Nummer 7-8: Juli-Augustus 2009

07082009_Cover


Prijs €5,95 Bestel




Op het omslag: Recreatie in het Amsterdamse Bos aan de oevers van het Nieuwe Meer. De foto is in 1956 gemaakt door Emiel van Moerkerken. Fotoarchief Van Moerkerken.


- Onze verraderlijke stadsbodem


- Met z’n allen naar Muiderberg


- Weekend


- Diemen: de vroegste jaren


-Venetië en Amsterdam


- Geen arbeiders en fabrieken


 





Amsterdam heeft verraderlijke bodem
Tekst: Peter-Paul de Baar


07082009_BodemOp advies van de Commissie Veerman besloten B&W in juni door te gaan met de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Stoppen is duurder dan doorgaan, meent Veerman. Maar zijn alle risico’s serieus genoeg genomen? Geoloog Piet Cleveringa is bang van niet. “De Amsterdamse bodem is nog veel grilliger dan iedereen denkt.”


“De kans op verzakking is dankzij de boortechniek minimaal”, aldus een folder van de gemeente in 1997, vlak voor het referendum over de Noord-Zuidlijn. Die lijn zou bovendien in 2007 klaar zijn en de stad niet meer kosten dan een “eenmalige bijdrage in de bouwkosten van pakweg 100 miljoen”. Het liep anders. De gemeente draait op voor alle gigantische tegenvallers en nog vóór er iets is geboord zijn de unieke wevershuizen en Maison Descartes aan de Vijzelgracht al ernstig verzakt en gescheurd. Wat staat ons nog te wachten? Overziet de gemeente inmiddels wél alle risico’s? Over één belangrijk aspect, de bodem van Amsterdam, sprak Ons Amsterdam met geoloog drs. Piet Cleveringa (65), die hier al tientallen jaren onderzoek naar doet.


Na zijn geologiestudie doceerde Cleveringa dit vak tien jaar aan de Amsterdamse VU, waarna hij overstapte naar de Rijks-Geologische Dienst (RGD) in Haarlem, die in 1997 opging in kennisinstituut TNO. Inmiddels is hij officieel met pensioen, maar met zijn oud RGD-collega’s Hein de Wolf en Tom Meijer gaat hij vrolijk door met onderzoek en advieswerk vanuit hun eigen bureautje WMC Kwartair Consultants. Hun specialisme zijn diatomeeën (kiezelwieren) en schelpen, die kunnen helpen de herkomst van een bodemlaag te bepalen. “Die kennis is bij de universiteiten wegbezuinigd.”


 


Diepe kuil uit IJstijd


Hoe ontstond de bodem onder Amsterdam? Cleveringa: “Tijdens de Grote IJstijd (het Saalien, 200.000-140.000 jaar geleden) kwam het landijs in Amsterdam tot ergens bij de VU. “Dat bulldozerde de zanderige ondergrond omhoog”, legt hij plastisch uit. “Rond Amsterdam werden stuwwalletjes gevormd. Er ontstonden zo hogere stukken, die je nu niet meer ziet doordat ze afsleten en werden bedekt door egaliserende nieuwe lagen. Aan de rand van het landijs ontstond zo’n 150.000 jaar geleden een diepe kuil: het Bekken van Amsterdam.”


In het Eemien (130.000–115.000 jaar geleden) werd het klimaat weer warmer en vulde de zee het bassin op. “De Eemzee reikte tot voorbij Amersfoort!”, wijst Cleveringa aan op de kaart. Zand en zeeklei werden afgezet, met aardig wat fossiele schelpjes. Tijdens de laatste ijstijd in het Weichselien (115.000-10.000 jaar geleden) drong het landijs niet meer tot hier door, maar koud was het wel. De zee had zich ook teruggetrokken. Over de toendra-achtige vlakten liepen mammoeten en wolharige neushoorns. Vanaf 10.000 jaar geleden won de Noordzee weer terrein en ontstonden er moerassige gebieden. Dode plantenresten uit de moerassen stapelden zich op tot veen. Langs de zee woei het afgezette zand op tot duinen. Maar rond 1100 na Christus brak de zee weer in het veenlandschap in en vormde de Zuiderzee en vervolgens de meren rond Amsterdam.


Welke bodemlagen dat allemaal heeft opgeleverd tot op zo’n 100 meter diepte, is fraai verbeeld op een affiche dat De Nederlandsche Bank in 1986 uitbracht. Aanleiding was de bouw van een nieuwe ronde kantoortoren, naast het oorspronkelijke gebouw uit 1968. Die nieuwe toren was het eerste Amsterdamse gebouw dat werd gebouwd op de zogeheten derde zandlaag, op bijna 60 meter diepte.


 


Geweldige verschillen


De eerste drie á vier meter onder straatniveau (dat hier een metertje boven Normaal Amsterdams Peil ligt) bestaat uit puin en bouwzand. Daaronder ligt ongeveer acht meter veen en zeeklei.


Twaalf meter onder NAP begint de ongeveer drie meter dikke eerste zandlaag. Daarop werden vanaf de 16de eeuw de meeste Amsterdamse huizen (inmiddels van steen) gefundeerd. Na een paar meters fijn zand met kleilaagjes, volgt van ongeveer 17 tot 24 meter onder NAP de veel dikkere tweede zandlaag uit de laatste ijstijd, waarop vanaf de Tweede Wereldoorlog de meeste flats en kantoorgebouwen zijn neergezet. Het oudste gebouw op deze laag is echter het Centraal Station uit 1889, domweg omdat hier in het IJ de eerste zandlaag verdwenen bleek te zijn. Door deze laag gaat de metrotunnel tussen Damrak en Rokin geboord worden.


Iets dieper ligt tussen 25-53 meter onder NAP de ‘groene zeeklei’ uit de tijd dat de Eemzee hier klotste, bovenop een vrij dunne laag keileem die door het landijs is afgezet aan het eind van de Grote IJstijd. Dit is de bodem van het Bekken van Amsterdam. Bovenin deze kleilaag komt de tunnelbuis tussen Rokin en Churchilllaan te liggen. Deze laag ligt bovenop op de derde zandlaag (55-100 meter diep). Als we nog verder afdalen, ontmoeten we eerst weer rivierafzettingen en pas na een kilometer een stenige ondergrond van 65 miljoen jaar oud. In Parijs en Londen ligt deze steenbodem vrij dicht onder het maaiveld, wat een zegen was voor de 19de-eeuwse metrobouwers aldaar.


Zo’n beetje alle Amsterdamse bodemlagen zijn onder het Frederiksplein terug te vinden. Maar dit beeld is niet representatief. “Er zijn geweldige verschillen”, zegt Cleveringa. Door allerlei omstandigheden liggen bodemlagen op heel verschillende diepten en ontbreken ze op veel plekken zelfs helemaal. In Amsterdam-Zuid is het Bekken van Amsterdam het ondiepst, in Waterland het diepst. Dat beïnvloedt ook de ligging van de bodemlagen daarboven. “Dat is wel algemeen bekend, maar al die ingehuurde jonge ingenieurs hebben vaak geen benul hoe grillig het patroon kan zijn. Daar zijn ze ook niet voor opgeleid: ze leren de grote patronen. Pas als je het concreet onderzoekt, ga je dat echt beseffen. Je kijkt je ogen uit als je ziet op welke korte afstand die lagen veranderen. Neem nou het Beursplein. Daar werd in 1934, 1989 en 1996 op verschillende plekken geboord en elke keer was de uitkomst totaal anders.”


 


‘Tok! Tok! Tok!’


Die verschillen kunnen door allerlei oorzaken zijn ontstaan tussen pakweg een miljoen en tien jaar geleden: landijs, stormvloeden, aanplempen of juist uitdiepen van de rivier, driftig turfsteken, het onbedoeld doorboren van een dragend laagje, de druk van gebouwen erboven, de grondwaterstand, noem maar op. Cleveringa: “Neem het ‘natte Damrak’: daar ontbreekt ineens een reeks van bodemlagen, waarin een rare pap van afval en smurrie is gestort. Een natuurlijk effect van de Amstel of het gevolg van menselijk ingrijpen? Dat weten we nog niet. Maar wel is duidelijk dat het voor metrobouwers linke soep is, omdat niemand exact weet waar dit gat begint of ophoudt.”


En dat is wat Cleveringa het meeste dwarszit. “Doe nou vooronderzoek! Kijk wat er precies zit! Goed, langs de Noord-Zuidlijn is gedetailleerd gesondeerd, dat wel. Maar in essentie is dat niet veel meer dan weerstand meten. Dat deed ir. Lely al, die van de Afsluitdijk: die stampte met zijn peilstok op de grond - ‘Tok! Tok! Tok!’ - en als er wat aan bleef kleven, ging het naar het lab. Maar wát het precies is, weet je pas zeker als je gaat boren. En boringen zijn er volgens mij veel te weinig gedaan. Natuurlijk, dat er toch dingen over het hoofd worden gezien, is bijna onvermijdelijk. Maar het is ontzettend dom om op dit onderzoek te bezuinigen. Wat kost dat nou op het totaal van de bouwkosten?”


De gemeente geeft intussen hoog op van de preventieve maatregelen die er zijn genomen. Zo is de grond onder bijvoorbeeld het Centraal Station, de Beurs van Berlage, de Bijenkorf en de Munt verstevigd door injecties met ‘grout’: een dun soepje van cement en water. Eenmaal ondergronds verhardt het cement zich. Hier en daar zullen bovendien grond en damwanden worden bevroren. “Daar heb ik niet zo veel verstand van”, erkent Cleveringa. “Maar het is natuurlijk wel handig als je weet welk type bodemlaag je aan het behandelen bent.”


 


Explosief aardgaslaagje


En dan is er nog een heel bijzonder grondlaagje met een heel speciaal risico: de Laag van Harting. Vernoemd naar de 19de-eeuwse natuurwetenschapper Pieter Harting, die er voor het eerst over publiceerde in 1852. Tijdens boringen naar drinkwater in de Jordaan was men op zo’n 40 meter diepte op een dun laagje aardgas gestuit en bij suikerraffinaderij Kooy op de Bloemgracht was daardoor zelfs een metershoge steekvlam ontstaan. Hoe dat laagje ontstond, werd pas bijna anderhalve eeuw na Harting, in januari 1995, in Ons Amsterdam verklaard door Piet Cleveringa en zijn RGD-collega’s Wim de Gans en Hein de Wolf. De twee meter dikke laag (die de kleilaag gemengd met zand uit het Eemien onderbreekt) bestaat uit minuscule skeletjes van diatomeeën: fossiele kiezelwieren. De drie meter dikke kleilaag eronder bevatte ooit veel afval van planten en dieren, waaruit door rotting metaangas is ontstaan. Dat heeft zich opgehoopt in de loze ruimtes tussen de opgestapelde kiezelskeletjes.


Destijds in 1995 waarschuwden de drie geologen al dat de Laag van Harting bij de voorgenomen aanleg van de Noord-Zuidlijn weleens problemen kon gaan geven. Eén vonkje was genoeg om een kleine ondergrondse ontploffing te veroorzaken, met alle gevolgen van dien. Er ontstond lichte paniek in de pers en de gemeentelijke politiek, welke echter snel werd bezworen door gemeentevoorlichters die meldden dat de nieuwe metrolijn niet dieper kwam te liggen dan zo’n 30 meter, ruim boven de Hartinglaag.


Maar Cleveringa is er nog altijd niet gerust op: “Die laag ligt niet overal op hetzelfde niveau. En ze vergeten één essentieel punt: de bovenlagen zitten vol scheuren en hiaten. En gas wil altijd omhoog!”


 




 


Scheurbaar erfgoed


De gemeente moet eerlijk zijn over mogelijke schade, schrijft de Commissie Veerman in haar eindrapport van 4 juni. Zelf erkent ze al ruiterlijk dat niet ieder risico valt uit te sluiten: “Verzakkingen van enkele millimeters tot enkele centimeters zullen onvermijdelijk optreden en zijn inherent aan het boorproces. Grotere verzakkingen kunnen waarschijnlijk worden vermeden of met compenserende ‘grouting’ worden beperkt. Zij zijn evenwel niet geheel uit te sluiten.” Daarom moet de gemeente de ‘stelposten’ voor schadevergoedingen verhogen.


Niet alle gevaren en kansen zijn in cijfers te begroten. Dat geeft ook de commissie toe, maar de enige ‘immateriële factoren’ die zijzelf noemt, zijn verhoopte positieve effecten van de lijn: “aspecten van prestige, uitstraling en gevoelsbeleving” en “het vermogen van de stad tot innovatie”. Vreemd genoeg staat echter in het hele rapport geen woord over de cultuurhistorische schade die wordt geleden als pakweg de Beurs van Berlage, de Munttoren of het Stadsarchief zou instorten. Dan kom je er niet met een schadevergoeding of eventjes herbouwen…. En dat zo’n verlies het prestige en de uitstraling van de stad niet ten goede komen, is wel duidelijk.


Als aanvulling op het rapport zet Ons Amsterdam dus nog maar even op een rij welk cultureel erfgoed op het spel staat. Althans de highlights; voor meer ontbreekt de ruimte.


1. Centraal Station: in 1889 gebouwd op een kunstmatige zandberg in het IJ naar ontwerp van P.J.H. Cuypers. Gezichtsbepalend rijksmonument. Oorspronkelijk al gefundeerd op de tweede zandlaag, omdat de eerste hier ontbreekt. Aangezien de Noord-Zuidlijn pal onder het station doorloopt, zijn de houten palen in fasen verwijderd en vervangen door beter vastgezette betonnen palen. Maar uit zuinigheid zijn de te korte oude palen aan de oost- en westkant niet vervangen. Daar gaat de verzakking dus door, waardoor het gebouw dreigt krom te trekken.


2. Beurs van Berlage: ontworpen door H.P. Berlage en geopend in 1903. Internationaal gezien als een revolutie in de architectuur. Rijksmonument. Tot woede van Berlage werd bezuinigd op de fundering, zodat het gebouw al in 1909 grote schuren vertoonde en sloop werd overwogen. Dat herhaalde zich in 1959 en 1981. Hangt van de krammen aan elkaar. Is in 2001 alsnog op de tweede zandlaag gefundeerd, maar zeer kwetsbaar. De tunnelboor scheert er rakelings langs. Als voorzorg wordt de bodem verstevigd met grout en bevroren.


3. Rest Damrak: staat vol met unieke gevels uit een reeks van eeuwen, vooral de 19de: heel wat rijks- en gemeentemonumenten. Gelukkig staan de meeste aan de westkant, terwijl de tunnel onder de oostkant ligt.


4. De Bijenkorf: uit 1914, architect J.A. van Straaten. Beroemdste warenhuis van Nederland. Rijksmonument. Pal naast de tunnelbuis. Ook hier wordt de grond met grout verstevigd.


5. Gebouw Industria aan de kop van het Rokin. Gebouwd in 1916, ontworpen door Foeke Kuipers. Gemeentelijk monument. Ook pal naast het tracé.


6. Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt: voormalig complex De Nederlandsche Bank. (architect Willem A. Froger, 1869). Rijksmonument.


7. Munttoren: gebouwd in 1487 als westelijke toren van de Regulierspoort, in 1619 door stadsbouwmeester Hendrick de Keyser voorzien van een sierlijk bovenstuk. Mét de Waag laatste restant van de middeleeuwse omwalling. Rijksmonument. Beroerd gefundeerd op de eerste zandlaag. De tunnelboor maakt hier een bocht, wat extra risico oplevert. Grond verstevigd in 2007.


8. Stadsarchief, in gebouw De Bazel, Vijzelstraat 32: gebouwd 1926 door architect Karel de Bazel voor de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Rijksmonument. Beheert vele kilometers unieke archieven. (In Keulen zakte in maart het stadsarchief in de bodem bij de aanleg van een metrolijn.)


9. Maison Descartes, Vijzelgracht 2: het oude Walenweeshuis alias Hospice Wallon, in 1871 gebouwd door Adriaan Dortsman. In 2009 een beetje gescheurd door lek in damwand (zie onder).


10. Wevershuizen Vijzelgracht: Rond 1670 gebouwd als ‘atelierwoningen’ door Philips Vingboons, in kader stadsbeleid om textielwerkers naar Amsterdam te trekken. Vorig jaar onbewoonbaar geraakt door ernstige verzakkingen als gevolg van scheur in damwand metrostation in aanleg (zie ons januarinummer).


11. Heinekenbrouwerij, Stadhouderskade: uit 1934, ontworpen door B.J. en W.B. Ouëndag. Fort van ‘s werelds beroemdste bierbrouwer. Rijksmonument.


 





Een dagje Muiderberg


Met de ‘Gooische Moordenaar’ naar het Zuiderzeestrand


Tekst: Bo Buijs


07082009_MuiderbergAls je vóór de Tweede Wereldoorlog ‘naar Muiderberg’ ging, kon dat twee dingen betekenen. Naar Muiderberg gebracht worden was niet best: dat zei men als de tocht je laatste was - naar de joodse begraafplaats aldaar. Nee, dan liever een dagje Muiderberg: per fiets of met de Gooische Stoomtram naar het strand en naar de Echo.


Ondanks de recessie gaan de meesten van ons nog steeds met regelmaat op vakantie naar het buitenland. Een eeuw geleden lag dat wel anders. De meeste Amsterdammers hadden te weinig geld en vrije dagen vakantie te nemen. Daarom ging men ‘dagjes’ uit, liefst niet te ver weg uiteraard. Men trok de Amsterdamse parken in, ging naar landgoed Frankendael in de Watergraafsmeer, het Tolhuis in Amsterdam-Noord, naar de hei in Bussum of het Zandvoortse strand met de trein, al was een treinkaartje voor veel Amsterdammers te duur.


Ook Muiderberg, toen nog aan de Zuiderzee gelegen, was in trek. Men kon erheen fietsen of de Gooische Stoomtram nemen. Op 22 juli 1881 reed de ‘Gooische’ voor het eerst vanuit Station Weesperpoort over de Middenweg naar de Diemerbrug en vervolgens naar Muiden en Muiderberg. De tram vervoerde niet alleen passagiers, maar ook post, melk en vee. Voor de dagjesmensen werden open rijtuigen gebruikt. Er waren twee typen: eersteklas rijtuigen met een zitplek voor 24 passagiers en tweedeklas rijtuigen met een zitplek voor 32 passagiers en 16 staanplaatsen. Een rit duurde 65 minuten.


Op warme dagen vond er langs deze weg een grote uittocht plaats, maar voor de trammaatschappij was dat geen probleem, vertelde E. Molinero in 1979 in Ons Amsterdam: “Als er op drukke dagen meer passagiers voor Muiderberg of Hilversum waren, werd simpelweg een aantal wagons extra aangehaakt.” Dat had ook zijn risico’s: “Zo'n lange tram vertrok van het laagste punt in de polder: ter hoogte van de Hogeweg, en had dan nogal moeite met de hellende weg naar de brug over de Ringvaart. Gooiwaarts leverde dit minder bezwaren op door de langere aanloop en de minder steile helling. De terugtocht was moeilijker (…). Halverwege de helling Hogeweg-Ringvaart begonnen de wielen van het vierkante locomotiefje door te slaan, de gang was eruit en het geval zakte langzaam de helling af. De jeugd kwam in het geweer om zand op de rails te strooien voor de volgende aanloop. Als dit weer mislukte, moest een inmiddels gereedgemaakte reservelocomotief het treinstel door opduwen de nodige energie leveren om de hindernis te nemen.”


 


Karnemelk en zwarte petjes


Eenmaal voorbij Muiden, moesten passagiers richting Muiderberg overstappen bij de Hakkelaarsburg op een zijtak van de Gooische: de dienst naar Muiderberg. Naast de Hakkelaarsburg stond het Witte Huis, het wachtlokaal van de tram, en tevens het café-restaurant waar later ‘Lou de Palingboer’ zou gaan wonen, die beweerde dat Jezus Christus in hem was opgestaan. De tram reed vervolgens over de Googweg langs de joodse begraafplaats en eindigde bij café-restaurant en hotel Het Rechthuis. Hier werden de melkbussen van de Muiderbergse boeren ingeladen, die de melkslijters later op de dag in Amsterdam uitventten.


In de jaren twintig werd in Muiderberg zelf een station aangelegd met twee perrons en er kwamen dranghekken om de steeds groter wordende stroom dagjesmensen in banen te leiden. “In de toptijd kwamen er wel twee trams tegelijk aan met ieder vijfhonderd mensen; op zondag arriveerden wel tien trams, dus zo'n vijfduizend dagjesmensen!”, schrijven Gré Dam en Rob van der Heijde in hun Toen boekje over Oud Muiderberg. En de meeste Amsterdammers kwamen niet eens met de tram, maar op de fiets. Op een topdag bezochten dus soms meer dan 10.000 dagjesmensen Muiderberg. En dat terwijl het dorp niet meer dan zo’n 600 zielen telde!


De Muiderbergers probeerden zoveel mogelijk profijt te trekken van de Amsterdamse toeristen. Op grote schaal opende de boerenbevolking pensions, cafés en fietsenstallingen. Aanvankelijk kostte een dagje stalling een dubbeltje, maar door de grote concurrentie zakte de prijs naar één cent. Ook schonken veel boeren verse melk of karnemelk, hetgeen de Amsterdammers een echt vakantiegevoel gaf: ze waren de stad uit! Ze waren op het platteland!


Fietsend naar Muiderberg passeerden de Amsterdammers onderweg al een eindeloze rij uitspanningen. Ter hoogte van de huidige Maxis stond rond 1935 café De Papenlaan, in Muiden waren meerdere horecagelegenheden en bij de Hakkelaarsbrug konden ze terecht bij Het Witte Huis en Rustoord-Groenzicht om karnemelk, koffie of thee te drinken. Aan de Googweg, op weg naar de Brink, lag boerderij Elba, waar ook karnemelk werd geschonken, behalve op zondag.


Alida Meijer-Roussou, geboren in 1928, herinnert zich de kleine cultuurshock voor de uitgelaten Amsterdamse fietsers, die op zondagochtend een zwijgende stoet gereformeerde Muiderbergse boeren op zich af zagen komen, op weg naar de kerk van Muiden, in zwarte lakense pakken en met zwarte petjes.


 


“O, Echo, wonder van deez’ dreven!”


Op de Brink stond ‘Pretty Home’, waar strandfotograaf Ibelings zijn atelier had. Hij had er ook een Citroën staan met de wervende tekst: Een foto in de auto, tien cent, zo klaar!” Hendrik Nagelhout, geboren in 1919: “Ibelings en zijn zoon Jan bemanden om beurten ‘Pretty Home’ en het strand om toeristen op de foto te zetten. Op het strand stond van alles waar men zich in kon laten fotograferen, zoals een houten paard en een trapauto.”


De weg naar het strand voerde over de Brink door ‘Het Beukenbos’ en vervolgens de Dorpsstraat en de Badlaan, met vele cafés, een speeltuin, stallingen en winkels, waar ansichten of strandspullen te koop waren. Op het strand stonden vier steigers met badhokjes. Wie wilde roeien, kon er een bootje huren. Bang om te verdrinken hoefden de badende stedelingen niet te zijn, want tot zeker een kilometer uit de kust was het water ondiep. Meijer-Roussou: “In het water stonden drie glijbanen en drie wippen. Dat vonden we prachtig. Er was ook een aantal strandtenten waar je koffie, thee en limonade kon drinken en karren met haring, ijs en halve zure bommen.”


Behalve het strand waren ook de bossen van Muiderberg geliefd. En de legendarische echo. Niet een die na een paar seconden woorden herhaalt, maar een ‘gelijksprekende echo’. Pieter Cornelisz Hooft noemde deze attractie al in zijn stuk Geraerdt van Velzen uit 1613. Om de echo te horen, ging men voor de halvecirkelvormige muur staan en luisterde naar de ‘echo-oproeper’, die een gedicht declameerde in de richting van de muur. “O, echo, wonder van deez dreven, reeds eeuwen hield gij krachtig stand. Wat ook verging, gij zijt gebleven, nog roemt men u in ieder land.” Het geluid van zijn stem klonk dan galmend en leek uit de grond te komen. Naast de echo was er ook een doolhof met in het midden lachspiegels.


En dan was er nog de uitkijktoren. In 1901 werden de vermolmde trappen van deze voormalige kerk vernieuwd en ging hij open voor publiek. Om te voorkomen dat er mensen van de toren vielen, waren kantelen geplaatst. Meteen het eerste jaar al bezochten 8800 bezoekers de uitkijk. Tot ongeveer 1932 stond hij open voor publiek.


 


Sieraden zoeken


Voor wie niet dezelfde dag terugging, was er het Badhotel, uit 1886. Dat bood logement, maar ook kon men er badstoelen, roeiboten, zeilboten en badkoetsjes huren. Een badkoetsje was een wagen die men een stukje de zee inreed om zich hier vervolgens om te kleden en het water in te gaan. De koetsjes terug het strand optrekken lieten de huurders echter het liefst aan de eigenaren over. Begin 20ste eeuw werden ze daarom vervangen door de eerdergenoemde steigers met badhokjes.


In het weekend was het feest bij het Badhotel. Op zaterdagavonden gaven Amsterdamse gezelschappen concerten in de muziektent en op zondagmiddag werd er gedanst op het strand.


Aan het eind van de dag moesten de badgasten natuurlijk en masse weer terug naar huis. “Het was dringen bij de stoomtram! Anders kon je mooi niet meer mee terug!”, herinnert Nagelhout zich. De stadse bleekneusjes waren dan vaak mooi bijgekleurd. Soms zelfs te veel, weet Andrea Koster nog: “Ik was natuurlijk als stadsmeisje niet gewend aan zoveel zon. Ik had een gevoelige huid met mijn rode haar en sproeten en er was geen zonnebrandcrème in die tijd. Ik was dus altijd zo verbrand dat de blaren op mijn huid stonden. Het dagje zelf was misschien wel leuk, maar de nasleep beduidend minder!”


En de Muiderbergers? Zodra er aflandse wind was en de zee zich terugtrok, gingen ze het wad op met een vork om paling te steken en…sieraden te zoeken die Amsterdammers waren verloren tijdens het pootje baden.


 


Oase van rust


Tegenwoordig is het nog steeds goed toeven op het strand van Muiderberg. Wel is het nu veel kleiner en ook het aantal horecagelegenheden is danig geslonken. Waar zijn de dagjesmensen uit Amsterdam gebleven? Was Muiderberg niet meer in trek na de bouw van de Afsluitdijk in 1932? “Welnee”, zegt Alida Meijer-Roussou. “Wat dat betreft merkte je weinig verschil tussen de Zuiderzee en het IJsselmeer.” Kwam het dan omdat de Stoomtram niet meer reed? “Ook niet”, denkt zij. “Je had de bus. Die was sneller. Nee, steeds meer mensen kregen auto’s. Je kon verder weg en dat deed je ook.” Dat beaamt Tiny Rooseboom-Gijzen: “Na de oorlog had je meer te besteden. Er was ook meer vrije tijd. Mensen gingen langer weg en je ging ook vaker naar het buitenland.” Gré Dam vertelt dat er in Muiderberg hoe langer hoe meer forenzen gingen wonen. Die hadden andere behoeften. “Men adverteerde er ook mee: ‘Muiderberg, een oase van rust onder de rook van Amsterdam’.”


Zijn er nog sporen te vinden van de tijd waarin Amsterdammers het dorp massaal bezochten? In Muiderberg getuigt alleen een miniatuur stoomtram op een sokkel voor het Rechthuis ervan; in Amsterdam staat op de Middenweg nog het gebouw van de oude stoomtramremise. Wel rijdt er nog altijd één stoomtramlocomotief met twee rijtuigen van de Gooische Stoomtram: ’s zomers tussen Hoorn en Medemblik. En iedereen mag mee.











Joodse begraafplaats


Muiderberg was niet alleen vanwege het strand een plek waar Amsterdammers kwamen. In 1642 kochten de Hoogduitse joden uit Amsterdam er 17 hectare grond om een begraafplaats te stichten. Omdat de graven nooit geruimd mogen worden, waren zij aangewezen op een plek buiten de stad.
Pieter Cornelisz Hooft, drost van Muiden en baljuw van het Gooi, tekende de koopakte. Aanvankelijk werden de lichamen per trekschuit vervoerd, via de Muidertrekvaart en voorbij de Hakkelaarsbrug over de vaart langs de Googweg. Als een Amsterdamse jood ernstig ziek was, werd dan ook wel gezegd: “Hij is al bij de Hakkelaarsbrug.” Ook de Gooische Stoomtram vervoerde gedurende korte tijd overledenen per salonrijtuig. Zo’n rijtuig was gesloten en telde twee compartimenten: één voor de overledene en één voor de nabestaanden. Vanwege religieuze bezwaren werden de salonrijtuigen op non-actief gesteld.














De Gooische Moordenaar


De Gooische Stoomtram veroorzaakte veel ongelukken, wat hem de bijnaam Gooische Moordenaar bezorgde. De ongelukken waren vooral het gevolg van een te hoge snelheid en de uitgebraakte rookwolken die passerende weggebruikers het zicht ontnamen. Zo klaagde de Nederlands Israelietische Hoofdsynagoge van Amsterdam in een brief: “In de laatste tijd is het meermalen voorgekomen dat bij bochten in de weg naar Muiderberg botsingen plaatsvonden tusschen den lijkwagen waarmede de lijken onzer gemeenteleden naar de begraafplaats te Muiderberg worden vervoerd en den Gooische Stoomtram, die aldaar dikwijls met meer dan ons inziens geoorloofde snelheid passeerde en niet liet onderzoeken of de weg veilig was, waartoe zij volgens onze mening wel verplicht is.” Om ongelukken te voorkomen, werd onder meer besloten dat de tram in de bebouwde kom alleen stapvoets mocht rijden. De conducteur liep bovendien voor de tram uit met een rode vlag. Desondanks bleven ongelukken op grote schaal voorkomen.




 




Van Zondagsrust tot Friday Night Fever


Hoe het weekend veranderde


Tekst: Peter-Paul de Baar


07082009_WeekendRond 1920 (de vrije zaterdagmiddag was zojuist een feit) zette men in Nederlands kranten het Engelse woord ‘week-end’ nog tussen aanhalingstekens. Nu is dat een vanzelfsprekendheid en begint het weekend eigenlijk al op vrijdagmiddag. Hoe veranderde het weekeinde in Amsterdam? We vroegen het aan onze lezers en doken in oude dagboeken en andere bronnen.


Het zou overdreven zijn te zeggen dat we werden overstroomd met reacties op onze oproep, maar het waren er veel te veel om ze allemaal te kunnen citeren en meer dan genoeg om een goed beeld op te roepen. Dit mede dankzij vriendelijke andere instanties die onze oproep een wijdere verspreiding gaven. Vooral bedanken we de website Geheugen van Oost. Webmaster Christina Mercken deed niet alleen een beroep op de sitebezoekers, maar selecteerde ook gedienstig een aantal eerder op het net geplaatste verhalen rond dit thema.


Academische geschiedwetenschappers hebben hieraan bar weinig woorden gewijd. Ons 60-jarig jubileum vinden we een mooie aanleiding om dit hiaat in het historisch onderzoek te helpen opvullen.


De lezersherinneringen die wij binnenkregen gaan begrijpelijk genoeg niet veel verder terug dan de jaren twintig. Maar laten we ons verhaal maar een stukje eerder beginnen. Dat de zondag een rustdag moest zijn, stond hier al sinds de Middeleeuwen vast. En ook dat een bezoek aan de kerk daarvan het hoogtepunt moest zijn. De joden intussen hadden hun rustdag op zaterdag: de sabbat, die eigenlijk al op vrijdagavond begon. Voor orthodoxe joden was die rust wel absoluut. Behalve naar de synagoge gaan, mochten ze volgens hun geloofsregels bijna niks, zelfs geen licht opsteken. Dat deed dan vaak een niet-joodse buurjongen, de ‘sjabbesgoj’ (sabbats-christen). Na de kerkgang werd de zondag der christenen vooral besteed aan huiselijk gekneuter en familiebezoek. Theo Thijssen, zoon en kleinzoon van een schoenwinkelier, schetst in zijn jeugdherinneringen de sfeer van een visite aan zijn grootouders omstreeks 1885: “Zondagsmiddags kwamen Henk en ik er wel met vader op be­zoek. Het ging er vrolijk toe. Er stond een schitterend glinsterende, geslepen bitterkaraf op tafel en het hele gezelschap borrelde lustig. De vrouwen hadden een glaasje met veel suiker. Dan kwam er het moment dat opoe plotseling resoluut mededeelde: `We gaan tafel dekken, glasies weg en de visite wordt bedankt.'”


De rest van de week, inclusief zaterdag, werd er nog gewoon gewerkt, en hard ook: door de mannen en ongetrouwde vrouwen op de kantoren, fabrieken en werkplaatsen, door de gehuwde vrouwen (onbezoldigd) thuis – met daarnaast soms een bijbaantje als bijvoorbeeld werkster. Voor die huisvrouwen was de zaterdag extra zwaar, want alles moest aan kant zijn voor de heilige zondag! Daarop hamerde al het middeleeuwse stadsbestuur, dat in 1494 een decreet uitvaardigde dat op zaterdag alle Amsterdammers hun stoep moesten schrobben.


Op zaterdag moesten ook de boodschappen voor twee dagen worden binnengehaald, want op zondag waren van oudsher in principe de winkels gesloten. Daar stond tegenover dat zeker tot 1904 de winkels (behalve op zondag) tot elf uur ’s avonds open mochten zijn. Zaterdagavond was juist de topavond.


Voor een eerste radicale omslag in de vormgeving van het weekend zorgde een historisch Tweede-Kamerbesluit op 11 juli 1919: de invoering van de ‘Achturendag’ plus de vrije zaterdagmiddag, ook wel ‘Engelsche Zaterdag’ geheten. De vrije zaterdagnamiddag bood ruimte voor allerlei nieuwe activiteiten. Critici waarschuwden al bij voorbaat voor ‘sportverdwazing’, de ‘danswoede’ en het ‘bioscoopgevaar’.


 


Laatste schoolbel


Hoe zagen de Amsterdamse weekeinden er na 1919 uit? Tot zo’n tien jaar na de Tweede Wereldoorlog werd in veel opzichten werd de lijn van vroeger eeuwen voortgezet. De zondag bleef de Dag des Heeren, op zaterdag werd die voorbereid en kon men al een beetje vóórgenieten.


Op zaterdagmorgen belden de melkboer en de bakker al vroeg aan. Veel leveranciers bezorgden immers nog huis aan huis. ’s Ochtends ƒvroeg ook gingen de mannen naar hun werk. Cor Sibbel uit de Vrolikstraat in Oost stapte in de jaren vijftig zelfs al om half zeven op de fiets om bij de NDSM in Noord te gaan werken. Nog vroeger in touw waren de ouders van Rob Sassen uit de Kinkerstraat: “Mijn moeder en stiefvader werkten nog op de zaterdagochtenden. 's-Morgens om half zes op zaterdag, voor zij naar het werk gingen, ging steevast van driehoog twee matten naar beneden om op straat uitgeklopt te worden. Na dit ‘festijn’ gingen ze weer op hun fietsen naar hun werk, mijn moeder naar de uurwerkfabriek Nufa en mijn stiefvader naar de transformatorenfabriek Transforma. Ik ging dan nog naar school.”


Zo ook Henk Ras (nu oprichter van buurtmuseum De Noord), acht jaar oud in 1948. “Van negen tot twaalf. Het laatste uur is meestal voorlezen. Bolke de Beer herinner ik me; Afkes Tiental in een wat hogere klas en Paarden voor de prins of Vlooien voor de Koekenpan.” Op de school van Clemens Polfliet (nu 53) hadden ze op zaterdagmorgen ‘pretvakken’ als gymnastiek en handenarbeid. Marianne de Graaf (nu redactiesecretaresse van Ons Amsterdam) hunkerde op haar Prinsenschool op het Singel vooral naar de ‘laatste schoolbel’ om 12 uur: “Mijn vader kwam ons dan ophalen en dan liepen we met een heerlijk vrij gevoel langs de grachten naar huis, in de Haarlemmerstraat.”


Boodschappen doen was een belangrijk onderdeel van het weekend. Vooral niet te laat, want dan was alles op. Bovendien gingen sinds de nieuwe Winkelsluitingswet van 1957 de winkels doordeweeks al om 18.00 uur dicht, op zaterdag zelfs een uur vroeger. Elly Karmelk ging rond 1965 graag met haar moeder naar de moderne zelfbedieningswinkel van De Gruyter op het Hoofddorpplein en was trots dat ze het ijzeren winkelmandje mocht dragen. Je kon natuurlijk ook naar de markt. Karmelk ging met haar moeder naar de Albert Cuyp, J.A. Weegenaar-Pauw (nu 90) met haar vader naar de Ten Katemarkt. “Daar luisterden we geboeid naar de standwerkers, en vader liet zich vaak iets aansmeren wat we eigenlijk niet nodig hadden.”


Voor huisvrouwen was de zaterdag het tegendeel van een rustdag. Het huis moest aan kant (daar lezen we in de brieven overigens verbluffend weinig over; verdrongen?) en alle kleren moesten schoon zijn. En ook de Amsterdammers zelf verdienden een poetsbeurt.


“Op zaterdag en zondag stond mijn moeder de was te doen, zodat we op maandag weer in ons schone goed naar school toe konden,” aldus ‘Lotte’, geboren in 1922 in de Nieuwmarktbuurt en in 2006 geïnterviewd voor een geheugenproject van Ouderencentrum De Gooyer. “Je had maar één of twee onderbroeken: voor meer was geen geld. De was hing in de keuken te drogen.”


In Amsterdam duurde het tot minstens de jaren zeventig voor bijna alle huizen een bad of douche hadden. Dus bleef het lang traditie dat op zaterdag in de keuken een grote teil werd gevuld met warm water, waarin de kinderen één voor één even konden poedelen. Lotte: “Maar je moet niet denken dat iedereen opnieuw schoon water kreeg, We werden allemaal in hetzelfde water gewassen. Heel gewoon vonden we dat.” Volwassenen konden naar het badhuis; soms gingen de kinderen mee, zoals in de jaren vijftig Peter C. Meijer naar het badhuis op het Javaplein, of Kinkerbuurter Rob Sassen naar dat op de Da Costakade. Cor Sibbel had weer een andere oplossing: als zaterdag om 12 uur bij de NDSM het laatste fluitsignaal klonk, fietste hij snel terug naar de Vrolikstraat voor een boterham en dan snel door “naar het Sportfondsenbad-Oost, om te zwemmen, maar vooral om te douchen, want dat kon ik niet thuis.”


Dankzij de Arbeidswet van 1919 werd zaterdag ook de dag van de amateursport. Al in de jaren twintig was het aantal Amsterdamse sportclubs verdubbeld! Naast voetbal, zwemmen, turnen en wielrennen, was vooral in Amsterdam korfbal populair: die sport was dan ook (in 1902) door een hoofdstedelijke onderwijzer uitgevonden. In 1934 telde Amsterdam liefst 56 korfbalclubs. Wie niet zelf sportte, ging vaak kijken naar de wedstrijden van zijn kinderen of vrienden. Voetballen kon natuurlijk ook op straat. “De bomen waren ons doel; Pietje Keizer en andere coryfeeën waren onze voorbeelden.” schrijft Peter Meijer over zijn puberjaren in de Indische Buurt kort na 1960. Toen Meijer jonger was ging hij op zaterdagmiddag naar de Verkenners ((katholieke Scouts), en wel de Groep van de Zalige Mbaga aan de Oosterringdijk.


Zaterdagavond was bij uitstek de uitgaansavond. De bioscoop was populair, maar je kon ook naar de kroeg of uit dansen gaan. Onze inzenders melden er niet veel over; de oude dagboekschrijvers (zie blz. 291) veel meer. De cafés rond op het Leidseplein en Rembrandtplein stroomden vol, net als de theaters in de Amstelstraat. Cor Sibbel: “’s Avonds naar de bioscoop, gevolgd door een bescheiden bezoek aan een café of nachtclub, Lopend naar huis om een uur of twee; moeder lag nog wakker.”


Maar de meeste Amsterdammers bleven na het avondeten braaf thuis, lazen een boek of luisterden samen naar de radio. Henk Ras, toen een tiener, herinnert zich vooral het humoristische VARA-programma Showboat (1950—1957), met als hoogtepunt Wim Sonneveld als orgeldraaier Willem Parel, “die telkens voor de volgende week de ‘SPvdO’ aankondigde: de ‘Sexuele Problemen van de Orgeldraaier’. Dat was een verdraaid krachtige manier van klantenbinding”.


 


Zondag volgens vast patroon


“Op zondag konden we in theorie uitslapen”, schrijft Clemens Polfliet, “maar daar stak de Kerk een stokje voor: we waren katholiek en moesten ter kerke. En als mijn streng katholieke oma bij ons was, dan moesten we altijd naar de Hoogmis, die om 10 uur begon. Dat was pas echt balen.”


Ook al was Amsterdam al vanouds bovengemiddeld onkerkelijk, toch werd tot in de jaren zestig voor honderdduizenden een stevig deel van de zondag gedomineerd door religieuze plichten. Marine-officier Hendrik de Booy (zie blz. 291) maakte er anno 1934 graag een vergelijkend warenonderzoek naar predikanten van. Peter Meijer zong een kwart eeuw later blijmoedig in de Hoogmis van de Gerardus Majellakerk op het Ambonplein, net als zijn vader. Maar sommigen moesten dan ook nog naar zondagsschool of (zoals Martin Heuwekemeijer) naar een de middagse ‘lering’ van pastoor Zoetmulder van de Martelaren van Gorcumkerk. “Niet bepaald een pretje.”


Mevrouw Weegenaar neemt ons weer terug naar de jaren dertig: “De zondag verliep volgens een vast patroon. Mijn vader ging naar de kerk. Ik ging naar de jeugddienst in het AMVJ-gebouw. Als ik thuiskwam, dronken we koffie met wat lekkers en dan gingen we eten. Tomatensoep, aardappels, groenten en vlees, en tot slot een pudding, in de vorm van een vis. Intussen luisterden we maar een boekbespreking door P.H. Ritter Jr. Na het eten rookte mijn vader een sigaar – nooit meer dan één per week. Hij beschouwde dat roken als een nauwelijks te verdedigen luxe.”


Een trendy minderheid zette het uitgaan van zaterdagavond voort op zondagmiddag en avond: wat drinken en een dansje maken. De meeste Amsterdammers kozen echter voor goedkoper vormen van ontspanning. Zo werd er op zondag eindeloos gewandeld, al dan niet op weg naar familie. Soms door de verstilde oude stad; vaak ook ‘naar buiten’. F.M. Buntsma-Bors, toen een jaar of elf, wandelde in de jaren vijftig ‘s zondags rustig van de Amstelkade naar haar opa in de Watergraafsmeer.


Menig gezin ging te voet of per fiets ‘de natuur in’: naar het Vondelpark, het Vliegenbos, de Sloterplas of het ‘Bosplan’. Vooral aan dat Amsterdamse Bos rond 1965 heeft Elly Karmelk, opgegroeid aan de Sloterkade, warme herinneringen: “Bijna iedereen uit de straat gaat naar de Grote Speelweide. Mijn oudere buurjongens drijven op glibberige autobinnenbanden. Ze kiepen elkaar vaak om. Op ons kleed in het gras bewaakt Papa de sinas en de boterhammen. Alle vaders liggen en hebben een transistorradiootje aan hun oor. Bij een doelpunt lachen de mannen naar elkaar en steken hun duim in de lucht.”


Veel andere Amsterdammers gaan zelf naar de doelpunten kijken. Cor Sibbel: “Naar Ajax, of anders Blauw-Wit, DWS of De Volewijckers, allemaal in de hoogste voetbal-afdeling. Daarna thuis eten en een rustige zondagavond: luisteren naar de radio en veel boeken lezen.”


 


Matinee op de Vrije Zaterdag


In de jaren zestig veranderde er heel veel tegelijk. In 1961 werd in het bedrijfsleven en bij de gemeente de vijfdaagse werkweek ingevoerd, een paar jaar later gevolgd door de vijfdaagse schoolweek. Prompt bedacht de VARA een verantwoorde invulling van die extra vrije tijd: onder de fraaie naam Matinee op de Vrije Zaterdag organiseerde zij in de Concertgebouw goedkope klassieke concerten, die (vanaf 23 september 1961) rechtstreeks op de radio werden uitgezonden.


Wie niet naar het Concertgebouw ging kon voortaan op zaterdag uitslapen: “De melkboer hield het ook voor gezien, hij bezorgde niet meer,” herinnert Polfliet zich. Nu haalde je melkpakken uit de supermarkt. En steeds vaker per de auto, want de welvaart nam razendsnel toe. De trots op die nieuwe ‘heilige koe’ leidde tot ontroerende nieuwe rituelen: het demonstratief wassen van de auto op zaterdag en het ‘bermtoerisme’: gezinsgewijs picknicken op een grasveldje langs de snelweg en loeren naar andere automobilisten. Met de auto werden weekenduitstapjes naar het strand of pretparken steeds makkelijker. En kleine verhuizingen (oude zaterdagtraditie) hoefden niet meer per bakfiets.


Ook op zondag kon voortaan massaal worden uitgeslapen, want het overgrote deel van de Amsterdammers ging bijna nooit meer naar de kerk. (Al in 1971 verklaarde 80% niet meer tot een kerkgenootschap gerekend te willen worden.) Ze gingen nog wel en masse naar het voetbalveld, en iedereen keek ’s avonds naar Studio Sport. Sowieso ging de tv het weekend steeds meer bepalen, vooral de zaterdag met o.a. Ja zuster, nee zuster en Eén van de acht. Na 1990 volgden nieuwe verlokkingen als internet en games.


Ook het uitgaan veranderde: minder naar de kroeg, meer supermarkt-pilsjes voor de buis; veel vaker uit eten; disco’s in plaats van klassieke danszaaltjes.


Rustiger werd het zeker niet, verzucht de 90-jarige mevrouw Weegenaar. “Toen ik zelf later kinderen had, bracht mijn man die voortdurend met de auto naar vriendinnen, feestjes en sportvelden. En het leven van mijn kleinkinderen is nog veel drukker. Dan denk ik wel eens met weemoed terug aan die rust van toen: die zondagen met P.H. Ritter Junior en de pudding met abrikozen.”


 




 


Het weekend in oude dagboeken en brieven


Tekst: Joosje Lakmaker


 


Herinneringen zijn waardevol, maar hebben ook hun beperkingen. Het geheugen kan haperen en wordt sterk beïnvloed door latere ervaringen. In dat opzicht zijn aantekeningen heet van de naald betrouwbaarder. Ons Amsterdam dook dus in een paar oude dagboeken en brievencollecties.


 


Allereerst dat van Hendrik de Booy (1867-1964). Hij was marineofficier tot 1922, daarna onder andere secretaris van de Noord-Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij en administrateur van het Concertgebouw. Hij was getrouwd met Hilda Boissevain, telg uit een vermaard Amsterdams geslacht van reders en bankiers en zelf zeer actief in de Montessori-beweging. Met hun drie kinderen woonden ze in 1920 in de Concertgebouw.


Zaterdag 2 april 1920


Vandaag een wandeling met Olga via (wijlen) de Korenmolen naar Bellavista. Ik pijn aan de voeten met mijn nieuwe schoenen van f 45,-. Prachtig de Nieuwe Meer met de witte zeilen van de schepen en de wolken, regenboog en het silhouet van Amsterdam met zijn torens, het Rijksmuseum en Paleis voor Volksvlijt.


Wij gaan nu op den middag warm eten en bij Vamos theedrinken.


Lees met veel plezier Don Quichote in een Engelsche en een Hollandsche vertaling.


Zondag 17 mei 1931


Naar de Oude Kerk waar ds. De Vrije mooi en eenvoudig preekt. Dit kerkgebouw staat op de nominatie te worden verkocht. Ds. De Vrije trekt echter een tamelijk groot publiek uit deze buurt. Er liggen grafmonumenten van Jacob van Heemskerk, Van der Hulst [zeevaarders].


Het regent vandaag. We zitten rustig thuis.


Zondag 21 juni 1931


Jaarlijkse picnic en verjaarspartij van dochter Engelien op `t Witzand [landgoed-red.] in Blaricum. Het was prachtig weer, warm, maar niet té. De meisjes zwommen in het zwembad. Daarna buiten koffie gedronken en vervolgens tennissen.


Terug te Amsterdam bij het Centraal Station een grote troep van de A.J.C. met grote roode vlaggen, trommels en pijpen die den mariniersmarsch blazen.


Zondag 10 januari 1932


Oostenwind, guur, maar lekker. Naar de Fransche kerk met dominee Arnal waar het warm was en mooi door de koperen kronen. Maar er waren wellicht een kleine honderd menschen dus lang niet genoeg om het gebouw te vullen. Dominee Arnal, hoewel een voortreffelijk mensch, is niet een groot redenaar en ik heb dan ook altijd moeite de gedachten bij de preek te houden. Het lukt me bijna nooit. Toen ik thuiskwam - langs de oude grachtjes van Amsterdam gegaan zijnde - hoorde ik dat Hilda met Engelien gelezen had een psalm 91 en had gezongen.


`s Middags een wandeling van 1¾ uur. Daarna gegeten bij Olga en `s avonds met Olga en Engel muziek gemaakt. 11 uur thuis.


Zondag 24 januari 1932


Goed weer. Gewandeld door oude straten. Oude Looiersstraat, 1, 2e, 3e, Looiersdwarsstraat, Passeerdersstraat, enz. Alle straten die voor kort er nog schilderachtig moeten hebben uitgezien, nu bedorven door het asphalt en door het slopen en vernieuwen van de huizen. Maar er zijn nog wel aardige huisjes bv. Outman in de Oude Looiersstraat. Ik lees Het leven van Tolstoi van mevr. Roland Holst- Van der Schalk. Prachtig prachtig prachtig.


Zaterdag 21 januari 1933


Met Olga en Engelien op de schaats naar Ouderkerk. Eerst een lang slecht stuk, verwonderlijk in dezen tijd van grooten werkloosheid. (…) Tenslotte beter ijs.


Het waait stevig en is koud. Langs kronkelige vaarten en slooten. Prachtig. Soms recht tegen de wind in (..) tot eindelijk circa ¼ voor 4 Ouderkerk bereikt wordt en wij in hotel Paardenburg chocolade met ‘macaronikoeken’ (zo noemde de man het) aten. Per bus terug tot de Berlagebrug voor 25 cents per persoon en per tram verder naar huis.”


 


Naar Hitchcockfilm en de Chinees


Nynke de Groot (1919-2005), dochter van een wiskundeleraar op de Handelsschool in de P.L. Takstraat, woonde vlak na de oorlog nog bij haar ouders in de Harmoniehof in Zuid. Zij studeerde toen fysische geografie aan de Universiteit van Amsterdam, was lid van studentenvereniging Unitas en medeoprichtster van het meisjesdispuut Confetti. Net als eerder De Booy, ‘pendelde’ zij tussen traditie en vernieuwing. (In de oorlog had ze verzetskrant Het Parool helpen verspreiden.) Al sinds april 1942 was zij verloofd met Fred Bosman, student economie; ze trouwden op 18 oktober 1947.


“Zaterdag 8 maart 1947


Vanavond uit geweest met Kees en zijn Engelse vrouw. Gegeten bij King Long op de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Nadat we ons tegoed gedaan hadden aan tomatensoep, loempia, sateh, bami- of nasigoreng en koffie met cake zijn we gaan borrelen in de Vijf Vlieghen. De Engelse was verrukt over dit oud-Hollandse huisje.


Toen zijn we naar de 2e voorstelling van Corso in de Kalverstraat gegaan alwaar we Suspicion hebben gezien [een Hitchcockfilm]. Wat een goede film. Na afloop hebben we nog een dansje gemaakt in La Gaîté [bovenzaaltje Tuschinski–red.]. Met een taxi huiswaarts gegaan.


Zaterdag 5 april 1947


Vanwege het vele uitgaan in de komende Paasdagen, vanavond thuisgebleven en gekaart.


Maandag 7 april 1947


Vandaag vieren wij ons 5-jarig verlovingsfeest! Ik zal van Fred een plastic tas krijgen! We gaan hem samen kopen. Ik had voor F. een pakje lekkere (Volksherstel-) sigaretten en ik had een doorzichtige plastic sigarettenkoker willen kopen, maar tot mijn spijt kon ik die niet krijgen.


Vanmiddag zijn we naar de voetbalwedstrijd in het stadion geweest, België-Nederland. We zaten Marathontribune. Het muziekcorps in het stadion was een mijnwerkersmuziekcorps.


Het was erg winderig, de zon scheen, maar verdween achter de wolken. We zaten echter goed en ik was uitgedost in een lange broek en bontjas zodat ik tegen een stootje kon. ‘We’ wonnen met 2-1.


Zaterdag 12 april 1947


Vanmiddag samen de stad in geweest. Het is prachtig weer. De Kalverstraat was ons doel. Daar naar allerlei tassenwinkels gekeken en een beeldige, vierkante, vuurrode plastic tas gekocht ter ere van het 1e lustrum. Daarna zijn we nog even bij Americain op het terras gaan zitten.


Vanavond naar de film Obsessie (Spellbound) in Tuschinski geweest, een zeer goede Hitchcockfilm. Na afloop even een dansje gemaakt in La Gaîté. Het was echter vol en het publiek beviel ons niet. We besloten daarom naar de Lidobar te gaan. Aldaar aangekomen, merkten we dat daar nergens gedanst werd. Beneden was inderdaad een bar waaraan we gezeten hebben.


Zaterdag 17 september 1947


Vanochtend weer gekeken op sportveld Olympiaplein alwaar voetbalwedstrijd oudejaars-novieten. De senaat kwam in Cadillac met chauffeur en standaard [vlag van Unitas aan de auto]. Zij paradeerden in pand [jacquet] met zwarte parapluie. Bij rust 4-0. Veel Confetti aanwezig.


Vanavond naar ABC-cabaret [Wim Kan en Corrie Vonk] in het Leidschepleintheater. Daarna kopje koffie bij Americain.


 


Een echt fuifnummer


Ten slotte het dagboek van Truus van Soest, geboren in 1928. Zij woonde met haar moeder op driehoog in de Hugo de Grootstraat en werkte als knipster op een naaiatelier. Ze had nog maar kort verkering met Wim Schutte toen hij in 1946 als soldaat naar Indonesië werd uitgezonden tijdens de eerste Politionele Actie. Ze schreven elkaar tot zijn terugkeer in 1950.


“7 januari 1949


Liefste Wim,


Hoe gaat het met je? Ik heb gelukkig post ontvangen en je moeder ook.


Wat fijn dat bij jullie niets gebeurd is en blijft dat ook zo? Of zijn jullie nog aan het zuiveren? Wees maar voorzichtig Wim. In onze parochie zijn er gelukkig nog geen gesneuveld.


De uitvoering van de revue van W.I.K. [Willen Is Kunnen, katholieke gezelligheidsvereniging red.] ging goed, had mijn rol goed geleerd (zoals een nieuweling betaamt). Er was bal na waar ook een moderator was van Don Bosco [katholieke organisatie voor jongerenwerk].


Ik zal een artikeltje over Indië bijsluiten en ook de vurig begeerde saffies. Als je zo bezig bent met schieten, zul je wel heel wat verroken.


Ik schei uit, liefs,


Truus


20 februari 1949


Liefste Wim,


Eindelijk zal ik je maar weer eens schrijven. Ik heb deze week geen post gehad, jij wel? De mensen in Holland denken allen goed over de actie, behalve de communisten. Maar volgens Henk zijn dat geen mensen.


Gisteravond met je moeder en Nico naar een bal geweest. Ik word een echt fuifnummer. ’t Is goed dat de vasten gauw begint, anders wist ik het nog niet. Misschien ga ik vrijdag nog naar een avond van de grafische bond. Ik ben echt een beetje dansziek. Ik hoop niet dat je me dat kwalijk neemt. Wordt er bij jullie ooit gedanst? Daar is de toestand veels te ernstig voor, toch?


Zondagmiddag ben ik naar de protestmeeting geweest in de RAI voor kardinaal Mindszenty. [Hongaarse geestelijke, eind 1948 door het communistisch regime veroordeeld.]


Wim, zoals je ziet, denk ik niet alleen aan uitgaan. (…)


`t Allerbeste, liefs,


Truus


9 maart 1949


Liefste Wim,


Van de dansen hoef je tegenwoordig niet meer te kennen dan de grondpassen, weet je wel: slow-slow-quick-quick enz.; voor variaties is er toch nooit ruimte. Ik heb zaterdag mantelstof gekocht van m’n vacantiegeld, ’t is tweedstof, misschien weet je wat dat is.


Ik heb zaterdag ook weer gewandeld, 20 km. Ik ben benieuwd of ik nog lang meega met de wandelclub. Ik denk dat als jij terug bent, het gauw genoeg afgelopen zou zijn. Of jij zou mee moeten gaan. Daar in Indië zal van lopen niet veel komen hè, met die warmte.


Weet je nu al een beetje wanneer je thuiskomt Wim? (...)


XXX Truus


20 maart 1949


Liefste Wim,


Zaterdag ben ik naar de Damesbeurs geweest, op ons toegangsbewijs wonnen we al zo’n doos bonbons. Ik was met m’n moeder, voor de rest hebben we niks gewonnen, maar ’t begin was toch goed. Overal hebben we gesnoept en geproefd, chocola gedronken en gegeten. Er was een modeshow en cabaret. (…)


Zeg Wim, je neemt het toch niet zo zwaar op als Nico of Jan [zijn broers] me naar huis brengen? (…)


Financieel zit ik aan de grond en dat baart me grote zorg. Ik heb geen onkosten te maken voor m’n verjaardag, dat scheelt al veel. Moeder zegt altijd: we moeten die verjaardagen maar afschaffen, want het is allemaal zo duur. (…)


We hebben het heel gezellig gehad. Heb de hele avond over één glaasje gedaan, niks geen trek in, maar des te meer gerookt, op ’t ogenblik zit ik gewoon te snakken en er is in ’t hele huis geen een te vinden.


Vind je ’t erg Wim, dat ik zoveel rook?


’t Allerbeste, veel liefs,


Truus.”


(In het voorjaar van 1950 kwam Wim terug en het jaar daarop trouwden ze.)


 





De allereerste Diemenaren


Nieuwe visies op oudste geschiedenis buurgemeente


Tekst: Peter-Paul de Baar


07082009_DiemenDiemen geldt wel als het ‘kleine zusje’ van Amsterdam, maar is toch echt een stukje ouder. Ten minste als min of meer stabiele nederzetting. Al blijft over de vroegste geschiedenis veel onduidelijk, het beeld wordt steeds iets scherper.


De inzichten over de allervroegste geschiedenis van Diemen volgen elkaar snel op. Dit najaar verschijnt waarschijnlijk dan eindelijk de langverbeide nieuwe bundel Diemen in het land van Amstel, maar het vernieuwende artikel daarin over die historie lijkt alweer achterhaald door nog nieuwere inzichten.


In 1987 verscheen de laatste degelijke samenvatting van de Diemense historie: Diemen buyten Amsterdam. Vooral dankzij de 1991 opgerichte Historische Kring Diemen vond daarna weer veel interessant onderzoek plaats. Diemen in het land van Amstel is er de neerslag van. De meeste kopij werd echter al in 2005 ingeleverd. Akelig effect van de vertraging is dat een deel van de daarin opgenomen nieuwe gedachten over het oudste Diemen nu alweer onder vuur ligt. Hoofdvraag: vanuit welke richtingen werden de Diemense moerassen ontgonnen?


Wat is het traditionele beeld? De naam Diemen werd (voor zover nu bekend) voor het eerst in 1226 geboekstaafd, maar zeker is dat hier al veel langer werd gewoond. Volgens de meeste bestaande samenvattingen van de Diemense geschiedenis werd het eerst gewoond in wat nu Overdiemen heet, op de oostoever van het riviertje de Diem, ook wel de Diemen of Diemer Die. Daarna verschoof de dorpskern naar Oud-Diemen (nu deel van Diemen-Noord) en – na het graven van de Weespertrekvaart rond 1640 – naar het nieuwe Diemerbrug. Dat verkeersknooppunt overvleugelde het oude dorp en nam zelfs de naam over. Diemerbrug werd Diemen en het oude Diemen werd Oud-Diemen. Over de oudste geschiedenis rijzen echter steeds meer twijfels. En veel zullen we wel nooit weten, bij gebrek aan geschreven eigentijdse bronnen.


In zijn kopij voor Diemen in het land van Amstel deed prof. Piet van Reenen, hoogleraar taalkunde en amateur-archeoloog, toch een dappere poging. Ons Amsterdam onthulde de inhoud al uitvoerig in februari (en juni) 2007. Dat verhaal sloeg in als een bom. Van Reenen behandelde bepaald niet alleen Diemen, maar ook de alleroudste geschiedenis van Amsterdam, Ouderkerk en Duivendrecht. Voortbouwend op allerlei ideetjes van eerdere onderzoekers en op inzichten uit de geschiedwetenschap, archeologie, plaatsnaamkunde en historische geografie, presenteerde hij een veelomvattende theorie.


 


Twee ontginningscampagnes?


Opvallendste onderdeel was zijn stelling dat het deel van de huidige Amstel dat dwars door de Amsterdamse grachtengordel loopt van oorsprong een kanaal is. Bijna even opmerkelijk waren zijn gedachten dat de huidige Linnaeusstraat de oudste weg op Amsterdams grondgebied was en dat het alleroudste Duivendrecht ooit werd verzwolgen door het Watergraafsmeer. Kern van zijn onderzoek was echter de ontstaansgeschiedenis van Diemen.


Het is verleidelijk, zei Van Reenen, om te denken dat Oud-Diemen werd gesticht vanuit Overdiemen. Toch geloofde hij dat niet, want op de oudste kaarten is geen enkele weg tussen Overdiemen en Oud-Diemen te zien. Hoe ging het dan wel? Volgens hem is de Diemense regio in twee tijdvakken langs twee routes ontgonnen. De eerste nederzetting werd al rond 1030 op de oostoever van de Diem gesticht vanuit Muiden of het Gooi. De tweede, veel grotere ontginningscampagne, kwam omstreeks 1070 vanuit Ouderkerk aan de Amstel en leidde tot het ontstaan van Oud-Diemen, en later (via een noordwestwaartse afsplitsing van de Ouddiemerlaan) het gehucht Oetewaal, aan de oostrand van het huidige Artis. Pas nadat door de Allerheiligenvloed van november 1170 het IJ stevig was verbreed, ontstond daar aan de monding van de Amstel een nieuwe nederzetting, die snel belangrijker werd: Amsterdam.


Maar Van Reenen bleef niet onweersproken. De fundamenteelste kritiek komt van de historisch-geograaf dr. Chris de Bont, die in oktober 2008 promoveerde op een dikke dissertatie over de ontginningsgeschiedenis van Amstelland, Waterland en Kennemerland. (Zie Ons Amsterdam van die maand.) Zijn strenge oordeel: van landschapsgeschiedenis heeft Van Reenen te weinig kaas gegeten. Net als het gros van de historici, overigens. Velen zwichten voor de verleiding om op basis van oude plattegronden vrolijk te gissen hoe ooit riviertjes en wegen liepen of in welke richting een nederzetting zich verplaatste. Op papier kan alles, maar een landschap is geen plat vlak, zoals een kaart. Om te reconstrueren hoe een bepaalde ontginning werd aangepakt, moet je weten welk oorspronkelijk landschap de ontginners ooit aantroffen en hoe dat ‘zich gedraagt’ als er een schep in wordt gezet.


 


Eerst sloten, dan wegen


In deze regio ging het weliswaar bijna steeds om een veenlandschap, maar het ene veen is het andere niet. In het verleden hebben onderzoekers vaak nauwelijks beseft dat voedselarm veen zich kan opstapelen tot bulten van soms wel een meter of vier boven het omringende landschap. Zorgvuldige analyse van het oudste slotenpatroon wijst er volgens De Bont op dat dit in de Middeleeuwen ook zo was rond het huidige Amsterdam: het veenlandschap was veel reliëfrijker dan nu. En waar hoogteverschillen bestaan, is het bepaald niet willekeurig in welke richting de afwateringssloten worden gegraven. Water moet kunnen wegstromen. Dus groef men tegen de helling op, landinwaarts vanaf de oever van een beekje, rivier of meer(tje), of vanuit een al bestaande sloot. In een plat landschap is de richting minder dwingend. Maar de ontginning is wel lastiger, omdat het water minder makkelijk wegstroomt; dan is vooral de juiste breedte van de sloten van belang.


Ook nadat een stuk veenmoeras is ontwaterd, blijft de bodem veranderen. Veengrond klinkt in doordat het vocht uit de veengrond verdwijnt en de bovenlaag oxideert en wordt dunner door het contact met de zuurstof in de lucht. Kortom: de bult zakt ineen, de grond daalt en dreigt op den duur overspoeld te worden door de waterstroom die als ontginningsbasis diende. Vóór het zover komt, worden dan dijken aangelegd. Er komen ook achterdijken, die het gewonnen land beschermen tegen het water uit het hogere onontgonnen veen. Die dijken worden vaak wegen.


Dat besef leidt tot De Bonts belangrijkste bezwaar tegen Van Reenens aanpak. “Die wegenstructuur is toch echt een áfgeleide van de ontginningen! Eerst werd het gebied ontgonnen, met alle kades, achterkades en zijkades en bewoningslinten van dien. Pas daarná kwamen er wegen, vaak over zo’n dijk of achterdijk, maar soms ook dwars door een oude verkaveling heen. Zo’n wegenstructuur zegt dus bar weinig over de ontginning.”


 


Met de schop over de schouder


Hoe ging het dan wel, volgens hem? Op basis van een grondige analyse van topografische gegevens, aangevuld met historische en fysisch-geografische informatie, reconstrueerde De Bont waar veenruggen en veenbulten lagen. De grootste veenruggen heten in vakjargon waterscheidingen: aan de ene kant van zo’n ‘richel’ liepen alle sloten naar links en aan de andere kant naar rechts. Het imposantst moet rond 1100 de Grote Hollandse Waterscheiding zijn geweest, ten westen van het latere Amsterdam,vanuit Zuid-Holland tot in de kop van Noord-Holland.


Ten oosten van de Amstel, vanaf het IJ om de latere Plantage heen en dan door de huidige Watergraafsmeer naar het zuiden, liep een veel kortere en wat lagere ‘secundaire waterscheiding’. Die laatste is belangrijk voor De Bonts reconstructie. Op grond van het slotenpatroon concludeert hij dat de omgeving van Oud-Diemen vanaf twee kanten werd ontgonnen: landinwaarts in zuidwestelijke richting vanaf het IJ - zeg maar vanaf de huidige Diemerzeedijk- én westwaarts vanaf de westoever van de Diem. In beide gevallen groef men in de richting van de hogere Secundaire Waterscheiding.


Aan de overkant van de Diem werden de ontginningssloten vanaf de Diem in tegenovergestelde richting gegraven, dus zuidoostelijk het land in. “Ontginningtechnisch waren dat gescheiden operaties. Maar het kan best zijn dat het één grote gecoördineerde actie is geweest. Dat ze vanuit Muiden of elders over het IJ of de Zuiderzee naar de monding van de Diem voeren, en onderling afspraken: ‘wíj graven vanaf de rivier naar links, júllie naar rechts, okee?’”


Van Reenens argument dat op middeleeuwse kaarten geen pad tussen de Diem en Oud-Diemen te zien is, maar wel een lange weg van Ouderkerk naar Diemen, imponeert De Bont niet. “Alsof die kolonisten in een lange rij met de schop over de schouder kwamen aanmarcheren, om het moeras aan weerzijden van de weg droog te leggen! Onzin, landverkeer was er nauwelijks. Zoals gezegd: die Ouddiemerlaan kwam er pas als eindfase van de ontginning; de ligging daarvan zegt niks!” Voor de gedachte dat Oud-Diemen ontstond door een ontginningsoperatie vanuit Ouderkerk, is volgens de De Bont geen enkele aanwijzing.


 


Mariakerk onder Muidens gezag


Werd Oud-Diemen dan vanuit Overdiemen gesticht, zoals de traditie wil? De Bont: “Ik weet alleen dat ze vanaf de linkeroever van de Diem westwaarts die sloten gegraven hebben. Maar of die kolonisten van de overkant kwamen of van veel verder, wie zal het zeggen?” En waar kwamen dan de eerste bewoners van de Overdiemerpolder vandaan? Uit Muiden, zoals Van Reenen denkt? “Zou kunnen”, zegt De Bont. “Maar Piet denkt dat vooral, omdat Muiden al heel oud is. Verder ontbreekt ieder bewijs.”


Niet alleen Chris de Bont twijfelt sterk aan Van Reenens ‘Ouderkerk-hypothese’. Hij krijgt bijval van historicus drs. Jaap Haag, plaatsvervangend archivaris van Waterland, maar bovendien medeoprichter, oud-voorzitter en nog altijd bestuurslid van de Historische Kring Diemen. Haag komt tot zijn standpunt op volkomen andere gronden, namelijk vanuit de kerkgeschiedenis van deze regio.


In vroeger eeuwen bestond er een duidelijke hiërarchie van plaatselijke kerken en kapellen. Als ergens een nieuwe woonkern ontstond, kwam daar al snel ook een eigen kapel. Die viel dan onder het gezag van een oudere naburige kerk. De Amsterdamse Oude Kerk bijvoorbeeld begon als filiaal van de kerk in Ouderkerk, tot ze een eigen pastoor kreeg en als dochterkerk onafhankelijk werd van de moederkerk. En nu blijkt uit een oorkonde uit 1310 dat de Mariakerk van (Oud-)Diemen, gebouwd kort na 1100 en gesloopt in 1807, een dochter van de Muidense kerk was, en niet van die in Ouderkerk. Ook dat pleit tegen de hypothese van ‘kolonisatie’ vanuit Ouderkerk.


 


Stevig openbaar debat


Ten slotte: waar en wanneer begon nu echt de bewoningsgeschiedenis van Diemen?


Vooral sinds twee opgravingen in 1991 en 1992 bestaat het beeld dat de oostoever van de Diem het eerst werd bewoond. Amsterdams voormalige stadsarcheoloog Jan Baart groef in 1991 aan de Ouddiemerlaan en dateerde de vroegste bewoningssporen die hij daar vond op omstreeks 1100. Een jaartje later groef hij in een voormalige terp op de oostoever bij Overdiemerweg 2. Een stuk funderingshout liet hij onderzoeken op het patroon van jaarringen. Dat leverde een heel precieze datering op: 1033! Dit moest dus wel de oudste nederzetting van Diemen zijn!


Maar De Bont weet het nog zo net niet. Hij wijst erop dat volgens oude kronieken de Mariakerk van Oud-Diemen een voorganger had die een stuk dichter bij de Diem stond op dezelfde ontginningsstrook, bij de latere Diemerzeedijk. Dat kerkje kan door de Zuiderzee zijn verzwolgen. Dit ‘oer-Oud-Diemen’ zou nog wel eens eerder bewoond geweest kunnen zijn dan 1033!


Toch geeft Piet van Reenen zich nog niet over, laat hij ons weten. Hij schrijft een stevige recensie van De Bonts proefschrift: “Chris wisselt in zijn proefschrift briljante inzichten af met enorme blunders.” Dat belooft wat. Als dat boek uitkomt, moet de Historische Kring Diemen maar een stevig openbaar debat organiseren.


 





Een gondel in de Herengracht


Amsterdam en Venetië: een vergelijkend warenonderzoek


Tekst: Carolus van Doornen


07082009_VenetieAmsterdam noemt zich graag het ‘Venetië van het Noorden’. De talloze grachten en bruggen geven er ook enig recht toe. Maar gaat de vergelijking wel op? Geen sterveling immers noemt Venetië het ‘Amsterdam van het Zuiden’. Hoe dan ook: niet wij maar zij zijn ermee begonnen! Zo noteerde de beroemde historicus Ludovico Guicciardini in zijn stedenbeschrijving van 1567: “Amsterdam wordt met recht het Venetië van het Noorden genoemd.”


Kijk en vergelijk. Uit beide steden kwam men bij elkaar over de vloer. Aanvankelijk was het vooral de opkomende handelsstad Amsterdam die in de 16de eeuw een voorbeeld nam aan het illustere Venetië. Maar op het hoogtepunt van zijn roem in de Gouden Eeuw vergeleek Amsterdam zich toch liever met het klassieke Rome. Omgekeerd spiegelde de voorbijgestreefde lagunestad zich in de 18de eeuw weer aan Amsterdam. De geschilderde stadsgezichten, daar veduti genaamd, vertonen frappante compositorische overeenkomsten: Berckheyde als voorbeeld voor Canaletto. Weer later, in de 19de eeuw, vonden kunstenaars als Whistler en Witsen in beide steden sfeerovereenkomsten.


De Fransman Henry Havard nuanceerde de stedenspiegeling in het geïllustreerde Amsterdam et Venice (1877). Hij plaatste de geordend en gestructureerde topografie van Amnsterdam tegenover het grillige en pittoreske Venetië. De ontstaansgeschiedenis van beide steden verschilt dan ook. Venetië groeide vanaf de Middeleeuwen in een onregelmatig patroon, door gaandeweg eilandjes aan te plempen en te bebouwen; ooit waren de kanalen afwaterstroompjes naar het Canal Grande, de voortzetting van de rivier de Brenta. Onze grachtengordel daarentegen is een renaissancistische schepping: bedacht en getekend en vervolgens langs strakke, geknikte lijnen uitgegraven. Zo bezien is de grachtengordel een soort verkaveld Venetië.


Aanleiding tot vergelijkingen gaven uiteraard ook de opmerkelijke historisch-economische overeenkomsten. Beide steden floreerden dankzij een wijdvertakt maritiem handelsnetwerk en hadden – zeer uitzonderlijk – een republikeinse staatsvorm waarmee het eind 18de eeuw was gedaan met de Franse tijd.


Mogen de grachten en de canali eigenlijk wel vergeleken worden? Van het tegenwoordige Amsterdam moeten wij allereerst de bebouwing buiten de Singelgracht wegdenken. Venetië ligt in een uitgestrekte lagune en is daarom nooit aan dergelijke uitbreidingen toegekomen. Die lagune – ruim vijf keer groter dan IJ en IJmeer samen – is net als de Waddenzee een ondiep getijdengebied en afgeschermd van zee door eilanden.


 


Natte voeten


Venetië is een eiland, maar toch ook weer niet helemaal. Een lange brug verbindt de stad met het vasteland. Het spoor eroverheen eindigt bij een kopstation. De stad komt men nu als het ware via de achterdeur binnen. De hoofdentree, vanouds per schip, was uiteraard het water bij het San Marcoplein. Dáár een treinstation? Serenissima-schennis!* Vertaald naar Amsterdam zou het kopstation ergens bij het Museumplein gelegen hebben. Een scenario dat overigens rond 1850 serieus opgeld deed, maar minister Thorbecke besliste anders.


Amsterdam is natuurlijk in het geheel geen eiland, hoe drassig de polders rondom ook zijn. Bood het omringende water Venetië eeuwenlang bescherming tegen mogelijke vijanden, de laatste decennia vormt het juist een bedreiging. Blijft in Amsterdam wateroverlast beperkt tot een ondergelopen kelder na een fikse regenbui, in Venetië is aqua alta bijna een routineus euvel. Markeringen op de plinten van gebouwen herinneren aan uitzonderlijke overstromingen. Hier zijn deze een onbekend fenomeen. De steen met streep in het huis aan Buikslotermeerdijk 230, als herinnering aan de watersnood van 1916, is met de aanleg van de ringweg verdwenen.


In Venetië behoort het vermijden van natte voeten tot de normale ongemakken des levens. In stegen staan loopplankieren paraat, hotels verstrekken rubberlaarzen en in winkels blijven de onderste schappen leeg. Deurposten van straatdeuren hebben verticale gleuven waarin staande schotten geschoven kunnen worden. Allemaal voorzorgsmaatregelen die hier onbekend zijn. De enige steen met gleuf lijdt een gemankeerd bestaan voor de kelder van Zandhoek 12. Het is er één van twee, de linker ontbreekt. Wel zijn bij het metrostation Amsterdam Centraal (uitgang Prins Hendrikkade) bij de halfhoge, aan het water grenzende muren grote verticale gleuven te ontdekken. Ze dienen om eventueel de metrobuis binnenstromend water af te kunnen dammen.


 


Grachtenhuizen en palazzi


Grachten werden in beide steden gedempt. Verwijst hier enkel de Gedempte Begijnensloot naar verdwenen water, daar begint de naam van meerdere straten met Rio Terrà. Onze Westerstraat oogt als een rommelig bebouwde ‘boulevard’, met dubbele bomenrij en parkeerplaatsen; hun Via Giuseppe Garibaldi is eveneens bevreemdend breed, maar het is er aangenaam flaneren, zij het zonder bomen. Op straat beweegt men zich in Venetië uitsluitend per benenwagen. De gehele straat of steeg - breed of smal - is vrij voor de voetganger. Overigens trokken de bomen langs Amsterdamse grachten al in 1610 de aandacht van de Venetiërs. Diplomaat Tomaso Contarini: “De Amsterdammers zijn gewoon om langs de hele lengte van de gracht aan de rand van de kaden een rechte rij grote bomen te planten die door hun groen zeer veel bijdragen aan de fraaiheid van deze stad.”


De grachtenpanden hier zijn smaller, gelijkvormiger, soberder en minder kleurrijk dan daar. Zelfs op dubbele kavels lijken het dreumesen naast de palazzi. Alleen het Trippenhuis, Amsterdams grootste, komt in de buurt, en vooruit, ook Keizersgracht 452 (hoek Molenpad; na 1880 woonhuis van oud-burgemeester Den Tex). Maar de grootse panden van Venetië zijn onmiskenbaar levendiger en märchenhafter, terwijl hier ingetogenheid en doelmatigheid de boventoon voeren. De krankjorume combinatie van een hijsbalk die uit een timpaan tevoorschijn piept, is daar ongekend. Hijsbalken zijn er sowieso nauwelijks.


 


Wegrottende palen


Omgekeerd is architectuur van Venetiaanse grandeur hier zeldzaam. Het door Berlage & Sanders in Venetiaanse renaissancetrant ontworpen winkelpand van Focke & Meltzer, hoek Spui en Kalverstraat, doet met z’n rijen gekoppelde en halfrond gesloten vensters weinig aan die vaststelling af. Wel verwijst de neo-gotische stijl van het 20ste-eeuwse kantoorpand Keizersgracht 569-571 (het oude Meertens Instituut) naar middeleeuwse voorbeelden uit Venetië. En het door Eduard Cuypers ontworpen herenhuis Sarphatistraat 5 werd alom als een Venetiaans paleisje geroemd, ook al stond het niet aan het water. Het is in 1972 afgebroken. Wel behouden bleef, van dezelfde Cuypers, het frivole hoekpand Nicolaas Witsenkade 38. Met een eerste etage als piano nobile en geschilderde decoraties zou het aan een Fondamenta niet misstaan. Onverwacht weet uitgerekend ook de gevel van de gereformeerde Keizersgrachtkerk Venetiaanse sferen op te roepen: de zuilenrijtjes, de magnifieke hanglantaarns…. Hedendaags ‘omfiets-Venetië’ is te vinden op het Java-eiland. De landerige dwarsgrachtjes contrasteren passend met de weidsheid van de kade om de hoek.


Schaars zijn hier echter de panden die met hun voorgevel direct ìn het water staan. Rondvaartbootgidsen benoemen de Beulingsloot met gevoel voor verhoudingen als little Venice. Verder mogen het begin van de Oudezijds Achterburgwal, stukjes Damrak en Binnen Amstel en uiteraard de Oudezijds Kolk niet onvermeld blijven. Weliswaar betreft het hier achtergevels, maar bij de laatste maken de wegrottende palen veel goed.


Amsterdam heeft het Amsterdammertje, Venetië de Marcusleeuw. Daar geen antiparkeerpaaltjes, maar voor leeuwenkoppen kan men hier terecht bij de balkonconsoles van Kalkmarkt 9 en de deurklopper van Amstel 216. Aan Stromarkt 9 treft men in de winkelpui ’t Wape van Venetien, compleet met gevleugelde leeuw en in de Elandstraat op nummer 104-142 het protestantse Venetiæhofje. Beide verwijzen naar de vroegere handelsbetrekkingen tussen de steden. Het glas-in-loodraam in de hal van het Scheepvaarthuis verbeeldt die in de juiste verhoudingen: de 16de-eeuwse kooplieden aan weerszijden zijn even groot, de Beurstoren rechts is kleiner dan de Campanile links.


 


Ondergrondse waterkelders


Is ergens in Venetië een naamsvermelding van Amsterdam aan te treffen? Nee, nergens. Alleen in de cartografische zaal van het Correr Museum (het ‘Venetiaans Historisch Museum’) is onder een globe op een losliggend kartonnen tekstbordje de naam van Blaeu en zijn woonplaats aan te treffen.


Kades daar hebben brede trappen waarvan de met wierbegroeide treden geheimzinnig onder de waterspiegel doorlopen. Hier zijn de trappen van de verdwenen Vishal op de Nieuwmarkt (naar het water van de Geldersekade) al sinds driekwart eeuw aan het oog onttrokken. De twee jaar geleden in de Amstel bij Carré aangelegde watertrap (vernoemd naar oud-burgemeester Wim Polak) is eigenlijk geen watertrap. ‘t Is een aanlegsteiger. Maar aan het einde van de Guldehandsteeg ligt nog een échte.


Ruimtegebrek deed in Venetië dicht opeengestapelde bebouwing ontstaan. Karakteristiek zijn de vele sotoportegi, de schoudersmalle stegen die door huizen zijn overbouwd. Hier verheugen we ons in het Gebed zonder End en de Trompetterssteeg.


Nog altijd worden in Venetië openbare pleinen en binnenhoven van huizen gesierd door marmeren putkransen, met gebeeldhouwde guirlandes of putti rondom. Deze vera da pozzo zijn de zichtbare bekroning van onderliggende, metersdiepe putschachten die de door zoutwater omringde stad destijds van drinkwatervoorraden voorzagen. Middels een ingenieuze constructie werd er regenwater door zandlagen gefilterd. Rijke particulieren en de overheid bouwden deze regenputten. Sinds ongeveer een eeuw geleden de centrale watervoorziening werd ingevoerd, zijn ze buiten gebruik. Ook Amsterdamse pleinen hadden vanaf het einde van de 18de eeuw ondergrondse waterkelders voor reservevoorraden. Bovenop stonden sobere, rechthoekige zuiltjes als afsluiters. Het laatste, halfweggeroeste exemplaar op Noordermarkt (t/o nr. 9) verdient het gekoesterd te worden.


 


Gondels en waterfietsen


Sinds 1987 heeft Venetië met zijn lagune een vermelding op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Amsterdam aast ook op dit keurmerk. Bij de aanmelding beperkte het stadsbestuur zich tot de 17de-eeuwse grachtengordel: die is in omvang uniek en tamelijk goed bewaard gebleven. Toch lijkt plaatsing geen gelopen koers. Gaat de wildgroei aan woonboten de honorering versjteren? In het centrum liggen er zo’n woonboten, Venetië heeft er welgeteld één.


Tenslotte, de gondel. Hier maken waterfietsen de grachten tot kanovijvers. En daar? Iedereen ziet het in één oogopslag: een sterker stedensymbool dan deze langgerekte, iconische silhouetten is er niet. Ooit bracht het Amstel Hotel gasten met een gondel heen en weer naar het Centraal Station en destijds had restaurant Dikker & Thijs een eigen aanlegsteiger.


Is het misplaatst om met zo’n onlosmakelijk symbool van de Dogenstad hier rond te varen? Ach, zolang het bij ééntje blijft…. En bovendien: die ene gondel is door een Nederlandse eigenhandig – na een stage bij de traditionele Tramontin-werf – als afstudeerwerkstuk aan de meubelvakschool in de Van Oldenbarneveldtstraat vervaardigd. Het gondelroeien leerde zij bij een Venetiaanse roeiclub. Dat is mooi, nietwaar? Een gondel in de Herengracht: Amsterdam is dan toch een ietsepietsie het Venetië van het Noorden…


 




 


Casanova was hier!


Tot de beroemdste Venetianen behoort zonder twijfel Giacomo Casanova (1725-1798), de charmante vrijbuiter die zo wist te versieren dat zijn achternaam als zelfstandig naamwoord in de woordenboeken kwam. Vaak op de vlucht voor schandalen, reisde hij heel Europa af en bezocht ook het Venetië van het Noorden. Al waren het geen amoureuze verwikkelingen die hem naar Amsterdam voerden.


Casanova kwam uit Parijs met de semi-officiële overheidsopdracht om de zorgwekkende Franse financiële situatie te verlichten door staatspapieren voor een gunstige prijs te slijten. Zijn eigen niet minder penibele geldelijke omstandigheden verloor hij daarbij allerminst uit het oog. Langs slinkse wegen slaagde de avonturier wonderwel. Flessentrekkerij? In het Stadsarchief berusten nog een tweetal in het Frans opgestelde notariële akten, door Giacomo Casanova in eigen persoon ondertekend in 1758.


In Amsterdam logeerde hij eerst in De Ster van het Oosten in de Nes en vervolgens “dans la Doeleerstrat au Rondeel à Amsterdam” (in de Doelenstraat in Het Rondeel – nu Hotel de l’Europe). Tijdens een tweede bezoek, in 1759, verbleef hij in logement De Tweede Bijbel, in de Nes op de hoek met de Kuipersteeg.


Op de Amsterdamse Beurs aan het Rokin maakte Casanova najaar 1758 kennis met “mijnheer D.O.”. Casanova vermeldt onverbloemd zijn belangstelling voor dochter Esther. In zijn boek Casanova in Holland. Magie baart er hem goud concludeerde dr. D. Hoek na grondig archiefonderzoek dat Casanova doelde op de koopman en latere burgemeester Henrik Hooft Daniëlsz. (1716-1794) en diens dochter Hester.


Zalf voor zere plekken


De vermogende weduwnaar Hooft bewoonde Herengracht 507. Casanova: “Het hele huis was ook aan de buitenkant met marmer bekleed. Ik heb op ladders een aantal dienstmeiden bezig gezien die prachtige muren te boenen; ze hadden allemaal, en dat deed me lachen, wijduitstaande hoepelrokken aan, waardoor ze gedwongen waren broeken te dragen; ze zouden anders van de voorbijgangers te veel bekijks hebben gehad.”


In zijn memoires Histoire de ma vie staan meer levendige impressies. Het is winter en het sneeuwt. Op de Binnen-Amstel wordt gesleed (“een weinig aantrekkelijk vermaak”) en geschaatst. Ook Casanova laat zich niet onbetuigd. Maar hij heeft nooit eerder op schaatsen gestaan en maakt de lelijkste buitelingen. Na afloop krijgt hij een pot zalf om in zijn hotel de zere plekken door zijn knecht mee in te laten wrijven.


De boomlange gestalte met olijfkleurige teint en naar de laatste smaak gesneden, maar ongetwijfeld opzichtige kledij, baart uiteraard opzien. “Gekleed als ik was, moet ik meemaken hoe het Hollandse canaille me uitjouwt en uitfluit.” Omgekeerd merkt Casanova van de beurslieden op dat er “talrijke miljonairs zijn die er uitzien als boeren.”


De genoegens die de Venetiër van Moskou tot Madrid najoeg, beleefde hij hier niet noemenswaardig. Op een avondje aan de boemel langs drank- en danslokalen met meisjes van plezier na, bleef het bij wat minnekozen met Hester. Zijn naam deed Casanova niet werkelijk eer aan, in Amsterdam.


 




 


Wandelen door Oud-Zuid


Niet voor arbeiders en fabrieken


Tekst: Serge Markx


In de media krijgt Oud-Zuid mythische proporties. Het zou een exclusieve wijk zijn, van weelde en sterren, gedomineerd door de - al dan niet zelfverklaarde - ‘bekende Nederlanders’. Klopt dit beeld? Een goede reden om de werkelijkheid op straat te inspecteren. De route voert mij langs de bakens die de grenzen van de buurt markeren.


De poort naar Zuid zit potdicht. De tunnel door het Rijksmuseum vormt deze poort van de grachtengordel naar zuid. Aan de noordkant loopt de Stadhouderskade, ooit een pad langs de Buitensingel (nu Singelgracht). Tot ongeveer 1844 omzoomde die gracht de acht kilometer lange stadswal (nu onder meer de Weteringschans). Aan de zuidkant van het museum ligt de vlakte van het Museumplein. Maar zolang de verbouwing van het Rijksmuseum duurt (volgens de laatste berichten tot 2013), is de poort gesloten. Daarom loop ik door de Jan Luijkenstraat (met zijn prachtige art nouveau deurportalen) om het museum heen.


Lodewijk Napoleon, de jongere broer van keizer Napoleon, werd in 1806 al op zijn 28ste koning van Nederland. Deze Corsicaan besloot het nationale museum van Den Haag naar Amsterdam te halen. Een eigen, gloednieuw gebouw kreeg het pas in 1885. Dit nieuwe Rijksmuseum, iets ten zuiden van het voormalige bolwerk Amstelveen, werd het belangrijkste baken van Oud-Zuid.


Voor de noodingang staat een rij toeristen. Ondanks de verbouwing zijn ‘De meesterwerken’ uit de Gouden Eeuw toch te zien. Een stadskaart bij de ingang zegt dat hier het Amsterdamse ‘Fashion and museum district’ is. Op de grond zit een straatkunstenaar. Hij verft zijn gezicht zilver. Op mijn vraag wat hij wil uitbeelden, zegt hij: “Ik ben een engel. Iedere cultuur heeft een engel, meestal zijn die goed, en ik ben een engel die grappig is en bellen blaast. Zo ga ik met de toeristen op de foto en geef ik ze een mooie herinnering.”


Dave Marsh heet de engel, hij komt uit Engeland, en woont al dertig jaar in Nederland. Als ik doorloop geeft hij me een vel met een uitgeprint gedicht van Shakespeare.


Ook Nescio liet in 1918 een dichter het Museumplein bezoeken: “In de tram zat hij en dichtte zo stilletjes voor zich heen. ’t Was een Zondagavond tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een jaar of zes-en-twintig kwam de tram binnen…klein bruin hoedje met zwart bont op ’t fijne gezichtje. Alles echt lijn 2, Museumkwartier.”


 


Briljante zakenmannen


Ik sla rechtsaf de tochtige Hobbemastraat in, tot nummer 8A aan de linkerkant en ga daar even het Schapenburgerpad in. Ineens sta ik in de 18de eeuw. Dit is een laatste restant van het polderland van vóór de bouw van de Museumbuurt. Rechts zie ik de diepe tuinen van de Vossiusstraat, links de achtergevels van de P.C. Hooftstraat. Afgelopen januari erkende de gemeente dat op basis van een akte uit 1782 de ‘aangeërfden’ (vroeger de eigenaren van de groentetuintjes hier, nu de huisbazen van deze beide straten) samen eigenaar zijn van het pad.


Het pad loopt dood, dus keer ik om en sla na twee keer rechtsaf de Pieter Cornelisz. Hooftstraat in: de ‘Peecee’. Op nummer 55 is Teresia P.C., waar koningin Beatrix haar kleding laat maken. Hierboven woonde de laatste halve eeuw een van de bezienswaardigste echtparen van Amsterdam: de ellenlange tv-pionier Erik de Vries (1912-2004) en de piepkleine ballerina Hans Snoek (1910-2001), oprichtster van het Scapino Ballet en jeugdtheater De Krakeling. Het buurhuis nummer 57 werd rond 1890 bewoond door natuurkundige prof. dr. J.D. van der Waals, Nobelprijswinnaar in 1916.


In de jaren vijftig vond men hier nog drie slagers, twee groenteboeren, een bakker, een viswinkel, een boekhandel, een sportwinkel en een sigarenzaak. Daarna werd de Peecee een chique straat, doordat veel luxewinkels wegtrokken uit de Kalverstraat. Geleidelijk verdrongen de dure kledingzaken alle andere middenstand, afgezien van een enkele juwelier en souvenirwinkel. Nu zien we hier op rij de uithangborden van dure merken als Armani, Rolex, Lacoste, Hugo Boss, Chanel. Achter de deuren van de juweliers staan privébewakers; blijkbaar nemen deze winkels na de gewelddadige overvallen van de laatste tijd zelf maatregelen. Nergens herken ik een bekende Nederlander, al zie ik mogelijk enige soapsterren over het hoofd. Zeker lopen er toeristen, ferm met de kaart in de hand.


 


Niemant sonder vijant


Bovenaan de gevel van modezaak Oger staat: ‘Anno 1874’. De P.C. Hooftstraat is de oudste straat van Oud-Zuid en nauw verbonden met een tweede baken van de wijk: het Vondelpark. In 1864 nam bankier en filantroop Christiaan van Eeghen het initiatief tot de aanleg van dit romantische park. Omdat de Plantage toen volgebouwd werd, veel rijke Amsterdammers de stad verlieten en de gemeente arm en onmachtig was, lag toen op vrijwel ieder vlak het initiatief bij rijke particulieren.


Van Eeghen en zijn vrienden waren briljante zakenmannen. Zij kochten een enorme lap grond voor de aanleg van het park en verkochten met grote winst perceeltjes aan de zijkanten voor de bouw van fraaie huizen. Die moesten wel voldoen aan de eisen van de parkcommissie: er mochten geen fabrieken en zeker geen arbeiderswoningen komen (die ‘haalden de buurt omlaag’) en de gevelontwerpen werden streng gekeurd. Zo ontstond een buurt, uitsluitend bestemd voor de elite. De winsten uit grondverkoop werden gebruikt voor de aanleg van het park.


Aan de andere buurten die vanaf 1880 rond de gesloopte stadsmuur ontstonden (Staatsliedenbuurt, Kinkerbuurt, Pijp, Oosterparkbuurt en Dapperbuurt) werd heel wat minder zorg besteed. Ze zijn gebouwd – voor arbeiders en kleine middenstanders – volgens het realistische maar ambitieloze plan-Kalff uit 1877. De straten volgen de koers van de oude sloten. In Zuid daarentegen is het stratenpatroon veel gevarieerder. De buurt dankt haar bestaan aan “de macht van het kapitaal”, zoals een gemeenteraadslid rond 1880 constateerde. En omgekeerd dus ook aan de toenmalige onmacht van de gemeente.


Ik steek de drukke en lawaaiige Van Baerlestraat over en loop linksaf langs de Society Shop. Daarnaast ontdek ik een heel nauw steegje: op het straatnaambord staat ‘Scotuslaantje’. Nooit gezien - en een rare naam: kennelijk informeel, want op de plattegronden is dit naamloos. Het steegje loopt naar beneden (de oude Binnendijkse Buitenveldertse Polder in) en plotseling sta ik in de stille Alexander Boersstraat, aan de kop van de Van Eeghenstraat.


Meteen links staat op nummer 60 een laag gebouw met een cynische gevelsteen. Daarop grijpt een genadeloze sperwer een argeloze duif: ‘Niemant sonder vijant’ is de tekst met eronder ‘Anno 1720’. Maar het pand is veel jonger dan het lijkt: volgens gevelstenenkenner Onno Boers (Van Breestraat) sierde hij vroeger Rapenburgerstraat 9. In het pandje zit een laagdrempelige schilderschool. Even verderop, op nummer 30, werd in 1965 bij drukkerij Schoonman & Augustin het legendarische undergroundblad Hitweek (later Aloha) geboren.


 


Grillige gemeentegrens


De straat kruist de Willemsparkweg en slingert verder tot het Concertgebouw. Ze doet on-Amsterdams aan, en dat klopt, want ze ligt net óver de oude grens van de gemeente Nieuwer-Amstel – die sinds 1964 Amstelveen heet. Die gemeentegrens liep destijds gemiddeld iets ten zuiden van de (toen nog niet gesloten) ‘ring’ Bilderdijkstraat–Eerste Constantijn Huijgensstraat–Van Baerlestraat–Ceintuurbaan. Pas in 1896 werd een enorm stuk van Nieuwer-Amstel geannexeerd en kon Amsterdam uitbreiden. Alexander Boers was burgemeester van die buurgemeente van 1885 tot 1890. Zijn foto lijkt op een zelfportret van de Amsterdamse fotograaf Jacob Olie: stoer, niet deftig, maar toch met zorg gekleed.


Voor mij ligt de artiesteningang van het Concertgebouw, uit 1888. De muziektempel werd geheel in Nieuwer-Amstel gebouwd, al waren de bouwers Amsterdams. De grillige oude gemeentegrens liep eromheen: hier even naar links en dan rechtsaf langs de overkant van de Van Baerlestraat. Zelf loop ik rechts de Jan Willem Brouwersstraat in, vernoemd naar een pastoor van Bovenkerk. Ter hoogte van het hoefijzervormige huizenblok achter het Concertgebouw lag tot 1923 een tuin, omgeven door ijzeren hekken en wat populieren. Op zomerse zondagmiddagen speelde daar het Concertgebouworkest voor de abonnementshouders, die er op tribunes zaten. De minder gefortuneerde Amsterdammers (spottend ‘hekleden’ genoemd) genoten buiten de hekken gratis van de muziek.


Café Welling op de hoek (in 1889 gebouwd als café Schwart) is een trefpunt van cultureel Oud-Zuid: hier treft men Eli Asser, Adri van der Heijden en Theo Loevendie in het wild. Maar vandaag niet. Ik loop de Johannes Verhulststraat in. De straat is lang en stil. Na een tijdje komt er een zwetende jogger langs. In 1893 werd het straatprofiel getekend door architect A.L. van Gendt, die ook het Concertgebouw ontwierp. Later werd Van Gendt directeur van de bouwmaatschappij Weltevreden, die zowel de Johannes Verhulststraat als de Valeriusstraat vol bouwde. Bij het Concertgebouw is de architectuur sierlijk en verzorgd, voorbij de Emmastraat fantasielozer. Op de hoek met de Jacob Obrechtstraat zie ik rechts de katholieke Obrechtkerk uit 1911. In de portiek ernaast liggen dekens en karton, ongetwijfeld het bezit van een zwerver. De huizen bestaan hier uit een ruime boven- en benedenwoning. Vrijwel alle bewoners zijn blank en welvarend.


 


Radio Valerius


Via de Banstraat (rechts) loop ik linksaf de Valeriusstraat in. Hier groeide op nummer 49 Joseph Luns (1911-2002) op als zoon van kunstschilder prof. Huib Luns. Luns was van 1956 tot 1971 minister van Buitenlandse Zaken en van 1971 tot 1984 secretaris-generaal van de NAVO. Nu is de deur alternatief roze geverfd en staan er grote struiken voor de ramen. Rechtsaf door de Emmastraat bereik ik het pleintje waar de Willemsparkweg (rechts) overgaat in de Koninginneweg. Het politiebureau hier werd in 1889 gebouwd als paardetramremise. De Koninginneweg markeert de zuidrand van het voormalige Willemspark, nu de Willemsparkbuurt. De N.V. Willemspark wilde er oorspronkelijk een park met vrijstaande villa’s van maken, in dezelfde grillige Engelse landschapsstijl als het aangrenzende Vondelpark. De aanleg daarvan begon in 1884. Voor meer economisch gewin werd in 1902 besloten in een deel van de buurt toch aaneengesloten gevelwanden te bouwen. Aan de kant van het Vondelpark herken ik de oude opzet, aan de overkant en verderop de nieuwe.


Bij het eerste echte kruispunt ga ik linksaf het Valeriusplein op, gedomineerd door een groot hoog gebouw uit 1913. De Valeriuskliniek is een psychiatrisch ziekenhuis. In de hal hangen vangnetten zoals voor trapezeartiesten. Er schalt loeiharde hardrockmuziek door de gangen. Patiënten hebben hun dagelijkse muziekuurtje met Radio Valerius. Volgens de portier beleven zij er plezier aan; mij lijkt het niet erg rustgevend. In de hal zit een grote Marokkaanse familie te wachten. Het zijn de eerste immigranten die ik zie. Bekende schrijvers werden hier opgenomen: Gerrit Achterberg in 1941, nadat hij zijn hospita vermoord had. Jan Hanlo (“Zonder geluk valt niemand van het dak”) kwam in 1947. En in 1967 volgde Jan Arends, die later doodviel uit zijn kamer op het Roelof Hartplein – waarschijnlijk niet per ongeluk.


Ik steek de drukke De Lairessestraat over. In zijn roman Amsterdam (1931) schreef Maurits Dekker over deze buurt: “Dit is het eiland van de aristocratie. Hier wonen bankdirecteuren, kapitalisten, beroemde chirurgen, en hoofden van rijks- en gemeentebedrijven. De uit het westen komende straten veranderen op een onzichtbare welstandsgrens plotseling van naam: de Pieter Lastmankade wordt Reinier Vinkeleskade, de Cornelis Krusemanstraat noemt zich, zonder vooraf gewaarschuwd te hebben, plotseling Lairessestraat. Behalve de gewoonlijk direct op het hout geschilderde naam van de bewoner, draagt de deur boven het sleutelgat meestal nog een rond koperen plaatje met de naam Yale of Lips.”


 


Schotelantennes


De poort van het Amsterdams Lyceum (1920) is ook de doorgang van oud Oud-Zuid naar nieuw Oud-Zuid, oftewel Plan Zuid van architect/stadsplanner H.P. Berlage. Links ligt de Apollolaan, in het midden het Olympiaplein, en rechts de Olympiaweg. Berlages stedebouwkundige meesterwerk is anders van stijl dan het oude Oud-Zuid, ook omdat het drie inkomensgroepen bond aan de stad: de arbeiders, middenklasse en de rijken. Het was juist niet exclusief voor de elite.


Heere Heeresma, in zijn weemoedige Een jongen uit plan Zuid (2005): “Eerst over de brede brug met de kinderlijkjes van Hildo Krop op de hoeken het Noorder Amstelkanaal over, waarna je als vanzelf de poort van het Amsterdams Lyceum werd binnen gezogen, om er aan de andere kant met een plop! weer uit geblazen te worden. En langs de voeten van de hemelhoge populieren ging het voort naar het Valeriusplein.”


Ik loop naar rechts de Pieter Lastmankade op, langs het Noorder Amstelkanaal uit 1922. Hier staan huizen van drie woningbouwverenigingen in de baksteenstijl van de Amsterdamse school. Deze wijk is niet rijk; ik zie de eerste schotelantennes. Hier woont Handi Hassan, lees ik op een naambordje. De sfeer is anders, de huizen zijn veel kleiner, de straten levendiger en iets viezer. Een echtpaar is aan het vissen.


Voorbij de brug van de Marathonweg (1926) loopt de kade dood op de Amstelveenseweg. Er ligt rommel in het water, de Amstelveenseweg is ongezellig, donker en druk. Over precies deze plek schrijft Heere Heeresma: “Dan stak Lonneke Fajgenbaum de kade over… Ze was zo tenger, met wild zwart haar. Direct na de capitulatie gingen er verhalen van joden die zich met een ketting omwikkelden of zich vastklonken aan een fiets en daarmee de Amstel bij de Omval inliepen… Het duurde dagen voor Lonneke Fajgenbaum tegen de dam dreef waar de Amstelveenseweg onverschillig overheen liep… Was ze gevlucht voor wat er met de joden ging gebeuren?”


Hier is het eindpunt van de wandeling. (Tram 16 rijdt via het Museumplein naar het Centraal Station.) Zelf loop over de Amstelveenseweg weer naar de Valeriusstraat, waar ik even koffie drink bij mijn vader. Hij kwam daar destijds als studerende huurder; tegenwoordig kom je de buurt alleen binnen als koper. Weer buiten zie ik tram 2 wegrijden. Daarom wandel ik via de Sophialaan en de Koningslaan, waar de enorme villa’s half in het zonnige park staan, en dan door de Van Eeghenstraat (waar ik het naambordje van acteur Jeroen Krabbé zie), terug naar mijn fiets op de Museumbrug.


Delen: