passie en misdaad in het Vondelpark
-Wiegel & Amsterdam
- Edelweiss, reigers en vergeten groenten
-Grootste stadhuisplannen

en verder:

-Hier gebeurde het: Diemerdam
-De vaste route van Sylvia Willink





09-2012_indorockIndische en Molukse jongens maakten in de jaren vijftig furore met hun gitaarbandjes. Amsterdamse jongeren dansten graag op hun muziek. Tot over de grens vierden ze triomfen, zoals hier The Hondo Rockers in Hamburg.

Kinderen waren het nog, toen ze uit Indië kwamen. Maar al wel verzot op Amerikaanse muziek. Op de eigen feestjes speelden ze gitaar. En eind jaren vijftig, begin jaren zestig wilde de Amsterdamse jeugd óók dansen op de muziek van die Indische bandjes. Indorock werd een hype – maar een kortstondige.

“De nozems staan op de hoeken van de Nieuwendijk. De nozems staan in alle grote steden op de hoeken van straten en pleinen, ze schreeuwen en tieren, ze gooien en smijten, ze bemoeien zich met iedereen.” Dat schrijft Jan Vrijman in 1955 in Vrij Nederland en Ed van der Elsken voegt er foto’s aan toe van jongelui met vetkuiven en smalle stropdassen.
Een jaar later draait de film Rock Around the Clock met Bill Haley in Calypso Marnixstraat en zorgt daar (en elders in Nederland) voor dansende jongeren in de bioscoop en onrust op straat. Er zijn nog geen discotheken. Platen dringen slechts mondjesmaat door van overzee en worden op de radio nauwelijks gedraaid. De pers doet de muziek van de jeugd af met termen als herrie en gekrijs. En Elvis is een ‘huilebalk’.
Maar de caféhouders op de Zeedijk begrijpen dat ze rock-’n-roll moeten brengen om publiek te trekken, en accordeonwinkel De Vreng op de Nieuwendijk weet dat het assortiment snel moet worden uitgebreid met elektrische gitaren. Tot de eerste afnemers behoren Indische jongens. Ze mogen de dure Höfners (een maandloon) en later de nog duurdere Fender Stratocasters op afbetaling mee naar huis nemen. Het resultaat is inderdaad dat de jongens in het weekend op de Zeedijk de gewenste muziek brengen in bijvoorbeeld de (nu nog bestaande) San Franciscobar en de Casablanca. De bands dragen namen als The Black Jean Rollers, The Rocking Strings, The Black Strangers, The Baron Brothers, The Swallows.

Enorme rage
Indorock – een term die pas achteraf ontstaat – wordt eind jaren vijftig, begin jaren zestig een enorme rage in Nederland. Bands van Nederlands-Indische of Ambonese jongens (met een enkel meisje als zangeres) schieten overal als paddenstoelen uit de grond. In de kortste keren telt Nederland er honderden, tot in alle uithoeken van het land.
Een van de bakermatten is Amsterdam. In de gloednieuwe Westelijke Tuinsteden hebben veel immigranten uit Indonesië onderdak gevonden. Daar ontstaan bijvoorbeeld The Rocking Strings. Bandlid Jonky Pelupessy (Surabaya, 1942) herinnert zich de eerste successen. “Op mijn zestiende voetbalde ik in het eerste van VVA. Dat was toen een heel grote club. De trainer wist dat ik zaterdagavond in Café Williams op de Zeedijk gitaar speelde tot vier uur ’s morgens. Lag ik om zes uur in bed en moest ik om elf uur alweer voetballen. De trainer wilde dat ik een keuze maakte: muziek of voetbal. Dat werd muziek.”
Net als de nozems op de Nieuwendijk hangen ook veel Indische jongens uit verveling op straat rond en nemen ze deel aan opstootjes en vechtpartijen, met name in de nieuwe wijken Slotermeer en Slotervaart. Henk Spaan die er zijn jeugd doorbracht, haalde in 2006 in Ons Amsterdam herinneringen op: “Er woonden hier aardig wat Indische Nederlanders en daarmee was het knokken, van die bendes tegen elkaar. Maar als de ‘nozems’ uit Haarlem op hun brommer naar het kruispunt kwamen, sloten de rijen zich in Slotermeer en trok men gezamenlijk tegen de Haarlemmers op.”

Aftikdansen
Joost Anthonio (Makassar, 1944) woonde in Amsterdam-Oost, hij beschrijft vooral de animositeit tussen Indische en Surinaamse jongens. “Vroeger zat je als Amsterdamse indo in een knokploeg. Waar je nu op het Frederiksplein De Nederlandsche Bank hebt, was de Galerij van het afgebrande Paleis voor Volksvlijt en daar was één tentje alleen voor indo’s en Molukkers. Aftikdansen was vroeger gewoon onder ons, maar toen kwamen de Surinamers, grote jongens, en die kenden dat niet. Als je aftikte, weigerden ze opzij te gaan en probeerden meteen het meisje in te palmen. Dus dan tikje je af, kreeg je een grote mond en meteen de vuist eroverheen. Tja, dan werd er revanche genomen. Op de Nieuwendijk kon je als indo niet alleen lopen, dan werd je gepakt. In de bocht was bioscoop Parisien en daar stonden ze je op te wachten. Dus we liepen altijd in een groepje van vier of vijf.”
Zijn moeder wil niet dat haar jongens vechten en ziet liever dat ze gevieren muziek maken. Waarom vormen ze geen rock-’n-rollbandje? Anthonio: “Het waren magere tijden, maar mijn moeder had wat gespaard en kocht in de Witte de Withstraat een drumstel voor mijn broertje, gitaren voor de anderen en kleine Diamond-versterkers.” The Black Arrows zijn geboren en nemen al snel deel aan talentenjachten, in het Van Nispenhuis en het Bavohuis in Oost bijvoorbeeld. Ze krijgen uiteindelijk zelfs een platencontract bij het grote RCA, maar een hit zit er niet in.

Volle zalen
Aan de andere kant van de stad worden in Slotermeer zeer regelmatig Indische fuiven gehouden, aanvankelijk in De Pater (een noodgebouw van een kerk), later in het in 1958 geopende Hotel Slotania, waar The Black Arrows vaak optreden. De middag of avond wordt geopend met ouderen die jazz, Hawaïaanse en Indonesische liedjes spelen, waarna de jongeren het mogen overnemen. Zo vormen de gebroeders Hooper een door de senioren geliefd jazzcombo, dat tijdens de pauze verandert in de vervaarlijke Black Jean Rollers, een van de eerste rock-’n-rollbands van Amsterdam.
Op de Bilderdijkstraat oefent een piepjonge Jan Akkerman de rifjes van The Shadows, terwijl een verdieping lager René Vreede van The Hondo Rockers zich liever waagt aan de complexere patronen van The Ventures. Een andere bekende hoofdstedelijke gitarist, Jan de Hont (onder meer van ZZ & De Maskers), tekende jaren later op: “Op den duur gingen we steeds beter spelen, al waren we nog lang niet zo goed als die Indorockbandjes. Als we op een talentenjacht speelden waar bijvoorbeeld The Hondo Rockers aan meededen, wisten we al van tevoren dat we niet konden winnen. Die gasten waren gewoon veel beter!”
René Vreede (Batavia, 1941) heeft warme herinneringen aan het huiskamerbegin van zijn band The Hondo Rockers: “Je begon met spelen op familiefeestjes. Nou, dan werden de buren kwaad vanwege het lawaai. Dus wat deden we? We nodigden ook de buren uit! En dan speelden we af en toe wat Hollandse nummers. Zo ontstond de Indorock in Amsterdam. En het werd steeds groter. Met de feestjes in Hotel Slotania begon het pas echt. Wij trokken volle zalen in Amsterdam. Rob de Nijs zat in ons voorprogramma in die dagen, wij waren de hoofdband.”

Populair in Hamburg
Vreede wordt wel eens na een gewonnen talentenjacht uit afgunst met een boksbeugel knock-out geslagen, maar hij neemt nooit deel aan de massale vechtpartijen, ook niet tegen Surinamers. In zijn band speelt een drummer met een Surinaamse vader, Wally Rellum, al is die net als hij in Batavia geboren. Muziek verbroedert. In een andere Indische band uit Slotermeer, The Strangers (later omgedoopt tot Danny Angel & The Crescents), speelt naast een Nederlandse jongen eveneens een Surinamer, sologitarist Gerard Tubbergen.
Zowel The Strangers als The Hondo Rockers komen op tv als begeleidingsband van de broertjes Reggy en Raymond Berghahn uit Slotervaart, die als The Candy Kids in 1962 op het Fontana-label maar liefst tien 45-toeren plaatjes uitbrengen. Ze zijn pas twaalf en dertien jaar oud. Rudi Carrell, de Nederlandse zanger en entertainer die in Duitsland niet van het scherm te slaan is, nodigt ze uit in zijn tv-show en kondigt ze aan als “The Blue Diamonds van Madurodam”. Net daarvoor hadden The Blue Diamonds, de indo-broers De Wolff uit Driebergen, een wereldwijde hit gehad met het nummer ‘Ramona’.
The Candy Kids verschijnen vervolgens op de Duitse televisie. Raymond Berghahn (Jakarta, 1949) lacht: “Voor één liedje zingen kregen we 2000 mark. Dat was toen veel geld en werd contant uitbetaald. Dan staken die twee kleine jongetjes dat geld in hun zak en vlogen terug naar Nederland.”
In hetzelfde jaar al rocken de eerste Indische bandjes uit Amsterdam voor veel geld in Duitsland. Ze zullen er allemaal terechtkomen, in totaal zo’n twaalf groepen. Auteur Ulf Kruger schrijft in een gedenkboek over de beroemde Star-Club in Hamburg: “Wanneer in Duitsland live wordt gespeeld, staan vrijwel zonder uitzondering Indonesiërs en Molukkers op de bühne. De strak uitziende musici in witte smoking, met snorretjes en dure Fender-gitaren spelen vooral de instrumentale nummers van Amerikaanse groepen als The Ventures en ontwikkelen daarbij een adembenemende technische perfectie. Om nog maar te zwijgen van de artistieke showelementen, die ze tot gevierde publiekslievelingen maakt.”

Voorprogramma The Beatles
Jonky Pelupessy van The Rocking Strings ontmoet in de Hamburgse Star-Club de dan nog schuchtere Beatles uit Liverpool. Ook Joost Anthonio (The Black Arrows) ziet ze een paar keer optreden. Hij vind er niets aan: ze staan stil op het podium, geven niet de show van de Indische bands. Toch zijn het The Beatles en de Engelse muziekgolf die medio jaren zestig een einde maken aan het eerste rock-’n-rolltijdperk en de hoogtijdagen van de Indorock.
Jonky Pelupessy en René Vreede passen zich aan en spelen nog jaren in Duitsland, ook met Engelse bands. En The Beatles? Die treden in 1964 voor het eerst op in Nederland, in een veilinghal in Blokker. De Beatlemania slaat toe. Op de dag van het concert worden ze opgehouden in de Amsterdamse grachten. Het uitgebreide voorprogramma moet worden opgerekt. De entertainers, onder wie Ria Valk, worden van het podium gefloten. Maar juist dán komt er nog één keer een eerbetoon aan de Indorock. Want slechts één bandje wordt niet uitgejoeld en krijgt bijval van het publiek: The Candy Kids uit Amsterdam, Slotervaart.

Tekst: Herman Keppy
H. Keppy is journalist en schrijver.





09-2012_kniertjeKniertje trok volle zalen
Ze stond 63 jaar op de planken. Nederlands populairste actrice ooit, Esther de Boer-van Rijk, speelde honderden keren Kniertje in Op hoop van Zegen. Haar thuisbasis was de Hollandsche Schouwburg in de toen nog vooral joodse Plantagebuurt.

Meestal speelde ze gewone volksvrouwen met een door armoede getekende levensgeschiedenis. Zoals de vissersweduwe Kniertje in Op hoop van zegen. Herkenbaar en levensecht. Maar publiekslieveling Esther de Boer-van Rijk, 75 jaar geleden gestorven, deed zoveel meer. Avant-garde stukken, melodrama’s, komedies en ook films.

“Nederlands populairste actrice is dood”, schreven de kranten na het overlijden van Esther de Boer-van Rijk op 7 september 1937. Twee dagen later stonden tienduizenden Amsterdammers langs de route van de begrafenisstoet. Vanaf de Stadsschouwburg ging het eerst naar de Hollandsche Schouwburg, het theater dat zo verbonden was met Esthers eerste successen in de stukken van Herman Heijermans. Daarna verder door Oost – in de Linnaeusstraat, haar buurt, stonden de mensen rijen dik – naar de joodse begraafplaats in Muiderberg.
Esther (Hesje) van Rijk werd in 1853 geboren in het Rotterdamse Zandstraatkwartier, de rosse buurt van de stad. Ze was de jongste van tien kinderen in een orthodox-joods gezin. Vanzelfsprekend moesten ze niets hebben van de losbandige omgeving; Esther sprak later met geen woord over de buurt van haar jeugd. Haar vader overleed toen ze acht was, moeder Jentje onderhield het gezin met een naaiatelier. Op haar twaalfde moest Esther van school om daarbij te helpen.
Ze had toen haar eerste toneelstuk al gezien. Het maakte een verpletterende indruk. Met gespaarde fooitjes probeerde ze zoveel mogelijk toneel te zien, vanaf het schellinkje. Een paar jaar later werd Esther gevraagd bij een amateurtoneelvereniging, om haar mooie stem. Vanaf dat moment voelde ze zich actrice. Terwijl ze zat te naaien, leerde ze haar rollen met de tekst op schoot.

Galmen en schmieren
Esthers talent viel al snel op in het populaire ‘dilettantentoneel’. In 1873, ze was twintig, werd ze ontdekt en gevraagd door het Rotterdamse gezelschap van Antoine le Gras. Maar Esthers moeder weigerde toestemming te geven. Na veel aandringen van de regisseur gaf ze toe. Mits haar dochter niet op Grote Verzoendag zou spelen, een dag van boetedoening in het joodse religieuze jaar. Dat werd afgesproken.
Antoine le Gras was een toneelvernieuwer. Het toneel in de 19de eeuw bestond vooral uit melodrama met bombastisch spel, waarbij de acteurs galmden en schmierden. Maar hij werkte met zijn spelers aan een natuurlijke speelstijl en zijn gezelschap gold als de modernste toneelgroep in Nederland.
Het werd een belangrijke leerschool voor Esther, de latere ster in het realistische theater. In 1881 ontmoette ze haar man Henri de Boer op de kermis in Groningen. Alle toneelgezelschappen stonden ’s zomers op de kermissen in het land, in tenten of in de schouwburg. Henri was trombonist en speelde in het toneelorkest van de Amsterdamse Salon des Variétés. Ze trouwden en kregen een dochtertje, Fie. Toen Henri een baan kreeg in de Parkschouwburg in Amsterdam, volgde Esther hem met Fietje. Het is dan 1885.

Platte speelstijl
In Rotterdam had Esther naam gemaakt, in Amsterdam moest ze opnieuw beginnen. De noodzaak om geld te verdienen werd des te groter toen Henri ziek werd, een ongeneeslijke verlamming. Van nu af aan was Esther kostwinner. Ze speelde bij Charles de la Mar – grootvader van Fien – in het Tivolitheater in de Nes, tussen kroegen en hoeren, en in de Amstelstraat in het rokerige, kleine zaaltje van de Salon des Variétés.
Ze stond in Duitse en Franse melodrama’s of komedieoperettes. Met namen als De Salontiroler of Aapje 117. Een aapje was een gesloten huurkoets en daarbinnen gebeurden allerlei onbetamelijke zaken. Esther vond het vreselijk: het drakerige repertoire, de platte speelstijl, alles wat ze in Rotterdam geleerd had niet te doen. Maar ze had geen keus.
Amsterdam werd haar al snel vertrouwd. Haar eigen humor, ad rem en met zelfspot, verschilde niet van de Mokumse Joodse geintjes. Humor die ze niet kwijtraakte als het beroerd ging. En het gíng voorlopig beroerd. Henri werd bedlegerig; Rotterdamse familie schoot te hulp bij de zorg voor hem en Fietje. Zo zou het blijven tot Henri’s dood jaren later in 1917.
Een nieuwe directeur in de Salon, Mari Kreukniet, bracht een omslag in het repertoire. Hij koos hypermoderne stukken waarin de dagelijkse werkelijkheid getoond werd. Het publiek zag voor het eerst gewone mensen op het toneel, geen helden of schurken. “Speel een levend mens!” zei de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen, wiens stukken een rage werden. De Salon des Variétés was als avant-garde theater geliefd bij toneelminnend Amsterdam. Maar eind 1893 kende de stad een economische dip en ging de loop eruit. Salon-directeur Kreukniet kon de dreiging van schuldeisers en een faillissement niet meer aan en verdronk zich in de Prinsengracht. Kort daarna hief Esthers gezelschap zich op.

Herman Heijermans
Esther vond algauw een nieuwe theatergroep in de Nederlandsche Tooneelvereeniging onder leiding van Louis Chrispijn. Ook hij wilde zoveel mogelijk ‘natuurgetrouw’ toneel brengen. Ze speelden in de Salon des Variétés en het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein. Een majestueus en ruim gebouw, maar uiterst onpraktisch in het gebruik. In de enorme theaterzalen hadden acteurs en toeschouwers het ’s winters ijskoud en het tochtte er altijd. Dankzij Chrispijn kwam er een kleinere zaal. “Het tochtte niet”, schreef een verheugde recensent.
De Salon des Variétés werd te duur en dat gold ook voor de huur in het Paleis voor Volksvlijt. De Nederlandsche Tooneelvereeniging ging een goedkoper theater bespelen: de Hollandsche Schouwburg in de Plantage Middenlaan. De ‘Artis-schouwburg’, zeiden Amsterdammers nog vaak, omdat het gebouw op de plek stond waar ooit de directeur van de dierentuin woonde. De Plantage was destijds een joodse buurt en joden waren grote toneelliefhebbers. Het theater had een fraai interieur en twee balkons, een nieuwigheid. De wanden waren met rode stof bekleed en midden in de zaal hing een kroonluchter met 1400 gaspitten in een glazen koepel waardoor overdag het daglicht binnenviel. Hier begonnen voor Esther de grote jaren.
In 1898 vroeg haar gezelschap de jonge schrijver Herman Heijermans om een toneelstuk. Het werd Ghetto, dat op 24 december in première ging. Ghetto gaat over een vader- en zoonconflict in het bedompte wereldje van de oude Amsterdamse Jodenbuurt. Zoon Rafaël heeft gebroken met het geloof, is socialist en verliefd op het christelijke dienstmeisje. Een dramatische breuk met zijn vader volgt, een voddenhandelaar die met zijn zuster (Esther de Boer) de negotie drijft.

Echt joodse sfeer
Esther speelde haar rol uitmuntend, schreef de pers, zij zorgde voor “de echt joodse sfeer”. Maar het stuk leidde tot heftige discussies onder de toeschouwers. Het jonge joodse publiek – bezield met hetzelfde idealisme als Rafaël – juichte bij zijn teksten. Het behoudender publiek sprak van schandelijk antisemitisme. De hoofdcommissaris van politie legde Heijermans een paar tekstwijzigingen op om joden niet nodeloos te kwetsen.
Ghetto was het eerste van een reeks toneelstukken door Herman Heijermans waarvan sommige ophef en consternatie veroorzaakten, maar die ook veel publiek trokken in het hele land. Het derde stuk, in première op kerstavond 1899 in de Hollandsche Schouwburg, was Op hoop van zegen. Dit Spel van de zee in vier bedrijven gaat over de vissersweduwe Kniertje die ook haar laatste twee zonen aan de zee verliest door een schip dat rot is, maar wel uitstekend verzekerd. “De vis wordt duur betaald” werd een gevleugelde uitspraak. Het stuk maakte Herman Heijermans en Esther de Boer beroemd. De laatste scène met Kniertje die het rederskantoor uitstrompelt met haar pannetje, is eindeloos vaak vereeuwigd. Twaalfhonderd keer zou Esther ‘De hoop’ spelen. Haar naam werd synoniem met Kniertje – niet helemaal tot haar plezier; ze kon zoveel meer!
Heijermans beschreef in zijn stukken de “Hollandsche werkelijkheid”, zoals hij zelf zei. Hij stelde het burgerlijk fatsoen aan de kaak, de wreedheid van het economisch systeem, maar tekende ook de kleingeestigheid die een leven van sappelen met zich meebracht. Voor Esther schreef hij De meid (over een dienstmeid die haar mevrouw volledig de baas is) en Eva Bonheur (een buurvrouw die het gezin op de onderverdieping treitert). Heijermans gebruikte onder meer zijn ervaringen met een lastige bovenbuurvrouw die hij omstreeks 1900 meemaakte op de Ringkade, de latere Transvaalkade. En ook Esther wist alles van benauwde, gehorige halve woningen.

Groot komisch talent
Esthers populariteit die in de loop der jaren alleen nog maar groter zou worden, had alles te maken met de herkenbaarheid van haar personages en haar ‘natuurlijke’ manier van spelen. Meestal speelde ze gewone volksvrouwen met een door armoede getekende levensgeschiedenis. Het publiek herkende zich in haar. Esther de Boer-van Rijk was de lieveling van het publiek, ook al was zij misschien niet de beste Nederlandse actrice van haar tijd. Ze was levensecht. “Men vergat dat ze speelde”, schreven critici regelmatig.
Esther – ‘tante Hes’ voor collega’s – had bovendien een groot komisch talent. Tropenadel en Suikertante, twee toneelstukken van Henri van Wermeskerken, trokken jarenlang een groot publiek. Het thema is het snelle geld dat in Nederlands-Indië verdiend wordt door eenvoudige types die nu deftig doen en de hele dag ‘champie’ drinken. Esther is de tante van het Amsterdamse Kattenburg die iedereen door de mand doet vallen. Puffend van de hitte komt ze aan: “Here Jesus is dat swete... Me goed drijft an me lijf.” Haar Engelse neef John blijkt Jan van het Rapenburgerpleintje te zijn. “Er werd gebruld, gestikt, gegild van het lachen”, schreef De Telegraaf.
Vanaf 1914 speelde Esther in verschillende films. Stomme films meestal, die grotendeels verloren zijn gegaan; alleen uit recensies is het verhaal op te maken. In Diamant (Amsterdam 1916, regie John Gildemeijer) is ze de vrouw van een diamantbewerker (Louis Bouwmeester) in een drama over gestolen diamanten. Het Algemeen Handelsblad: “Men moet beiden zien wandelen, gearmd, statig en rustig door de Jodenbuurt, langs de smalle grachtjes, de ranke lyriek van onze stad, een sprookje van ouderdom die jong weet te blijven.” Op hoop van zegen werd in 1918 verfilmd door Maurits Binger. Behalve Esther als Kniertje, was Nederlands eerste filmster Annie Bos in de (zwijgende) film te zien. De rolprent draaide een half jaar in De Munt, ongekend lang.
Eind 1924 overleed Herman Heijermans. Hij werd geëerd met voorstellingen in het hele land. Esther speelde De meid in Den Haag, het eerste toneelstuk dat op de Nederlandse radio werd uitgezonden. Niet lang daarna werden bij de VARA toneelstukken van Heijermans tot hoorspel bewerkt. Esther werd een bekende stem in de huiskamers, ook door haar voordrachten.

Estherwol en Esthertabak
“Onze Esther”, zeiden joodse Amsterdammers. Er waren veel joodse acteurs, maar Esther onderscheidde zich door de openlijke trots op haar joodse identiteit: “Gepekelde ossentong en boterkoek zijn mijn spécialités.” In de vele populaire joodse toneelstukken waarin ze speelde, werd Esther telkens geroemd om de “innigheid” waarmee ze de joodse sfeer wist op te roepen.
Ondanks haar leeftijd bleef Esther ook buiten haar werk actief. Begin jaren dertig zette ze zich in voor zionistische acties. En met benefietvoorstellingen steunde ze de strijd voor een tbc-sanatorium van Jan van Zutphen, de tweede man van de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkersbond.
Ze leek niet stuk te krijgen. Bij haar 80ste verjaardag (in 1933) stond ze op het ‘peristyle’ van de Stadsschouwburg – nu het ‘Ajax-balkon’ – en werd toegejuicht door een bomvol Leidseplein. Esthers bekendheid leidde tot enige merchandizing met onder andere Estherwol en Esthertabak. Een prentbriefkaart met als adres alleen een tekening van Kniertje met het pannetje, werd keurig bezorgd bij haar thuis op de Linnaeusparkweg.
Achttien jaar na de stomme versie verscheen in 1934 de geluidsfilm van Op hoop van zegen met opnieuw Esther in de hoofdrol, onder regie van Alex Benno. De film won een prijs op het Filmfestival van Venetië. In datzelfde jaar begon ze een eigen ensemble. Het optreden viel haar steeds zwaarder, maar “stoppen wordt mijn dood”, zei ze. Na een operatie in 1936 moesten collega’s haar het toneel opdragen, daar vlamde ze weer op. Na een korte ziekte overleed Esther op 7 september 1937 thuis, op het Oosteinde.
De plechtigheid op 9 september op de joodse begraafplaats in Muiderberg werd geleid door rabbijn Akiba Frank. Hij prees Esther als echte joodse vrouw en moeder. ‘Ome’ Jan van Zutphen bedankte Esther voor haar steun in de strijd tegen de tuberculose. “Rust zacht, tante Hes”, eindigde hij.

Tekst: Joosje Lakmaker
J. Lakmaker werkt aan een biografie van Esther de Boer-van Rijk die waarschijnlijk eind 2013 verschijnt. Het Joods Historisch Museum bereidt een tentoonstelling over haar voor.




09-2012_vondelpark

Het Vondelpark van rond 1900 had volgens tijdgenoten gevaarlijke en troebele kanten: onbesuisd jakkerende fietsers (die het fietsen nog maar net hadden geleerd), stiekem zoenende paartjes en zelfs moorden en berovingen.

Het Vondelpark speelt komend weekend een grote rol tijdens de Open Monumentendagen. Vooral op zaterdag 8 september bruist het hier, mede dankzij Ons Amsterdam (zie kader). Maar ook buiten hoogtijdagen zindert het park van de activiteiten, van skaten tot lachtherapie. Een eeuw geleden waren de regels aanzienlijk strenger – en was het park desondanks veel onveiliger.

Het Vondelpark ontstond niet zonder reden. In het midden van de 19de eeuw barstte Amsterdam bijna uit haar voegen. Veel stedelingen leefden in krotten en de stad was zorgwekkend vervuild. Vooral ’s zomers stonken de grachten afschuwelijk. Bij de meer ‘verlichte’ welvarende burgers groeide het besef dat die misère en de daaruit voortvloeiende ‘verdierlijking’ van een deel van hun stadgenoten op den duur slecht was voor de economie en de maatschappelijke rust.
Nadat tussen 1840 en 1860 de stadswallen waren geslecht, kwamen er nieuwe kansen. Maar het conservatief-liberale stadsbestuur liet zoveel mogelijk over aan het particulier initiatief. Gelukkig telde Amsterdam toen een aantal vermogende burgers die verder keken dan hun directe eigenbelang. De bekendste was Christiaan Pieter van Eeghen (1816-1889), koopman en 25 jaar lang president van De Nederlandsche Bank. Hij zette zich al vroeg in voor filantropische volkshuisvesting en werd later een van de financiers van de collectie van het nieuwe Rijksmuseum.

Listige financiële aanpak
In januari 1864 riep Van Eeghen een groep gelijkgezinden bij elkaar en presenteerde een ambitieus plan voor een ‘rij- en wandelpark’ buiten de Leidsepoort, met aangrenzende villawijken. Daar konden de welgestelden zich vertonen in al hun glorie en van de natuur genieten zonder daarvoor steeds de stad uit te moeten. Daarnaast zou het park ook de arbeider, verstikt geraakt door de bebouwde omgeving, de gelegenheid geven om zich te ontspannen en ontwikkelen. Een wandeling door de kronkelende paadjes met steeds veranderende doorkijkjes zou de geest stimuleren en openen. In het park waren alle standen welkom, maar de geplande woonbuurten erlangs waren juist bedoeld voor de welstandigen die liever geen werkplaatsen noch werklieden als buren hadden.
Financieel werd het gecombineerde project listig aangepakt. Alvorens ruchtbaarheid te geven aan hun plannen, kochten diverse initiatiefnemers begin 1864 op eigen naam voor een schijntje landerijen op. Die verkochten ze in april door aan de kersverse Vereeniging tot Aanleg van een Rij- en Wandelpark. Deze gaf de percelen later weer voor een soms tien keer zo hoge prijs uit aan projectontwikkelaars die er huizen en villa’s wilden bouwen. Uit de winst werd de uitbreiding van het park betaald.
De aanleg van het eerste deel van het park werd bekostigd uit een grote inzameling, met de burgemeester als boegbeeld. Op 15 juni 1865 werd het park geopend. Het kreeg meteen veel lof, al zag het er nog tamelijk kaal uit. Twee jaar later werd het park feestelijk omgedoopt tot Vondelpark, nadat bij de voorste vijver het standbeeld van ‘dichtervorst’ Joost van den Vondel was onthuld.

Ideaal en illusie
Het had wat tijd nodig voordat het Vondelpark echt een park voor alle Amsterdammers werd. Gegoede Amsterdammers maakten er al snel graag een ommetje. Het duurde bepaald langer voor ook arbeiders zich er massaal vertoonden. Bij nader inzien was het parkbestuur daarvoor ook niet altijd enthousiast. In 1890 werd een verzoek van buurgemeente Nieuwer-Amstel om ook aan de Overtoomkant een parkingang te maken afgewezen, omdat daar “minder welgestelde jeugd” woonde die zich weleens kon misdragen. Voor ‘ravotten’ was het park niet bedoeld; sterker nog: tot ver in de 20ste eeuw was het officieel verboden op het gras te lopen.
Er werden ‘hekkewachten’ aangesteld, die mensen moesten weren die “niet in het park thuishoorden”, zoals dronkelappen, fietsende slagersjongens en mensen met “smoezelige kleeding”. In 1905 kwam er toch een ingang aan de Gerard Brandtstraat. Aan de kleine middenstand, zich ‘optrekkend’ aan de elite, was het park van begin af aan veel beter besteed. Zo kon men bij het Melkhuis dagverse melk drinken van de koeien die aanvankelijk nog in het stille achterste gedeelte van het Vondelpark stonden. Initiator Van Eeghen liet (door toparchitect Pierre Cuypers) een drinkfontein bouwen waaruit helder en schoon duinwater stroomde, uniek voor een tijd waarin de meeste huizen in Amsterdam niet op de waterleiding waren aangesloten.
Een gietijzeren muziektent completeerde in 1874 de inventaris van het park. De openbare concerten daar werden door duizenden mensen bezocht. In de winter werd er druk geschaatst op de vijvers van het park (ook door echte dames, iets heel bijzonders) en ’s zomers bood het park de ruimte voor lawn-tennis (bij club Festina, uit 1904). Toen de fiets in opkomst raakte was het Vondelpark bij uitstek de plaats om je fietskunsten te vertonen, eerst op de hoge vélocipèdes, later op de moderne ‘safety’-rijwielen, die sinds 1898 in serie werden gemaakt bij Simplex op de Overtoom. En dat fietsen werd het eerste onderwerp waarover ernstige klachten binnenkwamen bij het parkbestuur.

Onbesuisd jakkeren
Bij gebrek aan ervaring volgden veel fietsers nog een wat onvaste koers. En als ze de kunst eenmaal beheersten, gingen ze gevaarlijk hard – terwijl wandelaars ze, anders dan bij paarden, niet hoorden aankomen. Bij al te drieste jonge fietsers stak soms een strenge parkwachter zijn wandelstok tussen de spaken.
In 1884 kwamen er beperkende regels en vier jaar later werden massaal plakkaten verspreid onder de kop: Waarschuwing aan de wielrijders ¬– meest jongeren: “Het bestuur van het Vondelpark heeft in den laatsten tijd bij herhaling van verschillende zijden klachten ontvangen over onbesuisd rijden van wielrijders, waardoor aan vele personen schrik aangejaagd wordt en ongevallen ontstaan, soms kinderen en vrouwen omvergeworpen worden.”
In 1893 werd fietsen in het park na negen uur ’s morgens zelfs helemaal verboden, maar dankzij de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond (ANWB), sponsor van het park, werd het verbod vijf jaar later weer opgeheven, behalve op zondagmiddag. Maar nog in juni 1912 schreef dagblad Het Centrum: “Een der consuls te Amsterdam schrijft ons dat in het Vondelpark door sommige wielrijders onbesuisd gereden en gejakkerd wordt, terwijl er absoluut niet op gelet wordt of men op verboden wegen rijdt of niet. Vooral het verboden eind tusschen het Melkhuis en de Vondelstraat wordt druk bereden. Het zijn hoofdzakelijk slagers- en kruideniersjongens en boeren, die hier aanstoot geven.”

Minnekozenden betrappen
Maar naarmate de bomen en struiken in het park groter werden, begon het bestuur zich ook zorgen te maken over heel andere vormen van oneigenlijk gebruik van het park. Als de zon onderging, veranderde het park van karakter. Waar overdag kinderen een ijsje aten, paarden draafden en de mensen zich vrolijk ontspanden, doken ’s nachts ongure types op. Het park was schaars verlicht en omdat het particuliere grond was, mochten agenten er alleen komen als er sprake was van een serieuze verdenking.
Dieven maakten gebruik van onorthodoxe tactieken: “Zoo heeft men de brutaliteit zoo ver gedreven, door ’s nachts prikkeldraad over den beganen weg te spannen zoodat de niets kwaads vermoedende wandelaars of personen, welke zich op namiddernachtelijk uur door het park huiswaarts spoeden, komen te vallen waarna de aanrander zich op den argelooze werpt, om diegenen gewelddadig van hun bezittingen te bestelen.” (Het Centrum, 18 juli 1910) Incidenteel werden er ook moorden gepleegd, al kwamen zelfmoorden er nog vaker voor. “Daar schiet zich weer een door de kop”, hoorde in 1918 een verslaggever van Het Volk een agent verveeld zeggen, toen uit het park een schot klonk. Het bleek echter een collega die schietend een vermeende dief achtervolgde.
Op de ‘Liefdeskaart van Amsterdam’ die Ons Amsterdam in maart 2003 presenteerde (de plekken waaraan Amsterdammers de meeste romantische herinneringen hadden) scoorde het Vondelpark het allerhoogst. En in het preutse Amsterdam van een eeuw geleden voorzag het park misschien nog wel meer dan nu in de behoefte aan beschutte plekken voor geheime vrijerijen. Vooral na zonsondergang, natuurlijk. Dat tegen prostitutie werd opgetreden, lag redelijk voor de hand, te meer omdat die geregeld met beroving gepaard ging.
Maar de ordehandhavers gingen aanzienlijk verder, blijkt uit krantenberichten uit september 1912: “Iederen avond toch kan men in het Vondelpark het verkwikkelijke schouwspel genieten om politiemannen niet alleen onder banken verscholen te zien, maar ook in boschkes neergehurkt, ja zelfs op den buik voortschuivelend over het grasveld, in de verwachting, of liever de hoop, minnekoozenden te… betrappen op iets onbehoorlijks.”
De legendarische ‘Summer of Love’ van 1971, toen het stadsbestuur het Vondelpark aanwees als slaapplek voor massaal blowende rugzaktoeristen, was nog ver weg. Dat was ook wel het andere uiterste. Slapen in het park werd al snel weer verboden, en naaktrecreatie is en blijft taboe. Maar verder is er tegenwoordig weinig wat niet mag in het park. Op moord en beroving na natuurlijk. Dat risico is er nog steeds, al is het in het nu ’s nachts elektrisch verlichte park veel kleiner dan een eeuw geleden.

Toen Hier: verhalen over het Vondelpark
Op zaterdagnamiddag 8 september zijn (net als de dag daarop) niet alleen veel monumenten opengesteld, maar worden in het Vondelpark ook op allerlei plekken korte verhalen verteld over wat daar ooit gebeurde. In de Muziektent wordt gemusiceerd én verteld over de 19de-eeuwse volksconcerten. Bij het centrale fietspad wordt de wilde rijwielhistorie belicht. Verderop in de bosjes vertelt Niek Hollander, auteur van dit artikel, over passie en misdaad. In De Hollandsche Manege in de Vondelstraat komt u alles te weten over paardrijden in en om het Vondelpark. En dat is nog maar een greep. Het geheel wordt georganiseerd door de initiatiefgroep Toen Hier, bestaande uit Paul Arnoldussen van Het Parool, Annemarie de Wildt van het Amsterdam Museum en Peter-Paul de Baar van Ons Amsterdam. Op zondag 9 september is eenzelfde soort spektakel in park Frankendael (zie elders in dit nummer). Zie voor het programma: www.amsterdam.nl/openmonumentendag en www.onsamsterdam.nl.

Tekst: Niek Hollander

Verder lezen
Niek Hollander, Het Vondelpark. Over het plan, de aanleg en het gebruik van een publieke ruimte. Masterscriptie geschiedenis UvA, 2010.
Rob van Zoest (red.), Ode aan het Vondelpark. Kunsthistorisch Bureau D’Arts en uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 1997 (vooral hoofdstuk van Merel Ligtelijn).




09-2012_Wiegel
VVD-politicus Hans Wigel haalt vrolijke herinneringen op aan zijn Amsterdamse jaren. Over de gehaktballen van mevrouw Oordijk, de vreselijke studieboeken die hij moest lezen en het roerige Amsterdam van rond 1980.

Hans Wiegel (71) woonde tot zijn twaalfde in de Geuzenstraat in West. Toen zijn vader in goeden doen raakte, verhuisden de Wiegels naar het Gooi. Voor zijn studie keerde hij terug naar Amsterdam, “naar de roodste faculteit van een rooie universiteit”. Vlak voordat de VVD-er minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier werd, verliet hij met zijn gezin de stad. Maar als minister bleef hij betrokken bij de opstandige hoofdstad.

Oud-Amsterdammer Hans Wiegel heeft een woning in Den Haag. Op weg daarnaartoe loop ik over het Plein, het Binnenhof, langs de Hofvijver en bekijk het Torentje van de minister-president, waar zijn partijgenoot Mark Rutte resideert.
Bij binnenkomst biedt Wiegel een kop koffie en cake aan. Hij draagt een spijkerbroek en heeft een opvallend goed humeur – waar hij is, daar schijnt de zon, dat is duidelijk. Ik begin over de Geuzenstraat en de Wiegbrug. Meteen vertelt hij hoe hij als kleine jongen op de Wiegbrug stond en spuugde op de schippers die met hun groenteschuiten op weg waren naar de Markthallen in de Jan van Galenstraat. “Wat was leuker als Amsterdams jochie dan boven op die brug te staan en te spugen? Die lui konden niets terug doen!” Hij krijgt de slappe lach en veegt de tranen uit zijn ogen.
Hans Wiegel is op 16 juli 1941 geboren. In de oorlog. Het gezin woonde aan de Geuzenstraat 20 op driehoog. Ernstig: “Ik kan me het huis helemaal herinneren. Ik weet nog: toen ik een heel klein jongetje was, werd ik door mijn vader uit het raam op het platte dak getild – ik had toen al hoogtevrees – en zagen we nog voor de bevrijding vliegtuigen overvliegen. Die kwamen brood uit Zweden naar beneden gooien, zoals mijn vader mij toen vertelde. Later bleek dat verhaal een mythe.”
Zijn vader werd voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland afgevoerd. Hij moest in Ludwigshafen werken, bovenop een steiger. Wiegel: “Tegen hoge fabrieken aan, zeer gevaarlijk. Hij zou met verlof komen. Als jongetje van drie zat ik op de arm van mijn moeder op het Centraal Station te wachten op mijn vader. Maar hij kwam niet. Ik weet nog goed hoe totaal verkrampt en verstard mijn moeder was. Dat maakte een enorme indruk.” Later kwam hij toch thuis. “En toen heeft een huisarts, die aan de goede kant van de streep stond, mijn vader afgekeurd. Hij zou totaal in de war zijn. Dat was hij niet. Die dokter zei met zo’n knipoog: ‘Ik begrijp het wel, meneer Wiegel.’”

Een hele gekke man
Hans Wiegel vertelt dat hij uit een ouderwets gezin komt, “in de goede zin van het woord”. Zijn vader had op de meubelmakersschool in de Jordaan gezeten en werkte als meubelmaker bij een baas. Op dansles leerde hij zijn vrouw kennen.
“Mijn moeder vertelde hoe dat ging. Ze zei: ‘Je vader was een hele gekke man. Die kwam daar op dansles en had van huis een trommeltje met blokjes kaas meegenomen. En dan ging hij op dansles met die blokjes kaas rond.’ Dat is toch een beetje typisch. Ze vond dat erg leuk, want mijn moeder groeide op in een gezin waar de stemming tussen de ouders onderling niet zo geweldig was. Het was er saai, ze mocht eigenlijk niets. Ze kwam opeens in die vrolijke wereld van de Wiegels terecht. Een jolig gezin, het was er altijd feest. Mijn moeder vond dat super.”
Direct na de oorlog trok zijn vader de stoute schoenen aan en begon een eigen bedrijf, op de Bloemgracht 69. Wiegel: “Het was een grote werkplaats met veel hout en achter twee wc’s: een voor de klanten die langskwamen en een voor het personeel.” Na een tijd had hij 25 man personeel in dienst. Dat wilde hij niet. “Toen is hij met vijf man verdergegaan en echt geld gaan verdienen.”

Pingelen met Caransa
Zelfs met de bekende en beruchte vastgoedhandelaar Maup Caransa wist Wiegel senior raad. “Mijn vader zou de bar van het Doelenhotel verbouwen. Ik mocht mee naar Caransa’s kantoor op de Herengracht: eng en ook leuk. Caransa was heel aardig tegen mij.”
De jonge Hans zat bij het gesprek. “Caransa pingelde natuurlijk. Mijn vader dacht: op die manier verdien ik niets aan de verbouwing. Dan gooi ik maar een extra centje bovenop de tapijten en gordijnen die ik moet leveren. Maar Caransa, ook niet gek, zei: ‘Wiegel, ik maak het je gemakkelijk. Jij maakt de bar en ik zorg zelf voor de tapijten en de gordijnen.’ Mijn vader antwoordde: ‘Dat is goed, meneer Caransa. Maar als het klaar is, dan komen wij bij u eten in de zaak en nemen onze eigen spinazie mee.’ Waarop Caransa zei: ‘Goed, lever alles maar.’ Dat alerte heb ik van mijn vader.”
De jonge Wiegel ging naar de Potgieterschool aan het Bilderdijkpark. “In de vierde klas was ik klaar-over om andere kinderen te helpen bij het oversteken. In de De Clercqstraat, een drukke straat waar de Haarlemse tram ook nog doorheen reed. Ik had een jasje met gesp en zo’n spiegelei. Dat was nog linke soep; de auto’s reden toen als gekken.” Meester Stevens was dat jaar zijn meester, een vrijgezel. “Later is Stevens getrouwd met de schooltandarts. Wij vonden dat heel spannend. We gingen met de hele klas naar het huwelijk, op het oude stadhuis.”
Stevens bezocht in de zesde klas zijn ouders thuis. “Hij zei: ‘Uw zoon moet naar het gymnasium, dat kan-ie.’ Mijn ouders vonden hbs al heel hoog, maar als de meester het zegt dan moet het gebeuren. Dan zou ik naar het Barlaeus gaan, maar toen verhuisden mijn ouders naar Laren in het Gooi.” Dat vond vader Wiegel leuk. “Ongetwijfeld ook om te laten zien hoe goed hij het had gedaan. Maar hij had voor dezelfde centen – zo’n huis kostte 25.000 gulden – een huis in de Van Eeghenstraat bij het Vondelpark kunnen kopen.”

Mevrouw Oordijk
Op zijn achttiende kwam hij als student terug naar Amsterdam. Wiegel woonde op een kleine kamer in de Eerste Leliedwarsstraat. “Dat kamertje had uitzicht op de Westertoren, maar dan moest je wel levensgevaarlijk uit het raam hangen, anders zag je hem niet.” Er was geen wc op die zolder. Voor de wc moest hij naar zijn hospita, mevrouw Oordijk. “Een echte Jordanese vrouw, met een kleine kamer propvol met prullaria. Verdomd gezellig. Ik ging altijd om half zes naar de plee, want dan stond ze in de pan te roeren. Dan zei ze: ‘Wil je ook een balletje gehakt, jongen?’ ‘Heel graag, mevrouw Oordijk!’”
De latere politicus studeerde politieke wetenschappen. Wiegel: “Dat was de roodste faculteit van de rooie universiteit. In dat linkse gezelschap was ik de enige liberaal. Een van mijn beroemdste docenten was de econoom professor Salomon Kleerekoper, een marxist.” Wiegel gruwt nog van de “verschrikkelijke boeken” die hij moest lezen.
“Ik zal u een mooi verhaal vertellen. We zaten in de Agnietenkapel voor ons eerste college van Kleerekoper. Hij zei met zijn krassende stem: ‘Dames en heren, wie van u heeft hbs-a?’ Tachtig procent stak zijn vinger op. Waarop hij vervolgde: ‘Als het meezit, zie ik u over zeven jaar op uw kandidaatsexamen.’ Daar stond normaal drie jaar voor. Hij vond die a-richting van de HBS een aanfluiting. Later kwam ik voor een van de allerzwaarste tentamens bij hem thuis, in de De Lairessestraat. Een mondeling tentamen, met thee en zo. Ik kende er niet veel van en bracht er niets van terecht. Ik vroeg om een aspirientje. Hij zei: ‘U hebt zeker hbs-a?’ Ik: ‘Nee, professor.’ En nou komt het. Hij: ‘Hbs-b?’ Ik: ‘Nee.’ ‘Gymnasium-alfa?’ ‘Nee, professor.’ Verbijsterd: ‘Hebt u gymnasium-bèta?’ ‘Ja, professor.’ ‘Dan hoeft u dit ook niet te weten. U bent geslaagd.’”
Wiegel zat kort bij het Amsterdamse studentencorps. “Met zo’n ouderwetse ontgroening, met varkentjes die werden losgelaten. Ik vond er geen bal aan. Geschreeuw en gezuip, niets voor mij. Te hardhandig, al houd ik wel van een glas bier.” Wiegel bleef maar een paar maanden lid.
Via een vriend kwam hij bij de JOVD, de jongerenvereniging van de liberale VVD. “Die politiek vond ik geweldig, fantastisch. Vooral het debat.” Hij hoorde een lezing van VVD-leider Pieter Oud. “Ik was helemaal flabbergasted. Wát een verhaal. Ik werd lid. Ik ben ‘liberaal’ opgevoed, van zuinig zijn en je best doen. En ik kwam ook uit een ondernemersgezin, dus mijn ouders stemden niet meer op de PvdA. Ze spraken trouwens nooit over politiek.”

De politiek in
Nog als student – pas 25 jaar – werd Hans Wiegel Kamerlid. “Maar ik studeerde al niet zoveel meer, had wel mijn kandidaats. Ik kreeg college van Hans van den Doel, later Kamerlid van de PvdA. Ik was pas nog op zijn begrafenis. Die gaf een werkcollege economie waar ik met de pet naar gooide. Hij zei: ‘Het is mooi dat u zich voor politiek interesseert, meneer Wiegel, maar u moet uw tentamens op tijd doen.’” Lachend: “Daar had hij gelijk in.”
Vier jaar later werd hij ondanks zijn verlegenheid op zijn 29ste fractievoorzitter. Volgens Wiegel een record dat nooit ofte nimmer gebroken zal worden: “Ik werd ervoor gevraagd. Ik wilde erover nadenken en dacht: die trein komt maar één keer langs. Zo is het altijd in het leven; dan moet je beslissen. Want als de trein eenmaal voorbij is, komt hij niet meer terug. Ik leidde quasi met losse hand die fractie. Ik hoefde ook niet te weten wat die mensen gingen zeggen, alleen of er politiek geladen dingen bij zaten. Er werd altijd ontzettend gelachen. We maakten veel plezier, dus iedereen was vrolijk in die tijd. Dat is toch heerlijk?” Hij woonde met zijn gezin op stand aan de Leidsegracht 23. De “hardhandige” PvdA-wethouder Han Lammers was zijn buurman.
Van 1977 tot 1981 was hij minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier. “Maar toen woonde ik niet meer in Amsterdam. Ik maakte Wim Polak als burgemeester mee, vooral als er gesodemieter was. Hét voorbeeld was de Vondelstraat, met die barricades. Dan heb je als minister eindeloos overleg. Met de ministers van Justitie en Defensie, de commissaris van de koningin, met de procureur-generaal, de directeuren van het ministerie van Defensie en uiteraard met de burgemeester als eerstverantwoordelijke voor de openbare orde.”

Duikvlucht boven Vondelstraat
Deze crisisgroep kwam op Schiphol bij elkaar. “Polak nam nooit een besluit, ik snapte dat ook wel. Ik zat op mijn boerderij in Friesland en werd opgebeld door mijn directeur-generaal. Er was weer overleg op Schiphol. Ik zei: ‘Ik kom alleen als er een besluit wordt genomen. Dus als je dat ook aan de burgemeester wil doorgeven: de minister komt alleen als er een besluit wordt genomen.’”
Wiegel werd uit Friesland opgehaald met een helikopter die in een weiland landde. “Ik zat bij die jongens achterin en zei: ‘Wat vinden jullie ervan, mannen, zullen we even over de Vondelstraat vliegen?’ ‘Heel goed, excellentie.’ En wij daarboven, je zag de krakers al een beetje weglopen. Ik zei: ‘Durven jullie een duik naar beneden te nemen?’ ‘Ja, wij wel.’ Bzjiet, we gingen zo naar beneden. Ze renden allemaal de huizen in. Ik heb ze op Schiphol maar niet verteld wat wij hadden uitgespookt. Er werd besloten om in te grijpen en de volgende ochtend vroeg reden de tanks de Vondelstraat in. Daar was ik wel zeer verheugd over – ja, natuurlijk. Wie heeft hier het gezag? De staat of de straat? Wat zullen we nou hebben!”
Af en toe komt Wiegel in Amsterdam. Kortgeleden reed hij door de Geuzenstraat om het ouderlijk huis te bekijken. En vorig jaar waren de leden van het kabinet-Van Agt/Wiegel (1977-1981) bij elkaar in de hoofdstad: “Dat had oud-minister Arie Pais georganiseerd, die woont in Amsterdam. We werden in het Hilton Hotel welkom geheten door burgemeester Eberhard van der Laan, met zó’n ontzettend aardige speech. Hij zei: ‘Ik vond dat kabinet van u toen afschuwelijk, maar ik heb nagelezen wat u allemaal voor Amsterdam heeft gedaan. Dat was veel, zoals de financiering van de Stopera.’” Wiegel: “Dus achteraf bekeken viel het hem enorm mee.”

Tekst: Serge Markx
S. Markx studeerde geschiedenis en is communicatieadviseur bij stadsdeel West.




09-2012_Stadhuis
Het mooie stadhuis op de Dam was hen ontstolen in 1808. Sindsdien maakten de stadsbestuurders grootse plannen voor een nieuw raadhuis. Ondertussen kreeg het Prinsenhof, het tijdelijk onderkomen, een fraaie Nieuwe Vleugel.

Lang was Amsterdam in de greep van de stadhuiskwestie: moest de stad blijven proberen het in 1808 tot koninklijk paleis gebombardeerde stadhuis op de Dam terug te krijgen? Of moest er een heel nieuw gebouw komen? Het werd het laatste. Maar bijna niemand weet dat er in de jaren twintig nog een ander plan lag: een gigantische uitbreiding van het ‘tijdelijke’ stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal, met een voorplein tot aan de Dam!

Tekenaar Bernard van Vlijmen maakte in 1926 een spotprent van de Amsterdamse wethouder Floor Wibaut. Die lag in de gemeenteraad onder vuur vanwege zijn financiële beleid. Op de tekening arriveert de wethouder bij het stadhuis op de Oudezijds Voorburgwal. Enigszins gebogen staat hij, getooid met zijn onafscheidelijke hoed en wandelstok, voor het poortgebouw van de kort daarvoor gereedgekomen Nieuwe Vleugel. Boven de entree valt te lezen: “Wie hier binnentreedt late alle hoop varen.”
Dat was niet zo aardig aan het adres van de makers van die Nieuwe Vleugel, want dat nieuwbouwproject was voor de dienst Publieke Werken nu juist een paradepaardje. In 1925 won de afdeling Gebouwen van deze dienst een Grand Prix voor architectuur in Parijs, met een inzending van zestien projecten. Een van die bouwplannen was het ontwerp voor de Nieuwe Vleugel.
Achteraf gezien is deze nieuwbouw te typeren als het laatste totaalproject van de Amsterdamse School – de bouwstijl die in de jaren 1920 toonaangevend was in Amsterdam, maar die aan het eind van dat decennium werd afgelost door de Nieuwe Zakelijkheid. De Nieuwe Vleugel was onderdeel van een grotere verbouwing van het Prinsenhof, het toenmalige ‘tijdelijke’ stadhuis (nu hotel The Grand). De uitbreiding moest soelaas bieden tot een geheel nieuw stadhuis zou zijn verrezen. Door verdeeldheid over de locatie zat daar echter weinig schot in.

Paleis terugveroveren
Het kostte alleen al moeite het stadhuis op de Dam los te laten, het ‘achtste wereldwonder’ in de ogen van Amsterdammers. De stadsbestuurders hadden het nakijken gehad, toen koning Lodewijk Napoleon in 1808 het stadhuis opeiste omdat hij Amsterdam tot hoofdstad van zijn koninkrijk wilde maken. Ze namen hun intrek in een 15de-eeuws kloostercomplex dat al in gebruik was als logement voor “prinsen en hoogere heeren” die bij het stadsbestuur te gast waren – vandaar de naam Prinsenhof.
Anders dan Jacob van Campens meesterwerk op de Dam was dit geen monumentaal, representatief stadhuis. Door talloze verbouwingen en annexaties van naastgelegen panden was het verworden tot een samenraapsel van bouwdelen. Vanaf eind 19de eeuw klonk vanuit de burgerij dan ook de roep om het paleis weer als stadhuis in gebruik te nemen. De opeenvolgende colleges wilden echter de Oranjes niet voor het hoofd stoten, die het paleis sinds het vertrek van de Fransen als pied-à-terre gebruikten.
Geleidelijk vormde zich binnen de gemeenteraad een groep raadsleden, die vond dat het paleis als symbool van de oude regentencultuur niet meer paste bij de huidige democratie. Deze politici pleitten voor de bouw van een nieuw stadhuis. De twee kampen bestonden jarenlang naast elkaar, want tot een snelle beslissing kwam het niet. Sterker nog, in 1910 introduceerden B&W zelfs nog een derde plan: uitbreiding van het Prinsenhof tot aan de Oude Doelenstraat. Dit ontwerp van de directeur Publieke Werken A.W. Bos kon van meet af aan op weinig steun van de gemeenteraad rekenen. Toch zou het niet meteen van tafel verdwijnen.

Nieuwe Vleugel
In 1922 leek een eind te komen aan al het gesteggel, toen de gemeenteraad instemde met de bouw van een nieuw stadhuis. Tegelijk echter ging de raad ook akkoord met een verbouwing van het Prinsenhof. Volgens B&W was dit een “tussenplan”, dat onvermijdelijk was omdat de economische omstandigheden het niet toelieten direct met de bouw van het nieuwe stadhuis te beginnen. Het zou nog zeker vijftien à twintig jaar duren voordat het gemeentelijk apparaat zou kunnen verhuizen.
Als eerste onderdeel van de verbouwing van het Prinsenhof kwam de Nieuwe Vleugel gereed tussen 1924 en 1926, aan de Oudezijds Voorburgwal en de Agnietenstraat. Het ontwerp van de gevels was van Nicolaas Lansdorp. Stadsarchitect Allard Hulshoff tekende de plattegronden en had de supervisie. Voor de aankleding van de interieurs was binnenhuisarchitect Ad Grimmon verantwoordelijk. “Zuinigheid is geboden, soberheid eisch”, kondigde burgemeester Willem de Vlugt als credo af – want het was maar tijdelijk.
Het resultaat was een sobere kantoorvleugel in de baksteenstijl van de Amsterdamse School. Het bijna zeventig meter lange bouwblok volgt in een flauwe bocht de curve van de gracht om te eindigen in een markante hoektoren. De buitenzijde is gedecoreerd met bouwaardewerk van stadsbeeldhouwer Hildo Krop, die ook een serie granieten pijlerbekroningen vervaardigde. Binnenin kregen alleen de representatieve ruimtes – de kamer van de burgemeester, de wethouderskamers, de trouwzaal en de raadszaal – een speciale afwerking. Maar die kosten werden op een slimme manier gedrukt. Enerzijds maakte men gebruik van geschenken en bruiklenen die de gemeente ontving. Anderzijds zette men opdrachten uit via de steunregeling voor noodlijdende beeldende kunstenaars, die kort daarvoor in het leven was geroepen. Het stadhuis was jarenlang een van de belangrijkste projecten waarvoor kunstenaars opdrachten kregen.

Plein tot aan de Dam
Toen de Nieuwe Vleugel er net stond, boog men zich weer over de locaties van een nieuw stadhuis. Publieke Werken had onderzoek gedaan en presenteerde zeven mogelijke plekken: Museumplein, Frederiksplein, Leidseplein, Weteringschans, Stadhouderskade, Damrak en Oude Turfmarkt.
Maar het rapport zinspeelde ook op verdere uitbreiding van het Prinsenhof. Publieke Werken presenteerde drie varianten met een uitbouw in noordelijke richting, net zoals dat in 1910 door Bos was getekend. Nieuw was dat men in twee van de drie varianten de uitbreiding niet liet stoppen bij de Oude Doelenstraat, maar daaroverheen wilde bouwen. Het verkeer zou dan onder het stadhuis door worden geleid. Dwars op het Prinsenhof wilde men tot aan het Paleis op de Dam een langgerekt plein, plantsoen of waterpartij realiseren –¬ voor extra allure, want zo kwam toch maar mooi een verbinding tot stand met dat achtste wereldwonder!
Wat betreft nieuwbouw kwamen Museumplein en Frederiksplein in de gemeenteraad als voorkeurslocaties uit de bus. Volgens burgemeester De Vlugt was het echter uitgesloten dat de plannen binnen enkele jaren te realiseren waren. Met beide alternatieven was minstens tien miljoen gulden gemoeid. Hoewel het economisch beter ging, vond De Vlugt het onverantwoord zulke bedragen aan een stadhuis te besteden. Die zuinige opstelling betekende de nekslag voor de plannenmakerij op nieuwe locaties. Slechts drie goedkopere voorstellen bleven over: de drie varianten voor uitbreiding van het Prinsenhof.
Bijzonder gecharmeerd toonde De Vlugt zich echter van een plan dat de architecten Hulshoff en Lansdorp (de ontwerpers van de Nieuwe Vleugel) nog op het laatste nippertje als vierde variant aan het rapport hadden toegevoegd. Ook in dit plan werd het Prinsenhof doorgetrokken tot de Oude Doelenstraat. Maar in plaats van een gesloten gevelwand aan de ingangszijde werd deze wand doorbroken, waardoor het complex een extra binnenplein kreeg. Qua bouwstijl zou de uitbreiding de stijl van de Nieuwe Vleugel voortzetten.

Langdurig tijdelijk
Deze koerswijziging van B&W leidde tot felle debatten in de raad. De leden keerden zich mordicus tegen dit idee. Het was immers geheel in strijd met het besluit uit 1922 om te streven naar een nieuw stadhuis. De Vlugt deed verwoede pogingen om de raad te overtuigen, maar slaagde daarin niet. Het college krabbelde nu terug en schoof de raadhuiskwestie officieel op de lange baan.
Daarmee brachten de debatten een omslag in het denken over de uitbreiding van het Prinsenhof. In september 1926, na de realisatie van de Nieuwe Vleugel, werd gestart met het tweede deel van de uitbreiding: de renovatie van het Admiraliteitsgebouw. Dit pand uit 1662 vormde het hart van het complex. Het onderging een complete metamorfose. Van het oorspronkelijke gebouw bleef alleen de fraaie façade van de hand van Daniël Stalpaert gespaard.
Vooral echter in de aankleding van de nieuwe raadszaal werkte het besef door dat het verblijf op het Prinsenhof wel eens ‘langdurig tijdelijk’ zou kunnen zijn. Aanvankelijk zou de zaal een sober karakter krijgen, maar na de jongste discussies in de raad werden de eisen opgeschroefd en werd er meer waarde gehecht aan stedelijke representativiteit. Het plan dat Publieke Werken voor de zaal had getekend, verdween van tafel. In het voorjaar van 1927 kreeg de gerenommeerde Amsterdamse interieurarchitect Willem Penaat de opdracht een monumentale zaal voor het stadhuis te ontwerpen waarin de “geest en grootheid van Amsterdam” tot uitdrukking zouden komen.
Penaat wilde geen imitatie van de Burgerzaal in het Paleis op de Dam. De tijd van overladen “bezittersweelde uit de 17de eeuw” was volgens hem voorbij. De huidige gemeenteraad was een democratisch instituut. Het mocht daarom beslist geen zaal vol klassieke verwijzingen worden.

Prestigeproject
Voor de uitvoering van Penaats plan trok men topkunstenaars aan die werkten in moderne stijlen. Hildo Krop, Joseph Mendes da Costa en John Rädecker ontwierpen eikenhouten beelden vol symboliek die de allure van Amsterdam onderstreepten. Johan Thorn Prikker vervaardigde zes wandschilderingen, direct achter de stoelen van de stadsbestuurders, die de deugden van een ideaal stadsbestuur symboliseerden: wijsheid, rechtvaardigheid, gezag, eensgezindheid, voortvarendheid en geloof/liefde. Het verbouwingsbudget ging met enkele tonnen omhoog. Zo werd de raadhuisuitbreiding die eenvoudig begon, uiteindelijk toch een prestigeproject.
Maar niet met overdonderend succes. De architect A. Ingwersen wond zich in de krant op over de beeldengroep van John Rädecker (die later ook de ontwerper zou worden van het Nationaal Monument op de Dam). De beeldhouwer was na het tonen van zijn ontwerp gevraagd dit te kuisen: het toonde te veel vrouwelijk bloot. In reactie daarop maakte Rädecker zijn stedenmaagd nog bloter. Kennelijk besloot men dit maar door de vingers te zien. Ingwersen kon het resultaat niet bekoren, het werk was er “niet één waar een mannenhart in moeilijke tijden kracht uit putten” kon. Als alternatief voor de “dikvleezige vrouwen” had hij liever portretten van geestkrachtige mannen gezien.
Voor de architectuur van de Nieuwe Vleugel was van het begin af aan niets dan lof. Maar de interieurs en kunstwerken werden nogal wisselend ontvangen door de pers. In de gemeenteraad was er evenmin veel enthousiasme. De kamer van de burgemeester werd door de raadsleden smalend omschreven als een boudoir. Ook de trouwkamer en de raadszaal riepen bedenkingen op. Toch waren het juist deze ruimtes die de tand des tijds zouden doorstaan: mede op basis van deze drie vertrekken is het Prinsenhof in de periode nadat hotel The Grand er zijn intrek had genomen (1992) tot rijksmonument verklaard.

Locatie Frederiksplein
De uitbreiding bleek niet afdoende voor oplossing van de ruimtenood. En dus stelde het college maar weer eens een commissie in, die het plan voor uitbreiding van het Prinsenhof richting Oude Doelenstraat nieuw leven moest inblazen. Toeval of niet, een dag voordat deze commissie geïnstalleerd zou worden, brandde in april 1929 het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein af. Laat dit plein nu net, samen met het Museumplein, eerder te zijn aangemerkt als ideale locatie voor de bouw van een nieuw stadhuis!
Men bedacht zich geen moment. Met goedkeuring van de raad werd de locatie in december 1929 aangekocht. Toen het rijk ook nog eens vijftien miljoen wilde doneren voor een nieuw Amsterdams stadhuis, nam bij B&W de belangstelling voor verdere uitbreiding van het Prinsenhofcomplex snel af. In 1931 werd officieel afscheid genomen van dit idee.
Maar alweer had men niet het ideale recept gevonden voor de snelle realisatie van een nieuw gemeentelijk onderkomen. “Als we nu gaan verbouwen”, had raadslid Johannes Spier in 1922 gewaarschuwd, “dan wordt de bouw van een nieuw stadhuis voor meer dan een menschenleeftijd naar voren geschoven.” B&W spraken hem met klem tegen, maar Spier beschikte over een vooruitziende blik.
Aan een prijsvraag voor een nieuw stadhuis op het Frederiksplein in 1936 deden tal van gerenommeerde architecten mee. Na een jarenlang duel in meerdere rondes wonnen de architecten Berghoef en Vegter. Als dank voor hun inspanningen verdween hun plan in een la. In 1954 besloot de gemeenteraad dat het nieuwe stadhuis op het Waterlooplein moest komen. Maar het zou nog tot 1988 duren voor het bestuursapparaat definitief overging naar het door Wilhelm Holzbauer en Cees Dam ontworpen nieuwe stadhuis annex operagebouw op het Waterlooplein – beter bekend als de Stopera.

Tekst: Petra Grooteman
P. Grooteman studeerde kunstgeschiedenis en algemene cultuurwetenschappen aan de UvA. Met haar masterscriptie De uitbreiding van het Amsterdamse stadhuis, 1922-1932 won ze de tweede prijs in de Ons Amsterdam Scriptieprijsvraag 2012.




Park Frankendael is op 9 september tijdens Open Monumentendag over ‘Groen van toen’ het toneel voor verhalen over deze groene oase aan de Middenweg. Er zijn weinig plekken in de stad die zo’n langdurige groene geschiedenis hebben.

Het begon als blauwe geschiedenis. Het Watergraafsmeer was een woeste plas water, ontstaan door dijkdoorbraken. In de 17de eeuw viel het oog van de burgemeesters van Amsterdam erop. Droogmakerijen waren een interessant project voor kooplieden die hun nieuw verworven rijkdommen veilig wilden beleggen.
    In 1629 maalden zeven windmolens de ruim 700 hectaren binnen dertien maanden droog. Maar het succes hield geen stand. Ruim twintig jaar later brak de dijk en stroomde zout water uit de Zuiderzee de nieuwe polder in. Na een jaar hadden de molens het karwei weer geklaard. In het rampjaar 1672 liep het gebied nogmaals onder, nu moedwillig, om de oprukkende Fransen te stoppen.
    Eenmaal weer drooggemalen, werd het gebied al snel een groen lustoord. Rijke Amsterdammers lieten er de ene na de andere buitenplaats bouwen. Hun namen ademen paradijselijkheid: Meerlust, Weltevreden, Vrijheit Blijheit en Vrederust. Omstreeks 1750 waren er vijftig grote buitenplaatsen, dertig kleinere huizen en ruim vijftig pleziertuinen, waarvan een enkele was opengesteld voor het gewone volk.

Lekker griezelen
Huize Frankendael, omstreeks 1660 gebouwd, is als enige buitenplaats binnen de ringweg gered van de slopershamer. Anderhalve eeuw lang was het een woonhuis, maar in 1835 werd de tuin opengesteld als pleziertuin. De volksschrijver Justus van Maurik vertelde eind 19de eeuw hoe arbeiders uit de Jordaan de hele winter spaarden om met Pinksteren naar “het Eldorado van alle pinkstergangers – naar Frankendael” te gaan. Vanuit de Willemstraat trokken rijtuigen met luid zingende gezelschappen naar het park rondom het landhuis.
    Topattractie was ‘de heremiet’ in zijn kluizenaarshut. In een (nieuwgebouwde) ruïne op een eilandje stond een houten pop met monnikspij, baard en een hoofdknikmechaniek. Zijn rechterhand wees op een doodskist met het opschrift ‘Gedenk te sterven’. Lekker griezelen, toch even aandacht voor de eeuwigheid en na een dag eten, drinken, vrijen en soms vechten ging het gezelschap beschonken weer terug naar de Jordaan. De heremiet is, in bouwvallige staat, inmiddels afgevoerd naar het Amsterdam Museum.
    In 1867 mochten gewone Amsterdammers er niet meer in. “En de boschjes! Zwijg, herinnering! Zwijg! O! Frankendael, ge waart een lustoord zooals men nu te vergeefs om of bij Amsterdam zal zoeken,” schreef Van Maurik. In het huis kwam een Tuinbouwschool en in het park kwam een kwekerij. Ook vereniging Floralia vond hier onderdak. Die wilde arbeiders zo ver krijgen dat ze thuis bloemen en planten gingen houden, om zo de huiselijkheid te bevorderen.
    Vijftien jaar later nam de gemeente de kwekerij over. De Stadskwekerij teelde hier zelfs bananen en sinaasappelen in een verwarmde kas. Restaurant De Kas verwijst nog naar dit verleden. Omdat er nu minder dagjesmensen kwamen, grepen de dieren hun kans. In 1911 werden de eerste nesten van blauwe reigers gesignaleerd en sindsdien broedt hier elke zomer een reigerkolonie. Ook voor andere vogelsoorten is het park een, ja, eldorado.

Nestmateriaal pinguïns
Na het vertrek van de laatste bewoonster, Cecila van Vliet-Lichtveld (een dochter van schrijver Albert Helman), ging Huize Frankendael enkele jaren geleden in nieuwe stijl open: als een cultureel centrum, met expositie- en vergaderruimtes en een podium voor optredens. En niet te vergeten restaurant Merkelbach, genoemd naar een vroegere bewoner, de stadsbouwmeester Ben Merkelbach.
    Het groen van Frankendael is steeds meer educatief groen geworden. In 1927 werd in de kwekerij een les gehouden voor maar liefst duizend scholieren tegelijk om hen liefde voor de natuur bij te brengen. De schoolwerktuin in Frankendael dateert uit 1922 en is daarmee de oudste nog bestaande in Amsterdam. Tegenwoordig  experimenteert de Youth Food Movement in dit schooltuincomplex met vergeten groenten.
    De kweek van voedsel is een andere groene draad in de geschiedenis van het park. In 1921 kwam volkstuincomplex Klein Dantzig op de plek van de gelijknamige hofstede. En van 1892 tot 1918 teelde Artis hier voedsel voor de dieren. De band met de dierentuin bleef: de heggen bestaan uit Potentilla (ganzerik), favoriet nestmateriaal van de pinguïns. Twee keer per jaar komt Artis het snoeisel ophalen. Aardappels worden nauwelijks meer geteeld in Klein Dantzig. De siertuin heeft het gewonnen van de nutstuin.

A. de Wildt is curator van het Amsterdam Museum.


 


 


 


 





frankendael_low_res









Park Frankendael is op 9 september tijdens Open Monumenten Dag (thema Groen van Toen) het toneel voor verhalen over deze groene oase in Amsterdam-Oost. Er zijn weinig plekken in de stad die zo’n langdurige groene geschiedenis hebben.
Het begon in de Watergraafsmeer echter als blauwe geschiedenis. Het Watergraafs(of gracht)meer ontstond door dijkdoorbraken en overstromingen. De schepen van wilgetenen van kunstenaar Jan van Schaik midden in het park verwijzen naar de schepen van watergeus Diederik van Sonoy (1529-1597), aanvankelijk heer en meester op het Watergraafsmeer, maar later toch verslagen door de Amsterdammers.
In de 17de eeuw waren droogmakerijen een interessante geldbelegging. Na jaren plannen maken en onderhandelen over de kosten, maalden in 1629 zeven windmolens binnen 13 maanden een gebied van 729 hectare droog. Van de verder gelegen droogmakerijen als de Beemster, Purmer en Wormer hadden de Amsterdammers wel gehoord, maar de steeds droger wordende Watergraafsmeer lag op loopafstand. Heel wat toeschouwers kwamen kijken naar de polderjongens en zoeken naar munten en overblijfselen van vergane schepen op de bodem van het verdwijnende meer. Al na ruim twintig jaar, in 1651 brak de dijk en stroomde het zoute water uit de Zuiderzee de nieuwe polder in, met funeste gevolgen voor de landbouw. Na een jaar was het gebied weer drooggemalen. In het rampjaar 1672 liep het gebied nogmaals onder, nu moedwillig om de oprukkende Fransen te stoppen.
Eind 17de en vooral in de eerste helft van de 18de eeuw verrees de ene na de andere buitenplaats in de Watergraafsmeer. De namen van deze tweede huizen, waar rijke Amsterdammers de zomerhitte en stank van de binnenstad ontvluchtten, ademen tevredenheid: Meerlust, Weltevreden, Vrijheit Blijheit en Vrederust. Omstreeks 1750 waren er vijftig grote buitenplaatsen, dertig kleinere huizen en ruim vijftig pleziertuinen, waarvan een enkele was opengesteld voor het gewone volk.
Huize Frankendael is als enige buitenplaats binnen de ring gered van de slopershamer. Jarenlang was het een woonhuis, maar in 1835 werd de tuin opengesteld als pleziertuin. Justus van Maurik beschreef eind 19de eeuw hoe ´den minderen man´ uit de Jordaan de hele winter spaarde om met Pinksteren naar ‘ 't Eldorado van alle pinkstergangers, - naar Frankendaal’ te gaan. Vanuit de Willemstraat trokken rijtuigen met luid zingende gezelschappen naar de Watergraafsmeer. De Heremiet in zijn kluizenaarshut was een van de populairste attracties van Frankendael. In een (nieuwgebouwde) ruïne op een eilandje stond een houten pop met monnikspij, baard en een hoofdknik-mechaniek. Zijn rechterhand wees op een doodskist met het opschrift ‘Gedenk te sterven’. Lekker griezelen, toch even aandacht voor de eeuwigheid en na een dag eten, drinken, vrijen en soms vechten ging het gezelschap beschonken weer terug naar de Jordaan.
In 1867 kwam Frankendael in handen van Tuinbouwmaatschappij Linneaus. Het huis werd Tuinbouwschool en in het park kwam een kwekerij. Ook de vereniging Floralia (1873-1908) vond hier onderdak. Deze wekte arbeiders op thuis bloemen en planten te verzorgen en zo de huiselijkheid te bevorderen. In augustus 1873 was de eerste tentoonstelling van dit beschavingsoffensief.
De gemeente nam in 1882 de kwekerij over. Deze Stadskwekerij leverde bomen, heesters en bloemen voor de verfraaiing van de stad. In een verwarmde kas werden zelfs bananen en sinaasappelen gekweekt. Restaurant De Kas verwijst nog naar dit verleden. Naarmate er minder dagjesmensen kwamen nam de fauna toe. In 1911 werden de eerste nesten van blauwe reigers gesignaleerd in het park en sindsdien broedt hier ’s zomers een reigerkolonie. Ook voor andere vogelsoorten is het park een belangrijk broed-, slaap- en fouragegebied.
Na het vertrek van de Tuinbouwschool kwam de directeur van de Stadskwekerij te wonen in Huis Frankendael en later stadsbouwmeester Ben Merkelbach (1901-1961). Zijn stiefdochter Cecila van Vliet-Lichtveld was de laatste bewoonster van het huis totdat Huize Frankendael opende met expositieruimte voor actuele kunst, vergaderruimte en restaurant Merkelbach.
Het groen in Park Frankendael werd in de loop van de 20ste eeuw steeds meer educatief groen. Op 27 mei 1927 was er in de kwekerij voor het eerst een massales voor duizend lagere schoolleerlingen om hen liefde voor de natuur én het besef dat vernieling onbehoorlijk is bij te brengen. De schoolwerktuin in Frankendael dateert uit 1922 en is daarmee oudste nog bestaande in Amsterdam. Tegenwoordig experimenteert de Youth Food Movement in dit schooltuincomplex met vergeten groenten. Naast het bijbrengen van natuurliefde was tot de jaren vijftig voedselvoorziening van belang voor zowel school- als volkstuinen. In 1921 kwam volkstuincomplex Klein Dantzig op de plek van de gelijknamige hofstede annex tuinderij. Van 1892 tot 1918 had Artis hier voedsel voor de dieren geteeld. De band met Artis bleef: de heggen bestaan uit Potentilla, favoriet nestmateriaal van de pinguïns. Twee keer per jaar komt Artis het snoeisel ophalen. Aardappels worden nauwelijks meer geteeld in Klein Dantzig. De siertuin heeft het gewonnen van de nutstuin.

Tekst: Annemarie de Wildt

Delen: