Nummer 9: September 2004

092004_Cover




Op het omslag: De bouwvallige Haringpakkerstoren, in de Middeleeuwen sluitstuk van de stadsmuur aan de westelijke zijde, vlak voor deze in 1829 werd gesloopt. De tekening is van Gerrit Lamberts (1776-1850). Gemeentearchief.

- De laatste stadswal van Amsterdam
- Een thuis voor zeelieden
- Ruzie in de orkestbak
- Wie bedacht de Gouden Koest?
- Het nimmer gebouwde Flora-Palace







De laatste stadswal van Amsterdam


Oude muur niet bestand tegen modern geschut


Tekst: Ernest Kurpershoek


092004_StadswalHet lijkt waanzin: toen Amsterdam rond 1600 uit zijn voegen begon te barsten, werd de robuuste middeleeuwse stadsmuur van keiharde baksteen vervangen door een omwalling van gedroogde modder en graszoden. Toch was dat minder zot dan het nu lijkt. Ernest Kurpershoek, auteur van het gloednieuwe Open-Monumentendagboekje Amsterdam verdedigd, legt uit waarom.


Rond 1300 moet er al een aarden walletje hebben gelegen achter de Nieuwendijk. Sporen ervan vond stadsarcheoloog Jan Baart in 1994 bij de Nieuwezijds Kolk. Het was die verdedigingswal, die de Amsterdammers in 1304 moesten afbreken als straf voor de rebellie van Gijsbreght van Aemstel tegen graaf Floris V. Pas rond 1340 kwam er een nieuwe aarden stadswal, maar ook die stelde weinig voor. Dat was niet zo erg, want de stad was omringd door water en moerasgebieden, en wie het waagde daar doorheen de stad te naderen, liep onherroepelijk vast in de slappe modderachtige bodem. Pas helemaal aan het einde van de Middeleeuwen kreeg Amsterdam alsnog een heuse stenen ommuring. Daarvoor was wel eerst zware druk nodig van de landsheren, eerst Filips van Bourgondië en daarna Maximiliaan van Oostenrijk, om de stadsregering zover te krijgen de muur te bouwen. De bouw van de muur was immers duur en, vanwege de drassige grond, problematisch. Niettemin kwam de muur tussen ongeveer 1485 en 1494 tot stand. Het was een dikke en hoge muur van gemetselde baksteen, voorzien van indrukwekkende stadspoorten en verdedigingstorens, zoals de Schreierstoren op de huidige Prins Hendrikkade en de in 1488 gebouwde Sint Antoniespoort (nu de Waag) op de Nieuwmarkt. Om die muren te kunnen beklimmen, moesten belegeraars eerst nog de stadsgracht over zien te komen: aan de oostkant de huidige Geldersekade en Kloveniersburgwal, aan de westkant het Singel.


Een kleine eeuw lang was die verdedigingslinie afschrikwekkend genoeg. Maar tijdens de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spaanse overheersers (1568-1648) stak de ongerustheid toch weer de kop op. In de noordelijke Nederlanden hadden de opstandelingen weliswaar al na zo’n tien jaar strijd het heft in handen (Amsterdam sloot zich in 1578 aan bij rebellenleider Willem van Oranje), maar de kans dat de militaire balans zou omslaan bleef nog een hele tijd redelijk groot.


Het ‘gebastioneerde stelsel’


De verdediging van Amsterdam bezorgde de stadsregering veel kopzorgen. De angst geld te verspillen aan een verdedigingslinie die weer snel waardeloos kon zijn, leidde tot besluiteloosheid. Nu was het Willem van Oranje die zich – uit onvrede - bemoeide met de versterking van Amsterdam. Hij stuurde in 1581 zijn fortificatiemeester naar Amsterdam, Adriaen Anthonisz, die onvermoeibaar van de ene naar de andere stad in de Republiek pendelde om de stadsbesturen van advies te voorzien.


Een nieuwe verdedigingsgordel van Amsterdam zou een geheel ander karakter moeten krijgen dan de bestaande. De 15de-eeuwse stadsmuur was militair gezien een anachronisme. De ironie van het lot wou dat het hele systeem van muren en torens al ten dode was opgeschreven op het moment dat de stadsmuur van Amsterdam in 1494 feestelijk werd ingewijd. In dat jaar namelijk namen de troepen van de Franse koning Karel VIII dankzij de invoering van het buskruit, van nieuwe wapens en aanvalstechnieken in Italië de ene na de andere ommuurde stad in. De Fransen gebruikten ijzeren in plaats van stenen kogels, waartegen de muren niet bestand bleken.


Muren en torens waren hoog gebouwd om beklimming te bemoeilijken en projectielen afgeschoten met katapulten tegen te houden. Maar nu werkte de hoogte juist in het nadeel van de verdedigers. De bouwwerken vormden nu een dankbaar doelwit voor de kanonnen en bij ieder raak schot werden de verdedigers bedolven onder een steenlawine. Bovendien concentreerden de Fransen hun kanonnenvuur op bepaalde plekken waardoor bressen in de verdediging werden geslagen. Hierdoor waren de verdedigers gedwongen om de vijand vanuit de flanken te beschieten, maar daarvoor boden de torens weer te weinig mogelijkheden.


Als antwoord op de nieuwe aanvalstechnieken ontwikkelden Italiaanse vestingbouwkundigen een aangepast verdedigingssysteem, het gebastioneerde stelsel. Rondelen en bastions namen de taak van de verdedigingstorens over. In de Middeleeuwen dankten de torens hun kracht aan de dikte en geslotenheid van de muren, waarin slechts kleine geschutsopeningen uitgespaard werden. Maar voor het moderne geschut was de schiethoek die de openingen boden veel te klein. Bovendien waren er niet voldoende openingen voor de rookafvoer van het geschut. In plaats van hoge torens kwamen nu lage bastions die uit de muur naar voren staken en waar de kanonnen op een platform in de open lucht opgesteld konden worden.


De eerste bastions waren rechthoekig van vorm, maar al spoedig werden ze vervangen door ronde bastions of rondelen, waar kogels eerder op afketsten. Tegelijkertijd hadden de verdedigers een veel groter schootsveld. De volgende stap in de ontwikkeling was het vijfhoekige bastion dat door inspringende flanken met de wal werd verbonden. In de flanken werden geschutskelders aangebracht, de kazematten, waardoor verschillende schiethoogten ontstonden. Vanaf het bastion konden daardoor de tussenliggende muren of courtines bestreken worden. Het uitspringende driehoekige platform vóór de flanken zorgde voor de verdediging van het geschut dat ín de flanken was opgesteld. De afstand tussen de bastions werd vastgesteld op de reikwijdte van een musketschot, rond de 225 meter. Bastions konden dus op een afstand van 450 meter van elkaar gesitueerd worden.


In de loop van de 16de eeuw vond dit systeem ook ingang in de Nederlanden. In 1540-1550 waren Italiaanse vestingbouwkundigen in Amsterdam aanwezig; zo was het rondeel tussen de Schreierstoren en de Sint Antoniespoort het werk van de Italiaan Alessandro Pasqualini. Het gebastioneerde stelsel werd vanaf nu het exclusieve verdedigingssysteem van Amsterdam.


Nieuwe wal alweer snel te klein


Na drie jaar overleg kwam de stadsregering in 1585 in eerste instantie tot het besluit om niet ver buiten de oude stadsmuur een aarden wal met elf bastions aan te leggen. Die wal liep (als we ‘tegen de klok in’ gaan) vanaf de Montelbaanstoren langs de Oude Schans en Zwanenburgwal naar de Amstel. Aan de overzijde van de rivier ging het verder langs de huidige Bakkersstraat, de Reguliersdwarsstraat en dwars door het gebied tussen de huidige Heren- en Keizersgracht om uiteindelijk, aan de noordwestzijde van de stad, aan te sluiten op het reeds in 1578 gebouwde bolwerk bij het IJ op de tegenwoordige Herenmarkt.


Het Singel had nu zijn functie als vestinggracht verloren en werd veranderd in een woongracht voor de welgestelde burgerij. Op het terrein tussen het Singel en de nieuwe wal kwamen woningen voor schippers en werklieden en er vestigden zich allerhande bedrijfjes. De ruimere vestinggordel bood plek voor leniging van de ergste woningnood, maar niet meer dan dat. De kaart van Pieter Bast uit 1597 laat zien dat de stad toen alweer helemaal was volgebouwd. Kort nadat de uitbreiding was gerealiseerd, werden dus alweer druk plannen gemaakt voor de volgende uitbreiding. In 1610 presenteerde de stadstimmerman Hendrick Jacobszoon Staets het stadsbestuur zijn schetsen van nieuwe fortificatiewerken. Na vestingbouwkundig advies te hebben ingewonnen bij de stadhouder, prins Maurits, nam de vroedschap in 1613 een stoutmoedige reeks besluiten. Er zou, te beginnen aan de kant van de Haarlemmerdijk, een verdedigingswal komen met bolwerken, langs het tracé van de huidige Marnixstraat en Weteringschans. Aan de buitenzijde daarvan kwam een nieuwe brede stadsgracht, de Buitensingel (nu Singelgracht) en aan de binnenzijde een smalle gracht, de Lijnbaansgracht.


De invulling van het nieuwe terrein binnen de omwalling kwam pas in tweede instantie aan de orde. Uitgangspunt was dat het een aantrekkelijk woongebied voor de welgestelde burgerij moest worden. Het resultaat was de beroemde grachtengordel, met de Heren-, Keizers- en Prinsengracht. Van meet af aan was het de bedoeling om de stad als een halve maan om de oude stad te leggen, helemaal tot aan het IJ. Het project was echter te omvangrijk om ineens te realiseren. Daarom werd besloten om de nieuwe fortificaties en grachtengordels in eerste instantie niet verder door te trekken dan tot de Leidsegracht.


Vanaf 1657 werd Amsterdam nog eens vergroot. Dit werd veruit de grootste uitbreiding tot dusver. Het grondgebied van Amsterdam nam toe met bijna 70%. De grachtengordel werd doorgetrokken tot de Amstel en aan de overzijde, met de Nieuwe Heren-, Keizers- en Prinsengracht voortgezet. Vanuit het centrum liepen radiaalstraten en -grachten naar de stadswallen, waardoor de plattegrond van Amsterdam eruit ging zien als een half spinnenweb. Aan het einde van twee radiaalstraten, de Leidsestraat en de Utrechtsestraat, werden stadspoorten gebouwd. Evenals in het oudere deel van de grachtengordel kwamen er voornamelijk rijke kooplieden en ondernemers te wonen.


De laatste uitbreiding lijkt in nog sterkere mate dan voorheen uit militaire overwegingen te zijn voortgekomen. Een eerste aanleiding voor uitbreiding van vestingwerken deed zich voor toen stadhouder Willem II in 1650 een aanslag op Amsterdam beraamde. De aanslag werd verijdeld, maar tijdens het in paraatheid brengen van de verdediging kwamen de tekortkomingen van het bestaande verdedigingsstelsel en de wenselijkheid van een nieuwe en ruimere omwalling duidelijk naar voren. Ook essentieel was een deugdelijke bescherming van het nieuwe scheepsbouwkwartier op de Oostelijke Eilanden (Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg).


In 1657 werd begonnen met de aanleg van nieuwe fortificaties. De aanleg van de laatste omwalling van Amsterdam was een megaproject, wellicht de grootste bouwkundige onderneming uit de tijd van de Republiek. Vooral het onderstutten van de zware wal op de slappe ondergrond was een enorm karwei. Jarenlang hebben duizenden arbeiders heen en weer gesjouwd met karren en kruiwagens vol met aarde en zand uit de duinen en het Gooi, kilometers damwal gemetseld, grachten uitgegraven, bruggen en sluizen gebouwd en vooral geheid, geheid en nog eens geheid. Om de gang erin te houden werden arbeiders per stukloon betaald. Rond 1663 was het enorme werk gereed.


26 bolwerken


De gehele wal rustte op een negen meter brede houten vloer die gedragen werd door meer dan 100.000 geheide palen met dwarsliggers. Boven de planken werden gewelfde bogen gemetseld, 44 per bolwerk en 47 per courtine. Over de bogen heen werd de aarde gestort. Aan de buitenzijde werd de wal met stenen bekleed. Het geheel was omschoeid door een damwand van veertien kilometer om het wegglijden van de aarde tegen te gaan. De nieuwe omwalling telde 26 bolwerken of bastions. In de flanken waren kazematten of geschutskelders aangebracht waarin vuurmonden opgesteld werden en munitie werd ondergebracht.


De bolwerken werden extra rendabel gemaakt door ze ook bedrijfsfuncties te geven. Zo bleken ze ideaal om er molens op te zetten. De verhoogde ligging alsmede het verbod op het bouwen buiten de omwalling garandeerden een goede windvang. Op bijna alle bolwerken kwamen molens te staan. Wie vroeger de stad naderde zag al vanuit de verte een woud van molenwieken aan de horizon opdoemen. Naast de molens lagen op de bolwerken ook vaak stallen, bergingen en huisjes en moestuinen. De grond waarop de molens stonden bleef eigendom van de stad en de molenaars waren verplicht de molens direct af te breken als de stadsregering dat in geval van nood eiste. Ze waren daarom ook van hout vervaardigd. Maar in de eerste helft van de 18de eeuw werden ze geleidelijk toch door stenen exemplaren vervangen.


Alle bolwerkmolens zijn inmiddels verdwenen, behalve De Bloem (tot 1878 op bolwerk Rijkeroord, het huidige Tweede Marnixplantsoen; daarna herbouwd aan de Haarlemmerweg) en De Gooyer (eerst op bolwerk Oosterbeer in de huidige Sarphatistraat, sinds 1814 op de Funenkade).


De nieuwe omwalling telde vijf hoofdpoorten, de Haarlemmer-, Leidse-, Utrechtse-, Weesper- en Muiderpoort. Daanaast waren er nog enkele kleinere poorten, de Wetering-, Raam-, en Zaagmolenpoort. Alle hoofdpoorten bevatten wachtlokalen, een administratiekantoor, wapenkamer en soms ook enkele cellen.


Het einde van de laatste stadswal


De laatste omwalling van Amsterdam is nooit serieus op de proef gesteld. De stad heeft het ook nooit zover (durven) laten komen. Toen de Republiek in het Rampjaar 1672 van alle kanten werd aangevallen, heeft men niet gewacht tot het moment dat de vijand voor de poorten stond, maar hem op afstand gehouden door het hele gebied van Muiden tot Gorinchem onder water te zetten. Deze zogenaamde Hollandse Waterlinie bleek een onneembare barrière. Sindsdien is men voortdurend bezig geweest deze waterlinie te perfectioneren. De omwalling van Amsterdam raakte daarbij een beetje in de vergetelheid en werd in de loop van de 18de eeuw vanwege de kostbare onderhoudswerkzaamheden eigenlijk alleen maar tot last. Ook over de deugdelijkheid van de omwalling bestonden ernstige twijfels. Het was een veeg teken dat de Muiderpoort in 1769 tezamen met een gedeelte van de met stenen beklede stadswal zomaar in elkaar stortte. In 1794 verdween een stuk van het Reguliersbolwerk in de gracht. De rapporten die het Stadsfabriekambt in die periode over de omwalling liet verschijnen, bevestigden alleen maar de bange vermoedens: “dit gedenkstuk der voortyd” zo staat er ergens te lezen, was “reeds by den eersten aanleg onvoldoende gebouwt, slegt bewerkt.” De omwalling was amateurswerk en de toenmalige stadsregering was, om kort te gaan, bedonderd door de stadsfabrieksmeesters die soms de stenen zomaar op elkaar hadden gestapeld, ondeugdelijke kalk hadden gebruikt en van alles in de omwalling hadden gekeild, tot en met een kruiwagen en mengemmer voor kalk.


Het Stadsfabriekambt had er weinig fiducie in dat de omwalling ooit nog eens in een deugdelijke vestinggordel veranderd zou kunnen worden. Men concentreerde zich liever op de verdedigingslinie die luitenant-kolonel Cornelis Krayenhoff in 1805 ontwierp op een paar kilometer buiten Amsterdam. Deze verdedigingslinie, de Posten van Krayenhoff genoemd, was in feite de voorloper van de Stelling van Amsterdam en bestond uit een stelsel van dammen, sluizen en tientallen aarden werken dat berekend was op gebruikmaking van inundatie. Napoleon die in 1811 de Posten van Krayenhoff inspecteerde was diep onder de indruk en noemde het verdedigingsstelsel “zonder voorbeeld, zonderling en inderdaad onoverwinnelijk.”


De stad zelf zat intussen nog opgescheept met de 17de-eeuwse omwalling. Wat ermee moest gebeuren, had een directeur van het Stadsfabriekambt, Johan Samuel Creutz, al in 1783 aangegeven: verlaag de muur, zorg ervoor dat de daarachter liggende aarden wal afgegraven wordt en leg er mooie door bomen omzoomde wandelwegen aan. Dit idee werd enthousiast ontvangen. Na de Franse tijd zijn daadwerkelijk wandelwegen op de stadswallen aangelegd. In 1818 was de stad van de Muider- tot de Raampoort aldus omzoomd en een jaar later volgde het stuk tussen de Zaagmolen- en de Haarlemmerpoort. In 1820 was een groot deel van Amsterdam omringd door een wandelweg gelegen op de afgegraven vestingwal. De poorten bleven vooralsnog staan voor de inning van de stedelijke accijnzen.


In de daaropvolgende decennia werd de wandelroute ten koste van de verdedigingswerken nog verder uitgebreid. De laatst overgebleven courtine, die tussen de bolwerken Rijkeroord en Slotermeer, werd in 1862 gesloopt en ook als wandelweg heringericht. Hiermee was het laatste stuk schans, op het afgelegen Funen en het gedeelte dat werd ingenomen door de Oranje-Nassaukazerne na, beplant. Echter, op het moment dat de transformatie van de oude vestingwerken rond was, was de aantasting van het wandelgebied al in volle gang. Na 1860 nam de economische bedrijvigheid sterk toe en groeide de bevolking dermate dat binnen de slotgracht niet meer voldoende ruimte was. Niet alleen buiten de voormalige verdedigingsgordel werd gebouwd, maar ook erop. Er moest immers een goede aansluiting komen tussen de oude en nieuwe stadswijken, en bovendien, grond was duur. De wandelroute werd aldus op tal van plaatsen onderbroken en nu de samenhang weg was, werd ze een weerloze prooi van bouwspeculanten. Enkele plukjes groen langs de Singelgracht herinneren nog aan het 19de-eeuwse wandelgebied: het Eerste en Tweede Weteringplantsoen, bijvoorbeeld, en het Eerste en Tweede Marnixplantsoen.


Van de 17de-eeuwse omwalling resteert zo goed als niets meer. De Singelgracht werd, zoals dat heet, genormaliseerd waarbij het geometrische patroon van de bolwerken plaatsmaakte voor de rechtlijnigheid van de Marnixstraat, Weteringschans, Sarphatistraat en Blankenstraat. Slechts hier en daar zijn nog de omtrekken van de voormalige bolwerken af te lezen; het duidelijkst zichtbaar zijn de contouren van het oude bolwerk Haarlem en het Eerste Marnixplantsoen, waar ook nu nog de punt van het bolwerk te herkennen is.



E. Kurpershoek is kunsthistoricus en freelance journalist.


Ter gelegenheid van de Open Monumentendag 2004 verschijnt het door Ernest Kurpershoek geschreven boekje Amsterdam verdedigd. Bescherming van de stad. (Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 112 p., € 10, ISBN 9059370600).







Een thuis voor zeelieden



Zeemanshuis Amsterdam dobbert op woelige baren


Tekst: Angela Rijnen


092004_ZeemanshuisSinds 1858 heeft Amsterdam een Zeemanshuis. Zeelieden waren sindsdien voor een slaapplaats niet meer afhankelijk van louche slaapbazen en voor een potje biljart hoefden ze niet meer naar het café. Als zeemanshotel werd het de laatste dertig jaar overbodig, maar zijn sociale functie verloor het nooit. Toch overweegt de gemeente, net als het rijk, de subsidie per 1 januari 2005 te staken. Mag Amsterdam zich nog een havenstad noemen, zonder Zeemanshuis?



“Dit schip wordt binnen anderhalve dag volgeladen. De bemanning kan in de tussentijd niet zomaar de stad in, dat is mijlenver weg.” Leo Bersee, een van de zes medewerkers van het Seamen’s Center op de Radarweg, stopt zijn busje op een toegangsweg bij het kolenoverslagterrein de Rietlanden in de Amerikahaven. Een niemandsland waar je geen mens ziet. Door een hek, dat het haventerrein hermetisch afsluit, turen we naar het schip de Aquahope, zo’n 300 meter verderop. Het is grotendeels aan het zicht onttrokken door grote bergen kolen met ernaast drie enorme gele hijskranen. Leo ziet het hek voor het eerst. Het is daar geplaatst vanwege de verscherpte internationale veiligheidsmaatregelen.


Vanmiddag is het Leo’s beurt om de binnengekomen schepen te bezoeken. Zijn werkterrein reikt van de Houthavens tot aan Ruigoord. Leo - helm op, foldertje in de hand - klimt aan boord van de schepen om de bemanning te vertellen dat ze ’s avonds welkom zijn in het Seamen’s Center. Als ze daarvoor belangstelling hebben, kunnen ze vanaf 18.00 uur met het busje worden opgehaald. Wekenlang hebben de mannen op het schip gezeten, dus ja, een aantal mannen heeft daar wel oren naar. Eindelijk zullen ze dan ook weer eens naar huis kunnen bellen.


Het scheepsbezoek lijkt op het werk van de runners, die het oude Zeemanshuis op het Kadijksplein – de voorloper van het Seamen’s Center - inzette om zeelieden over te halen er de nacht door te brengen. Dat hotel voor zeelieden lag in de 19de eeuw nog midden in de havenbuurt. Zowel voor de deur als om de hoek in de Nieuwe Vaart meerden destijds de zeezeilschepen aan.


De overwegend Nederlandse zeebonken bleven overigens niet alleen in Amsterdam omdat ze na een lange zeereis niet meer naar huis konden. Zeelieden hadden geen vaste contracten en om kans te maken op een volgende vaart moesten ze in de stad blijven. Het onderdak was voor eigen rekening. In alle havensteden opereerden ‘slaapbazen’: louche types, die tevens fungeerden als ronselaar van bemanningen. In Amsterdam opereerden ze voornamelijk op de Zeedijk en omgeving. Ze lokten de zeeman naar hun gore logementen, schonken borrel na borrel, lieten de man in aangeschoten staat een wurgcontract tekenen en stopten de winst in hun zak.


En de zeelieden, stevige kerels met zwarte petten en getatoeëerde armen, snakten natuurlijk naar een verzetje. “Heren van zes weken”, werden ze wel genoemd: met hun loon van maanden maakten ze korte tijd goede sier, in de kroeg, bij de meisjes en in de bordelen. Als ze eenmaal alles hadden verbrast, waren ze afhankelijk van hun slaapbaas, die hun leningen verstrekte tegen woekerrentes.


Biljarten en zonschieten


Om die misstanden een halt toe te roepen, zamelden enkele Amsterdamse reders en notabelen, net als collega’s in Rotterdam, geld in om naar Engels en Amerikaans voorbeeld een zeemanshuis te stichten. “Een vriendelijke herberg voor onze kloeke zwervers op de baren,” aldus predikant Edelhardus Bernardus Swalue in een brochure uit 1858 over Nederlandse zeemanshuizen.


Wie het hoekige en verwaarloosde gebouw op het Kadijksplein nu aanschouwt, ontwaart weinig vriendelijks, maar voor de zeeman van weleer was het een toonbeeld van luxe. Afhankelijk van zijn rang betaalde hij ƒ 0,80 tot ƒ 1,25 per dag voor volpension. Daarvoor kreeg hij een frisse eenpersoonskamer met uitzicht op het IJ en lag hij niet, zoals bij de slaapbazen, met meerderen in een bedompt hok. Weliswaar moest hij de jenever elders halen en mocht hij er niet kaarten, maar hij kon er wel biljarten, boeken lenen en vanaf 1859 lessen nemen in ‘zonschieten’, ‘plaatsbepalen’ en ‘touwsplitsen’ bij de Zeevaartschool die eraan verbonden was. Ook kon hij er zijn spullen in bewaring geven, een voorschot krijgen op zijn salaris en zijn ontvangen gage op rente vastzetten. Op 30 mei 1858, 55 dagen na de opening, was er al ƒ 355 gespaard.


De voordelig geprijsde kamers van het Zeemanshuis waren zeer in trek; in mei 1860 waren alle zestig kamers bezet. Toch kon het huis de macht van de slaapbazen niet breken. Zij stuurden eenvoudigweg loopjongens naar Den Helder en later IJmuiden om zeelieden die op weg waren naar Amsterdam alvast naar hun logementen te lokken. Toen het Zeemanshuis in 1878 eveneens ‘runners’ inzette, getooid met de letters ZMH om de arm, deden de loopjongens van de slaapbazen gewoon zo’n zelfde band om. De louche praktijken leken onuitroeibaar. Toen de Rotterdamse journalist Marie Joseph Brusse in 1899 vermomd als zeeman onderdak zocht, woonden de grootste Amsterdamse slaapbazen op de Geldersekade en in de Buiten Bantammerstraat. Ze hielden soms wel dertig tot veertig procent van de gage van een zeeman in als bemiddelingskosten, constateerde hij.


De permanent in het Zeemanshuis gestationeerde veldwachter weerde dit gespuis, maar niet tot ieders genoegen. Gasten klaagden dat ze veel minder kans hadden om aangemonsterd te worden dan zeelieden die bij een slaapbaas overnachtten. Het kostte jaren om enkele reders zo ver te krijgen dat ze het aan- en afmonsteren in het Zeemanshuis lieten plaatsvinden.


‘Weinig sjansen’


Als de haven vol schepen lag, was ook het robuuste huis op het Kadijksplein doorgaans helemaal vol. Binnen een paar decennia kwamen de zaken er echter rigoureus anders voor te staan. In 1860 had het Zeemanshuis nog een topjaar, waarna de zeilvaart een niet meer te stuiten duikvlucht nam. In 1859 monsterden in Amsterdam 536 zeilschepen aan, in 1879 nog slechts 114, plus 14 stoomschepen. In 1888 was de zeilvaart definitief passé, maar voor de veel grotere stoomschepen was de haven te klein en te ondiep. Pas toen na 1900 het beter toegankelijke Oostelijk Havengebied gereed was, klom de haven weer uit het dal.


Dat het Zeemanshuis in 1887 met 20.000 overnachtingen toch zijn eerste record boekte, kwam omdat het in dat jaar ook als internaat voor de machinistenschool ging fungeren. In 1899 telde Brusse echter naast de zeevarenden in spe niet meer dan tien gasten. De portier waarschuwde bij binnenkomst al dat er “haast geen vaart meer” was en alles naar Rotterdam uitweek. “Er heeft in de dagen dat wij er waren, geen enkel schip van betekenis gemonsterd,” schreef Brusse, “enkel een paar petroleumbootjes; en dat was nu al een hele week zo, vertelde één van de kameraden. En omdat er weinig sjansen [kansen op aanmonsteren, red.] zijn, komen er weinig zeelui heen.”


In 1905, toen er het hele jaar slechts 4000 zeelieden overnachtten, was de nood echt aan de man. De directie werd ontslagen en vanaf 1906 zou mevrouw M. Hillegaard-Haafkens 42 jaar lang aan het roer van het Zeemanshuis staan. Ze was een vastberaden directrice, die ook “gezelligheid aankweekte”. Het contract met Heinekens bierlokaal De Catacomben, dat omwille van de huuropbrengsten al sinds 1871 een plek in de kelders van het Zeemanshuis was gegund, werd resoluut verbroken. Na een verbouwing en uitbreiding in 1916 braken zonniger tijden aan, maar in de jaren dertig liep de activiteit in de haven weer aanzienlijk terug. In de oorlog vorderden de Duitsers het huis der zeemannen en lieten het in 1945 in deplorabele staat achter. Opnieuw moest het Zeemanshuis stevig onder handen worden genomen.


In de jaren vijftig, toen het beheer van het huis in handen kwam van de Stichting Zeemanswelvaren, kwam er iets meer luxe en gezelligheid, onder meer door de komst van een televisie en een piano. Ook werden er feestavonden georganiseerd en de officieren kregen een bureau en leeslampje op hun kamer. Maar in de jaren zestig en zeventig veranderde de sfeer pas echt toen Nederlandse en Scandinavische zeelieden plaatsmaakten voor Oost- en Zuid-Europeanen, Afrikanen en later vooral Aziaten. De forse zeebonk van weleer was op zijn retour, hoewel het type tot in de jaren zeventig in het Zeemanshuis werd gesignaleerd. “Ik had de indruk dat er een flink aantal ongetrouwde zeelieden woonde dat gestopt was met varen,” zegt Joost Voorsluis, die zich in 1971 vestigde als huisarts in het Medical Center for Seamen aan de Kalkmarkt. Maar ook voor jongeren had het een sociale functie. Machinist Robbie Bruyns had in 1982, toen hij 32 jaar oud was, eindelijk een eigen woning in Amsterdam, maar legde nog regelmatig aan bij het Zeemanshuis, voor de gezelligheid. “Om een kaartje te leggen en met de maten een pijpje bier te drinken tot we weer gingen varen.”


Met al die nationaliteiten was het lastig de traditionele Hollandse sfeer te behouden. Voorsluis herinnert zich nog het kerstfeest van 1974, waarvoor hij en zijn vrouw waren uitgenodigd. “De grote zaal was gevuld met matrozen en machinekamerpersoneel. Veel Grieken en Filippijnen. Nadat een dominee had gesproken, kwam een majorettenkorps de boel wat opvrolijken. Zodra die meisjes met blauwe beentjes van de kou op het podium kwamen, stormden die jongens naar voren om onder hun rokken te kijken. Er hing niet bepaald een kerstsfeer.”


‘No pornsites!’


In de jaren zeventig verhuisde de haven naar het Westelijk Havengebied en lag het Zeemanshuis plotseling ver weg van de kades waar de schepen aanmeerden. De zeelieden hadden bovendien niet meer zo’n behoefte aan een hotel speciaal voor hen. Ze hadden inmiddels vaste contracten, via Schiphol kwamen nu aflosbemanningen invliegen, en zo nodig regelden agenten wel een regulier hotel voor een nacht. In de kamers die niet langer werden bezet door zeevarenden, werden vluchtelingen gehuisvest en Spaanse en Joegoslavische gastarbeiders die op de scheepswerven in Amsterdam-Noord werkten. Zo zong het Zeemanshuis het nog wat langer uit. Maar in april 1985 sloten de deuren op het Kadijksplein definitief voor de zeelieden. Wel laat de huidige eigenaar-bewoner van het pand, Youth with a Mission, nog regelmatig oude Nederlandse zeelieden binnen die herinneringen aan hun vroegere logement willen ophalen.


Tot december 1985 hadden zeelui die in de Amsterdamse haven aanmeerden geen plek aan wal om te relaxen, een praatje te maken of een geestelijke te spreken. Uiteindelijk lukte het de Stichting Zeemanswelvaren toch om met subsidie van het rijk en de gemeente een doorstart te maken in de Coenhaven. De huidige vestiging in de Amerikahaven, op tien minuten loopafstand van station Sloterdijk, werd betrokken in 1995. Het gebouwtje op de Radarweg is speciaal neergezet voor de stichting en is gefinancierd door de internationale vakbond voor zeelieden, de ITF. Ook het busje van het Seamen’s Center, nodig om het hele gebied te kunnen bestrijken, is betaald door deze bond.


Het afgelegen centrum, dat dagelijks open is van vier uur ’s middags tot elf uur ’s avonds, ademt de sfeer van een buurthuis. Er is een grote ruimte met een bar, tafeltjes, een biljart en een tafeltenniskamer. Achterin is een bibliotheek en een huiskamer met televisie. “No pornsites!” luidt de tekst op een A4-tje dat tussen de twee computers met adsl-verbinding hangt. Maar het allerpopulairst zijn de twee telefooncellen bij de ingang.


Kapitein Alexander Tuvaev, een veertiger met zachte stem, nipt met tussenpozen aan zijn biertje van € 1,30. Met drie bemanningsleden, onder wie de scheepsarts en een scheepsstewardess, is hij naar het Seamen’s Center komen lopen. Vandaag zijn ze aangekomen uit Riga, morgen vertrekken ze weer om dezelfde reis te maken in omgekeerde richting. “We hebben geen tijd om de stad in te gaan,” zegt hij.


Om zeven uur ’s avonds komen drie Filippino’s met Leo Bersee binnen. Onmiddellijk vliegen ze op de bar af om telefoonkaarten te kopen zodat ze naar huis kunnen bellen. Vier weken hebben ze geen voet aan wal gezet en morgen vertrekken ze weer, op hun floating prison.


Kapitein Tuvaev ondertekent het bezwaar van het Seamen’s Center tegen het stoppen van € 80.000 gemeentesubsidie, waardoor het centrum zou moeten sluiten. “How can they close a seamen’s center in the biggest harbor of Europe?” vraagt hij niet-begrijpend.


Geen drank, geen hoeren


“Nederland staat in zijn hemd,” reageert Arend Boer, directeur van het Maritieme Hotel/Zeemanshuis in Rotterdam, aan de telefoon. “In elke havenstad moet een Zeemanshuis zijn: of er nu dagelijks tien of honderd mensen van gebruik maken.” Zijn Zeemanshuis op de Willemskade, nabij het stadscentrum, fungeert sinds kort tevens als toeristenhotel. Een zeeman betaalt € 22,50 inclusief ontbijt, een toerist ongeveer het dubbele. Zo financiert Boer de sociale opvang van zeelieden in twee “excentrische” locaties nabij de havens. Want ook in Rotterdam staat de subsidie onder druk. Gelukkig bestond het hotel in de binnenstad nog. Want “met alleen een locatie in de haven, net als in Amsterdam, kun je nooit commercieel werken,” zegt Arend Boer.


Een semi-commercieel hotel is voor Amsterdam geen optie, want er is maar een beperkte opvang, en die ligt ver van het stadscentrum. Het ideaal van de oprichters van het Zeemanshuis is wat dat betreft bereikt: de zeeman is niet meer de zwalkende feestvierder, de hitsige hoerenloper, de jongen met in elk stadje zijn schatje. Niet dankzij de keurige notabelen en hun intenties, maar in het kielzog van de ontwikkelingen in de zeevaart van de laatste dertig jaar, waarin de zeeman steeds meer veroordeeld raakte tot zijn schip.


Automatisering en efficiencyverhoging bekortten de laad- en lostijden drastisch. De haven is een industrieterrein ver van de bewoonde wereld. En op de schepen werken mensen uit lageloonlanden die hele families onderhouden, zelf nauwelijks iets te besteden hebben in het dure westen en zich er niet verstaanbaar kunnen maken. Bovendien neemt de lust tot passagieren af met de jaren, hoort havenarts Joost Versluis. “Jonge jongens die wel van het schip af willen, lopen in de stad in hun eentje verloren rond. Dronkenschap kunnen ze zich niet veroorloven, ook omdat ze de volgende dag alweer inzetbaar moeten zijn. Varen is een continubedrijf, de romantiek is voorbij. En de anti-aidscampagnes aan boord hebben een radicale ommezwaai in het bordeelbezoek veroorzaakt. Voor de aidsepidemie had 20 procent van de zeelieden die onze praktijk bezochten een geslachtsziekte, nu is dat minder dan 0,1 procent!”


Als het Seamen’s Center zijn deuren sluit, zullen de zeelieden het stadscentrum niet onveilig maken. Vergeten door Amsterdam, waar in de haven mede dankzij hen jaarlijks vijf miljard euro omgaat, zullen ze stilletjes op hun schip zitten, denkend aan thuis.



A. Rijnen is freelance journalist.




Ruzie in de orkestbak


Hoe Mengelberg zijn musici bijna tot staken dreef


Tekst: Marius van Melle


092004_MengelbergHonderd jaar geleden beleefde het Concertgebouworkest misschien wel het meest turbulente jaar in zijn bestaan. Hoogoplopende conflicten die bijna tot een staking leidden, een dirigent die het ontslag van een derde van de musici wist door te drukken: wat was er aan de hand in de muziektempel in de Van Baerlestraat?


Op 4 februari 1904 vond in het Paleis voor Volksvlijt een grootse huldiging plaats van H.M. de koningin-moeder Emma. Het was namelijk een kwart eeuw geleden dat zij zich in Nederland vestigde. Er stond veel zang en voordrachtskunst op het programma, toepasselijk voor een manifestatie waarvan de opbrengst zou gaan naar het door Emma gestichte sanatorium voor longlijders Oranje-Nassau Oord. Maar het had niet veel gescheeld of het hoogtepunt van de middag was niet doorgegaan: de uitvoering van de feestcantate door het Concertgebouworkest geleid door de componist zelf, Willem Mengelberg. De musici dreigden namelijk te staken. Een repetitie hadden ze al laten schieten omdat ze zich wilden beraden op de situatie. Met moeite wist administrateur-directeur Willem Hutschenruyter de orkestleden ervan te overtuigen dat zo’n stap niet erg gelukkig zou zijn. Aan de uiteindelijke uitvoering van de feestcantate viel overigens niet te horen dat de stemming achter de lessenaars niet zo feestelijk was. Nieuw was de muziek voor het orkest trouwens niet, want deze was al uitgevoerd bij het koninklijk huwelijk in 1901 en nu alleen van andere tekst voorzien.


Dit Concertgebouwconflict vormde de apotheose van een al langer durende machtsstrijd tussen de zakelijk directeur en de artistiek directeur van het orkest: Hutschenruyter en Mengelberg. De zakelijk directeur ergerde zich zeer aan Mengelbergs inefficiënte manier van werken en zijn dictatoriale houding tegenover het orkest. De musici van hun kant, verenigd in Semper Crescendo en gesouffleerd door erelid Hutschenruyter, stelden steeds luider de repeteerwijze van de dirigent en diens wispelturige gedrag ten opzichte van individuele musici aan de kaak. Ook hekelden ze de interne financiële relatie tussen winstgevende orkest- en verliesgevende gebouwexploitatie binnen één vennootschap. De kritiek vond echter geen gehoor, niet bij de dirigent én niet bij het bestuur. Het bestuur wenste geen inmenging in de bedrijfsvoering van de kant van musicerende employés. Bovendien stond het niet toe dat het gezag van de steeds fameuzer wordende dirigent ten principale ter discussie zou worden gesteld, want zijn roem bracht immers geld in het laatje. Het opteerde nog liever voor het verlies van het orkest – of van een gedeelte daarvan – dan voor een mogelijk door het orkest afgedwongen ontslag van Mengelberg.


Willem Hutschenruyter (1863-1950), telg uit een Rotterdams geslacht van musici, was als (tweede) hoornist bij het Concertgebouworkest begonnen, maar nam van lieverlee zoveel administratieve taken over van de oude bedrijfsleider Willem Stumpff dat hij vanaf 1897 niet meer meespeelde. Kennelijk om diens opvolging op scherp te stellen vroeg hij drie jaar later ontslag, waarop hij maar al te graag terugkwam om voor vijf jaar als administrateur te worden benoemd. Als intermediair tussen bestuur en orkest – hij deelde de loonzakjes uit en suste de spanningen die Mengelberg opriep – gold hij voor het bestuur als een onmisbare steunpilaar. Daarvan was hij zich wel bewust, want eind 1902 diende hij weer ‘tactisch’ zijn ontslag in. Ditmaal om gedaan te krijgen dat het bestuur de zakelijke en artistieke bevoegdheden zou afbakenen, omdat de vage scheiding daarvan tot conflicten met Mengelberg leidde. Dat was overigens de eerste poging daartoe in de geschiedenis van het Nederlandse kunstmanagement. Ook deze keer slaagde hij in zijn opzet, en in de zomer van 1903 trok hij de ontslagaanvraag in. Hij mocht zich in het vervolg zelfs directeur-administrateur noemen.


In november daarop volgend diende Hutschenruyter bij het bestuur een nota in waarin voor medezeggenschap van de musici werd gepleit. Hij wilde af van de individuele contracten die willekeur mogelijk maakten en bepleitte een collectief contract. De musici zouden verder deel moeten hebben aan de exploitatie. De bedoeling was om “het orkest in zekeren zin te doen participeeren in de meerdere of mindere welvaart van de zaak; het een adviserende stem te geven in die zaken, waarbij zijn belang ten nauwste betrokken is en den toestand van vogelvrijheid, waarin het zich thans bevindt, op te heffen.” Dit als gezagsondermijnend ervaren voorstel versterkte zijn positie binnen het bestuur allerminst, temeer daar er net een bestuurswisseling had plaatsgevonden. Voorzitter P.A.L. van Ogtrop, met wie ‘Hutsch’ het goed kon vinden, was overleden; nieuwe gezichten waren diens neef H.J. van Ogtrop en Mengelbergs vriend en buurman Charles Boissevain. Na eerst met redelijk succes zijn relatie met Mengelberg op scherp te hebben gezet om deze in zijn artistieke hok terug te duwen, zette Hutschenruyter nu zijn verhouding met het bestuur op het spel.


‘Een geest van verzet’


De emoties binnen Het Gebouw waren eind november 1903 behoorlijk opgelopen. Juist een paar weken daarvoor was de beroemde Gustav Mahler voor het eerst op bezoek geweest, wat het begin zou zijn van een succesvolle samenwerking tussen de componist-dirigent en Mengelberg. De samenwerking tussen Mengelberg en de orkestmusici verliep daarentegen steeds moeizamer. Begin december kwam een conflict tussen Mengelberg en solo-cellist Isaac Mossel tot ontploffing, omdat de laatste volgens de dirigent “voornamelijk bij de repetities tegenwerkt, brutaal is in houding en gezegden en een geest van verzet kweekt onder de orkestleden, waardoor een onhoudbare toestand is ontstaan.” Dit conflict bleek een veel bredere strekking te hebben dan een onverenigbaarheid van karakters. Die onhoudbare toestand is, schreef Mengelberg aan het bestuur, voor een deel het gevolg van het optreden van directeur-administrateur Hutschenruyter, “die zijn nieuwen titel misbruikt en de orkestleden onder den indruk brengt alsof híj alles, de heer Mengelberg niets te zeggen heeft.” Het bestuur zat nu klem: weliswaar wilde het wel van de even temperament- als talentvolle Mossel af, maar op het oplaaien van het conflict tussen de dirigent en de administrateur zat het beslist niet te wachten. Hutschenruyter was ook moeilijk aan te pakken, want in het orkest was hij geliefd en in de organisatie van het Concertgebouw nam hij een centrale plaats in. Ten aanzien van zijn positie concludeerde het bestuur dan ook tactisch: “temporiseeren, hoe moeilijk ook, schijnt dus op het ogenblik in het belang van het Concertgebouw noodzakelijk.” Om er retorisch aan toe te voegen: “zal het bij de bestaande disharmonie tusschen de HH. Hutschenruyter en Mengelberg mogelijk blijken?”


Toen het bestuur echter besloot om op te gaan treden tegen de orkestmusici zonder Hutschenruyter daarin te kennen, besloot deze op zijn strepen te gaan staan en opnieuw zijn ontslag in te dienen. Het bestuur hield dat stil om geen olie op het vuur te gooien en zelf sprak hij er ook met niemand over, wellicht hopend dat deze zet net zo gunstig zou uitpakken al de vorige twee keer. Maar toen de nieuwe voorzitter J.A. Sillem na afloop van de zondagmiddagmatinee van 6 december 1903 het orkest bestraffend toesprak en liet blijken geheel aan de zijde van Mengelberg te staan, kon Hutschenruyter wel bevroeden dat het anders zou lopen.


Op de toespraak van Sillem volgde een brief van tweede dirigent André Spoor, ondertekend door 47 orkestleden. Daarin werd gesignaleerd dat “in het orkest een geest van gedruktheid, van moedeloosheid” heerste vanwege de onrust die Mengelbergs wijze van repeteren veroorzaakte. Het orkest zelf en Hutschenruyter zorgden er echter voor dat deze “steeds zooveel mogelijk bedwongen is”. Voorzitter Sillem had van Spoor en de zijnen al eerder mondeling begrepen dat Mengelbergs houding tijdens repetities onuitstaanbaar werd gevonden: “plagerig, onnoodig vermoeiend en arrogant”. Mengelberg had echter ook aanhangers binnen het orkest. Dat bleek uit de ‘Mossel-affaire’, toen enkelen uit dat kamp bereid waren om bij het bestuur tegen de cellovirtuoos te getuigen. Dat groepje werd aangevuurd door solo-hoboïst Carl Krüger, een Duitse musicus die al 25 jaar in Nederland woonde en die een paar jaar eerder Hutschenruyter was opgevolgd als voorzitter van de Amsterdamsche Toonkunstenaars Vereeniging. Het is dus wel verklaarbaar dat deze eerste vakbond van musici in Nederland, die net tien jaar bestond en die veel leden van het Concertgebouworkest in zijn gelederen had, zich zo afzijdig hield tijdens de conflicten in de Van Baerlestraat. Dit zou een rol spelen bij de bestuurswisseling later tijdens het conflict, toen Krüger door de leden werd weg gefloten om weer plaats te maken voor ‘Hutsch’.


Een slepende affaire


Alle opgekropte spanningen kwamen in 1904 tot uitbarsting. Begin januari besloot het bestuur de ontslagaanvraag van Hutschenruyter in te willigen. Voor de vervulling van de vacature toverde bestuurslid Boissevain de oplossing uit zijn hoge hoed. Zijn zwager H. de Booy was net als luitenant-ter-zee-eersteklas gepensioneerd en die zou uitstekend geschikt zijn om met straffe hand het orkest weer op koers te krijgen. Om de schijn van familiaire belangenverstrengeling binnen de N.V. te vermijden, zou Boissevain zijn bestuurszetel beschikbaar stellen. Mengelberg was hier fel tegen en dreigde zelfs met ontslag: voor hem liever Boissevain dan De Booy. Maar het bestuur bleek niet te vermurwen. Ook niet toen de orkestvereniging Semper Crescendo in een door zestig leden ondertekende brief – alle musici op tien na, vermoedelijk de groep-Krüger - een beroep deed op het bestuur om Hutschenruyter alsnog voor de N.V. te behouden, indien hij zijn ontslagaanvraag zou intrekken. Behalve bij bestuurssecretaris Richard van Rees maakte deze actie op het bestuur geen enkele indruk. Het weigerde nu zelfs elk contact met de orkestvereniging. Ook de door deze naar voren geschoven bemiddelaar mr. J.A. Levy kreeg geen voet tussen de deur.


Het was in deze situatie, dat de orkestleden besloten de stokken en de rieten in het foedraal te laten en te gaan staken. Zoals gezegd wist ‘Hutsch’ ze daarvan af te brengen, zodat op 4 februari 1904 opgetreden kon worden voor Emma. Die kon later die middag nog genieten van een optreden van Mengelberg achter de vleugel, op de viool begeleid door zijn vriend Charles Boissevain.


Van ongenoegen binnen het orkest was die dag geen spoor te bekennen, maar het conflict sleepte zich nog maanden voort en in de pers werd er ook uitvoerig over gerapporteerd. Zowel binnen als buiten het Concertgebouw deed bovendien het publiek van zich horen; met applaus, boegeroep, bloemenhulde, petities, adressen en ingezonden brieven in kranten poogde het invloed uit te oefenen op de afloop van de affaire. Vooral toen bleek dat degenen werden weggewerkt die zich het meest hadden ingezet voor de ideeën betreffende meer zeggenschap en democratischer verhoudingen binnen Het Gebouw, zwol de kritiek van pers en publiek op het bestuur en op de rol van Mengelberg aan. Met name het in mei aangekondigde ontslag van tweede dirigent André Spoor kwam hard aan. Het ontging een deel van de dagbladpers ook niet dat het wel heel toevallig was dat op voorspraak van Mengelberg vooral joodse musici ontslag werd aangezegd. En dat waren bijna allemaal prominente orkestleden, die bij concerten de eerste partijen speelden en in de persverslagen steevast werden bejubeld. Binnenskamers viel hij bovendien wel eens te betrappen op antisemitische stereotyperingen.


Op 7 juni 1904 maakten ten slotte de overgebleven orkestleden de gang naar Canossa om individueel een nieuw arbeidscontract te ondertekenen. Een collectief contract, waarvoor ‘Hutsch’ en Semper Crescendo zich sterk hadden gemaakt, was voor het bestuur onbespreekbaar. Pas ruim een halve eeuw later zou dat gerealiseerd worden, lang nadat de vereniging Semper in 1906 was opgeheven omdat het bestuur van de N.V. elk contact afhield. Negen jaar lang zou er in het Concertgebouw geen vereniging van orkestmusici bestaan. De autoritaire bevelsstructuur had voorlopig gewonnen. Door de fameuze Grote Zaal klonken nu naast melodieuze geluidsgolven ook marinecommando’s.


Grimlachend keek het satirische weekblad De Ware Jacob op het conflict terug. Mengelberg werd daarin de tekst in de mond gelegd: “In ’t Concertgebouwconflict / Heb ik Hutsch eruit gewrikt / (Hij heeft nog geen woord gekikt) / - Hutsch is er erg van geschrikt; / Dat heeft Krüger me verklikt. - / Steun heb ik in dit conflict / Van ’t bestuur, dat trouw mij likt / En goedkeurend tot me knikt.”



M. van Melle is historicus en freelance journalist.


Met dank aan Florian Diepenbrock



Delen: