Nummer 9: September 2009

092009_Cover


Uitverkocht



Op het omslag: Gasthoofdredacteur burgemeester Job Cohen op de Kees Fensbrug over de Keizersgracht tussen de Hartenstraat en de Reestraat. 14 juni dit jaar werd deze voormalige Brug 49 op initiatief van de burgemeester zelf vernoemd naar de Amsterdamse schrijver en criticus prof. dr. Kees Fens, die jarenlang vanuit zijn huis op de brug keek. Hans van den Bogaard


- De neergang van een Wallenstraatje


- Met opgestroopte mouwen


- De 'moeder van de creatieve industrie'


- 25 jaar Bijlmervernieuwing


- Het Amsterdam van Abel Herzberg


- Handelsreizigers met ambtsketen


 


En:


- Redactioneel van gastredacteur Job Cohen


- De agenda van de burgemeester


092009_Presentatie_JublieumnummerOp 7 september 2009 presenteerde burgemeester Job Cohen ten stadhuize het door hem (t.g.v. het 60-jarig bestaan van het blad) samengestelde nummer van Ons Amsterdam. 
Als dankbetoon gaf hoofdredacteur Peter-Paul de Baar hem het boekje Groot Amsterdam Examen, weerslag van het gelijknamige evenment dat het blad in 1999 en 2003 organiseerde. 
V.l.n.r.: De Baar, Cohen, fotograaf Hans van den Bogaard en Lidie Cohen, echtgenote van de burgemeester. (Foto: Wim Ruigrok)


 





Dossier Lange Niezel


Hoe een Wallenstraatje veranderde


Tekst: Joosje Lakmaker


092009_Lange_NiezelWie nu door de Lange Niezel loopt, wil daar zo snel mogelijk weer weg. Sexshops, sexcinema’s, coffeeshops, gokhallen en zesderangs-horeca bepalen het beeld. Alleen fruithandel Jacobs, bruin café Wiener en Spaans restaurant Centra bleven over uit een andere tijd. De snelle neergang van dit kleine straatje tussen de Oude Kerk en Sint Nicolaaskerk weerspiegelt de ontwikkeling van de Wallen als geheel. Hoe is het zover gekomen? En is er wat aan te doen?


 


Om een beeld te krijgen van de status van dit straatje vijf eeuwen geleden, moet je nu omhoog kijken. Half verstopt tussen reclameborden en stutbalken zijn op nummer 12, 22. 24 en 25 interessante gevelstenen te zien. En ook de vele rijkversierde geveltoppen mogen er zijn. Ze getuigen van een rijke historie.


Sint Geertruydenstraat heette de Lange Niezel in de Middeleeuwen en was mèt de Warmoesstraat het woongebied voor vermogende kooplieden. In de 16de eeuw werd de straat bewoond door de rijkste families van de stad. Inmiddels was de straatnaam veranderd in `Niezel’, een verbastering van `Liesdel`: laag land met lis begroeid. De brug tussen de Korte en de Lange Niezel heet nog altijd de Liesdelsluis.


De beroemde componist Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621), organist van de Oude Kerk, woonde hier enige tijd. En op nummer 22 de rijke koopman Gerrit Bicker (1554-1604) met zijn vier ondernemende zonen: Andries Jacob, Cornelis en Jan (later eigenaar van het Bickerseiland), Waar het om de handel ging, hadden de vier gebroeders Bicker de wereld onder elkaar verdeeld, schreef de dichter Joost van den Vondel. (Die woonde om de hoek, in de Warmoesstraat.) Met een paar andere families speelden de Bickers bovendien lang een hoofdrol in het stadsbestuur. Ook de regentengeslachten Boelens en De Graeff, aangetrouwd aan de Bickers, woonden in de Lange Niezel, na elkaar op nummer 10. Burgemeestertjes in spe, in hun fluwelen wambuisjes spelend in de Lange Niezel, het is een leuk beeld, maar vermoedelijk werd hen dat streng verboden.


 


Prostitutie boven buurtwinkels


Toen in de 17de eeuw de grachtengordel ontstond, begon een trek van de elite naar dat nieuwe deel van de stad, met veel grotere huizen. De buurt tussen Warmoesstraat en de Geldersekade verloor geleidelijk haar grootse allure. Er vestigden zich winkels en kleine bedrijven: zeepziederijen, bierbrouwers, een blik- en koperslagerswerkplaats. En na niet al te lange tijd nestelde de prostitutie zich hiertussen. Vóór de bouw van de grachtengordel konden mannen terecht in herbergen in dat gebied, vlak buiten de stadspoorten. Na 1650 verplaatsten de bordelen zich steeds meer naar de omgeving van de haven, rond de kop van de Zeedijk. Aan het eind van de 18de eeuw, schrijft Lotte van de Pol in haar proefschrift Het Amsterdams hoerdom, was het “de buurt tussen de Dam en het IJ waar zich de bekende huizen bevonden”. In een poging de prostitutie te onderdrukken voerde de gemeente Amsterdam in 1902 het bordeelverbod in. Dat leidde snel tot nieuwe benamingen: pensions, kamerverhuur, massagehuizen. In de praktijk veranderde er niets; de wereld van betaalde seks verdween alleen uit de openbaarheid.


Achter en boven de winkels, cafés en kleine bedrijven kreeg de prostitutie ook een plek in de Lange Niezel, zij het geen prominente. Een eeuw geleden zat er op elk adres een buurtwinkel. Behalve voor alle levensmiddelen, kon men er terecht voor bedden, tapijten, schoenen, sigaren, stoffenverven. Er waren drie cafés en een koffiehuis. En op nummer 16 zat toen al zeker 30 jaar de Firma J. Kraan, `Boek en Kantoorboekhandel, boekbinderij, Hollandsche, Fransche en Engelsche Leesbibliotheek’. Kennelijk werd ook met de buitenlandse klanten rekening gehouden. Opvallend sterk vertegenwoordigd waren de slagers, maar hun onderlinge concurrentie was betrekkelijk: klanten van de joodse slager Van Praag (van 1912 tot 1943 op nummer 9) bezochten misschien ook vleeshouwerij Kraft op nummer 3, maar zeker niet de roomse varkensslachter Frankemölle, al sinds 1809 op nummer 16. Alle drie slagers zullen – na 1911 – klant zijn geweest bij Van Crevel op nummer 25, in slagersgereedschappen en weegwerktuigen.


Sommige zaken verdwenen snel, andere hielde het decennialang vol. Nu is café Wiener op nummer 8, geopend rond 1940, waarschijnlijk de oudste zaak van de straat, gevolgd door Centra. Dat begon in 1946 op nummer 29 als Hollands eethuis, maar in 1968 veranderd in een Spaans restaurant, nadat een aangewaaide Spaanse kok met groot succes, naast de kotelet met sperziebonen, calamares en zarzuela was gaan serveren. Jacobs tenslotte, in fruit en delicatessen, zit al sinds de jaren zestig in de straat.


 


Aardappelsoep in Hongerwinter


Uit krantenberichten is op te maken dat het er hier al vóór 1900 vaak ruig aan toe ging, met steekpartijen, mishandeling en moord. Onder de kop `In de bruidsdagen’ stond in een Helderse krant van 2 oktober 1895 een bericht over een 21-jarige vrouw die in de Lange Niezel werd mishandeld door een twee jaar oudere man, “met wien zij de vorige dag in ondertrouw was gegaan”. Alle landelijke kranten meldden de dodelijke steekpartij in café Wildschut, Lange Niezel 4, door twee broers op 28 februari 1926. De verdachten kwamen later vrij door gebrek aan bewijs: niemand had het incident zelf gezien.


Jacques van Nieuwkerk (1932; vader van journalist Matthijs) groeide op in de Lange Niezel waar zijn vader Johan kort tevoren op nummer 14 de slagerij van Frankemölle had overgenomen. Van Nieuwkerk en zijn jeugdvriend Simon van Blokland uit de Barndesteeg (bij de Nieuwmarkt) waren misdienaren in de katholieke Sint Nicolaaskerk op de Prins Hendrikkade en hun vaders waren daar collectanten. Van Blokland (1935) kwam soms vlees halen bij slager Van Nieuwkerk. “Mijn moeder had een lijstje met alle katholieke middenstanders in de buurt, tevens klanten van de smederij van mijn vader. Daar stonden drie slagers op: behalve Van Nieuwkerk ook twee slagers in de Koningstraat.” Bij Van Nieuwkerk thuis ging het net zo; al was er een melkzaak om de hoek, eens in de paar weken moest Jacques naar de katholieke melkboer op de Oude Waal.


Premsela van nummer 12, in goud en zilver, emigreerde in 1939 naar Amerika en slager Van Nieuwkerk kocht het buurpand. Op 11 mei 1940 vielen twee Duitse bommen op de hoek Blauwburgwal-Herengracht. In de slaapkamer van de negen kinderen Van Nieuwkerk, een halve kilometer verderop, kwam het plafond naar beneden. Johan van Nieuwkerk besloot om het hele huis van de grond af te herbouwen; het gezin woonde zolang in het pand ernaast.


Er was steeds minder te eten. In Van Nieuwkerk veelbekroonde worstenmakerij was niets meer te doen. De winkel had wel elektriciteit en kreeg in de Hongerwinter van 1944-1945 vergunning op grote schaal noodvoedsel klaar te maken: “aardappelsoep zonder zout, niet te eten.”. In gamellen ging de soep naar de gaarkeuken op de hoek van de Spooksteeg en Zeedijk.


Van de vijf joodse gezinnen in de Lange Niezel overleefde vrijwel niemand de oorlog. Johan van Nieuwkerk verborg kostbare spullen van joodse buurtbewoners in de slagerij; na de oorlog gingen ze naar de enkele overgebleven familieleden.


De bevrijding werd in de straat gevierd met kinderfeesten, zaklopen, hardlopen. Jacques van Nieuwkerk was de snelste en versloeg Tofani, de jongen van de ijssalon op de Kloveniersburgwal.


 


Dwars door de ruit


In de Lange Niezel 15 stond het oudste homocafé in Amsterdam, geopend - merkwaardig genoeg - tijdens de bezetting, in 1941. Café Populair, later café Monico, al noemden de meeste klanten de kroeg naar de eigenares: `Blonde Saar’. Er kwamen ook Duitse klanten. Op 10 december 1943 verscheen er een artikel in het Nazi-blad De Storm, onder de kop “Wat een gezond volk schaadt, dient uitgesneden.” De schrijver noemt café Populair “een uitgesproken ‘flikkerskroeg’ .(..) Achter in de zaak, waar het duister heerst,danst dit machtloos, mis’lijk nageslacht, een vorm van openbare ontucht.” Het artikel leidde tot een razzia, maar café Populair werd niet gesloten. Bij Monico kwamen `gewone jongens’: een elektricien, stratenmaker, bloemenverkoper. Later werd het vooral een café voor lesbiennes. “Daar zaten van die hele grote vrouwen, in mannenkleren, veel tramconductrices.`, schrijft Gert Hekma in De Roze Rand van donker Amsterdam. In 2001 is het café vanwege huurschuld gesloten.


Jacques van Nieuwkerk herinnert zich vooral de Penny Bar op nummer 13, naast Monico en recht tegenover zijn huis, op nummer 13. Daar kwamen veel Amerikaanse soldaten-op-verlof uit Duitsland. “Altijd als de eigenaar weer eens uit de gevangenis was, werd het groot feest. En iedere keer eindigde het ermee dat er iemand dwars door het raam naar buiten kwam. De hoeren zaten in de Lange Niezel niet achter het raam, maar op éénhoog. Daar hingen ze met vrijwel blote borsten over de vensterbank en probeerden klanten te lokken. Mijn vader had geen bezwaar tegen ze: in de winkel bestelden ze altijd het duurste vlees, biefstuk van de haas.” Jacques’ streng-katholieke moeder wilde beslist niet dat haar kinderen op straat speelden. Voetbalgek Jacques kon alleen een balletje trappen in de anderhalve meter smalle Slaperssteeg achter de winkel.


Toch hebben Van Nieuwkerk en Van Blokland allebei een warme herinnering aan de buurt: er was saamhorigheid en de hoeren en de penoze (zoals inbreker Blonde Gerrit) waren tegen buurtgenoten heel aardig. Kinderen kregen snoep en Simon van Blokland mocht voor ‘de meisjes’ nog wel eens een boodschapje doen. “Een pakje sigaretten kostte 60 cent, dan kreeg ik een gulden en mocht ik 35 cent houden, een geweldig bedrag.”


In 1954 verkocht Johan van Nieuwkerk zijn slagerij aan G. Sijbrands. Zoon Jacques woonde met zijn vrouw nog boven de winkel tot 1962, twee jaar nadat Matthijs werd geboren. In 1975 kreeg de slagerij weer een nieuwe eigenaar, Jan Venekamp. Een slechte slager -`ramsjvlees’, zegt Van Nieuwkerk - en inmiddels een omstreden pandjesbaas en raamexploitant.


 


Seks en drugs


Vanaf eind jaren zestig veranderden de Wallen razendsnel van sfeer. Het begon onschuldig. Door de groeiende welvaart groeide het jeugdtoerisme sensationeel, hippies rookte openlijk stickies en de ‘seksuele revolutie’ kondigde zich aan. In januari 1969 waagde tijdschriftenhandelaar Coesel in de Lange Niezel het een condoomapparaat aan zijn gevel te hangen. Binnen drie dagen dwong de zedenpolitie hem het ding weg te halen. Maar de vieze boekjes kwamen steeds meer onder de toonbank vandaan en de politie ging openlijke raamprostitutie gedogen.


Helaas stortten weinig gewetensvolle ondernemers zich al snel grootschalig op de bevrediging van alle nieuwe behoeften. Al in 1967 ging in de Lange Niezel de eerste sexcinema open, voorbode van een grote pornogolf in de jaren tachtig. .Naast de cannabis (steeds massaler ingevoerd) drongen intussen ook harddrugs door tot Amsterdam. In 1972 vond de narcoticabrigade in de kelder van restaurant Na Tien Low, Lange Niezel 26, 30 kilo zuivere opium. Tegelijk arriveerden korreltjes die de narcoticabrigade nog niet kende: heroïne.


De veranderingen waren meteen merkbaar bij Apotheek Van der Meulen op de Geldersekade, anno 1696. Henny Rasker was er van 1967 tot 2002 de apothekeres. “In 1967 was dit nog een woonbuurt. Een beetje rauwer dan de Jordaan waar ik eerder werkte, maar vergelijkbaar. We hadden een heel gemengde klantenkring: kunstenaars en oude chic, naast penoze als Haring-Arie, getrouwd met Parijse Leen, een hoog opgetaste blondine. Die hoerenmadammen waren een apart slag. Zij hadden gezag en eigen boodschappertjes. In de Lange Niezel begon in die tijd de neergang; het waren slechte huizen, ouderwets en donker. Maar er stonden nog gewone winkels. De eigenaresse van een café daar kreeg de minachting van de buurt over zich heen door met een Surinamer te trouwen. Dat deed je niet. Na 1970 greep de verslaving om zich heen. Dat gold ook voor de hoeren. Je zag ze in een paar jaar verschrikkelijk achteruitgaan.” De ernstigste verslaving was aan heroïne en aan slaapmiddelen. Dealers en junks gingen het straatbeeld bepalen. De Liesdelsluis tussen Lange en Korte Niezel heette in die tijd de `Pillenbrug` of `Die Deutsche Brücke’. Er werd zwaar gehandeld – en Duitse ouders kwamen hier hun verdwenen kinderen zoeken.


Al was men op de Wallen wel wat rare snuiters gewend, toch wekten de drugsgebruikers angst: door hun onvoorspelbaar oplaaiende agressie, hun diefstallen en de gebruikte spuiten die ze lieten slingeren. De apotheek verkocht schone spuiten, maar daar was geen begrip voor; men dacht dat dit de verslaving in gang hield. Politiebureau Warmoesstraat vroeg de apothekeres af en toe uitleg over de werking van verslaving. Bij zijn kennismakingsronde door de buurt in 1987 met de chef van Bureau Warmoesstraat zat hoofdcommissaris Nordholt een tijdje achter het hoge raam van de apotheek, om ongezien de verslaafden op de Geldersekade te bestuderen.


Vanaf 1982 rukte ook de aids op: eerst alleen onder jonge, beter gesitueerde homo’s in de buurt; later raakten ook junks besmet. Maar toen Rasker in 2002 vertrok was aids gelukkig niet meer per se dodelijk en heroïne iets voor losers. Dé drug was nu cocaïne.


 


Plan 1012 versus Miss Piggy


“De buurt is verhard door de drugshandel,” concludeert Henny Rasker, “het `Jordaangevoel’ verdween.” Dat gold ook voor de prostitutie. Op de Wallen ontwikkelde zich een goed georganiseerd maffiacircuit van vrouwenhandel; de `beschermers’ van de meisjes handelden in vervalste identiteitspapieren, drugs, wapens en medicijnen,` concludeerde een politierapport in 1998. Opheffing van het bordeelverbod leek een oplossing: de bedrijfstak kwam onder toezicht van de gemeente en de politie. Door afspraken en een gemeentelijk vergunningenbeleid zou de controle worden vergroot. Maar de branche paste zich geraffineerd aan de nieuwe situatie aan, zo bleek tien jaar later. En de onderbezette zedenpolitie was onmachtig tegenspel te bieden.


Slager Venekamp kocht in de jaren zeventig voor weinig geld zo’n 22 panden op (ook nummer 5 in de Lange Niezel) en zette er voornamelijk bordelen in. Hij was niet de enige die op grote schaal huizen kocht; criminelen ontdekten de ondoorzichtige vastgoedhandel om crimineel geld ‘wit te wassen’ en om op de Wallen hun vermaaksimperia te realiseren.


Door stevige veegacties van de politie en overheidsinvestering in nieuwe ‘nette’ bedrijven werd in jaren tachtig en negentig de Zeedijk heroverd op de verslaafden en criminelen. Helaas verplaatste een deel van de ellende zich naar de Lange Niezel. De junksoverlast (het hoogst tussen 1985 en 1990) is gelukkig sterk verminderd, maar de middenstand in de straat handelt nu bijna alleen nog in seksartikelen, films en video’s. Sexparadijs Chickita, Sex Cinema 1 & 2 (Miss Piggy in action), een Erotic Night Shop, enzovoort. Door de straat lopen voor het overgrote deel (70%) toeristen. Sommige bovenverdiepingen van de huizen worden gebruikt voor kamerverhuur of illegale hotels, vaak bewoond door Oost-Europese sekswerkers. Veel bovenhuizen staan leeg en zien er mistroostig uit.


Inmiddels hebben de gemeente en stadsdeel Centrum een nieuw totaalplan opgesteld om de verloedering van de Wallen terug te dringen: Coalitieplan 1012, naar de postcode. Achttien bovengemiddeld zorgelijke straten en stegen, waaronder de Lange Niezel, krijgen speciale aandacht. De plannenmakers willen hier de ‘buurtwinkelsfeer’ terug. Prioriteit ligt bij het terugdringen van het aantal bordelen en coffeeshops, ook omdat op dat terrein de gemeente de sterkste machtsmiddelen heeft. Eerst wordt bekeken of exploitatievergunningen worden gebruikt voor illegale activiteiten zoals het witwassen van zwart geld. (In het geval van Jan Venekamp kon dat niet worden aangetoond; hij behield zijn vergunningen.) Dan probeert men de eigenaar van sekspanden uit te kopen. Bij een aantal vastgoedhandelaren lijkt dat te lukken - voor heel veel geld – behalve bij Venekamp. De familie weigert iedere verkoop. De slagerij heeft hij inmiddels gesloten. Het is nu een souvenirshop. Wel kocht de gemeente via corporatie van pandjesbaas Dick Holtman nummer 25, nu nog met coffeeshop Highway. Volgens Coalitieplan 1012 moeten uiteindelijk alle drie coffeeshops in de Lange Niezel verdwijnen. Overigens hoeven van B&W lang niet alle coffeeshops en bordelen op de Wallen dicht. Wel zo realistisch, vindt Van Blokland: “Prostitutie haal je niet weg uit die buurt, dat bestaat niet. Het zou alleen een beetje geordend moeten worden.”


Aanpak van de overige ranzige handel in de Lange Niezel is overigens een stuk lastiger. Als de ondernemers daar niet zelf aan meewerken, moet het bestemmingsplan worden gewijzigd en dat is een zware procedure.


Maar het is wel de moeite waard, want de Lange Niezel heeft “veel potentie”, zoals de gemeente het misschien wat verwarrend uitdrukt. Een straatje als dit vol historie, dat bijna geheel bestaat uit rijks- en gemeentemonumenten, verdient toch zeker een mooie toekomst.


 




 




De opgestroopte mouwen van Ed van Thijn


Hoe de politie haar gezag terugwon


Tekst: Serge Markx & Peter-Paul de Baar


092009_Van_ThijnIn de jaren zestig en zeventig had de Amsterdamse politie een beroerde reputatie: repressief, verkrampt, machteloos, racistisch en corrupt. Inmiddels wordt ‘oom agent’ weer gekoesterd als sociaal werker en stoere beschermer tegen de criminaliteit. De omslag kwam tijdens het burgemeesterschap van Ed van Thijn (1983-1994). Hoe? We vroegen het hemzelf.


 


Op 16 juni 1983 werd Ed van Thijn geïnstalleerd als burgemeester. “Ja, dat was heel bijzonder! Amsterdam is mijn eigen stad, met zijn joodse traditie. De stad van de Februaristaking. Maar mijn trots had een rouwrand. Het klinkt wat pathetisch, maar ik heb altijd bedacht: hoeveel anderen, die zijn vermoord, hadden een betere burgemeester kunnen worden? Dat is iets van een ‘overlevingsschuld’. De strijd tegen discriminatie en voor verdraagzaamheid is een rode draad in mijn bestaan. Maar tolerantie betekent natuurlijk niet dat alles mag.”


Op een mooie zomerdag praat de oud-burgemeester in zijn tuin in de Concertgebouwbuurt openhartig over de problemen met de openbare orde en de criminaliteit waarmee hij als burgemeester werd geconfronteerd. Volgens de gemeentewet is de burgemeester het ‘hoofd van de politie’. Maar zijn gezag is niet absoluut. De politie heeft namelijk twee bazen: de burgemeester gaat over de openbare orde, maar voor de misdaadbestrijding ontvangt ze haar orders van de minister van Justitie, vertegenwoordigd door de plaatselijke hoofdofficier van Justitie. Juist in Van Thijns jaren werd duidelijk dat die strakke taakafbakening in de praktijk moeilijk houdbaar was.


Tot 1969 hoefde de burgemeester over het politiebeleid formeel geen verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad. Daarover had de jonge Van Thijn, PvdA-raadslid van 1962 tot 1971, het al in juni 1966 aan de stok met burgemeester Gijs van Hall. In ieder geval achteraf moet de raad het beleid kunnen toetsen, betoogde Van Thijn, maar Van Hall zag daar niets in, en zijn opvolger Ivo Samkalden evenmin. Aanleiding voor het debat waren het onzinnige politiegeweld tegen de provo’s (1965-1966) en het juist weer te laat optreden tijdens het ‘Bouwvakkersoproer’ van juni 1966. Toen het daarbij ernst werd, deed de politie niets, bij gebrek aan expliciete orders van de burgemeester. Van Hall was namelijk ‘in bespreking’ en niemand durfde hem te storen. Van Thijn: “Dat is voor mij altijd een afschrikwekkend voorbeeld geweest. Een burgemeester moet altijd bereikbaar zijn! De Commissie Enschede kwam met een schokkend rapport. De politie bleek totaal niet op haar taak berekend. Het was een centralistisch apparaat, amper aanwezig op straat.”


Hoofdcommissaris Van der Molen en burgemeester Van Hall werden allebei ontslagen. Voor de anderszins zeer bekwame Van Hall was dat een drama – maar zeker niet voor het openbare-ordebeleid, meent Van Thijn. “Van der Molen was echt een marechaussee-figuur, erg top-down. En Van Hall had bar weinig belangstelling voor de politie.”


 


‘Dweilen met de kraan open’


Tussen 1971 en 1983, in zijn Haagse jaren als Tweede-Kamerlid en minister, was zijn woonplaats Amsterdam voor Van Thijn geestelijk ver weg, bekent hij. “Ik las het allemaal in de krant, natuurlijk, over die Nieuwmarktrellen, die krakers en die junks. Maar nee, op de Zeedijk kwam ik nooit.” Dat veranderde meteen toen hij in 1983 Wim Polak opvolgde als burgemeester. “Het krakersgeweld trok toen de meeste aandacht. Ik moest dat oplossen. Bij de inhuldiging van Beatrix in 1980 hadden we die vreselijke rellen gehad. Mijn motto was ‘linkse stenen bestaan niet’. Maar tegelijk wilde ik aan de geweldsspiraal een eind te maken.”


Testcase werd in februari 1984 de ontruiming van het gekraakte pand van tapijtenfirma Wyers op de Nieuwezijds Voorburgwal. “Daar zaten wel 1500 krakers! We brainstormden met een aantal creatieve mensen van de politie. Hoe konden we de ontruiming anders aanpakken, zonder groot geweld? Zo kwamen we op de ‘open-kaart methode’. Tot dan toe gebeurden ontruimingen bij verrassing: makkelijk om een gebouw in handen te krijgen. Maar daarna ontstonden steeds grote vechtpartijen op straat. Ik zei: ‘We gaan er met open vizier op af. We kondigen aan: morgen om acht uur krijgt u een uitnodiging om het pand te verlaten.’ Buiten beeld hielden we de ME achter de hand, maar we ontruimden ‘met de platte pet’. Om negen uur ’s morgens begonnen de politieagenten de eerste mensen uit het pand te trekken. De politie vond dat te lang duren. Maar ik wilde zien wie de langste adem had. Om half twaalf liep het gebouw leeg. De krakers moesten pissen.”


Van Thijn erfde een tweede groot probleem: de drugsoverlast. Al op zijn eerste werkdag bezocht hij politiebureau Warmoesstraat. De verloederde Zeedijk was het domein van dealers en junks. Van Thijn wist niet wat hij zag: “Al die menselijke wrakken. Verschrikkelijk. Maar ze terroriseerden wel de buurt en die agenten voelden zich door iedereen in de steek gelaten. Ze hadden veel te weinig personeel en bevoegdheden. ‘Het is dweilen met de kraan open!’, riepen ze. Toen vroeg ik: ‘Wat heeft u nodig om hier een eind aan te maken?’ Ze wisten niet wat ze hoorden.”


Bureau Warmoesstraat kreeg meer personeel en er kwamen samenscholingsverboden. “Die hele drugscene moest van het tapijt worden geveegd. Ze mochten geen rustig moment meer hebben. En als ze hun heil verderop zochten, volgden we ze. Zo werd de overlast ‘verdund’. Tegelijk zorgden we voor een geïntegreerd drugsbeleid. Dat hield in dat de politie, de GGD en de jeugdhulpverlening en de Jellinek samenwerkten. We gingen methadon verstrekken, maar wie dat wilde hebben moest zich registreren. Zo werden de verslaafden bij ons bekend en konden we de Amsterdamse verslaafden onderscheiden van de buitenlandse. Die laatsten kregen geen methadon en gingen het land uit.”


 


Interview op de Pillenbrug


Wanneer hij het stadhuis op de Oudezijds Voorburgwal uitstapte, struikelde de burgemeester al over de junks. Aan de overkant hadden de Hells Angels hun stamcafé en om de hoek speelden Joegoslavische oplichters hun ‘balletje-balletje’. Ja, hij zag alles, erkent Van Thijn, maar hij had formeel weinig machtsmiddelen. “Vervolging van overlastgevers en criminelen, daar ging Justitie over.” Helaas hechtte dat ministerie weinig belang aan de grotestadsproblemen. “Toen heb ik in de zomer van 1986 Den Haag de oorlog verklaard door een interview te geven aan De Telegraaf, het lijfblad van minister Korthals Altes. Ik liet me met opgestroopte mouwen fotograferen op de Pillenbrug vlakbij het stadhuis, waar toen dag en nacht xtc-pillen werden verkocht. Dat werkte. Een uur later hing de minister aan de telefoon. Hij was ‘buitengewoon teleurgesteld’ in me. Maar nu zat ik wel meteen met hem aan tafel. Amsterdam kreeg meer agenten, maar niet van harte. De minister had een gelijkheidssyndroom: als Amsterdam iets wilde, dan moesten Maastricht, Lelystad enzovoorts dat ook hebben. Terwijl Amsterdam domweg veel en veel grotere problemen had dan de rest.”


Grote ergernissen bleven het cellentekort en het feit dat Justitie nauwelijks werk maakte van de vervolging van opgepakte dealers, straatrovers en oplichters. De meesten stonden de volgende dag weer op straat. Juridisch waren dat individuele zaken, betoogde Justitie, daar moest de burgemeester zich buiten houden. “Ja, maar ik word er wel op aangesproken!”, was dan zijn repliek. Er was weliswaar al meer georganiseerd overleg tussen de politiebazen dan in de tijd van Van Hall. Sinds omstreek 1970 bestond een periodiek Driehoeksoverleg tussen de burgemeester, politiechef en hoofdofficier van Justitie. Daarin vond Van Thijn hoofdcommissaris Jaap Valken gelukkig aan zijn kant. Van de afstandelijker hoofdofficier Cees van Steenderen kreeg hij minder steun.


 


Politie als ‘sociale architect’


Veel veranderingen kwamen in een stroomversnelling toen de Groningse hoofdcommissaris Eric Nordholt in 1983 de Amsterdamse politiebaas werd. Als jong hoofdinspecteur schreef nieuwlichter Nordholt in 1977 al met enkele geestverwanten het rapport Politie in verandering, waarin zij pleitten voor een rol van de politie in de maatschappelijke vernieuwing en concreet de oprichting van wijkteams. In een jenever-overgoten nachtelijk kennismakingsgesprek haalde Van Thijn hem over naar Amsterdam te komen. Zij werden een hecht koppel. “Een zeer markante man en een buitengewoon professioneel korpsleider”, zegt Van Thijn. Maar hij permitteert zich ook enkele relativeringen. “Zijn voorganger Valken wordt enorm onderschat. Dat komt doordat Nordholt net deed of de geschiedenis pas begon toen hij aantrad. Maar Valken zette de grote verandering in gang; later heeft Nordholt die daadkrachtig uitgevoerd. Die trad veel meer naar buiten en gaf zijn ‘dienders’ weer zelfvertrouwen. Hij was misschien iets te vaak op televisie, maar dat vond ik niet erg; dan hoefde ik wat minder!”


“Het belangrijkste wat Nordholt en ik gedaan hebben was de invoering van de wijkteams. De filosofie was dat de politie weer zichtbaar moest zijn. Als je overlast en kleine criminaliteit wilt oplossen, moet er altijd ‘blauw’ op straat zijn. Dat betekende dat 75% procent van de politie daarvoor beschikbaar moest zijn, in plaats van 25%. Dat was een enorme ingreep, die intern veel weerstand opriep, ook omdat wij aan alles te kort hadden. De stad Amsterdam had toen maar 2500 agenten. Nu zijn dat er in de 5000.” Die decentralisatie was nodig, omdat het sociale weefsel in buurten wegviel. “De kastelein op de hoek, de hoofdonderwijzer en de conducteur op de tram verdwenen. Maar nu hebben we de wijkagenten. Ik heb ze wel eens de sociale architecten van de stad genoemd.”


 


Grote en kleine boeven


Na het laatste grote kraakoproer in 1986 (Staatsliedenbuurt) kwam de strijd tegen de steeds grootschaliger criminaliteit voorop te staan. “In 1987 kregen we op het hoofdbureau een presentatie op het hoofdbureau van wat er in Amsterdam aan georganiseerde criminaliteit rondliep. Ze hadden al die groepen in kaart gebracht. Dat was zo indrukwekkend.”


Ontvoeringen van miljonairs als Caransa (1977) en Heineken (1983), de eerste ‘liquidaties’ en de onthulling van internationale netwerken van handelaren in drugs en seks en van de ‘witwaspraktijken’ waren natuurlijk goed voor grote krantenkoppen, maar raakten de gewone burger minder dan straatroof, intimidatie, mishandeling of overvallen op winkels. De toename daarvan viel min of meer samen met de grote immigratiegolf na 1970. In december 1988 onthulde Het Parool de hoofdlijnen van een voor B&W uitgevoerd onderzoek waaruit bleek dat jonge Marokkanen veel vaker dan andere etnische groepen waren betrokken bij diefstal en geweld. Van Thijn: “Ik was erg geschrokken, vermoedde niet dat het probleem zo groot was. Het is een hardnekkig misverstand dat B&W dat rapport geheim wilden houden. Wij wilden er eerst een eigen reactie aan toevoegen: dat we het probleem zeer serieus namen, maar dat je niet mag generaliseren, dat het ging om een minderheid van die jonge Marokkanen.”


Maar vertel dat maar eens aan de slachtoffers. “In Oost werd in 1993 sigarenboer Hartman vermoord. De politie hield het tumult niet in de hand. Ik ben daar met knikkende knieën naartoe gegaan. Er stond een uitzinnige menigte. Die schold mij verrot. Ik had de buitenlanders binnengehaald en de Amsterdammers in de steek gelaten. Ik heb dat een half uur over mee heen laten komen. Toen zei ik: ‘Ik heb u gehoord en nu wil ik iets zeggen. Ik deel uw ongelofelijke woede. Dit is verschrikkelijk. De daders worden opgespoord en gestraft. Maar ik wil óók opmerken: al is dit een Marokkaanse moordenaar, dat betekent niet dat alle Marokkanen moordenaars zijn. Daar moet u óók naar luisteren.’ Dat had een enorm effect.”


Terugblikkend bekent Van Thijn spontaan dat hij destijds niet voorzag dat de problemen met allochtone jongeren zo groot en zo hardnekkig zouden zijn. En dat geldt (gezien de aanhang van Wilders) ook voor de polarisatie tussen de bevolkingsgroepen. “Het debat over de ‘islamisering’ is helemaal doorgeschoten, met alle ontwrichtende gevolgen van dien.”


Het brengt ons terug bij het belang van tolerantie en het klimaat waarin die gedijt. “Als je wilt dat Amsterdam een tolerante stad blijft”, zegt Van Thijn, “moet je allereerst zorgen dat de burgers zich veilig voelen. Tolerantie is iets anders dan alles goed vinden. Dat soort onverschilligheid leidt snel tot onveiligheid en dus angst. En bange mensen zijn niet tolerant. Een effectief veiligheidsbeleid is dus een basisvoorwaarde voor verdraagzaamheid en saamhorigheid”.


 




De moeder van de creatieve industrie


Markante Amsterdammers: Marleen Stikker


Tekst: Sjaak Priester


092009_Digitale_stadAmsterdam had in 1994 drie burgemeesters. Het was het jaar waarin Schelto Patijn de opvolger werd van Ed van Thijn. En de derde burgemeester? Dat was Marleen Stikker: de burgemeester van De Digitale Stad.


De Digitale Stad zette Amsterdam op de digitale wereldkaart. Het was immers een van de eerste mogelijkheden voor gewone burgers om kennis te maken met de zegeningen van internet. Dat bestond in 1994 weliswaar al anderhalf decennium, maar was buiten het domein van wetenschap nog nauwelijks bekend. En vrijwel niemand had zelfs maar bij benadering een vermoeden hoe ingrijpend internet het dagelijks leven zou veranderen. Niemand, behalve dan misschien Marleen Stikker en haar bentgenoten. Zij waren immers een clubje vreemde eenden in de prille internetbijt: voor hen was het wereldwijde web niet in de eerste plaats een technisch mirakel, maar bovenal het stramien waarop nieuwe sociale netwerken konden worden geweven.


Sociale netwerken, het buzzword van 2009, waren voor Amsterdam in 1994 al de crux van het internet. Dat komt doordat de Amsterdamse internetpioniers geen nerds waren, althans niet uitsluitend. Veeleer was het een groepje van hele of halve kunstenaars, krakers en andere activistische types. Een typisch zootje Amsterdams ongeregeld kortom, waarvoor je tegenwoordig niet gemakkelijk meer de handen op elkaar zou krijgen. Velen zijn overigens uiteindelijk heel behoorlijk terechtgekomen – dank u.


 


Non-conformistisch


In dat wereldje kende iedereen Marleen Stikker. Hoewel officieel filosofiestudente, werd ze vaker aangeduid met typeringen als ‘internet-diva’. Stikker kwam uit een milieu dat je gerust non-conformistisch zou kunnen noemen. Ze werd in 1962 geboren in Groningen. Haar vader was Uipco Stikker. “Hij noemde zichzelf kunstenaar-wetenschapper. Hij heeft geëxposeerd met visuele poëzie. Hij was echt een erudiet, een bekende figuur ook in Groningen.” Allerd Stikker, de topman van de RSV-werf die zich in 1984 voor een parlementaire enquêtecommissie moest verantwoorden, is verre familie, en Dirk Stikker, minister van Buitenlandse Zaken in het eerste kabinet-Drees en mede-oprichter van de VVD, nog verder. "Ik ben van de zwarte-schapenkant."


Haar moeder is Gerda Meijerink, vertaalster Duits en publiciste. Dat zij docente germanistiek was aan de Utrechtse universiteit, en tegelijkertijd onderwijskunde doceerde aan de Universiteit van Amsterdam, brachten moeder en dochter naar Amsterdam. Haar vader niet, want haar ouders leefden gescheiden. Wel had Marleen van haar negende tot haar zestiende jaar een ‘tweede moeder’: schrijfster Doeschka Meijssing. Geen wonder dus dat schrijven lange tijd een perspectief vormde. “Op verjaardagen zaten Jeroen Brouwers en Gerrit Komrij bij ons op te scheppen over hoeveel gedichten van Piet Paaltjens ze uit hun hoofd kenden.” Maar het werd een studie filosofie.“Iedereen probeert zijn milieu te ontvluchten,” zegt ze, “al zou het ook kunnen zijn dat ik het talent voor schrijverschap niet had. Ik denk dat ik erg door mijn vader beïnvloed was, in de zin dat ik naar echte kennis op zoek was en niet alleen maar naar meningen of emoties.”


Helemaal aan de verwachtingen voldeed de filosofiestudie niet. In de eerste plaats was er aan de UvA vooral “veel gedoe dat nergens over ging”. Met een groep studenten vormde Stikker een club (Amfibi) die zelf het onderwijs vormgaf. “Dat is een rode draad in mijn leven: als iets me niet bevalt ga ik het zelf doen, altijd in coalities met anderen.” Maar filosofie bleek bovendien onvermoede gevaren in zich te dragen. “Ik zat helemaal in Hegel, in Kant, in de pre-apperceptie en het godsbegrip. Dat ging allemaal goed totdat ik last kreeg van uittredingen.” Ze moet er nu om lachen. “Je kunt totaal in dat denken verstrikt raken, en ik merkte dat dat niet goed voor me was. Ik wil midden in het leven staan, en niet alleen in de reflectie zitten.” De filosofiestudie werd dan ook niet voltooid.


 


Wreed totaaltheater


In plaats daarvan raakte Marleen Stikker verzeild in de wereld van het tegendraadse theater. Ze bestudeerde Antonin Artaud en diens ‘wrede’ totaaltheater. "Ik heb nooit echt in toneelstukken gespeeld, maar vooral de mix tussen theater en beeldende kunst opgezocht." In 1983 of ’84 raakte ze betrokken bij het theatertijdschrift Alligator, en toen liet de kennismaking met de computer niet lang meer op zich wachten. De tijdschriftenwereld was in heftige beroering door de opkomst van desktoppublishing. Het waren vooral de kleinere onafhankelijke tijdschriften die daarmee aan de slag gingen. Misschien wel het allereerste dtp-programma in Amsterdam was in gebruik bij het Shaffy Theater.


Achter de knoppen: Marleen Stikker. “De computer heeft enorm geholpen bij de ontwikkeling van een autonome, onafhankelijke cultuur in de stad. Het was de periode van Staats-TV, Rabotnik, Radio 100. Een mooie tijd, met die prille mediacultuur in de stad. In dat wereldje heb ik een tijd rondgewandeld. Drukkerijen zoals de Raddraaier, Primavera; autonome theaters zoals het Ostadetheater, het Veemtheater, The Bank op de Haarlemmerstraat, het Amfitheater in Paviljoen 1 – kortom wat indertijd het derde circuit werd genoemd.”


Ze leefde in die tijd, vertelt ze zonder blikken of blozen, van een uitkering. “Dat was heel gewoon. Eigenlijk waren het innovatiegelden; het hele circuit draaide erop. Ik heb wel eens gezocht naar banen, maar die waren er gewoon niet. Ik hoor bij de generatie waar niemand op zat te wachten. Er was in die tijd helemaal geen perspectief op werk. Iedereen was zijn eigen economische activiteit aan het zoeken. Je kunt wel zeggen dat in dat circuit de creatieve industrie in de stad geboren is.”


En ze woonde zeker in een kraakpand? “Nee! Gek hè? Ik heb wel her en der geholpen, maar bij grote kraakacties was ik niet betrokken. Ik had alleen kantoor in een gekraakt woon-werkpand op het WG-terrein.” Haar huidige levensgezel Pepi, vertelt ze, komt wel uit de krakersscene: hij woonde in het legendarische Wyers-pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal, dat in februari 1984 met het nodige misbaar werd ontruimd. Inmiddels hebben ze samen twee dochters: Zwaantje van 7 en Rokko van 5. Ze wonen in de Jordaan.


 


Creatieve hackers


Bij het fraais dat Amsterdam in de late jaren tachtig te bieden had hoorde ook de hackerscultuur. Jongens, voornamelijk, die de gevestigde orde regelmatig aan het schrikken maakten door apparaten creatief en grondig aan te passen. Hack-Tic (‘tijdschrift voor techno-anarchisten – hoofdverdachte: Rop Gonggrijp’) publiceerde alles van trucs om gratis te telefoneren (‘phreaken’) tot aan grondige analyses van het elektronisch betalingsverkeer. Hoogtijdag van de hackerscultuur was de manifestatie Hacking at the End of the Universe in Lelystad, 1993.


De autoriteiten keken bezorgd toe naar wat dat zootje ongeregeld in de polder uitspookte. Marleen Stikker was erbij, en haar ogen beginnen te glimmen als ze eraan terugdenkt: “Het was de eerste keer dat een meute nerds aan de ene kant en mediamakers aan de andere kant elkaar ontmoetten. Prachtig, die honderden kampeertentjes die aan TCP-IP hingen.” Daar in Flevoland is het idee voor De Digitale Stad tot volle wasdom gekomen. Er waren wel wat voorbeelden in de Verenigde Staten (Freenets, sinds 1986 al) maar het idee om op internet een virtuele stad te presenteren was nieuw. "Freenets waren hele stijve informatiesystemen. Wij wilden geen informatiesysteem maken, maar een ervaring. Wat valt er te ontdekken?"


De gemeenteraadsverkiezingen van 1994 vormden een mooie kapstok voor een experiment. Stikker stuurde een nota naar ambtenaren die hem soms maar half begrepen. Desondanks kwam er financiering los van de gemeente en van twee ministeries. Marleen Stikker en de 24-jarige hacker Felipe Rodriquez haalden nachten door om De Digitale Stad te bouwen – op een verdieping boven het Spaanse restaurant Centra aan de Lange Niezel, waarvan Rodriquez eigenaar was. En op 15 januari 1994 was het zover: met een mailtje naar de Amerikaanse vicepresident Al Gore stelde Frank de Grave, vermoedelijk de enige wethouder die snapte waarom het allemaal draaide, ‘groot digitaal Mokum’ officieel open voor het publiek.


 


Virtuele woningnood


Dat De Digitale Stad een succes was, is zwak uitgedrukt. Hoewel bij de aanvang nog maar een paar honderd particulieren in Nederland toegang hadden tot internet, ontstond er bijna virtuele woningnood, zo snel stroomden de bewoners toe, met duizenden tegelijk. Niet in de laatste plaats waren ze geïnteresseerd in het virtuele Centraal Station, dat toegang bood tot het wereldwijde web. De naar huidige maatstaven primitieve en dure apparatuur, noch de niet altijd even gebruiksvriendelijke menu’s waren een belemmering. Ook organisaties en bedrijven vestigden zich aan de virtuele straten en pleinen van de stad van burgemeester Stikker: musea, bibliotheken, kranten, het Uitburo en natuurlijk de gemeente Amsterdam.


Aan het einde van de subsidieperiode was de conclusie onontkoombaar dat het niet bij een paar weken experimenteren kon blijven: De Digitale Stad bleef bestaan. Door het leveren van diensten en adviezen op de prille internetmarkt kon de stad – een stichting inmiddels – zichzelf bedruipen. Er werden nieuwe, telkens weer wat betere wijken en voorzieningen toegevoegd. In andere steden – Rotterdam, Leiden, Eindhoven – werd het voorbeeld gevolgd.


Maar er kwam een einde aan de pret. Niet in de laatste plaats door de opkomst van XS4ALL, de mede door Felipe Rodriquez in het leven geroepen provider voor iedereen, werd rondstruinen op internet veel toegankelijker en bleek er buiten De Digitale Stad nog heel wat te beleven op het wereldwijde web. Marleen Stikker legde in 1996 haar ‘burgemeesterschap’ neer – er waren trouwens heel wat inwoners aan haar stoelpoten aan het zagen. De Digitale Stad bestaat nog steeds, maar als doodgewone, commerciële internetprovider.


"Het heeft zijn functie gehad," zegt Stikker. "De Digitale Stad heeft honderdduizenden de eerste schreden op internet laten zetten, een ook veel organisaties. Nu is het all over the place. Wij hebben het altijd gezien als een sociaal medium."


 


Waag Society


Inmiddels troont de moeder van de creatieve industrie (een typering van burgemeester Job Cohen) bovenin het Waaggebouw op de Nieuwmarkt. Ze is oprichtster (samen met Caroline Nevejan) en directeur van wat aanvankelijk de Maatschappij voor Oude en Nieuwe Media heette, en tegenwoordig de Waag Society. Marleen Stikker is een spin in het web van de Amsterdamse multimediawereld en opgenomen in het establishment. "Wat mij nu veel meer interesseert is de echte stad. Mijn aandacht is verplaatst van het creëren van een stadscultuur op internet naar hoe de echte stad beleefd wordt en de rol van de media daarin." Amsterdam Realtime, kortom, om de naam te noemen van een van de vele projecten die ze onder haar hoede heeft.


Dat leidde bijvoorbeeld tot de Verhalentafel, een multimedia-meubel waarmee ouderen herinneringen kunnen ophalen en bewaren. "We zijn allemaal consument van media," zegt Stikker, "maar waar ik me sterk voor maak is dat iedereen ook producent wordt, niet alleen van media maar ook van data". In 2003 konden bewoners van het Twiskehuis in Amsterdam-Noord er kennis mee maken en inmiddels staan er ruim 75 exemplaren van het prijswinnende object overal in Nederland.


Zo heeft de Waag Society, meestal samenwerkend met andere organisaties, tal van projecten voor gezondheidszorg, cultuur, samenleving, onderwijs en duurzaamheid. Ruim 50 mensen werken er. Sinds een jaar of drie is er een filiaal in Pakhuis de Zwijger aan de Oostelijke Handelskade. Daar zit het Mediagilde, een broedplaats voor veelbelovende starters op multimediaal gebied. En een tweede filiaal, het futuristische gebouw Dutchdock, in de vorm van een schip op de helling op het NDSM-terrein, staat op de tekentafel. "Dat moet een soort WTC voor de creatieve industrie worden en tegelijk een stadslaboratorium." De drie elementen die nodig zijn voor succes in de multimediale toekomst moeten er samenkomen: creativiteit, technologische kennis en ondernemerschap. "En in al die dingen," zegt Marleen Stikker, "is Amsterdam verschrikkelijk sterk."


 





Bouwen aan de Bijlmer


Een kwart eeuw vergaderen en vernieuwen


Tekst: Ron van Gelderen


092009_BijlmerEen kwart eeuw stadsvernieuwing heeft de Bijlmer onherkenbaar veranderd. De helft van de hoogbouw is gesloopt. Veel dreven zijn verlaagd. De Bijlmer krijgt de trekken van een gewone stadswijk met een vleugje Vogelaar.


 


“Het is een mooie wijk met al zijn sores”, zegt Paul Salomons. Hij schildert op deze zomerse dag enkele kasten voor zijn deur in de Bijlmer. Vrienden waarschuwden hem voor criminaliteit toen hij vorig jaar zijn studio in de flat Kruitberg betrok. “Daar merk ik weinig van. Het is echt een verouderd beeld dat de Bijlmer lang blijft achtervolgen.” Wel stoort hij zich aan het gedrag van sommige buren. “Er wordt hier nog steeds vuilnis van de balkons gegooid.” Voorheen belandde de troep in het plantsoen. Nu op de stoep voor zijn nieuwe studio. “Fout gedrag is ingesleten.”


Wie midden 2009 door de Bijlmer loopt, raakt onherroepelijk onder de indruk van de veranderingen. De helft van de hoogbouw is gesloopt. Circa 6.500 oude flatwoningen maken plaats voor 7.200 nieuwe eengezins- en portiekwoningen. Enkele bekende honingraatflats zijn grondig gerenoveerd. Zelfs de grootste pessimisten beginnen verliefd te raken op de veelbekritiseerde flats. De buurt met de behouden hoogbouw wordt nu het Bijlmermuseum genoemd. Het is volgens vriend en vijand “een stolling van naïef optimisme”.


 


Vergaderen en verven


De geschiedenis van 25 jaar Bijlmervernieuwing laat zich in enkele trefwoorden samenvatten: vergaderen en verven (1985-1990), vergaderen en beslissen (1990-1992), vergaderen en voorbereiden (1992-1994) en vergaderen en bouwen (1994-2009). Het begint in 1985. Na een lange dronkenmanstocht staat de Bijlmer aan het ravijn. De criminaliteit is hoog, het imago slecht, de leegstand groter dan ooit. Een kwart van de 13.000 woningen staat leeg. Woningcorporatie Nieuw Amsterdam dreigt bij gebrek aan huurpenningen failliet te gaan. Vrijwel niemand wil in de Bijlmer wonen. De Amsterdamse middenklasse verhuist nog liever naar Almere. De Bijlmer wint alleen nog aan populariteit onder junks, weggejaagd van de Zeedijk die zojuist is schoongeveegd.


Het stadsbestuur en de woningcorporatie zoeken midden jaren tachtig naar een structurele oplossing. In navolging van de beruchte flat Gliphoeve worden ook andere flats opgeknapt. Diverse woningen worden gesplitst, de lange galerijen worden onderbroken en de grijze gevels krijgen een vrolijk kleurtje. En er wordt vergaderd, héél veel vergaderd. “Het is één groot praatcircus”, zegt Evert Verhagen, midden jaren tachtig een jonge stadsvernieuwer in de Bijlmer. De vernieuwing is volgens hem ernstig vertraagd door de vorming van de logge woningcorporatie Nieuw Amsterdam in 1983 en de stadsdeelraad Zuidoost in 1987. “In de Bijlmer moet altijd iedereen overal over meepraten. Al dat geleuter maakt de wijk niet noodzakelijk beter.”


De Bijlmer is nog meer dan andere wijken op rapporten gebouwd. Het duurt tot 1992 voordat de gemeenteraad, het stadsdeel en de woningcorporatie besluiten wat in 1986 voor het eerst is geopperd: een kwart van de flats wordt gesloopt. De Bijlmer kan alleen tot een sociaal veilige wijk worden gesmeed als een deel van de anonieme hoogbouw wordt vervangen door eengezins- en portiekwoningen. Deze visie wordt vastgelegd in het rapport De Bijlmermeer blijft, veranderen (1990) en nader uitgewerkt in het rapport Werk met werk maken (1992).


 


Liever nieuwbouw


Na negen jaren van woorden volgen in 1994 daden. Eerst begint de renovatie van de flat Hoogoord en later in dat jaar start de sloop van de flat Geinwijk en enkele omringende parkeergarages. Twee jaar later gaat ook de flat Gerenstein tegen de vlakte. De nieuwbouw volgt relatief snel. Tussen 1997 en 1999 trekken de bewoners in hun nieuwe woningen in Nieuw Geinwijk en Nieuw Gerenstein. Juist rond de tijd dat zijn levenswerk wordt afgebroken, ontvangt Bijlmer-ontwerper Siegfried Nassuth een belangrijke oeuvreprijs. In het openbaar houdt hij zich stil. In kleine kring verzucht hij dat hij werkelijk niet begrijpt wat mensen denken te vinden in de nieuwe woningen met “een postzegeltje groen” aan de achterzijde en de auto voor de deur.


Behalve flats en garages wordt ook de Bijlmerdreef afgebroken. Deze hooggelegen weg wordt een gewone laan; de vele viaducten worden gewone kruispunten. Hoewel de sloop van de oude flats de meeste aandacht krijgt, heeft de afbraak van de dreef goed beschouwd de meeste impact op de wijk. Voetgangers mengen zich voortaan met automobilisten. De functionele stad die de stedenbouwkundigen in de jaren zestig bedachten, krijgt de trekken van een Vinex-wijk.


Rond de eeuwwisseling wordt besloten dat nog eens een kwart van de hoogbouw wordt vervangen door nieuwbouw. De afspraken worden vastgelegd in het Finale plan van aanpak (2002). “We wilden een stap verder gaan”, zegt Els Verdonk, vanaf 1994 lid van de stadsdeelraad en sinds 2002 stadsdeelwethouder in Zuidoost. “Wat we in de jaren negentig deden, bleek effectief maar onvoldoende.” En dus is opnieuw de sloophamer en de heimachine besteld. Trots is Verdonk onder meer op de nieuwe buurten Evergreen en Mi Akoma di Color. “De Bijlmer is niet langer een eenheidsworst. Mensen wonen nu in herkenbare buurtjes. Ze ontmoeten elkaar op straat, leren elkaar kennen, organiseren buurtfeestjes. Ik loop er met veel plezier rond. Het is ontzettend mooi geworden.”


 


Werk in uitvoering


Wie nu van buurt naar buurt loopt, ziet meer werk in uitvoering dan je zou mogen verwachten in een wijk die volgens het Finale plan in 2010 klaar zou moeten zijn. Er wordt in de zomer van 2009 gesloopt bij Egeldonk, gebouwd langs de Bijlmerdreef, bestraat in Evergreen, eindelijk gewerkt aan het winkelcentrum bij Kraaiennest en veel vergaderd over de toekomst van Kleiburg. Er is kortom nog enorm veel werk te doen. De laatste sloopflats gaan volgend jaar tegen de vlakte en de helft van de 7.200 nieuwe woningen wordt de komende jaren opgeleverd. De deadline is dan ook verschoven van 2010 naar 2014.


Stadsvernieuwer Verhagen, die na de Bijlmer de succesvolle transformatie van het Westerpark leidde, meent dat de vernieuwing van de Bijlmer sneller had gekund. Hij ziet in de de wijk beslist mooie dingen gebeuren. “Toch ben ik blij dat ik er destijds ben weggegaan. Ik kan me niet voorstellen dat ik vijftien jaar in die slooprotzooi had moeten wonen in afwachting van betere tijden. Het duurt echt allemaal veel te lang. Het verbaast me dat in al die jaren niemand in het stadsbestuur is opgestaan met de boodschap: jongens, voortmaken nu. Dit loopt uit de klauwen.”


Stadsdeelwethouder Verdonk verwerpt de kritiek: “Achteraf gezien is dat natuurlijk gemakkelijk gezegd. Soms kan het gewoon niet sneller. Ook in de Bijlmer draaien veel partijen aan de knoppen: van politiek tot projectontwikkelaars.” De politiek was evenals de bewoners lange tijd ernstig verdeeld. “We constateerden dat de samenleving minder maakbaar was dan we dachten. Het proces dat daarop volgde, had gewoon zijn tijd nodig. Het duurt even voordat iedereen zijn ongelijk durft te erkennen”, constateert Verdonk. Voorstanders van de oude Bijlmer bleven zich ook binnen de politieke partijen lang roeren. De wethouder herinnert zich een periode van drie maanden waarin avond na avond werd vergaderd. Fouten in de besluitvorming zijn door kritische bewoners aangegrepen voor lange juridische procedures. “Veel gedoetjes”, zegt Verdonk met gevoel voor understatement.


Het is volgens haar naïef te denken dat de Bijlmer sneller had kunnen worden vernieuwd, al begrijpt ze het actuele ongeduld van bewoners over de trage totstandkoming van het nieuwe winkelcentrum bij Kraaiennest en de slepende gesprekken over de flat Kleiburg. “Er zijn absoluut onderdelen die ook ik graag sneller had zien gaan. Wat ik lastig vind, is dat sommige bewoners de bouwput gedurende lange tijd bijna letterlijk om hun flat zien trekken. Voor die mensen moeten we ons stinkende best doen zo snel mogelijk te werken.”


 


Lanen van Berlage


De vernieuwing mag dan trager verlopen dan menigeen wil, de resultaten zijn beslist bemoedigend. De drugsoverlast ligt sinds 2003 op het niveau van heel Amsterdam, blijkt uit de Bijlmermonitor die onderzoekers begin 2009 in opdracht van het stadsdeel publiceerden. Verslaafden zwerven niet langer in groten getale over straat. Het aantal aangiftes van strafbare feiten is sterk gedaald. Niet dat overal de zon schijnt. De Bijlmer is twee jaar geleden door de toenmalige minister Ella Vogelaar opgenomen in haar lijstje van veertig 'krachtwijken'. Het Amsterdamse gemeentebestuur wijst binnen de Bijlmer drie buurten aan waar de problemen “het scherpst, schrijnendst en meest chronisch zijn”, te weten de E-buurt, G-buurt en K-buurt. De werkloosheid is daar hoger dan elders en de criminaliteit hardnekkiger.


Ondanks zulke tegenslag begint volgens de Bijlmer-bestuurders het glas meer dan half vol te raken. Een begin van groter elan lijkt de laatste tijd te ontstaan. De Bijlmer moest jarenlang “een gemiddelde Amsterdamse woonwijk” worden, nu wordt gedacht aan “een meer dan gemiddelde wijk”. De nieuwe lanen die de kilometerslange dreven vervangen, worden al vergeleken met die van Berlage. Bewoners blijven langer wonen in de wijk. De samenstelling van de buurt verandert. 70% van de nieuwbouw bestaat uit koopwoningen. De Bijlmer is de eerste Amsterdamse wijk waar een zwarte middenklasse ontstaat.


Nieuwkomer Paul Salomons, die vandaag op de stoep zijn kasten schildert, blijkt architect. Aan de muur van zijn kantoor hangt zijn opvallende ontwerp voor een torenhoge flat plus drive-in-woningen aan de nabijgelegen Karspeldreef. De eerste paal laat lang op zich wachten. Als het economisch tij meezit, wordt deze in de loop van september geslagen. Salomons: “Natuurlijk verander je de Bijlmer niet van vandaag op morgen. Er moet nog veel gebeuren.” Het mag wat hem betreft best nog iets ambitieuzer: “Dan rijd je bijvoorbeeld over een nieuwe laan die plots overloopt in een oude dreef. 'Tja', is dan het flauwe excuus, 'we hadden even geen geld meer voor een bruggetje'. Geen geld voor een bruggetje? Dat is wel heel klein gedacht. Jammer, vind ik dat.”


 


Prettig oord


De dogmatische idealist Siegfried Nassuth en zijn collega's van de dienst Stadsontwikkeling ontwerpen midden jaren zestig de Bijmer. Ze volgen de principes van de functionele stad van de Zwitserse architect Le Corbusier. Wonen, werken, reizen en recreëren worden in de wijk strikt gescheiden. De Bijlmer krijgt vorm zonder oog voor de bezwaren tegen de eenvormige hoogbouw die liefst 92% van het plan beslaat. Kritiek wordt weggewoven. De wijk wordt “het prettigste woonoord dat zich laat denken”, zegt burgemeester Van Hall, die in december 1966 de eerste paal slaat.


Al snel ontstaan echter de eerste problemen. De flats zijn slecht opgeleverd. De huren zijn hoog, deels door de half lege parkeergarages. De gemeenschappelijke binnenstraten in de flats blijven doods, doordat het budget voor de beoogde activiteiten is wegbezuinigd. De eerste metro begint pas in 1977 te rijden. Teleurgesteld trekken gegoede bewoners weer weg uit de wijk. De leeggekomen flats worden ingenomen door starters en migranten die geen andere keuze hebben.


Van Hall noch Nassuth voorzag in de jaren zestig de komst van zulke groepen. Zoals de stedenbouwkundige in zijn werk überhaupt weinig oog had voor de diversiteit van de menselijke soort. Toen een architect op aandringen van een jonge ambtenaar een extra venster in een hoekwoning tekende, werd dat op last van een woedende Nassuth weer weg gegumd. In zijn wijk was geen plaats voor extraatjes voor een enkeling. In zijn wijk was ieder mens gelijk.


 





Het Amsterdam van Abel Herzberg


‘Zonder elkaar hadden we het niet gered’


Tekst: Ko van Geemert


092009_Herzberg‘Een wijze ging voorbij’, berichtte uitgeverij Querido in 1989 bij het overlijden van Abel Herzberg, bekend advocaat en bekroond schrijver. Een kernthema in zijn werk is het jood-zijn: “Het is allesbehalve een genoegen een jood te zijn. Er is maar één ding erger: géén jood te zijn.”


 


“Weledelgeboren Heer, Uw briefje is in mijn bezit. Ik word daarin nog eens aangepord om mede te werken aan het boek dat door u op stapel is gezet en dat zal verschijnen onder de titel Wat het leven mij geleerd heeft. Ik denk dat, als het leven mij inderdaad iets geleerd had dat de moeite van het publiceren waard was, uw briefje wel overbodig geweest ware. Ik had mij dan wel gehaast om het mede te delen. Destijds heb ik de redactie trouwens in gelijke zin geschreven. Zij had mij een bijdrage gevraagd van 4000 woorden. Ik vond dat al dadelijk 3999 te veel. Ik kan met één volstaan: Niets.”


Zo begint Abel Jacob Herzberg in 1952 een brief aan zijn uitgever, gepubliceerd in Wat het leven mij geleerd heeft. Naar we aannemen moet dit goeddeels gespeelde bescheidenheid zijn geweest. Het ligt niet voor de hand dat iemand met zo’n bewogen leven, met zijn verleden in Westerbork en Bergen-Belsen, zijn ervaringen als Amsterdams advocaat, en schrijver van aangrijpende studies, essays, verhalen over de joodse cultuur, het antisemitisme en de Tweede Wereldoorlog, ‘niets’ van het leven geleerd had. Het staat ook in contrast met de tekst van een advertentie die uitgeverij Querido in 1989 plaatste in NRC Handelsblad: ‘Een wijze ging voorbij’, met daarbij alleen de naam van de overleden auteur, zijn geboortedatum en de datum van zijn overlijden. Een tekst ook, die Arie Kuiper koos als titel voor zijn biografie van Herzberg (uit 1997), waarvan in dit artikel regelmatig gebruik wordt gemaakt.


 


Gevlucht uit Rusland


Tsaar Alexander III (van 1881 tot 1894 aan de macht) wilde een absolute monarchie, gebaseerd op één nationaliteit, één taal, één godsdienst. Daar pasten de Russische joden niet in, ze werden vervolgd en vermoord.


De familie Person, vader, moeder, drie zoons en dochter Rebecca (de latere moeder van Abel) wilde hier niet op wachten. Ze besloten in 1882 naar Amsterdam te vluchten, net als Abraham Herzberg, die de vader van Abel zou worden. Joden hadden het tamelijk goed in Nederland, ze voelden zich veilig, zeker in vergelijking met andere landen. Met name Amsterdam – ook wel ‘Jeruzalem van het westen’ genoemd – werd een stad waar joden redelijk ongestoord konden leven en volgens hun eigen gebruiken konden huwen.


Huwen deden Abraham Herzberg en Rebecca Person in 1891. Ze woonden in de Blasiusstraat 61, waar twee kinderen werden geboren: Elisabeth en Abel. De laatste op 17 september 1893. Hij werd vernoemd naar Rebecca’s broer Abel, die jong aan tuberculose was gestorven. Het gezin Herzberg verhuisde diverse malen, naar: Hemonystraat 70, Prinsengracht 87, Quelijnstraat 64. Hier werd in 1896 Frieda geboren. Tussen Abel en Frieda kwam Sara ter wereld, maar zij leefde niet lang, waarschijnlijk maar enkele dagen.


Abel was een pienter kind. Toen hij in september 1899, zestien dagen voor zijn zesde verjaardag, door zijn moeder van de Quellijnstraat naar de lagere school, de Jacob van Campenschool (hoek Frans Hals- en Eerste Jacob van Campenstraat), werd gebracht, kon hij al lezen en schrijven, dat had hij op de kleuterschool geleerd. En hij had nog iets geleerd: joods bewustzijn. Als driejarig kind droeg hij al een keppeltje en boog hij zich elke dag over het Hebreeuwse alfabet.


Zes jaar later werd hij ingeschreven als leerling van het Stedelijk Gymnasium aan de Weteringschans, nu Barlaeus Gymnasium. Abel was al eerder met antisemitisme geconfronteerd, maar nu werd het wel heel manifest: toen hij lid van de gymnasiastenvereniging wilde worden, kreeg hij te horen: geen meisjes, geen proleten, geen joden. Abel was geen briljante leerling, maar slaagde voor het examen, met het hoogst haalbare cijfer voor Nederlands, maar wel met een herexamen voor Frans en Engels. In 1912 ging hij, negentien jaar oud, rechten studeren aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam. Overigens wilde hij liever kunstschilder worden.


 


Gezellig aan de balie


Abel maakte een reis naar zijn grootvader in Rusland, werd actief in de Nederlandse Zionistische Studentenorganisatie (NZSO) en meldde zich bij het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 aan bij het Tweede Regiment Artillerie, in Purmerend. Daar zou hij ruim drie jaar blijven.


In 1918 werd Abel mr. Abel J. Herzberg. In die tijd kon een juridisch student afstuderen op stellingen, en dat deed Abel dan ook. Een van zijn stellingen luidde: “Een publiekrechtelijk gewaarborgde eigen woonplaats in Palestina voor het joodse volk is de enig mogelijke oplossing van het joodse vraagstuk.” Hij werd in 1919 beëdigd en vestigde zich als advocaat en procureur, voorlopig in zijn ouderlijk huis, Sarphatistraat 74.


Hoewel hij zeer geïnteresseerd was in de kwestie van de juridische en morele verantwoordelijkheid van (oorlogs)misdadigers, hield hij zich in zijn praktijk als advocaat weinig bezig met het strafrecht. Hij specialiseerde zich in het administratief recht, toegespitst op de juridische aspecten van het Horecabedrijf.


“Het was niet ongezellig, zo’n halve eeuw geleden, aan de Amsterdamse balie”, schrijft Herzberg in 1972 (Om een lepel soep). Hij beschrijft de praktizijnssociëteit, “maar de ziel is eruit. En niet enkel de ziel. De oude advocaten – markante figuren, de een na de ander, met tussen hen door een enkele echte ouderwetse karikatuur – zijn er niet meer.”


Een uiterst merkwaardige periode als jurist heeft Herzberg gekend in Bergen-Belsen. Daar was namelijk sprake van een eigen interne rechtspraak van de kampbewoners. Herzberg trad daar op als organisator, als officier van justitie en soms als rechter. “Ik heb de hele rechtsvorming in handen,” noteerde hij in zijn dagboek op 24 augustus 1944. Met goedvinden van de Duitsers, een absurde situatie. Het ging vaak om diefstal van voedsel: “een aanslag op het leven van de bestolene”, aldus Herzberg. Er werden vonnissen uitgesproken als vier weken eenzame opsluiting of tweemaal per week water en brood. De Duitsers hadden de gewoonte collectieve straffen uit te delen: als iemand een brood stal, werd niet alleen de dader, maar de hele barak of zelfs het hele kamp gestraft. Het in eigen hand houden van de straffen was in die zin een verbetering. Herzberg heeft zijn rol hierin na de oorlog ook altijd verdedigd: “Het ging er niet om de dief te veroordelen, het ging erom de slachtoffers te beschermen, en dat hebben we gedaan.”


Pas in 1973 liet mr. Abel J. Herzberg zich uitschrijven als advocaat en procureur bij de rechtbank van Amsterdam en als lid van de Orde van Advocaten – hij was toen 79 jaar oud. Met eerbied dacht hij toen terug aan Piet, de eerste president van de rechtbank die hij meemaakte en van wie hij onder meer leerde: “Alle justitiabelen, in de koffiekamer en daarbuiten, hebben één ding gemeen. Ze hebben allemaal gelijk. […] En ze hebben nog een ding gemeen. Ze hebben stuk voor stuk nooit helemaal ongelijk.”


 


Advocaat geen schrijver


“Duizenden romans en novellen sluimeren er in de archiefkasten van de advocaten”, veronderstelt Herzberg (Om een lepel soep). Maar dat is, zo stelt hij, een onmogelijke combinatie: “De advocaat is geen schrijver, omdat hij dat niet wezen kan. Want hij is een ander mens. (…) De advocaat denkt anders, benadert alle verschijnselen van een andere kant, hij gedraagt zich anders dan de literator: de advocaat-literator zou zo iets moeten zijn als Jekyll en Hyde, hij zou eruitzien als een dromedaris met twee bulten zonder het ooit tot de statigheid te brengen van de kameel, hij is even onmogelijk als een warmbloedige vis.”


“Komt hij dan niet werkelijk voor, de advocaat-literator?” stelt Herzberg zichzelf een retorische vraag. “Ik moet erkennen, hij bestaat: de advocaat-literator. Blijkbaar zwemt er toch ergens een warmbloedige paling of snoek in het rond. En met deze erkenning naderen wij een van de gelukkigste ervaringen die er in dit onbegrijpelijke leven bestaan: de verrassing.” Zonder twijfel beschouwde Herzberg zichzelf als zo’n “verrassing”, zo’n “warmbloedige vis”, een “zondagsschrijver”, zoals hij zich wel eens noemde.


Rients Dijkstra, collega-advocaat, maar ook mede-eigenaar, directeur en hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, zette Herzberg tot schrijven aan. Op 9 september 1945 verscheen Abels eerste artikel in De Groene, over Bergen-Belsen.


 


Kroniek der Jodenvervolging


In 1943 werden Thea en Abel naar Barneveld getransporteerd, waar, in kasteel De Schaffelaar en villa De Biezen, honderden Nederlandse ‘verdienstelijke joden’ geïnterneerd werden, die op deze manier deportatie naar vernietigingskampen zouden kunnen ontlopen. Abel zou er later over schrijven in zijn Kroniek der Jodenvervolging (1950). Desalniettemin werden Abel en Thea na een paar maanden vervoerd naar Westerbork en in januari 1944 naar Bergen-Belsen. Hun drie kinderen Ab, Esther en Judith doken onder.


In 1982 ging Judiths toneelstuk Leedvermaak in première, met daarin de scene waarin over een vergelijkbare situatie wordt gezegd: “Een kind geef je toch niet weg? Die neem je toch mee?”. Arie Kuiper beschrijft in zijn biografie van Herzberg Thea’s reactie: “Ik vond het niks. Het is helemaal niet waar. Hoe hadden we dat kind nou mee moeten nemen naar Bergen-Belsen? Dan was ze daar toch doodgegaan? Dat stuk zit verkeerd in elkaar. Het kan heel anders.” En Thea voegde de daad bij het woord en herschreef het einde. Judith: “Mijn moeder belde me de dag na de première op. Ze zei dat ze een leuker einde had verzonnen. Ze begreep niet wat fiction en wat realiteit is. Dat stuk gaat niet over mij. Je gebruikt elementen uit je eigen leven, die vergroot je en je scherpt ze aan, je dramatiseert ze. In haar gedachten liep alles goed af.”


Na hun bevrijding, een schijnbaar eindeloze treinreis en een ziekenhuisopname vanwege tyfus, keerden Thea en Abel begin juli in Amsterdam terug. Ze gingen wonen op de Nicolaas Witsenkade nummer 10, waar ze tot hun dood (Abel in 1989, Thea in 1991) zouden blijven. Kuiper: “In de oorlog hadden Duitsers en NSB’ers in het huis gewoond. Daar werd Herzberg in de jaren zeventig aan herinnerd toen de vloer van de bovenwoning voor herstelwerk werd opgebroken. De bouwvakarbeiders vonden een groot portret van Adolf Hitler dat daar kennelijk door de vorige bewoners tegen het einde van de oorlog ijlings was weggestopt. De gedachte dat hij dagelijks “over Hitler had gelopen” amuseerde Herzberg. De arbeiders vroegen hem wat zij met het portret moesten doen. “Terugleggen,” zei hij.


 


Bekroond schrijver


Abel Herzberg was een productief man. Hij schreef talloze beschouwingen, redevoeringen, essays, toneelstukken, romans, novellen en werd daar meer dan eens voor bekroond, onder andere met de P.C. Hooftprijs 1972. Later vertelde hij dat deze prijstoekenning hem deed denken aan een groot gezelschap mensen die aan tafel zaten en een wedstrijd deden wie het lelijkste gezicht kon trekken. Tante won de eerste prijs, maar zij protesteerde heftig en riep verontwaardigd: “Ik deed niet eens mee!” Kernthema’s in het werk van Herzberg zijn het jood-zijn en de totstandkoming van Israël. “Het is allesbehalve een genoegen een jood te zijn. Er is maar één ding erger: géén jood te zijn”, vatte hij ooit kernachtig samen.


Herzberg schreef in 1967 een essay over de oorzaken van de jodenvervolging. Hij kwam tot de conclusie dat een minderheid leeft bij de gratie van de meerderheid: “Het is een probleem waar nooit en nergens een minderheid beslist, maar altijd en overal de meerderheid. Als het om de status van die minderheid zelf gaat, dan hangt het volledig van de wil van de meerderheid af of die minderheid iets te vertellen heeft”, aldus Herzberg. Bekend met de nukken van de meerderheid bleef hij zijn leven lang zionist, in de overtuiging dat een eigen nationale joodse staat een relatief veilige plek was waar joden in vrijheid – zonder verdere aanpassingen aan de meerderheid – zouden kunnen leven.


Een bijzondere plaats in Herzbergs oeuvre nemen zijn brievenboeken in. In 1964 verscheen Brieven aan mijn kleinzoon. De ondertitel luidt: De geschiedenis van een joodse emigrantenfamilie. Hierin wordt het milieu van de joden beschreven in het Rusland en Amsterdam uit het begin van de vorige eeuw. Herzberg had zijn achtjarige kleinzoon beloofd dat hij voor hem zou opschrijven wat hij zich van zijn jeugd, zijn ouders en grootouders herinnerde: “Vreemdelingen, van wie je niet verwachten mag, dat ze vandaag of morgen weer op zullen hoepelen, zijn nooit en nergens en bij niemand bemind; zodra ze aanstalten maken om ingezetenen te worden, begint de oude ingezetene bedenkelijk te kijken.”


Herzberg beschrijft het Amsterdamse joodse milieu op basis van twee ‘concentratiepunten’: de sjoelen oftewel synagogen: “Eén was gevestigd in de Swammerdamstraat, aanvankelijk boven een stalhouderij, later op de hoek van de Blasiusstraat. De tweede vond je in de Nieuwe Kerkstraat, niet ver van de Plantage. […] Mijn vader behoorde als Russische jood tot de groep van de Swammerdamstraat.” Toen de uitgever Bert Bakker hem erop wees, dat ook anderen belang in zijn brieven stelden, besloot hij ze in enigszins aangepaste vorm als boekje uit te geven. Met veel succes.


Aan de vooravond van zijn 90ste verjaardag draaide Herzberg de rollen om en publiceerde (in 1983) zijn Brieven aan mijn grootvader. Hierin kruipt Herzberg in de huid van de schepper en formuleert de volgende “goddelijke boodschap”: “Ik heb de mensen alles gegeven wat zij nodig hebben om met elkaar in vrede en vriendschap te leven. Ook ben ik kwistig genoeg geweest in het verdelen van de kennis en de talenten waarmee zij al mijn gaven gebruiken kunnen. Evenmin ontbreekt het hun aan wetten die hun handelingen moeten bepalen. Hiermede acht ik mijn taak volbracht. Wat nu nog moet worden verricht dient aan de mensen zelf te worden overgelaten. Zo hoort de orde tussen ons te zijn. Het woord, en meer dan het woord, de daad is aan hen.”


 


Amsterdamse menselijkheid


Als huwelijkscadeau voor zijn kleindochter schreef Herzberg in 1984, hij was toen 91, een lange brief, waarin hij vertelt over zijn eigen huwelijk met Thea, over de verschillende achtergronden van hun families, over hun bittere ervaringen in de oorlog, maar vooral, en steeds weer opnieuw, over de warmte en levenskracht die ontstond uit het samengaan van hun karakters, hun persoonlijkheden en culturen: “Wij waren in de hel, maar wij waren er niet alleen, wij waren tezamen. Wij hadden geen huis meer, geen eigen plaats in de wereld, geen gezamenlijk bed. Maar wij hadden elkaar. Zonder elkaar hadden wij het niet gered.”


Hun kinderen Ab en Esther vertrokken (in 1946) naar Palestina/Israël en ook Abel en Thea overwogen meer dan eens naar Israël te verhuizen. Ze bleven echter in Amsterdam. In 1973 ontving Abel uit handen van burgemeester Samkalden de Zilveren Legpenning van de stad, met inscriptie: “Amsterdam aan Mr. A. J. Herzberg. Zijn stempel staat op Amsterdams menselijkheid. 10.5.1973”


 





Handelsreiziger met ambtsketen


De burgemeester op reis


Tekst: Marcella van der Weg


092009_HandelsreizigersLaatst was burgemeester Cohen nog in Japan, eerder in Suriname, Turkije, China, op Curaçao en in de Verenigde Staten. Ook zijn (naoorlogse) voorgangers vlogen naar alle hoeken van de wereld. Snoepreisjes? Nou nee, voor onbekommerd pierewaaien is geen tijd; gelobbyd moet er worden!


 


Sommige burgervaders hadden de naam. Zo werd burgemeester Arnold d’Ailly (1946-1957) ook wel ‘de vliegende burgemeester’ genoemd, omdat hij met grote regelmaat in het buitenland vertoefde. Zelfs bij de opening van het eerste Holland Festival, het kunstspektakel dat onder zijn leiding de verarmde hoofdstad wat moest oppeppen, schitterde hij door afwezigheid. Hij was onderweg om overal Amsterdam in de schijnwerpers te zetten, “om haar positie van vroeger in de wereld te heroveren." De reis voerde langs steden als Moskou, Sydney en Helsinki – op het laatst stempelde de douane zelfs het omslag van zijn paspoort vol.


Die ambassadeursrol betekende wel dat D’Ailly bij belangrijke besprekingen van de gemeenteraad geregeld verstek liet gaan. Ed van Thijn, ook al zo’n globetrotter waar het erom ging de stad te promoten, viel krap een halve eeuw later vergelijkbare kritiek ten deel. Zijn uitstapjes naar steden als New York en Jeruzalem werden bovendien als ‘snoepreisjes’ betiteld.


Dit beeld van burgemeestersreizen als snoepreisjes lijkt hardnekkig, tot enorme ergernis van Gerard Pieters, hoofd Internationale Betrekkingen van de gemeente Amsterdam. “Lekker op een tropisch strand zitten? Vergeet het maar! De burgemeester werkt zich tijdens zo’n reis te pletter! Meestal heb je gelijk na de landing een ‘briefing’ op de ambassade over de laatste stand van zaken. En daarna ren je van de ene afspraak naar de andere.” Bovendien gaat de burgemeester nooit zomaar voor de aardigheid op reis, beklemtoont Maria Cuartas, chef van het Kabinet van de Burgemeester (Cohens naaste medewerkers). Het moet echt nodig zijn voor de welvaart of het aanzien van de stad: “De burgemeester reist heel functioneel.”


Van oudsher vormen de handelsbelangen van Amsterdam een belangrijke reden voor het leggen en onderhouden van buitenlandse contacten. Daarom ook was de stad in 1856 zo in haar nopjes met de opening van de ‘Keulsche spoorweg’, een directe lijn naar het handelsgebied aan de Rijn, de “groote verbruiker onzer koloniale waren”. Na een kwakkelperiode voelde de stad zich weer opgenomen in de Europese economie. Om dat te vieren toog het stadsbestuur onder aanvoering van burgemeester Cornelis Boot met de trein naar Keulen. De reis verliep moeizaam en bij aankomst was Keulen in mist gehuld. Desalniettemin stond Boot ’s avonds “als een vorst” op het balkon van het stadhuis en riep onder grote belangstelling: “Voorwaarts op de weg van den vrijen handel!”


 


Creatief en pragmatisch


Voor het aantrekken van bedrijvigheid richt de gemeente haar blik tegenwoordig graag op grote economieën als Amerika, China en Japan. En een handelsdelegatie die wordt aangevoerd door de burgemeester legt veel meer gewicht in de schaal dan eentje zonder. Zeker in landen als China, waar men nogal statusgevoelig is. Cuartas: “Amsterdam heeft in het buitenland een triple-A-status. Bijvoorbeeld omdat we creatief omgaan met grootstedelijke problemen als sociale integratie. We zijn open, pragmatisch en leveren voor zo’n klein gebied enorme prestaties op economisch vlak. Als de burgemeester van Amsterdam meekomt, denken de gastgevers: dit is een high level-delegatie.” Voor de meereizende Amsterdamse ondernemers en officials opent de burgemeester deuren die anders misschien gesloten blijven.


Zoals ook in Japan, waar de Nederlandse delegatie afgelopen mei nu weleens de rampenbunker wilde zien. Dat kon. Met het hele rampenscenario in het Japans erbij. Het was dit keer een heel grote missie, bedacht door de Nederlandse ambassadeur, die meende dat het 400-jarig bestaan van de banden tussen Nederland en Japan een mooie gelegenheid was voor een bezoek van de burgemeester. En dan willen er veel mensen mee. Het is immers niet alleen goed voor de internationale banden, maar ook voor het onderling contact; de delegatieleden trekken intensief met elkaar op. Maar ook al denken sommigen dat hun deelname ‘kat in het bakkie’ is, omdat ze zelf betalen: als je functioneel niets in zo’n land te zoeken hebt, zegt Cuartas, ga je niet mee.


Cuartas en Pieters timmeren samen met hun buitenlandse collega’s een programma in elkaar. En soms liggen de wensen wat gevoelig. Cohen maakt er bijvoorbeeld altijd een punt van in China ook te kunnen praten met mensenrechtenactivisten.


 


Niet alles is economie


Sommige bestemmingen roepen aan het thuisfront meer wenkbrauwgefrons op dan andere; dat is geen nieuws. Willem de Vlugt nam in 1935 voor een Amsterdams burgervader een wel heel ongebruikelijke stap. Hij vertrok met een officieuze handelsdelegatie naar de Sovjet-Unie, die door de Nederlandse regering niet werd erkend. Formeel ging hij dan ook als president-commissaris van de Nederlandsche Scheepsbouw-Maatschappij (NSM), de grootste scheepsbouwer van Amsterdam, die door de crisis ernstig in problemen zat. Maar dat juist hij ging en niet de directeur, gaf niet helemaal per ongeluk toch een officieel tintje aan het bezoek. Thuis was er heel wat om te doen, zo’n burgemeester die met de communisten onderhandelt voor de werkgelegenheid. En in welke rol zat hij daar nou? Het oordeel was niet eensluidend. Maar de Amsterdamse raad was tevreden: De Vlugt had goede zaken gedaan voor de stad.


En daar is het natuurlijk om te doen. Toch liggen er wel eens onverwachte voetangels. Zo was er, vertelt Cuartas, een pijnlijk moment in China. De altijd zo beleefde Chinezen (“dus als die klagen is er echt iets aan de hand”) uitten hun ontevredenheid over de procedures van de Inlichtingen- en Naturalisatiedienst (IND). “Wij zitten daar vriendelijk te doen, want we willen die bedrijven heel graag hier hebben. Maar als ze dan willen komen, blijken ze veel last te hebben van de IND-regels!” Dat is inmiddels opgelost.


Naast de economisch gemotiveerde contacten, doet de gemeente ook aan onbaatzuchtiger internationale samenwerking. In de jaren tachtig ondersteunde Amsterdam bijvoorbeeld bevrijdingsbewegingen zoals in Nicaragua en Mozambique – maar die vielen op den duur soms wat tegen. Sinds 2002 concentreert de stad zich op samenwerking met de vijf belangrijkste herkomstlanden van niet-westerse Amsterdammers (Suriname, Marokko, Ghana, Turkije, de Antillen) en op samenwerking met Riga en Boedapest, hoofdsteden van jonge EU-lidstaten die veel overeenkomsten hebben met Amsterdam.


Ook burgervader Schelto Patijn ging overigens al naar Marokko (1998), om “de geuren en kleuren” van die cultuur op te snuiven en Marokkaanse Amsterdammers beter te leren begrijpen. Patijn wilde geen protocollaire verplichtingen in het programma; hij wilde praten met gewone mensen. En een balletje trappen met jochies die aan het voetballen waren.


 


Geven en nemen


Een bezoek van de burgemeester trekt de aandacht, maar een groot deel van het werk gebeurt achter de schermen. In Suriname heeft de gemeente bijvoorbeeld 67 projecten lopen, waaronder de renovatie van Fort Nieuw Amsterdam door jongeren met een taakstraf. Dat was iets nieuws voor Suriname. En in Riga heeft de Amsterdamse politie geholpen bij het omgaan met risicovolle demonstraties als de Gay Pride - eerder werd die nog hardhandig uiteengeslagen. Aardig aan Riga is bovendien dat deze stad door de handelscontacten uit de 17de eeuw het grootste archief over Amsterdam bezit buiten Amsterdam. Vice versa overigens ook. Zo ligt er in het Stadsarchief een brief van Amsterdamse kooplieden aan tsaar Peter de Grote: of hij toch alsjeblieft Riga niet wil bombarderen. Momenteel wisselen beide stadsarchieven gedigitaliseerde bestanden uit.


Een belangrijk aspect van de werkbezoeken is kennisuitwisseling. Delegaties uit het buitenland willen bijvoorbeeld zien hoe Amsterdam met inburgering omgaat. Of hoe de stad haar afval verwerkt en de waterhuishouding regelt. Op beide gebieden heeft China een probleem en daarom heeft Amsterdam experts uit Peking uitgenodigd om te komen kijken hoe wij daarmee omgaan. Omgekeerd was AMC de Meren, een psychiatrische instelling in Zuidoost, blij met de expertise van Surinaamse collega’s. Hierdoor lukt het nu beter Surinaamse cliënten te diagnosticeren.


“Amsterdam geeft soms meer dan het neemt”, zegt Pieters. “Maar door de ervaringen van onze medewerkers in het buitenland vergroten wij ook de kennis binnen de eigen organisatie. We hebben er dus ook zelf iets aan, al is het maar de ontdekking dat eenvoudige oplossingen soms beter werken dan hightech-oplossingen.” Cuartas: “Sommige landen houden je ook een spiegel voor, zoals China. Hun economische ontwikkeling en hun besluitvaardigheid zijn zo hoog, dat je denkt: zo kan het dus ook.”


 


Niet praten in de lift


Een van de reizen waar Cohens team zeer tevreden op terugkijkt is die naar Curaçao in 2007. De verwachtingen waren niet hooggespannen, want tussen Curaçao en de Nederlandse staat bestonden stevige fricties. Maar met de Amsterdamse delegatie klikte het. Dankzij een grondige voorbereiding en de juiste toon, denkt Cuartas. “Je moet niet steeds met je vingertje zwaaien. Dat werkt niet. Amsterdam wil graag samenwerken met Curaçao en dát bepaalde de sfeer. Dat geeft tegelijk de openheid om over problemen te praten. Wij zeggen niet belerend dat ze iets met hun jongeren moeten doen. Wij geven aan dat wij die problemen ook hebben en hoe wij daar mee omgaan.” Sinds die reis zijn er vijftien samenwerkingsprojecten van de grond gekomen, onder meer op het gebied van de archeologie, de bevolkingsadministratie, het integriteitsbeleid en het toerisme. En mede dankzij Amsterdam Internet Exchange werd afgelopen maart in Willemstad de Carribean Internet Exchange geopend.”


Hoewel Amsterdam wat losser in de voorbereiding is dan bijvoorbeeld China en Japan – die weten alles van iedereen die meekomt – stopt Cuartas zoveel mogelijk cv’s en foto’s van mensen die ze gaan ontmoeten in een mapje, zodat de burgemeester weet wie hij voor zich heeft. De Nederlandse ambassade helpt met de do’s en don’t’s. Zo praat je in Japan bijvoorbeeld niet in de lift. Japanners doen het zelf niet, en hetzelfde wordt verwacht van die grote Nederlanders met hun harde stemmen. Nog zo’n tip: toon gepaste eerbied voor visitekaartjes. Dat doen Japanners ook.


 


Cadeaus horen erbij


Cuartas zelf is streng op de kleding: “Ik zeg altijd tegen de burgemeester: denk aan je pakken. Jij bent de burgemeester dus jij moet een pak aan. En een das. Soms mag je jasje uitdoen, maar geen korte mouwtjes.” Het is eens voorgekomen dat de wethouder Economische Zaken, die optrad als loco-burgemeester, voorbij werd gelopen, omdat hij gekleed was in overhemd met korte mouwen en spijkerbroek, en ambtenaar Pieters (wél in pak) werd aangezien voor de echte waarnemend burgemeester. Dat moet je niet hebben, natuurlijk. Uiterlijk dóet er toe.


Bij de bezoeken horen ook cadeaus. Die pakken op het moment suprême wel eens anders uit dan gedacht. Zoals dat lichtgevende Amsterdammertje voor San Francisco, in mei 2005. Daar stonden ze raar te kijken dat de vrouwelijke plaatsvervanger van de burgemeester een reuzendildo cadeau gaf. “En dan ook nog die drie andreaskruisen, alsof hij XXX-large was.” Pieters denkt wel met veel plezier terug aan de gitaar voor de Surinaamse president Ronald Venetiaan. Diens gitaar was door brand verloren gegaan en daarom had Amsterdam als cadeau een mooie nieuwe voor hem uitgezocht. “Venetiaan is een statige, serieuze man, daar verwacht je niet zoveel frivoliteit van. Maar hij werd een heel ander mens en begon er tijdens de lunch in het Ministerieel Paleis meteen op te spelen. En prompt begonnen mensen van onze delegatie en van het Surinaamse team samen te zingen.”


Eenmaal op de plaats van bestemming moeten er nog veel puntjes op de i worden gezet. Cuartas: “Alle spreekbeurten zijn voor vertrek klaar, maar soms wil je ter plekke nog iets veranderen. De burgemeester en ik hebben wel eens met opgestroopte mouwen achter de computer gezeten. Dat zijn mooie momenten. Je bent constant aan het regelen. Over gastenlijsten, over tafelschikkingen. De burgemeester krijgt daar weinig van mee. En dat hoort ook zo, hij moet die zorgen niet hebben. Want hij moet ’s avonds knallen.”


 





Redactioneel


092009_VoorwoordBeste lezer,


Wie zou het niet mooi vinden om een keer als gasthoofdredacteur van Ons Amsterdam te mogen optreden en dan nog wel ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan? Toen onze echte hoofdredacteur mij dit aanbod deed, heb ik dan ook onmiddellijk positief gereageerd. Met als extra argument dat mijn ouders, mijn broer en mijn zoon geschiedenis studeerden.


Het voor u liggende nummer is begrijpelijkerwijs gegroepeerd rond thema's die met het burgemeesterschap te maken hebben. Soms speelt de persoon van deze burgemeester daarin een rol (zijn agenda, zijn vaste route), maar veel vaker thema's die in het werk van iedere Amsterdamse burgemeester voorkomen: veiligheid, prostitutie, de ontwikkeling van de stad, het stadhuis, de promotie van Amsterdam in het buitenland.


En een eigen voorkeur ontbreekt natuurlijk ook niet. Zo koos ik in de serie ‘Markante Amsterdammers’ voor Marleen Stikker, die met haar Digitale Stad de Amsterdammers massaal aan het internetten bracht en nu met de Waag Society een spin in Amsterdams creatieve web is. In het kader van de onregelmatige reeks over schrijvers en Amsterdam viel mijn keuze op de joodse literator, jurist, essayist en zionist Abel Herzberg. Ik raakte extra door hem gefascineerd toen ik in 2001 de jaarlijkse Abel Herzberglezing mocht houden. Een aantal van zijn gedachten over het spanningsveld tussen meerderheden en minderheden is nog steeds akelig actueel.


Wat opvalt in onze stadsgeschiedenis is dat Amsterdam verandert en toch zichzelf blijft. Dat trof mij indertijd bij de verschijning van BM, Ed van Thijns boek over zijn burgemeesterschap. Ik had het zo kunnen schrijven. Amsterdammers zijn en blijven creatieve kooplieden, zoekend en gebruikmakend van nieuwe mogelijkheden. Of dat nu in de creatieve sector is of in de prostitutie, in de stadsuitleg (met mooie én minder mooie resultaten) of in de misdaad én de bestrijding daarvan.


Dat alles in een sfeer die gekenmerkt wordt door eigenzinnigheid en een bijzondere vorm van tolerantie: doe jij maar, als je mij er maar niet mee lastig valt... Soms gaat die tolerantie verder, maar soms ook niet.. De manier waarop Amsterdam in deze decennia omgaat met homoseksualiteit, is daar een tekenend voorbeeld van, met een Gay Pride die zich de afgelopen zomer weer nadrukkelijk manifesteerde, maar in een context waarin van werkelijk volledige acceptatie nog geen sprake is.


Ik hoop dat de opvolger van mijn opvolger over twintig jaar dezelfde kans krijgt als ik, en ik hoop dat zij dan nog even terugkijkt in dit nummer, en zich afvraagt of het nog steeds anders en eender is.


Job Cohen


 





092009_AgendaDe agenda van de burgemeester


Wat doet zo’n burgemeester van Amsterdam nou de hele dag? Bij uitzondering gunde Job Cohen ons een blik in zijn (elektronische) agenda. Hij voegde op de papieren uitdraai persoonlijk enige uitleg toe. Dit waren zijn afspraken in een willekeurige week: de laatste week van mei. Zoals gewoonlijk bomvol geplande besprekingen, maar ook met een inderhaast ingelaste dramatische herdenkingsbijeenkomst aan het eind van de vrijdag. Hoogst ongebruikelijk gevolgd door een vrij weekend.


Delen: