Nummer 7-8: Juli-Augustus 2004

07082004_Cover




Op het omslag: Kinderen spelen in de jaren vijftig ter hoogte van de Kalkmarkt op de zandstrook bestemd voor de verbreding van de Prins Hendrikkade. Arbeiderpers

- De Tour de France van 1954
- Wandelen door de Hoofddorppleinbuurt
- Een eeuw Hulp voor Onbehuisden
- Ateliers in soorten en maten
- Stennis op de standplaats
- Het Amsterdam van schrijfster Mary Dorna
- Amsterdam aan het strand







‘Een eerbetoon aan de Hollandse wielrenners’



De Tour de France start in 1954 in Amsterdam


Tekst: Peter de Brock


07082004_TourDe 91ste editie van de Tour de France start dit jaar in het Belgische Luik. De grootste wielerwedstrijd vertrekt tegenwoordig wel vaker buiten Frankrijk. Maar Amsterdam had 50 jaar geleden, op 8 juli 1954, de buitenlandse primeur voor Le Grand Depart. De stad was een week lang in de ban van de Grand Boucle. “Het was een groot feest,” herinnert de Amsterdamse wielrenner Henk Faanhof zich, “de stad stond op zijn kop.”


“Het was niet mijn eerste Tour de France. Ik was dus wat gewend. Maar het was wel een beetje vreemd om de Tour de France te beginnen in je eigen woonplaats,” zegt Henk Faanhof (81) terugkijkend op het vertrek van de Tour de France in Amsterdam op 8 juli 1954. De Amsterdamse sprinter was voor de 41ste Tour, na een jaar afwezigheid, weer door coach Kees Pellenaars geselecteerd voor de Nederlandse ploeg. Twee dagen voor de start ontmoette Faanhof zijn ploeggenoten Wim van Est, Nico van Est, Wout Wagtmans, Jan Nolten, Gerrit Voorting, Adri Suykerbuyk, Thijs Roks, Jules Maenen en Hein van Breenen. “Wij zaten in het Parkhotel, vijf minuten van mijn huis op de Willem de Zwijgerlaan. Toen Jan Nolten kiespijn kreeg, ben ik met hem maar naar mijn eigen tandarts gegaan op de Nassaukade.”


“Dankzij de Tour mag Amsterdam voor de eerste keer in zijn geschiedenis doordrinken tot aan de dageraad,” kopt de Franse sportkrant L’Equipe de dag voor het vertrek van de reclamekaravaan, de volgers en de 110 wielrenners uit het Amsterdamse Olympisch Stadion naar het Belgische Brasschaat. De stad geniet niet alleen de laatste nacht, maar de hele week van de Parijse sferen rondom het neergestreken Tourcircus. Op hun beurt zijn de meegereisde Franse journalisten diep onder de indruk van het enthousiaste onthaal voor hun ronde. “Alles is hier ‘Tour’ wat de klok slaat,” meldt de Figaro, “de kranten, de etalages, de aanplakbiljetten, de taarten zo groot als autobanden, de muziek en de jenever in de bars.” En de verslaggever van France Soir waant zich “bij het in duizenden kleuren verlichte vrolijke Rembrandtplein” ver van Parijs, “de grote en somberste stad van Europa”.


Vijf maanden eerder, op 26 januari 1954, maakt Tourdirecteur Jacques Goddet in een hoofdartikel in L’Equipe de startplaats van de 41ste Tour de France bekend: Amsterdam. Een opmerkelijke keuze, want de Grand Boucle is nog nooit eerder van start gegaan buiten Frankrijk. De uitverkiezing is bedoeld als eerbetoon aan de Nederlandse wielrenners die in 1953 het ploegenklassement hebben gewonnen. “Wielrenners waar de meeste in Frankrijk enkele jaren geleden nog welwillend om glimlachten,” aldus Goddet, “maar wij hebben altijd geweten dat zij het met hun enorme fysieke mogelijkheden aan zouden kunnen. Wij hebben steeds geloofd in de goede geest van dat werkzame volk, dat altijd bereid is een aangenomen taak zo goed mogelijk te volbrengen.”


Het Olympisch Stadion krijgt Le Grand Depart toegewezen na storting van slechts ƒ 100.000 in de kas van de organisatie (ter vergelijking: Den Bosch is in 1996 als vierde Nederlandse startplaats ƒ 8,9 miljoen kwijt). Maar op 14 januari 1954 laat Jean Gerault, secretaris-generaal van de Tour, op bezoek in Amsterdam weten dat de start nog niet definitief vaststaat vanwege de “bekrompen dependances” bij het Olympisch Stadion. Directeur J. Bessem stelt zijn bezoek gerust: met spoed zullen kleine verbouwingen gaan plaatsvinden. De Franse delegatie kan opgelucht de laatste hindernissen gaan nemen: de huisvesting van alle deelnemers en volgers, het afsluiten van wegen, voldoende telecommunicatieverbindingen en de passage van de Belgische grens.


Als Elie Wermelinger, de kwartiermaker van de Tour, op 1 juli arriveert in Amsterdam zijn de verbouwingen in het Olympisch Stadion voltooid. Zo kan directeur Jacques Goddet zijn intrek nemen in de tot directiekamer verbouwde voormalige bijkeuken, is voor de medische dienst een zaaltje naast het restaurant ingericht met de modernste voorzieningen en kunnen de mecaniciens gaan sleutelen in twaalf enorme tenten onder de noordelijke tribunes. “Je ne suis pas content… ik ben verrukt,” zegt Wermelinger na de inspectie. “Dit wordt de schitterendste start uit de Tourhistorie. Ik krijg de tranen in mijn ogen.”


Al dagen voor het vertrek is de stad in de ban van de Tour. De strakke witte vrachtwagens en andere nieuwe volgwagens domineren het straatbeeld. Ook de exotische mediterrane sferen die de 1000 volgers van de Tourkaravaan meebrengen zorgen voor opwinding in het destijds grauwe Amsterdam. Het Parool meldt op 6 juli opgewonden dat de Spaanse ploeg is gearriveerd: “Tien gebruinde jongens, die 300 jaar geleden wellicht een kapersschip zouden hebben bemand, liepen nu in welgesneden sportcostuums.” En de kok van hotel Centraal, waar de Spanjaarden bivakkeren, moet zelfs olijfolie gebruiken bij het ontbijt. Maar ook Wout Wagtmans zorgt voor opwinding als hij arriveert bij het stadion in zijn wijnrode Porsche, en direct wordt belaagd door honderden kinderen die van hem een foto met handtekening willen.


Franse feestroes


“Het was een opwindende sfeer,” aldus Henk Faanhof. “Het was voor de eerste keer dat een dergelijk groot evenement in de stad was.” Op de uitverkochte gala-avond in het Olympisch Stadion voor de start wordt de grammofoonplaat Het lied van de Tour de France gedraaid, een ode aan de ‘dwangarbeiders van de weg’ die Faanhof samen met zijn Amsterdamse collega Hein ‘Tarzan’ van Breenen uit de Koningsstraat heeft opgenomen. Die avond worden ook alle deelnemende ploegen gepresenteerd. Faanhof: “Wij hebben allemaal rondgereden op van die antieke hoge fietsen.” Grote afwezigen zijn de Italianen, die door de Italiaanse bond vanwege een teleurstellend optreden in de Giro d’Italia niet aan de Tour mogen deelnemen. “Een misdaad tegen de sport, tegen de Tour en tegen Nederland,” reageert Goddet. In het stadion worden de feestelijkheden afgesloten met de huldiging van Maurice Garin, de winnaar van de eerste Tour de France in 1903. Faanhof: “Die heeft nog een ereronde gereden, maar dat was al een bejaarde vent van 85 of zo.”


Na het gala verkeert de stad in een nachtelijke feestroes, de winkels sluiten pas om twee uur ’s nachts en de cafés mogen de hele nacht openblijven. Andere trekpleisters zijn de vier kermissen in de stad; voor het eerst sinds jaren is er zelfs weer kermis op de Dam. De politiekapel geeft na een mars vanaf het Olympisch Stadion op het Leidseplein een nachtconcert. “En al was het weertje niet bepaald dorstig, de hoofdstedelingen, schouder aan schouder, met duizenden Amstourdammers voor de gelegenheid, hebben zich de kan niet laten ontglippen,” aldus de Volkskrant. “Daar hebben wij natuurlijk niets van meegemaakt,” lacht Faanhof. “Toen lagen wij al lang op bed.” Minder goed slaapt stadiondirecteur Bessem, die bij thuiskomst met zijn gezin in de Jan Luijkenstraat ontdekt dat er in zijn huis is ingebroken.


De volgende morgen om negen uur vertrekt als eerste de reclamekaravaan uit het Olympisch Stadion. “Nederland heeft vermoedelijk nog nooit zo een dergelijk vertoon van merken en producten gezien,” noteert Trouw, “uit onderscheidende luidsprekers schalden Franse stemmen tegen de Amsterdamse huizen.” Later begeven ook de 110 wielrenners en alle volgauto’s zich uit het Olympisch Stadion op weg richting Parijs. Maar het is een symbolische start, de renners rijden rustig in gesloten front naar de daadwerkelijke start bij de Sloterweg. Maar de Amsterdammers willen ook dit niet missen. Faanhof: “Ze stonden rijen dik langs de weg, zaten op tramhaltes of hingen uit de ramen.” Op de Sloterweg geeft burgemeester D’Ailly het startsein voor de eerste etappe naar Brasschaat, die zal worden gewonnen door Wout Wagtmans. “De Tour is weg, van Amsterdam op weg naar Parijs. Langs honderdduizenden, ja honderdduizenden, dolle Amsterdammers,” meldt Het Parool op donderdag 8 juli 1954. “Als ooit is bewezen dat de Tour de France Nederland kan pakken, dan is dat vanmorgen gebeurd.”


Henk Faanhof wint later de monsteretappe Angers-Bordeaux van 343 kilometer. “Tegenwoordig neemt het peloton voor het overbruggen van dergelijke afstanden de trein of het vliegtuig. Maar wij deden alles gewoon op de fiets.” Faanhof eindigt in Parijs als 48ste, Hein van Breenen als 20ste. Beiden worden bij terugkeer in Amsterdam in het Olympisch Stadion en in hun buurt gehuldigd.


Als het aan de gemeenteraad had gelegen zou ook de Tour de France van 2004 weer zijn gestart in Amsterdam. Op 1 maart 2002 scharen de politieke partijen zich unaniem achter het idee om te trachten de start weer naar Amsterdam te halen. Maar Amsterdam haalt bakzeil, de 91ste Tour de France start in Luik. Volgens Faanhof, die als voorzitter van de Amsterdamse wielervereniging Olympia jarenlang betrokken is geweest bij de organisatie van Olympia’s Ronde door Nederland, een gemiste kans. “Bij de Amstel Gold Race stonden de mensen ook weer rijen dik langs het parcours. Ik denk dat de mensen een beetje zijn uitgekeken op het voetbal door al het gedoe eromheen. Voetballers zijn ook altijd snel geblesseerd, als wij een smak maakten stonden we snel weer op en gingen we er met de vellen aan onze benen weer hard tegenaan.”


P. de Brock is journalist.






Tussen Zuid en West


Een wandeling door de Hoofddorppleinbuurt


Tekst: Peter-Paul de Baar


07082004_HoofddorppleinbuurtDe Hoofddorppleinbuurt is niet de bekendste buurt van Amsterdam. En ook niet de spectaculairste. Toch is het een fascinerend stukje stad, vooral door de menging van de sferen van West en Zuid.


Lang niet iedere lezer zal de buurt spontaan kunnen aanwijzen. Het Hoofddorppleinkwartier (zoals het vroeger vaak werd genoemd) is een lange smalle strook, ten westen van de Schinkel, aan de noordkant begrensd door het Surinameplein en aan de zuidkant door het Aalsmeerplein. Levendig centrum is het Hoofddorpplein. Dat werd, als eerste nieuwbouw in de Sloterbinnenpolder, in 1928 ‘opgeleverd’; zo’n zes jaar later was de nieuwe buurt in hoofdlijnen af.


Maar we beginnen onze wandeling op de Overtoomsesluis, de brug over de Schinkel aan het einde van de Overtoom. Hier hield begin 20ste eeuw de stad op. Vanaf de zuidkant van de brug zien we aan de overkant van het water de Sloterkade. Meteen links van de ingang van de Surinamestraat staat een groot roodbakstenen woonblok uit 1929, van architect Daan Roodenburgh. Het wordt afgesloten door een pand uit 1937, met een blokvormig ‘torentje’. Dat was, tot omstreeks 1960, de Mars-fabriek, van de bekende gevulde chocoladerepen. Tussen de Mars-fabriek (Sloterkade 11) en het daaropvolgende huis met spitse topgevel uit omstreeks 1900, is een smalle gang; die leidde naar een schilderachtig steegje, dat straks uitgebreider ter sprake komt. Even voorbij de ingang van de Andreas Schelfhoutstraat staat het Aalsmeerder Veerhuis uit 1634, sinds een kwarteeuw bewoond door monumentenbeschermer Geurt Brinkgreve. Pal daarnaast zien we de blokkendoos die in 1971 werd gebouwd voor de Bankgirocentrale (in 1999 verbouwd tot appartementencomplex). Bij die verbouwing werd het betonnen skelet weliswaar bekleed met rode baksteen, maar een misbaksel blijft het.


Verdwenen watertoren


We wandelen over de brug rechtuit de Surinamestraat in, naar het Surinameplein. Daar houden we links aan. Het halfronde deel van het plein dateert uit 1927-1929. Aanvankelijk vormde het de grens met het tuinbouwgebied in de Sloterpolder. In de jaren dertig werd de noordkant van het plein verder bebouwd, tot de Westlandgracht. De rest van de zuidzijde dateert uit de jaren vijftig en zestig. In 1962 werd in het verlengde van het Surinameplein over de Westlandgracht de Cornelis Lelylaan geopend; ook het plein ging daardoor op een autoweg te lijken. We proeven hier onmiskenbaar de winderige sfeer van Amsterdam-West. In de jaren negentig werd de hele Hoofddorppleinbuurt nog gerekend tot de wijk Overtoomseveld. Maar sinds een jaar of tien valt de buurt bestuurlijk onder stadsdeel Zuid, waarvoor de standsbewuste buurtbewoners hevig hebben gelobbyd.


Voorbij Surinameplein 27 slaan we linksaf richting de Andreas Schelfhoutstraat. Tot 1921, toen de straat nog in de gemeente Sloten lag, heette ze Bosboomstraat, naar de 19de-eeuwse schilder Johannes Bosboom. Maar na de annexatie door Amsterdam dreigde verwarring met de Bosboom-Toussaintstraat in de Helmersbuurt, vernoemd naar de echtgenote van de schilder, zelf een beroemd romanschrijfster. De straat werd toen vernoemd naar zijn kunstbroeder Schelfhout.


Eerst gaan we even rechtsaf de straat in, naar nummer 39. Daar gluren we door de spleet van het hek en zien een oprijlaantje naar een kapel. Dat is de voormalige hervormde Pro Regekapel (1940; architect Hamerpagt), gesitueerd tussen de achtertuinen van het blok Andreas Schelfhoutstraat-Haarlemmermeerstraat-Floris Versterstraat-Wijsmullerstraat. In 1995 trok deze hervormde gemeente in bij de gereformeerde Woestduinkerk in de Woestduinstraat. De kapel is nu een kinderkledingfabriekje. We keren om en lopen voorbij de Wijsmullerstraat tot de hoek van de Jacob Marisstraat. Links vooruit zien we weer het torentje van de Mars-fabriek. Aan de voet daarvan (ter hoogte van Andreas Schelfhoutstraat 4) stond tot eind jaren zestig een rijtje oude huisjes in Zwitserse chaletstijl, in het verlengde van de gang tussen Sloterkade 11 en 19. Het was een restant van de pre-stedelijke polderbebouwing. Van de Sloterkade via deze straathoek verder in zuidwestelijke richting lag in de jaren twintig nog de Slotervaart. Door de bouw van de buurt werd die steeds korter. Ze verdween geheel in de jaren vijftig, toen de Westelijke Tuinsteden werden gebouwd.


We gaan rechtsaf de Jacob Marisstraat in. Dat die dateert van voor de annexatie van 1921 zien we alleen al aan de huisnummering. Tegen de Amsterdamse regels in lopen de nummers op van het zuiden naar het noorden. Het deel van de straat dat we nu betreden is niet het oudste, maar wel het merkwaardigste. Dat is vooral te danken aan de ‘kabouterhuisjes’ (nummer 79-93), gebouwd door aannemer/architect De Waal in 1919. In 1905 besloot de gemeente Sloten een straat aan te leggen met “woningen voor de betere klasse”, min of meer evenwijdig aan de Sloterkade. Daarmee wilde Sloten niet alleen profiteren van de woningnood in Amsterdam, maar ook de verkeersdrukte op de Sloterkade verminderen. De Jacob Marisstraat werd aanvankelijk dan ook een kleine verkeersader, vooral nadat in 1915 de paardentram van Sloten naar Amsterdam door deze straat ging rijden. Het deel van de straat ten zuiden van het Jacob Marisplein werd gebouwd tussen 1905 en 1910, de rest tussen 1910 en 1920. Doordat de Haarlemmermeerstraat in de jaren dertig de nieuwe hoofdstraat werd, is de Jacob Marisstraat nu een oase van rust. En nog altijd een beetje deftig. Hier woonden steeds veel hoofdambtenaren, schoolhoofden, leraren, architecten, schrijvers en kunstenaars. Bouwkundige Michel de Klerk, voorman van de Amsterdamse School bewoonde van 1911 tot 1917 nummer 24, op 90 woonde jarenlang fotograaf Bernard Eilers (1878-1951) en op 63 G.B.J. Westerman (1880-1971), ‘de paardenschilder’. De schrijver Israël Querido (1872-1932) bracht op nummer 16 zijn laatste jaren door.


Aan het eind van dit deel van de straat ligt het Jacob Marisplein. Het opvallendste huis, in Hollandse renaissancestijl, is nummer 20, gebouwd in 1911. In het hoekhuis nummer 30 woonde eerdergenoemde bouwondernemer J.A. de Waal. Hij was in 1911 de uitvinder van de De Waalpalen, holle met zand gevulde buizen van gewapend beton, die aan elkaar gemonteerd kunnen worden; hun totale lengte werd daardoor vrijwel onbeperkt. Ze worden voornamelijk toegepast waar ouderwets heien ongewenst is.


Helemaal aan de zuidkant van het plein stond van 1908 tot omstreeks 1920 een imposante watertoren. Toen de Jacob Marisbuurt gebouwd werd, kon dit deel van Sloten nog niet profiteren van het in 1853 opgezette Amsterdamse waterleidingnet. Dus begon een particulier bedrijf hier drinkwater te leveren. Het hier opgepompte water bleek echter van slechte kwaliteit. In 1913 ging het Amsterdamse waterleidingbedrijf ook de buurgemeente bedienen. De overbodig geworden watertoren werd zeven jaar later gesloopt.


Particuliere bouwers


Aan het eind van het plein kijken we even naar links, richting Sloterkade. Op de hoek zien we het terras van eetcafé Gent aan de Schinkel, ooit een schipperskroeg. Daartegenover leidt sinds zo’n vijftien jaar een fietsbrug over de Schinkel rechtstreeks naar het Vondelpark. Wij slaan echter rechtsaf de Théophile de Bockstraat in. Even verderop verandert die in een majestueuze boulevard. Dwars over de brede groenstrook (de ‘Koetjeswei’) steken we rechtsaf over naar de Wijsmullerstraat. Volgens het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935 zou deze groenstrook een brede gracht worden, maar dat plan ging niet door. Opvallend in de Wijsmullerstraat zijn de brede gemetselde borstweringen. We betreden hier de nieuwe buurt, gebouwd rond 1930, direct na de Mercatorbuurt. In de jaren twintig decreteerde de rechtse regering (net als nu) dat het maar eens afgelopen moest zijn met die sociale woningbouw. De gemeenten en woningbouwverenigingen kregen geen subsidie meer. Het overgrote deel van de Mercatorbuurt en Hoofddorppleinbuurt is dan ook gebouwd door particuliere ondernemers, volgens goedkope procédés. Gelukkig schakelden ze daarvoor, onder druk van de gemeente, meestal wél goede architecten in. De Wijsmullerstraat werd ontworpen door Daan Roodenburgh en J. Zietsma. De eerste zijstraat links is de Floris Versterstraat. Daar zien we tegenover elkaar twee in oorsprong protestantse lagere scholen, links op nummer 11 de Willem van Boeijenschool en rechts (10) de voormalige Pro Regeschool, verbonden met de achtergelegen kapel. Die laatste school herbergt nu onder meer een kinderdagverblijf. We zien dat de protestantse architecten (Roobol, 1931; Op ’t Land, 1932) lak hadden aan de heersende Amsterdamse-Schoolmode. Deze gebouwen verliezen over een jaar of vijf hun onderwijsfunctie, als de Van Boeijenschool met basisschool De Notenkraker (Bennebroekstraat) samensmelt tot één Brede School, te bouwen in de Théophile de Bockstraat. De Van Boeijenschool wordt een ‘culturele broedplaats’, in de Pro Regeschool komen seniorenwoningen.


We komen in de Haarlemmermeerstraat. Dat dit de hoofdstraat van de buurt is, zien we onder meer aan de hoogte van de huizen. Er staan prachtige platanen die vaak nog boven de daken uitsteken. Pal aan de overkant staat nummer 158, waar – op eenhoog – atlete Fanny Blankers-Koen woonde in 1948, toen zij vier keer goud won tijdens de Olympische Spelen in Londen. Op dinsdag 10 augustus werd zij hier na een rijtoer door de hele stad gehuldigd. Buurman A.A. Weyde bood haar namens de hele buurt een nieuwe fiets aan, “opdat ook als haar benen het lopen moe worden, zij snel voort zou kunnen”.


We gaan linksaf de Haarlemmermeerstraat in. De meeste huizen hier zijn in 1931-1934 ontworpen door H.A.J. en J. Baanders, vader en zoon. Al snel kruisen we weer de ‘Théophile de Bockstrook’, zoals het stadsdeel deze groene allee noemt, al heet de noordkant eigenlijk Albert Neuhuysstraat. In de rechter middenberm staat een laagbouwcomplex van beton en glas, in gebruik als jeugdhonk en noodlokalen. Kort na de oorlog – toen er dankzij de ‘ babyboom een nijpend scholentekort was - stond hier een houten ‘Finse noodschool’. Hier is eerdergenoemde Brede School gedacht. De samenkomende scholen van verschillende gezindten blijven zelfstandig, maar delen één speelplaats en andere voorzieningen.


Het volgende deel van de Haarlemmermeerstraat is het mooiste. Herman en Jan Baanders ontwierpen ook deze gevelwanden in Amsterdamse-Schooltrant, met prachtige portiekbogen. Korte tijd later kozen zij overigens voor een meer modernistische stijl, getuige hun strakke Blauwe Theehuis in het Vondelpark (1935).


Rechtsaf door de Weissenbruchstraat komen we in de Warmondstraat en gaan daar linksaf. De rechterkant van de straat werd in 1932-1933 ontworpen door bureau Gulden & Geldmaker. De kapitalistisch klinkende naam ten spijt, was de belangrijkste vennoot Zeger Gulden in de jaren dertig gemeenteraadslid voor de SDAP. De overkant, uit 1929, was een schepping van Piet Kramer, vooral vermaard om zijn schitterende woonblokken en scholen in de P.L. Takbuurt en omgeving en zijn sierlijke bruggen. We passeren de Bennebroekstraat en zien een glimp van basisschool De Notenkraker, vroeger de Bennebroekschool en Warmondschool. Bij Warmondstraat 198 gaan we rechtsaf de Hillegomstraat in. Rechts staat een schoolgebouw in rode baksteen. Sinds 2002 is dit bedrijfsverzamelgebouw AOC Oud-Zuid, waarvan Ons Amsterdam sinds eind maart het middelste lokaal op de eerste verdieping gebruikt. Het werd in 1930 gebouwd door de Dienst der Publieke Werken, tegelijk met het achterliggende schoolgebouw in de Bennebroekstraat. Het rechterdeel van het pand (nummer 12) heette Schinkelschool, het linkerdeel (nummer 14) Hillegomschool. De openbare Hillegomschool droeg de ‘ondertitel’ Eerste School voor Persoonlijkheidsonderwijs. Die onderwijssoort was bedacht door onderwijzer Leo Groeneweg (1877-19xx), die in 1920 toestemming kreeg een proefklas te beginnen in de Staringschool en in 1930 een eigen school naar zijn recept mocht gaan leiden. Het kwam er vooral op neer dat er geen vast lesrooster was en de leerlingen iedere dag zo zelfstandig mogelijk een opgedragen taak moesten uitvoeren. In 1947 ging Groeneweg met pensioen; kort daarna verhuisde de Hillegomschool naar de Rietwijkerstraat, waar de aparte signatuur snel verwaterde.


Aan het eind van de Hillegomstraat ligt de Woestduinstraat; rechtsaf, langs een kinderspeelplaats, komen we in de Bennebroekstraat en gaan linksaf tot de Westlandgracht. Bijna achteraan is nummer 44: dat huis was in 1979 het toneel van een veldslag tussen een knokploeg van de particuliere huisbaas en boze buurtbewoners, die wisten dat hij van plan was het leeggekomen huurhuis te splitsen en per etage duur te verkopen. Dat begon toen een trend te worden en de activisten waren ertegen, omdat er minder huurwoningen overbleven en er meestal sprake was van langdurige leegstand. Het haalde echter weinig uit.


De Westlandgracht was van 1933 tot de jaren vijftig de westrand van de stad. Door het brede water en de platanen is het er nog steeds aangenaam wandelen. We lopen door tot de Heemstedestraat. In 1957 werd deze doorgetrokken naar Nieuw-West. De al bestaande winkelstraat, die we linksaf ingaan, won daardoor aan economisch belang en passeerde de Aalsmeerstraat als tweede winkelcentrum van de buurt. Het eerste winkelgebied – en centrum van de buurt - was natuurlijk het Hoofddorpplein met de aansluitende Hoofddorpweg. Sinds 1929 was het plein het eindpunt van tramlijn 1. In 1948 werd dat lijn 2, die in 1975 naar Slotervaart werd doorgetrokken. Het plein werd in 1927-1928 bebouwd door de beroemde J.M. van der Mey, die in 1916 met zijn Scheepvaarthuis op de Prins Hendrikkade de basis had gelegd voor de architectonische stroming die de Amsterdamse School ging heten. Het winkelbestand is sterk veranderd, maar op nummer 27 was ook al voor de oorlog een slagerij en op 8 een banketbakkerszaak, al heetten die anders dan nu. Zeker een halve eeuw oud is ook de unieke snoepwinkel op de hoek van de Aalsmeerweg. Het alleroudst is echter het bruine buurtcafé op nummer 1. Vanaf het prille begin in 1928 heet dat al Pleinzicht.


Ter wille van het toegenomen verkeer werd in 1961-1962 een rotonde aangelegd. De meest betreurenswaardige verandering in het uiterlijk van het plein was de sloop, omstreeks 1975, van het ranke torentje met klok boven op Hoofddorpplein 29, dat meteen de aandacht trok als je vanaf de binnenstad het plein naderde. De onderhoudsplicht berustte destijds bij de eigenaar van het pand, en toen het bouwvallig bleek heeft hij het ‘nutteloze’ bouwsel gemakshalve maar verwijderd.


De Hoofddorpweg brengt ons naar de Zeilbrug, maar die gaan we niet over. De eerste Zeilbrug werd in juni 1927 geopend. Ze was ontworpen door Piet Kramer en rijkelijk van symbolische sculpturen voorzien door stadsbeeldhouwer Hildo Krop. Maar de roest sloeg toe en ze werd te smal voor het drukke verkeer. In 1999 is de brug dus vervangen door een veel breder en moderner exemplaar, maar het beeldhouwwerk van Krop is daar weer tegenaangeplakt.


Over de Sloterkade lopen we zuidwaarts. We passeren de aloude Schinkelapotheek en een modern woningblok, waar vanaf de jaren dertig tot omstreeks 1980 bioscoop Victoria stond. Iets verder, op nummer 168, stond vanaf ongeveer 1910 de AEG-fabriek van elektrische apparaten. In 1999 werd een deel van de voorgevel geïntegreerd in een postmodern appartementencomplex, The Light Factory.


Met een flauwe bocht gaat de Sloterkade over in de Rijnsburgstraat. Dat is eigenlijk het begin van de Sloterweg naar Sloten, maar die weg is bruut in tweeën gehakt door de nieuwbouw van Slotervaart. Bijna aan het eind links ligt begraafplaats Huis Te Vraag, in gebruik van 1890 tot 1962. Ze ontleent haar naam aan een verdwenen herberg, waar rooms-koning Maximiliaan in 1486 de weg zou hebben gevraagd naar de Mirakelkapel in de Kalverstraat. Wat er ook van waar is: wonderbaarlijk mooi is deze plek nog steeds en bovendien een mooi einde van deze wandeling.


Met dank aan Marlies van Sint Annaland en Henk Oortwijn.




Daklozen onder de pannen


Een eeuw Hulp voor Onbehuisden


Tekst: Bert Pots


07082004_Hulp_voor_onbehuisdenAmsterdam telt zo’n tweeduizend dak- en thuislozen waarvan de meeste ’s nachts (en soms ook overdag) wel ergens terecht kunnen. Zo zet Hulp voor Onbehuisden zich al honderd jaar in om deze kwetsbare groep een waardig bestaan te geven. De missie van oprichter en oud-heilsoldaat Tjitte Jonker is nimmer volbracht: de armsten onder de armen te dienen.


Dirk woont op misschien wel de mooiste plek van het Oostelijk Havengebied: aan de rand van de Bogortuin nabij het Azartplein, met uitzicht over de IJ-haven. Een oude kippenren is zijn domein, ’s zomers en ’s winters. Het hokje is net groot genoeg voor zijn matras. Bij het toegangsdeurtje staat een rafelige strandstoel. Dirk woonde al op het voormalige haventerrein toen dit er nog afgedankt en verlaten bij lag. Dankzij de hulp van goedwillende buurtbewoners heeft hij stand weten te houden tegen de oprukkende woningbouw.


Stadssocioloog Léon Deben van de Universiteit van Amsterdam doet al vanaf midden jaren negentig onderzoek naar nachtzwervers, de daklozen die een groot deel van het jaar de nacht op straat doorbrengen. Hij onderscheidt twee groepen: mensen die onder de sterrenhemel slapen en buitenlopers die nog ergens onderdak hebben, maar wel een groot deel van het jaar ’s nachts op straat zijn. Studenten hebben de afgelopen tien jaar meermaals de plekken bezocht waar zij zich ophouden: onder bruggen, in portieken, op banken en in parken.


Het aantal nachtzwervers in Amsterdam (Schiphol niet meegerekend) schat Deben op gemiddeld 325 per nacht. Zo’n honderd daarvan slapen ook daadwerkelijk buiten. Het aantal nachtzwervers groeit volgens Deben. “Voor het eerst sinds 1999 is er weer een toename. Het gaat om een groep die steeds verder veroudert en steeds minder gebruik maakt van zorg en steun. Verslaving aan harddrugs speelt bovendien een grote rol en de groep bestaat uit steeds meer nationaliteiten,” zo concludeert de stadssocioloog.


Nachtzwervers vormen maar een klein deel van het totale aantal dak- en thuislozen, waarvan er in Amsterdam zo’n 2000 zijn. De meeste zijn ’s nachts op een of andere wijze onder de pannen, bijvoorbeeld in een van de 1750 door de gemeente Amsterdam gesubsidieerde slaap- en opvangplaatsen. De opvang die daar wordt geboden varieert van kortdurende crisisopvang, passantenopvang voor enkele nachten, sociale pensions en begeleid zelfstandig wonen.


Het bijna honderd jaar oude Hulp voor Onbehuisden (HVO), in de jaren negentig van de 20ste eeuw gefuseerd met Querido tot HVO-Querido, is in Amsterdam de grootste hulpverlenende instantie voor dak- en thuislozen. De hulp die HVO-Querido anno 2004 biedt aan zwervende mannen en vrouwen is zeer divers. Een mobiel team (‘het Rijdend Dienstencentrum’) onderhoudt contact met mensen die zich nooit bij de opvang melden en 24 uur per dag op straat leven. Tweehonderd daklozen krijgen in internaten 24-uursopvang. Zo biedt internaat Walenburg in de Montelbaanstraat plaats aan 62 voormalig dak- en thuisloze mannen. Het is overigens het laatste opvanghuis in Amsterdam dat niet gemengd is; in alle andere internaten wonen tegenwoordig mannen én vrouwen. Ruim honderd extra kwetsbare daklozen, mensen met psychische stoornissen die bovendien verslaafd zijn aan alcohol of drugs, kunnen terecht in twee sociale pensions, waar ze onderdak kunnen krijgen en begeleiding. Verder beschikt HVO-Querido over een passantenverblijf en een passantenhotel en biedt de vereniging dagactiviteiten, vormen van begeleid wonen en opvang aan drugsverslaafden. Naast de concrete opvang probeert HVO – samen met andere hulpverleningsinstellingen – te voorkomen dat mensen dakloos worden.


Vijfduizend overnachtingen


De Hulp voor Onbehuisden is allemaal begonnen met het echtpaar Jonker en hun vertrek uit het Leger des Heils. De heilsoldaat Tjitte Jonker en heilsoldate Jeannette Clauzer ondervonden zoveel verzet tegen hun voorgenomen huwelijk, dat zij om voor elkaar te kunnen kiezen wel het Leger des Heils moesten verlaten. De echtelieden wilden zich echter niet afkeren van de Goede Werken en zij gingen omstreeks 1898 aan de slag in Toevlucht voor Onbehuisden. Deze instelling was een jaar eerder door jonkheer Henry Tindal geopend in een diamantslijperij in de Zwanenburgerstraat (die werd gesloopt voor de bouw van de stopera). Na Tindals dood en opheffing van de Toevlucht zes jaar later, wist het echtpaar Jonker een groep welgestelde burgers te interesseren voor de oprichting van een vereniging met als motto: hulp voor onbehuisden. De Jonkers vonden dat er voor daklozen een plek moest zijn waar ze ’s nachts terecht konden, zonder daarvoor eerst arbeid te moeten verrichten. Zij richtten de neutrale vereniging HVO op om de directe noden van deze groep te lenigen. Aangezien de armenzorg begin 20ste eeuw nog overwegend werd overgelaten aan het particulier initiatief, moesten er dus ‘sponsors’ worden gezocht. Na een donatie van ƒ 2500 door J.H. van Eeghen (die voorzitter van de vereniging was) en mede-oprichter C.W. Janssen konden ze twee panden huren: een aan de Haarlemmer Houttuinen voor de opvang van mannen, en Bloemgracht 24 voor de opvang van vrouwen en kinderen. Al in de eerste vijf maanden nadat de Jonkers op de Bloemgracht waren begonnen, overnachtten er meer dan vijfduizend mensen.


De faciliteiten bleken al snel ontoereikend en de Jonkers trokken aan de bel. Het gemeentebestuur en de Commissie voor de Gasthuizen van het Burgerlijk Armenbestuur stonden in het voorjaar van 1905 het enorme Oude Buitengasthuis (ofwel het Oude Pesthuys) af aan HVO voor ƒ 1 per jaar aan huur. Het complex aan de Tweede Constantijn Huygensstraat was niet meer geschikt als ziekenhuis en stond al ruim tien jaar leeg. HVO moest zelf “het herstellen der privaten, het aanleggen der kunstlicht, gas, petroleum, elektriciteit en waterleiding” en de strijd tegen de ratten bekostigen. Na de verbouwing werden er meerdere asielen en internaten ingericht. Mannen leefden binnen de muren van de oude ziekenhuisgebouwen uiteraard geheel gescheiden van vrouwen en kinderen.


Daklozen die in het Oude Buitengasthuis terecht wilden, moesten zich eerst bij de politie melden. Daar kregen ze een kaart waarmee ze zich bij het asiel konden vervoegen. In het nachtasiel werden ze gewassen, en kregen ze een nachthemd, een maaltijd en een bed. ’s Morgens moesten ze weer de straat op. Daklozen mochten maar een paar keer achter elkaar in het asiel overnachten. Wie langdurige opvang wilde, kon in het internaat worden geplaatst, waar hij of zij werd geholpen bij het zoeken van een huis en werk. Als tegenprestatie moesten de mannen bij particulieren en bedrijven kleding, meubels en andere spullen ophalen en de goederen in de eigen werkinrichting sorteren. Ook werden ze wel als werkkracht uitbesteed. In het vrouweninternaat was geen werkinrichting maar vrouwen moesten wel meewerken in de huishouding.


Nadat hij ’s avonds door de gangen en kamers van het Oude Buitengasthuis was gelopen, schreef de heer Jonker voor de leden van HVO: “Daar liggen ze dan, moe van het zwerven door de straten van onze groote stad. Zwarte schapen van de kudde. Wat is dan toch de oorzaak van hun diepen val? Heeft het hun misschien aan leiding in hunne jeugd ontbroken of waren ze erfelijk met verschillende gebreken belast? Wij kunnen lang denken over de oorzaken hunner ellende, maar dat verbetert hun toestand nu niet. Nu moet er gehandeld worden, want zij kunnen niet altijd blijven zwerven. Het woord van de Meester komt mij onwillekeurig in de gedachte: Zo wat gij aan een van de minsten hebt gedaan, dat hebt gij aan Mij gedaan.”


De bemoeienis met de minderbedeelden groeide in die tijd sterk door de opkomst van de reclassering en de kinderbescherming. Het echtpaar Jonker richtte diverse nieuwe instellingen op: een observatiehuis voor tachtig criminele jongens aan de Vosmaerstraat, voogdij-instellingen voor jongens en voor meisjes en een jongenskolonie in het Friese Appelscha. Ook openden zij logement De Hoop (Warmoesstraat 158), waar goedkope overnachtingen en maaltijden werden aangeboden.


Met hun niet aflatende inzet zorgden zij al met al voor heel wat bedden en maaltijden voor een ieder die dat nodig had, ook buiten Amsterdam. In maart 1921 overleed mevrouw Jonker, en haar man stierf ruim een jaar later. Beiden werden op Zorgvlied begraven. De drukbezochte begrafenis van de heer Jonker vormde een enorm eerbetoon aan de man die zoveel voor Amsterdam had betekend. Volgens burgemeester W. de Vlugt was het nieuws van de dood van Jonker “met de snelheid van het licht” door de stad gegaan.


De opvolger van het echtpaar Jonker sloot vrij snel de HVO-opvangactiviteiten buiten de stad. En ook in de stad veranderde het een en ander. In de jaren dertig vertrokken de daklozen uit het bouwvallige Oude Pesthuys naar diverse andere locaties. Op Weesperzijde 110 kwam het mannenasiel, vrouwen en kinderen vonden onderdak in oude schoolgebouwen in de Roggeveenstraat en de Van Neckstraat. Geen van deze gebouwen was geschikt voor de nieuwe bestemming, maar geld voor grote verbouwingen was er niet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakten de onderkomens nog verder verwaarloosd.


Maalstroom van veranderingen


Het duurde tot begin jaren tachtig voordat de voorzieningen van HVO weer op peil waren. In dezelfde periode moest de organisatie het hoofd bieden aan een maalstroom van veranderingen, aangezien de overheid zich steeds meer met het leven van burgers ging bezighouden. Het in werking treden van de Bijstandswet gaf ook de meest kwetsbare groepen voortaan enige zekerheid en het welzijnswerk kwam op. HVO-directeur O.W. Heldring streed in de jaren zeventig persoonlijk tegen de woningnood en bepleitte sociale actie. Maar de samenleving bleek uiteindelijk niet maakbaar. “Zwerven is geen leuk vak,” zo vertelde Walter tien jaar geleden in een boekje over de bewoners van opvanghuis De Veste. “Als het mooi weer is dan interesseert het me niet zo veel, maar nu, in de winter met die koude nachten, dat is erg. Dat ik zo langs de weg loop is mijn eigen schuld. Zeker weten. Niet van mijn vader en moeder, maar van mijzelf. Ik werk graag, en ik zou ook graag weer werken, als ik maar een vaste woonplaats had. Maar dat is moeilijk.”


Zo blijft het werk in de geest van de oud-heilsoldaten Jonker actueel. Puur materiële hulp is nog steeds nodig, hoewel het tegenwoordig wel steeds vaker gaat om meer dan alleen bed, bad en brood, zo benadrukt de huidige algemeen directeur Jaap Fransman. “De laatste jaren krijgen we steeds meer te maken met cliënten die complexe problemen hebben. Mensen met psychiatrische problemen, drugsverslaving, noem maar op. Soms zijn ze erg agressief en ze hebben echt meer nodig dan alleen een dak boven hun hoofd.” De verslechterende persoonlijke omstandigheden van dak- en thuislozen hangen nauw samen met de ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg. “De klassieke inrichting bestaat niet meer. Onder de noemer vermaatschappelijking zijn kleinschalige voorzieningen gebouwd. Maar daar word je niet zomaar opgenomen, mensen moeten zich op de eerste plaats zelf zien te redden. Juist onze doelgroep, de meest kwetsbare mensen, heeft het daar niet gemakkelijk mee.”


In september 2004 viert HVO het honderdjarig bestaan. Dat zal vooral een feest worden voor de eigen cliënten. HVO-Querido zal vanaf dat moment verdergaan onder de naam Sedes: “Het woord is afkomstig uit het Latijn en verwijst naar de stoel, symbool voor de hulp die we proberen te bieden.” Hulp die in de 21ste eeuw nog steeds nodig zal zijn, ook als de psychiatrie weer meer zorg zal bieden, daarover maakt Fransman zich geen illusies. Nieuwe kwetsbare groepen zullen zich aandienen; zo krijgt HVO de laatste jaren steeds vaker te maken met cliënten van allochtone afkomst.


Over de noodzaak van opvang voor dak- en thuislozen is iedereen het wel eens, toch stuit de praktijk nog geregeld op verzet van argwanende burgers. Dat bleek onlangs nog bij plannen voor de bouw van een opvangvoorziening op IJburg. Architect Friso ten Holt maakte een ontwerp voor een woongebouw met ruimte voor werkvoorzieningen op het Steigereiland. Er is voor het eilandenrijk IJburg gekozen, juist omdat daar een geheel nieuwe samenleving wordt opgebouwd. HVO verwachtte dat er vanwege het ontbreken van bewonersstructuren geen verzet zou ontstaan. De toekomstige bewoners van het Steigereiland, trots op de duur betaalde vrije kavel, denken daar toch anders over. Zij vrezen overlast en verwijten de gemeente onvoldoende openheid over de huisvestingsplannen. Fransman lijkt niet onder de indruk: “Zo gaat het in alle Amsterdamse buurten. Zodra we uitleggen wat we doen en hoe mensen bij ons leven, verdwijnt de ergste weerstand.” Zo blijft HVO-Querido zich inzetten om voor daklozen een waardige plek in de maatschappij te veroveren.


B. Pots is journalist.






Van Prinseneiland tot Loods 6


Ateliers in soorten en maten


Tekst: Marjolijn van Riemsdijk


07082004_AteliersDankzij de “grootsche schilderachtige stad en het geestelijk leven onder de jongelui”, zoals schilder Jan Sluijters het uitdrukte, trok Amsterdam altijd veel kunstenaars. En allemaal hadden ze hetzelfde probleem: waar moesten ze werken? Sterk afhankelijk van het inkomen, werden uiteenlopende oplossingen bedacht. Een historische atelierroute.


Voor de meeste kunstenaars was en is het vinden van een goede en betaalbare werkruimte niet makkelijk. Lange tijd was dat alleen weggelegd voor kunstenaars in goeden doen of met de juiste connecties. Vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw kwam daarin enigszins verandering door de bouw van nieuwe atelierwoningen, maar pas in de jaren tachtig en negentig namen jonge kunstenaars het heft in eigen handen. Zij gingen leegstaande gebouwen kraken, en richtten daarin woon- en werkruimtes in.


Gemakshalve beperken we ons hier tot de ateliers van de 19de tot en met 21ste eeuw. Over vroeger eeuwen is de informatie vrij beperkt. In de 19de eeuw kon slechts een gering aantal kunstenaars het zich veroorloven er eigen atelier op na te houden, afzonderlijk van de ruimten waar men at en sliep.


Wie dat moeiteloos kon was schilderes Thérèse Schwartze (1851-1918). Schwartze was buitengewoon populair en had als een van de best betaalde portrettisten van Nederland een fortuin vergaard. Zij schilderde onder meer portretten van drie generaties koninginnen; een van haar bekendste portretten is dat van Wilhelmina tijdens de troonsbestijging in 1898. Aanvankelijk werkte zij in het atelier van haar vader, de schilder Johan G. Schwartze, op de zolder van het ouderlijk huis Prinsengracht 1091, waar zij vanaf haar vijfde jaar woonde. Toen haar roem dat toeliet, kocht zij in 1904 nummer 1089 erbij en liet architect Eduard Cuypers een hoog atelier met plat dak bouwen op de samengevoegde zolderverdiepingen. In 1913 kocht ze ook nog nummer 1087 en werd die zolder aan het atelier toegevoegd. Haar atelier, met kleine expositieruimte (de Roode Kamer), was weelderig ingericht met een grote schouw en overal dure vazen. Het diende niet alleen als werkplek, maar ook als representatieve ontvangstruimte voor belangrijke klanten, vakgenoten en kunstcritici.


Jan Sluijters (1881-1957), sinds 1902 in Amsterdam, begon als armoedzaaier: zijn felgekleurde schilderijen waren aanvankelijk ruim op de mode vooruit, dus verdiende hij zijn brood vooral met het illustreren van kinderboeken. Hij deelde rond 1905 een atelier op de zolder van Tweede Jan Steenstraat 80 met kunstbroeder Leo Gestel. Daar moet het een zoete inval zijn geweest voor berooide vakbroeders. Toen Sluijters eenmaal een gevierd portretschilder was geworden, ging hij wonen in de nette Lomanstraat, en had hij een atelier op de Ruijsdaelkade. In 1930 verhuisde hij met zijn gezin naar het riante bovenhuis van Olympiaplein 79, met op de bovenste verdieping een speciaal voor hem gebouwd atelier. Tot een uur of vier was Sluijters daar geconcentreerd aan de slag en spoedde zich dan per fiets naar kunstenaarssociëteit Arti op het Rokin, om er te drinken en te biljarten. Daar stond de stoere man niet in de laatste plaats bekend om zijn belangstelling voor mooie vrouwen. “De man met de baard op de rug” werd hij genoemd, omdat hij op de fiets altijd achterom keek naar de meisjes. Hoe belangrijk hij in Amsterdamse kunstkringen was, bleek wel bij zijn dood: hij werd opgebaard in het Stedelijk Museum.


Na Jan Sluijters betrok de schilder Carel Willink (1900-1983) het atelier op de Ruysdaelkade 15 en ging er ook wonen. Hij bracht er het grootste deel van zijn leven door, en op veel van zijn werken is het uitzicht op de monumentale huizen van de Weteringbuurt terug te vinden. Willink was de erkende meester van het magisch realisme: hij schilderde een aan de realiteit ontleende gefingeerde wereld, heel precies en in een koele, analytische stijl. Over opdrachten had hij niet te klagen; vanwege zijn technisch vermogen en vakmanschap was hij een veelgevraagd portretschilder. Bekenden uit de wereld van kunst en cultuur frequenteerden zijn huis, onder wie Adriaan Roland Holst, Gerard van het Reve en Wim Sonneveld. Zelf vertoonde hij zich graag op plaatsen waar hij ‘gezien’ werd. Willink en zijn tweede vrouw Wilma Jeuken (overleden in 1960) waren opvallende verschijningen. Hij was statig en zat altijd goed in het pak, en zij droeg meestal een broek, wat tot in de jaren vijftig voor vrouwen vrij ongebruikelijk was. De belangstelling voor Willink en zijn werk verdween overigens bijna in het niet naast die voor zijn extravagante derde vrouw, Mathilde.


Koude zolderkamers


Een tochtige en koude zolderkamer past misschien beter in de romantische voorstelling van een kunstenaarsleven dan de ateliers die hierboven beschreven zijn. Piet Mondriaan (1872-1944) en Karel Appel (1921) woonden en werkten in hun begintijd op dergelijke armzalige locaties; zij zwierven van atelier naar atelier, en hadden geen geld om een eigen werkplaats te kunnen kopen. Mondriaan woonde en werkte vanaf 1892 tot zijn vertrek naar Parijs in 1912 op minstens acht Amsterdamse adressen, waaronder de zolder van Ruysdaelkade 75, Eerste Oosterparkstraat 180 driehoog en (jarenlang) de zolder van Albert Cuypstraat 158, en in zijn laatste Amsterdamse jaren Sarphatipark 42 eenhoog. Hij woonde en schilderde steeds in dezelfde ruimte en stelde eigenlijk maar één voorwaarde aan zijn werkruimtes: licht op het noorden. Bijna steeds had hij particuliere huisbazen, behalve toen hij in 1905-1906 woonde op de zolder van Rembrandtplein 10. Die huurde hij namelijk voor een vriendenprijs van de kunstenaarsvereniging Sint-Lucas, waarvan hij lid was. Op den duur werd hij daar echter een beetje weggekeken, vanwege zijn gewaagde stijl (kubisme, luminisme). Samen met een aantal andere vernieuwende kunstenaars – Jan Toorop, Conrad Kickert en Jan Sluijters – richtte hij in 1910 de Moderne Kunstkring op en zegde zijn Lucas-lidmaatschap op.


Ook Karel Appel zwierf in zijn beginjaren van atelier naar atelier. In de oorlog woonde en werkte hij op het adres Zwanenburgwal 42 (nu 72-82), logerend bij de anarchistische kunstenaar en anarchist Henk Eikeboom. Na de bevrijding betrok hij de zolder van Huize Smyrna, Oudezijds Voorburgwal 127. Dat was eigendom van de schrijver/criticus H.A. Gomperts, die voor langere tijd in de Verenigde Staten verbleef, en het fungeerde als opvanghuis voor dakloze kunstenaars. Eigenlijk was het gekraakt, al bestond die term toen nog niet. Het verhaal ging dat medewerkers van Het Parool in de oorlog schietoefeningen hadden gehouden op de zolder – de kogelgaten zaten nog in de balken. Verderop aan de Oudezijds Voorburgwal, op nummer 86, bevonden zich het woonhuis en het atelier van de schilder Eugène Brands, dat diende als ontmoetingsplek voor de kunstenaars van De Experimentele Groep. Daartoe behoorden, behalve Brands zelf, Appel, Corneille, Constant, Theo Wolvecamp, Anton Rooskens, en de dichters Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar en Lucebert. Een paar grachten verder, op de Binnenkant 32, woonde het architectenechtpaar Aldo en Hannie van Eyck. Zij hadden een uitgebreide collectie boeken over moderne kunst, waardoor onder meer Appel in aanraking kwam met de nieuwste ontwikkelingen in Parijs. In 1950 vertrok hij samen met Corneille voorgoed naar die stad.

Ateliers waren eeuwenlang ofwel onderdeel van de eigen woning ofwel hergebruikte zolders of andere grote ruimten die eerst een andere bestemming hadden. De eerste beroemde uitzondering op die regel was sinds eind 19de eeuw te vinden op de Westelijke Eilanden. Het werd gebouwd voor de jonge Kees Maks (1878-1967), die furore maakte als schilder van het theater, het circus en het café-chantant. Zijn vader, die een groot aannemersbedrijf op het Prinseneiland bezat, had zijn zoon eigenlijk het liefst als zijn opvolger gezien. Maar toen de door hem zeer bewonderde George Breitner (1857-1923) Kees’ werk heel goed bleek te vinden, ging vader Maks ermee akkoord dat zoonlief kunstenaar zou worden. Hij liet zelfs voor zijn zoon én Breitner (die in ruil Kees gratis schilderles ging geven) een eigen atelier bouwen, op Prinseneiland 24A en 24B. De vertrekken waren ruim, met grote ramen, veel licht en een prachtig uitzicht op de Nieuwe Teertuinen, dat door Maks en door Breitner vaak werd vastgelegd. Breitner was op het toppunt van zijn roem toen hij er in 1898 ging werken: hij woonde destijds op de Lauriergracht en zou daarna nog geregeld verhuizen. Hij zou het atelier op het Prinseneiland tot 1914 blijven gebruiken, hoewel hij er niet onverdeeld gelukkig was. Vaak beklaagde hij zich bij Kees Maks over de kou in de winter, de hitte in de zomer en de eeuwige wind.


Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Belgische schilder Raoul Hynckes (1893-1993) medegebruiker van Maks’ atelier. Hij schilderde er de pakhuizen aan de overkant. Sinds 1970 woont en werkt de schilder Jef Diederen in Breitners voormalige atelier. Dat had jarenlang leeggestaan en was ernstig verwaarloosd, maar is volgens de kunstenaar nu een paradijsje.


Het als zodanig gebouwde atelier bleef nog lang daarna een uitzonderlijke luxe. Dat veranderde pas in 1934, toen kwam voor een wat grotere groep kunstenaars goede atelier- annex woonruimte binnen bereik. In dat jaar werd een blok met 32 atelierwoningen aan de Zomerdijkstraat/Uiterwaardenstraat opgeleverd, een voor die tijd uniek project. Aangezien de huren aan de hoge kant waren, werd het complex voor het merendeel betrokken door kunstenaars die al naam hadden gemaakt. De beginnende architecten Zanstra, Giesen en Sijmons hadden zich laten inspireren door atelierwoningen van Le Corbusier en Alfred Loos in Parijs, en door het ‘bouwatelier’ op het Prinseneiland van Breitner en Maks. De meningen over het complex – dat nu monumentenstatus heeft – waren direct zeer verdeeld: sommige enthousiastelingen vergeleken het met het Empire Statebuilding, anderen voelden bij de aanblik ervan “den verstijvenden adem des doods”.


De atelierwoningen bevatten tal van praktische details, zoals liftjes voor het vervoer van verf en gips, en afschroefbare balkonhekjes voor het takelen van kunstwerken. De ronde ramen aan de zijkant waren zo gemaakt dat er geen vals licht kon binnenvallen. Aan de noordkant waren vier lagen ateliers met hoge ramen en aan de zuidkant zes gestapelde woonlagen. Het hoogteverschil tussen de ateliers en de woonruimtes werd optimaal benut door een afwisseling van grote en kleine woonruimtes. Ongehuwde kunstenaars kregen in die tijd één woonetage bij hun atelier, gehuwden twee. Het complex heeft heel wat illustere bewoners gehad, onder wie schrijver en beeldhouwer Jan Wolkers (dit is het decor van zijn roman Turks Fruit), de beeldhouwers Charlotte van Pallandt en Fred Carasso en danseres Sonia Gaskell, die er haar balletschool vestigde.


Ondertussen bleef de ateliernood onder kunstenaars hoog. Leegstaande schoolgebouwen werden als werkruimte in gebruik genomen en daarbij in veel gevallen ook illegaal bewoond. Bij de komst van een gemeentelijke controleur werden volgens de verhalen dan de sporen van bewoning haastig in kasten en zijkamers verstopt. Om de nood te lenigen, kochten particuliere stichtingen als Diogenes en Woon- en Werkruimte voor Kunstenaars oude panden op, die ten behoeve van kunstenaars werden verbouwd. Maar door stadsvernieuwing en de sterk gestegen woningprijzen werd dat steeds begrotelijker. Diogenes kocht voor het laatst een pand in 1976, in de Javastraat 126.


Daarnaast werden vanaf de jaren zestig nieuwbouwcomplexen standaard voorzien van enige atelierwoningen met een redelijke huur. In een deel van Osdorp gebeurde dat op bijna elke hoek, maar ook in de oude binnenstad deed de gemeente haar best. Zo werden in 1961 tien ateliers met twaalf woningen in de Rapenburgstraat opgeleverd.


Het heft in eigen hand


De ateliernieuwbouw bleef een druppel op de gloeiende plaat. En een atelier kopen of huren was voor de meeste jonge kunstenaars absoluut onhaalbaar: dat lukte echt niet van een BKR-uitkering! Dus stond de schildersezel noodgedwongen naast de ontbijttafel of achter het bed. Toen in de jaren zeventig en tachtig veel grote bedrijven en kantoren uit de binnenstad verdwenen en in het havengebied loodsen leeg kwamen te staan, namen de kunstenaars die ongeautoriseerd in beslag. De gekraakte gebouwen werden eigenhandig verbouwd tot woon- en werkruimtes, met voor iedereen toegankelijke expositieruimtes en cafés. Het begon in 1979 met het verlaten Handelsbladgebouw op de Nieuwezijds Voorburgwal. Daar werd door onder anderen Peter Giele en Peter Klashorst de roemruchte galerie Aorta geopend, indertijd dé vrijplaats voor vernieuwend Amsterdam.


Eind jaren zeventig werd ook het Blaauwlakenblok gekraakt. De 70 huizen en bedrijven, een klooster en een voormalige drukkerij tussen de Warmoesstraat en de Oudezijds Voorburgwal waren al een tijd aan het verkrotten toen een groep kunstenaars er ateliers, werkplaatsen, een theater en een tentoonstellingsruimte vestigden. Het eigenzinnige en vernieuwende beleid van die tentoonstellingsruimte in de Warmoesstraat, naar het adres W139 genoemd, werd onlangs bekroond met de Amsterdam-prijs voor de kunsten. Een paar jaar geleden werd na langdurige onderhandelingen met gemeente en woningbouwvereniging begonnen met een grondige verbouwing van het Blaauwlakenblok, waarbij ruimschoots rekening wordt gehouden met de belangen van het kunsttalent.


In 1984 verzetten actieve bewoners van Oud-West zich samen met de kraakbeweging met succes tegen de sloopplannen van het voormalige Wilhelmina Gasthuis in de Eerste Helmersstraat. De statige paviljoens aan weerszijden van de ingang werden verbouwd tot werk- en woonruimtes voor kleine bedrijfjes en kunstenaars en een tentoonstellingsruimte. Aan de voorkant werd een café-restaurant gevestigd, en daarachter een grote theaterruimte. Ook het Oranje-Nassau Veem uit 1898 in de Van Diemenstraat, dat ooit diende als pakhuis voor luxegoederen uit de Nederlandse koloniën, werd in 1981 gekraakt. De krakers verbouwden de tienduizend vierkante meter in de loop van de tijd met geld van subsidies en leningen tot werkruimtes en een expositieruimte. Boven in het Veemgebouw, in de ruimte waar vroeger partijen tabak gekeurd werden, bevindt zich nu een theater met daarnaast een café-restaurant.


Op het KNSM-eiland staat Loods 6. Vroeger was dit het havengebouw van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij, maar toen die vertrok namen kunstenaars bezit van het gebouw en van de vroegere kantine, een vierkant glazen gebouw midden op het eiland. Het KNSM-eiland was jarenlang een niemandsland, waar stadsnomaden en ander ongeregeld volk hun kampement opsloegen. Tegenwoordig zijn beneden in Loods 6 winkels en het Open Havenmuseum gevestigd, en daarboven grote bedrijfsruimtes en ateliers, met een schitterend uitzicht over het IJ. In de vroegere bagagehal vinden regelmatig exposities en evenementen plaats.


Nee, niet alle kraakpanden was zo’n gelukkige toekomst beschoren. Het kunstenaarscomplex in de Conradstraat in de Czaar Peterbuurt werd uiteindelijk toch ontruimd en gesloopt, en de Kalenderpanden aan het Entrepotdok (voorheen ook een spontane ‘broedplaats’ voor armlastig talent) werden ondanks massaal protest verbouwd tot dure koopappartementen. Maar de acties hebben er wel voor gezorgd dat de gemeente, hoe haperend ook, een officieel ‘broedplaatsenbeleid’ heeft. Dat is Amsterdam, dat zich nu zo graag ‘creative city’ noemt, natuurlijk ook aan haar stand verplicht. En aan die eigenwijze kunstenaars natuurlijk. Want de stad mag zich gelukkig prijzen met de woon- en werkcomplexen die door de krakers behoed zijn voor verpaupering en sloop, en die Amsterdam nu verlevendigen met toegankelijke expositieruimtes, theaters en cafés.


M. van Riemsdijk is kunsthistorica.




Stennis op de standplaats


Een kleine eeuw taxioorlog


Tekst: Eric Slot


07082004_TaxiIn 1933 verzuchtte een regionale krant al dat de Amsterdamse ‘taxioorlog’ trekken dreigde te krijgen van een Tachtigjarige Oorlog. Een oplossing voor dat geharrewar “tusschen blok- en witbanden, luxe-garages en halve-gulden-taxi’s, tusschen overheid, werkgevers en werknemers…” – zo schreef de correspondent – leek nog lang niet in zicht. De kwestie sleept zich tot op de huidige dag voort.


De strijd die in 1998 tussen TCA en nieuwkomer Taxidirekt uitbrak, kwam niet uit de lucht vallen. Het was de zoveelste veldslag in een oorlog die bijna een eeuw aan de gang is en die slechts bij tijd en wijle wordt onderbroken door een wapenstilstand. Hooguit de aanleiding voor een veldslag wil nog wel eens verschillen.


De strijd tegen Taxidirekt werd om twee redenen gevoerd. De eerste was vertrouwd: nieuwkomers zijn “kakkerlakken” die de TCA-chauffeurs het brood uit de mond stoten. Erbij kwam een nieuw motief: de TCA-chauffeurs wilden bereiken dat de liberalisering van de taximarkt per 1 januari 2000 niet door zou gaan. Deze zou namelijk betekenen dat hun duurbetaalde vergunningen vanaf die datum niets meer waard zouden zijn. Vergunningen die ooit tegen ƒ 3,50 gulden leges per stuk door de gemeente waren verstrekt, waren inmiddels ƒ 250.000 waard geworden. En dat terwijl de gemeente met de vergunningen de taximarkt had willen reguleren en wildgroei had willen tegengaan. Maar van dat reguleren kwam al vanaf het begin weinig terecht.

Eigen rijders


De taxioorlog begon in 1909, toen de eerste gemotoriseerde taxi’s op straat verschenen. In dat jaar bracht de Amsterdamsche Rijtuigen Maatschappij (ARM) onder de naam Amsterdamsche Taxameter Automobiel Maatschappij (Atax) als eerste taxi’s met tractie op straat, ofwel elektrisch aangedreven wagens. Andere ondernemingen volgden: de Taxi-Auto-Maatschappij (kortweg Taxi), Auto Onderneming en de Eerste Nederlandse Taxi-Auto Maatschappij (Entam). Zij hadden chauffeurs in loondienst.


Daarnaast waren er veel kleine bedrijven met een of twee chauffeurs, toen al ‘eigen rijders’ genoemd. Bij het verpachten van de standplaatsen kreeg ARM van de burgemeester en wethouders de eerste keus omdat die onderneming de oudste was. Uiteraard koos de ARM de beste plaatsen, zoals die bij het Weesperpoortstation. Dit tot ongenoegen van de nieuwkomers, die daar niet mochten stationeren. Maar ze konden natuurlijk wel vlakbij gaan staan. Dat had men ten stadhuize ook voorzien, en daarom werden alle chauffeurs per taxiverordening verplicht direct nadat ze een vrachtje hadden afgeleverd naar hun standplaats terug te keren, ook als die een minder lucratieve in een buitenwijk was. Die verordening werd vanaf het begin massaal door de chauffeurs aan de laars gelapt. Hoe zou de politie naleving ervan ook kunnen controleren?


De chauffeurs hadden er bovendien alle belang bij veel passagiers te vervoeren, omdat ze een percentage van het ‘opgereden bedrag’ ontvingen. Dus keerden ze niet naar hun eigen standplaatsen terug, maar wachtten ze bij de beste standplaatsen of bleven rondrijden. Dat had tot gevolg dat er veel te veel auto’s in de binnenstad waren en te weinig in de buitenwijken. En dan waren er natuurlijk de ruzies onder de chauffeurs. Die reden elkaar vanaf het begin in de wielen.


In 1919 werd een nieuwe poging ondernomen de taxibranche te reguleren en democratiseren. Alle standplaatsen kwamen voor elke onderneming beschikbaar. Om te voorkomen dat iedereen naar de beste zou rijden, stelde de politie een weekrooster op. Chauffeurs mochten de standplaats niet verlaten, behalve wanneer ze passagiers kregen, op mondelinge of op telefonische oproeping. Het publiek was vrij in keuze van de wagen, maar chef C. Bakker van de Verkeerspolitie verwachtte dat passagiers in de regel naar de eerste wagen zouden worden verwezen. Dat leek hem een passende praktijk: “Zoo heeft iedereen een goede kans.” De gemeente nam de gelegenheid te baat een dikke vinger in de pap te steken. Chauffeurs kregen een vergunning op naam, die kon worden ingetrokken. Werkgevers en werknemers stelden in overleg de arbeidsvoorwaarden vast, maar de gemeenteraad kon die afwijzen. En B&W bepaalden de hoogte van de tarieven.


De hallomeisjes van de centrale


Tegelijkertijd werd besloten een taxicentrale in te richten, de Auto-Centrale. De grote vier, die overigens tot twee ondernemingen waren gefuseerd, hadden tot dan toe op hun standplaatsen eigen telefoonzuilen staan, die niet door andere ondernemingen mochten worden gebruikt. Omdat de standplaatsen nu voor elke onderneming beschikbaar kwamen, verloren de telefoonzuilen hun betekenis. In de nacht van 21 op 22 juli 1920 werden ze daarom uit de grond gehaald. De nieuwe centrale werd bezet door ‘hallomeisjes’ in (dure) gemeentelijke dienst. Alle ondernemingen – groot en klein – betaalden een bijdrage.


In datzelfde jaar keerden enkele gemeenteraadsleden verontwaardigd van buitenlandse reizen terug. Het was al bekend dat de tarieven in Den Haag en Rotterdam lager waren, maar dat bleek ook te gelden voor Parijs, Londen en Berlijn. Een taxirit was in Amsterdam zelfs tot drie maal duurder. Dus werd er een commissie ingesteld, die de mogelijkheid tot prijsverlaging zou onderzoeken. Maar die raakte kennelijk “zachtkens ingedut”, aldus het Handelsblad een jaar later. De krant laakte het prijsopdrijvende effect van de gemeentelijke bemoeienis. Het college van B&W wilde namelijk meer taxi’s in de stad laten rijden. Meer vergunningen betekende immers meer concurrentie en meer concurrentie betekende lagere tarieven, die de taxi tot semi-openbaar vervoer zouden maken. Inmiddels waren er bijna 200 en dat moesten er 225 worden. Maar omdat de chauffeurs alleen hun standplaatsen mochten verlaten met een vrachtje of na oproeping, stonden de taxi’s een groot deel van de tijd stil. Te veel taxi’s die te lang stilstaan – zo redeneerde het Handelsblad – dreven de prijs alleen maar op.


De Amsterdamse taxi’s waren niet alleen duur, ook de kwaliteit liet te wensen over: “Smerige kussens, slappe veeren, versleten versnellingsbak, motor, kapotte ruiten en onooglijk schilderwerk…” waren zo de klachten die De Telegraaf inventariseerde. Het publiek negeerde steeds vaker de taxi’s op de standplaatsen en belde rechtstreeks naar een van de grote vier garages, want zo kon het eisen aan de wagen stellen of een vertrouwde chauffeur laten voorrijden. Zo ontstond een verschil tussen taxi’s en huurauto’s met chauffeur.


Blokbanders, gelen en witten


In 1923 blies Atax doelbewust de gemeentelijke centrale op. De maatschappij stapte eruit, wetende dat de overige grote ondernemingen zouden volgen en dat de kleinere alleen de kosten ervan niet zouden kunnen opbrengen.


Maar ook zonder de ballast van de centrale bleven de tarieven in Amsterdam verre van redelijk, constateerde het socialistische raadslid Floor Wibaut. B&W besloten daarop in februari 1924 de tarieven met een kwart te verlagen, van 37,5 cent naar 30 cent per kilometer. In december vroegen de vier grote maatschappijen zelfs om de tarieven nog verder te verlagen, tot 20 cent per kilometer. Buiten de centrale om konden ze immers goedkoper rijden.


Het gevolg liet zich raden: nu stonden er te weinig taxi’s op de standplaatsen. “Vroeger, meneer,” zei een taxichauffeur in 1930 tegen een journalist van De Telegraaf, “reden de taxi’s af en aan. Nu rijden ze alleen nog maar af en toe.” In dat jaar waren er nog maar 180 stationerende taxi’s over, die ook – nog steeds! – duurder waren dan in Den Haag. Daarnaast waren er 170 ‘snorders’, winkeliers en handelsreizigers die in hun vrije uren zonder de benodigde papieren als chauffeur probeerden wat bij te verdienen. De politie stuitte in haar poging ze te bestrijden op praktische en juridische bezwaren: een gebrek aan motoragenten en de wet, die bepaalde dat iemand overal mocht parkeren zolang nergens uit bleek dat hij zijn wagen te huur aanbood.


Om onderscheid tussen chauffeurs met en zonder vergunning aan te brengen, besloten B&W tot wijziging van de taxiverordening: officiële taxi’s moesten een zwart-witte blokband voeren. In 1931 bepaalde de Hoge Raad alsnog dat “het kennelijke doel om een motorrijtuig te verhuren kan blijken zonder dat dit aan iemand te huur wordt aangeboden”. Snorders die zeiden dat ze “op hun meissie stonden te wachten”, konden nu worden aangepakt. Misschien was dat ook gebeurd als de politie over meer motoragenten had beschikt.


Als reactie op de blokband kwamen er taxi’s met een gele band, die tegen een vast tarief van 90 cent reden, ongeacht de lengte of duur van de rit. Als reactie dáárop kwamen er taxi’s met een witte band, die 50 cent als vast tarief hanteerden: de halveguldentaxi’s. Er verschenen ook snorders met gele of witte banden die een hoger tarief vroegen dan de ‘echte’ gele- of witte-banders. Na een protest van de blokbanders deelde de politie massaal bonnen uit aan snorders maar vooral aan de gelen en witten. “Dat doen jullie alleen omdat de burgemeester aandeelhouder is in de stationerende maatschappijen,” riepen dezen boos.


Knap geregisseerde blokkade


Het gemeentebestuur besloot weer een taxicentrale in te richten, per juni 1932. De echte gele-banders mochten zich aansluiten. De witten verenigden zich buiten de centrale om in nieuwe ondernemingen, zoals Citax. Hun wagens waren herkenbaar aan een witte pijl op de deuren. Op het stadhuis vond men Citax illegaal, de rechter vond dat niet. Gevolg van dit alles: er waren te veel taxi’s, midden in een economische crisis.


De blokbanders brachten daarop een nieuw wapen in de strijd: de blokkade. In 1933 werd “naar Weensch voorbeeld” de Ferdinand Bolstraat ter hoogte van de (oude) RAI geblokkeerd, juist op het moment dat de beurs van het blad De Dameskroniek ten einde liep. De correspondent van een regionale krant opende zijn artikel met de verzuchting dat de taxioorlog een Tachtigjarige Oorlog dreigde te worden, maar moest toegeven: het was knap geregisseerd. De chauffeurs parkeerden hun wagens dwars op de weg en gingen wandelen. Zo blokkeerden ze in een mum van tijd het verkeer, inclusief de tram. Aan de centrale hadden ze kort daarvoor meegedeeld dat een tram uit de rails was gelopen en dat bij de beurs daarom nog veel meer taxi’s nodig waren. Uiteindelijk stonden er op dat kleine stukje Ferdinand Bolstraat zo’n 300 auto’s.


De crisis in de jaren dertig hield echter aan en het aantal taxi’s nam snel af. In de Tweede Wereldoorlog daalde het aantal wagens zelfs tot nul. Het zou tot april 1946 duren alvorens de eerste vijftig taxi’s weer zouden rijden. In augustus 1950 brak een staking uit. Chauffeurs in loondienst wilden meer geld, eigen rijders werden bekogeld met stenen en hun wagens in brand gestoken. In 1956 volgde weer een loonstaking, nu aanleiding voor een onderzoek. Uitkomst: er waren er alweer te véél. Met 55 procent van de inmiddels 580 taxi’s kon aan de vraag worden voldaan. De gemeente was verantwoordelijk voor het te grote aantal, maar niet alléén omdat zij de vergunningen afgaf. B&W besloten het aantal terug te brengen door ‘uitsterving’.


Ondernemers met vele petten


In 1954 was Atax failliet gegaan. Kort daarvoor had directeur J.H. Elkerbout van Entam de Algemene Amsterdamse Aandeelhouders-Chauffeurscombinatie opgericht, de AAAC. Hij wist B&W zover te krijgen de 100 vergunningen van Atax over te dragen aan de AAAC en kreeg bovendien een gemeentegarantie voor ƒ 300.000. Elkerbout droeg verschillende petten. Behalve directeur van Entam was hij ook gemeenteraadslid voor de PvdA en lid van de raadscommissie voor het autoverhuurbedrijf, in welke functie hij zijn nieuwe taxionderneming op de been hielp – met gemeenschapsgeld, terwijl er al te veel taxi’s rondreden. Hij speelde het nog slimmer en liet de AAAC voor ƒ 100.000 Entam kopen, zijn eigen bedrijf. Van de 27 Entam-vergunningen leverde AAAC er 17 in, als haar bijdrage aan het ‘uitstervingsbeleid’. Het bedrijf kreeg daarvoor een vergoeding van ƒ 5000 per vergunning.


Door hun goedkeuring te hechten aan het verstrekken van die vergoeding, namen B&W zelf deel aan iets wat al jaren illegaal was: de handel in vergunningen. Een taxivergunning – ooit tegen betaling van ƒ 3,50 leges door de gemeente verstrekt – was halverwege de jaren vijftig zo’n ƒ 5000 waard, een bedrag dat in de komende jaren werd opgedreven.


In 1965 wilde de AAAC 55 vergunningen verkopen. Daartoe werd Pluto NV opgericht. De vergunningen werden voor ƒ 12.500 verkocht aan Nieuw Leven, een coöperatie van eigen rijders. Directeur van Nieuw Leven: ene H. de Boer, tevens voorzitter van de taxicentrale. Deze De Boer verkocht de vergunningen door aan eigen rijders voor ƒ 15.000.


Zwendel? vroeg De Groene Amsterdammer zich in 1971 af. Elkerbout: “Als een vergunning voor Jantje ƒ 15.000 waard is, dan is hij dat ook voor ons. Je kan wel zeggen dat wij die vergunningen aan de gemeente terug hadden moeten geven, maar we leven nu eenmaal niet in een ideale wereld.” Commentaar van de latere burgemeester drs. Ed. van Thijn, fractiegenoot in de gemeenteraad en voorzitter van een landelijke stuurgroep voor het taxibedrijf: “Elkerbout maakt tot in het extreme onderscheid tussen zijn politieke verantwoordelijkheid en zijn bedrijfsverantwoordelijkheid.” Maar door de handel van vergunningen te gedogen, gaf de gemeente het reguleren van de taxibranche uit handen. In 1972 waren er alweer te weinig taxi’s. Van Thijn pleitte voor meer vergunningen en een waterdichte regeling tegen het monopoliseren van vergunningen.


Die bleef vooralsnog uit. Terwijl in de jaren zeventig en tachtig chauffeurs de ene veldslag na de andere leverden (tegen nachtbussen, tegen treintaxi’s), trok de taxicentrale – vanaf 1995 TCA – steeds meer macht naar zich toe. TCA nam alle ruimte die de gemeente haar gunde. Ze hield het aantal vergunningen laag, waardoor de prijs steeg, tot ƒ 250.000 en zelfs ƒ 300.000. TCA ‘verzuimde’ evenwel chauffeurs die bereid waren zoveel te betalen erop te wijzen dat hun ‘nummer’ (zoals een vergunning heette) met invoering van de nieuwe Taxiwet per 1 januari 2000 geen rooie cent meer waard zou zijn. De rijksoverheid nam de uitgifte van vergunningen over en verstrekt ze nu tegen legeskosten. Door met een veldslag tegen Taxidirekt chaos te creëren, hoopten TCA-chauffeurs afstel van de invoering van de nieuwe Taxiwet te bewerkstelligen. Tevergeefs.


Drs. E. Slot is journalist.






Een onaangepast kind



Het Amsterdam van schrijfster Mary Dorna


Tekst: Tia Lücker


07082004_Mary_Dorna“Ik behoor niet tot diegenen die iets kunnen verzinnen,” aldus schrijfster Mary Dorna (1891-1971), die toch een levendige fantasie had. Ze schreef sterk autobiografisch getinte verhalen, die vooral duidelijk maken hoe Dorna in de wereld stond: eigenwijs, opstandig, onaangepast.



Marry Jeannette Stoppelman, zoals de schrijfster eigenlijk heette, werd geboren in 1891 in Amsterdam, maar bracht haar kindertijd door in Arnhem, waar haar moeder, Sara Vos, vandaan kwam. Mary’s vader, Aron Stoppelman, was een Groningse textielhandelaar die om commerciële redenen joods was geworden en misschien als vanzelfsprekend ook een joodse vrouw was getrouwd. Economisch gezien was een zaak in Amsterdam natuurlijk gunstiger en in 1900 trok het gezin (dat was uitgebreid met zus Betsy) weer naar de stad, waar het een woning betrok op de Kalverstraat 177. Vader Stoppelman vestigde zich als grossier in zijden stoffen op Weteringschans 80.


Het gezin Stoppelman behoorde tot de gegoede middenklasse, maar de kleine Mary was niet erg in de wieg gelegd voor goede manieren en status. Ze wilde ongewone dingen zien en meemaken en ging vaak op onderzoek uit. Ze wandelde over de markt, slenterde door de stad en ging graag naar het Rijksmuseum. Dit tot ongenoegen van haar ouders, tegen wie zij zich nadrukkelijk afzette – vooral haar strenge vader maakte haar rebels. “In geen enkel opzicht had ik het ooit mijn vader naar den zin kunnen maken,” schrijft zij in ‘Beleefd verzoek’ (1938). “Ik behoorde niet tot het soort kinderen dat hij mocht, innerlijk en uiterlijk niet. (…) Mijn kapsel was mijn zwakke punt, mijn haar wilde niet langer worden dan een eindje over de oren en ook dit was niet naar de smaak van mijn vader. Alle nette meisjes van een jaar of dertien droegen toen een of meer vlechten of iets dat met een strik werd opgenomen op de rug.”


Ook op school was ze een onaangepast kind. In de eerste klas van de lagere school in Arnhem bleef ze al zitten. In Amsterdam ging ze naar de Sweelinckschool, op de hoek van de Albert Cuypstraat en de Eerste Sweelinckstraat. Een jaar zat ze op de Vierde 3-jarige hbs op de Mauritskade. Ze verscheurde haar rapport, zoals ze beschrijft in ‘Alle eendjes zwemmen’ (1929) en liet ‘alle eentjes zwemmen’ in het water. De slechte cijfers spoorden haar niet aan zich meer in te zetten, integendeel. Ze schrijft achteraf: “Wat belette me dus nu toch alles verloren was een totale onverschilligheid en branie aan de dag te leggen, die m’n benauwdheid voor thuis en m’n verlegenheid tegenover de plagende klasgenoten verbergen moest?” Als ze later in de Den Texstraat woont, vlak bij de Heineken Brouwerij, beschrijft ze hoe de moutlucht haar herinnert aan haar angst voor de school, die immers naast de Amstel Brouwerij lag. “Aandachtig en bewust snuif ik den verschrikkelijk beklemmende moutstank op; m’n handen zijn ineens klam en koud.” (‘…Of niets veranderd is’, 1929).


Ze probeerde het nog even op een particuliere school, maar toen ze vijftien jaar oud was, ging ze lessen volgen aan de kunstnijverheidsschool op Groenburgwal 24. Mary wilde dolgraag leren tekenen, maar op die school kreeg ze “alleen driehoeken en van die latten”. Ze ging er vanaf en werd leerling van de schilder Jan Bleys op Singel 486. In het artistieke milieu voelde zij zich bevrijd van de beklemming van haar kinder- en schoolleven. Zelf zag ze het later als de voorbereiding op haar volwassen leven. “bij Adri [zoals Jan in het boek heet] kreeg ik buiten het niet zo hoognodig onderricht in teekenen en schilderen een gratis voorlesje in levensdurf en een voorproef van ’s levens realiteiten. Zonder deze onbetaalbare instructies zou ik het brutale, grijnslachende leven van later wel wat àl te groen in de scherpe klauwen gevallen zijn.” (‘Toen en later’, 1928).


‘Goeie genade, wat ben ik begonnen’


Ondanks de “onbetaalbare instructies” begon ze op achttienjarige leeftijd nogal naïef aan een huwelijk met Felix Bowers. Deze Engelsman zou snel naar Zuid-Amerika vertrekken, wat hem voor Mary des te aantrekkelijker maakte. Het werd een drama. “Toen het schip een halve meter van de wal af was, wist ik het al: goeie genade, wat ben ik begonnen,” vertelde ze later. Hij bleek behoorlijk oversekst en Mary gruwde van hem. Bovendien bleek later dat hij helemaal niet van adel was, zoals hij had beweerd. Ze woonde met tussenpauzes met hem in Zuid-Amerika en in Duitsland en ze heeft hem na amper twee jaar huwelijk verlaten. Ze betrok een kamertje in Düsseldorf, werd schildersmodel en in haar vrije tijd las ze veel en graag, zoals ze vroeger ook had gedaan.


Via een contactadvertentie ontmoette ze de jonge architect Bruno Wille. Ze schreef hem een brief die ze ondertekende met Maria Juana de Videla Dorna. Ze vertelde Wille dat ze Argentijnse was en bij het pleeggezin Stoppelman was grootgebracht. Ze houdt die mystificatie lang vol, maar als ze gaan samenwonen in Nederland weet Bruno Wille inmiddels dat zij een meisje Stoppelman is.


De leden van de familie Wille schrijven elkaar veelvuldig brieven en ansichtkaarten en Mary begint vanaf 1913 ook uitgebreid te corresponderen en schrijft vanaf dat moment ook gedichten en dagboeknotities. Zij blijft Bruno ook brieven schrijven als ze in 1916 gaan samenwonen een pension in de Eerste Jan Steenstraat. Daarover schrijft Mary Dorna in 1932 in ‘Pension Wesseling’: “Er was veel haat in dat huis, opgespaard in jaren, zorgvuldig gekweekt als een giftige, kostbare plant. Door de ruzies heen ruik ik aangebrande zuurkool, een geur die doodmoe maakt en geen enkele illusie overlaat.” Na hun huwelijk in 1919 gaan ze wonen in het huis dat Mary’s vader voor hen koopt: Den Texstraat 8A. “Zij was geen burgerlijke en conventionele vrouw,” schrijft Henriëtte Boas in Terug naar de Den Texstraat (2002) en dat maakte Dorna maar weinig geschikt voor de nette Den Texstraat. Mary had een hekel aan de straat; ze schreef er in verscheidene verhalen over. “Het dreinerige straatje staat juist op het punt om in huilen uit te barsten. Misschien beseft het zelf dat het de treurigste straat is die er bestaat – met de afgrijselijke, vervelend gelijkmatige huisjes, door de weinig fantasievolle bouwmeesters van een dertig jaar geleden netjes op een rij gezet. Maar het is er keurig.” (‘Intermezzo’, 1928).


Bruno en Mary hadden vaak veel mensen over de vloer, bevriende dichters en schilders. Ze hadden gezamenlijke tekenavonden met een model; dat paste niet erg in de keurige Den Texstraat. “Buren zijn buren. Met oogen die op steeltjes staan, koperen bloembakken voor de ramen en den glazenwasscher precies op tijd; soms worden ze wel eens begraven en dat is een kleine zwarte opeenhoping bij de deur; verder blijft alles hetzelfde: de glazenwasscher op tijd, de koperen bloembakken – en een tijdje na de begrafenis gaan hun oogen weer hun natuurlijke plaats innemen: ze gaan op steeltjes staan.” (‘Het heilige tientje’, 1939).


Het is niet verbazingwekkend dat Mary niet met de buren overweg kon en regelmatig ruzie met ze had. Ze sliep slecht en draaide dag en nacht om. ’s Nachts las ze – met naast zich boterhammen en een fles gazeuse - en als ze tegen de ochtend ging slapen, gingen rondom haar de mensen naar hun werk. Dan bonkte ze uit kwaadheid tegen de muren en het plafond.


Gedurende enkele jaren woonden Bruno’s ouders bij hen in en nadat de vader van Bruno overleed, kwam Bruno’s broer Hanns bij hen in de Den Texstraat wonen. Hanns, die vier jaar aan het front had gezeten, leek op hun oom Richard, broer van hun moeder, een bohémien en levensgenieter; hij stond model voor Mary’s verhaal ‘Mijn oom Ricardo’. Hanns schreef aan een boek en las ’s avonds stukken aan Mary en Bruno voor. Mary zei hem recht voor z’n raap dat ze er niet veel aan vond en Hanns daagde haar uit het beter te doen. Ze nam de uitdaging aan en ontdekte zo dat ze zich met schrijven niet alleen goed kon uiten – beter nog dan met tekenen – maar er bovendien geld mee kon verdienen. Mary’s eerste stukje, ‘Een storende verschijning’, verscheen op 24 april 1926 in Het Volk. Ze ondertekende met Mary Wille en kreeg er ƒ 7,50 voor. Vanaf dat moment was schreef ze zeker drie, vier stukken per maand die werden gepubliceerd in Het Volk, Het Vaderland, de NRC en De Groene Amsterdammer.


Spruitjeslucht


In 1928 vertrokken Mary, Bruno en diens moeder uit de Den Texstraat; ze waren na het vertrek van Hanns naar Duitsland nog maar met z’n drieën en het geld was meer dan welkom. Ze gingen op het Borssenburgerplein wonen, maar ook aan deze buurt had Mary een hekel. “Het eenig troostrijke in die nieuwe buurt scheen een man te zijn, die bereid was, om voor warme maaltijden te zorgen… Verder had ik een visioen van tocht, dunne deuren die treiterachtig openwaaiden en een afschuwelijk vermoeden van kippenhokken in de achtertuinen. Ook had het naar spruitjes geroken, dien eenen keer dat ik mee geweest was om de étage te bezichtigen: een derde étage, flat genaamd, van een der beide andere flats was dus de spruitjeslucht gekomen.” (‘Kleine ondergang’, 1932).


Bruno had het huis mooi ingericht om er toch een thuis van te maken voor Mary, maar hun relatie ging een moeilijke periode tegemoet. Bruno had enkele jaren samengewerkt met Berlage aan het ontwerp voor de Berlagebrug en had veel tijd doorgebracht in Den Haag voor zijn werk aan de plannen voor het Gemeentemuseum aldaar. Mary, die het gezelschap van Hanns miste, had intussen de jurist Henk Tenkink ontmoet, die haar nieuwe cavalier werd. Ze gingen samen uit, naar de bioscoop, tentoonstellingen en het café. Bruno was eraan gewend dat mannen verliefd werden op zijn vrouw, maar met Henk had hij het moeilijk. Bruno had Mary altijd geholpen met haar werk, door stukjes te corrigeren en uit te tikken. Hij bereidde samen met haar een bundeling van haar verhalen voor. Mary was echter avond aan avond met Henk op stap en hun huis stond op den duur vol met cadeaus die Henk aan Mary schonk. Bruno ging gebukt onder de verwijdering en raakte tijdens zijn treinreizen naar Den Haag verliefd op Mies de Gast. Het huwelijk strandde.


Op aandrang van Henk besloot Mary voortaan haar schrijversnaam Mary Dorna te gebruiken. Onder die naam verscheen in 1933 haar eerste bundel Wanordelijkheden rondom een lastig kind. Mary woonde met Henk op het Borssenburgplein en tussen hen en Bruno en zijn Mies ontstond een zeer hechte vriendschap. Mary hield Bruno op de hoogte van haar werk en Mies tikte haar verhalen uit.


In 1933 verhuisden Henk en Mary naar de Prins Hendrikkade 175. Henk huurde het huis omdat hij wist dat Mary van havenbuurten hield: “En dan het leven, dat eerst in de havenbuurt klopt en schreeuwt en sjouwt en trilt, ijzeren kettingen op de straatstenen, kisten die bijna op je tenen terechtkomen, bezwete mannen, die je toebrullen op te hoepelen! Eigenlijk ben je overtollig, dat voel je heel duidelijk – zowel in de moderne buurt met de jonge kastanjes, als in de havenbuurt met zijn oude huizen en masten. Maar je bent niet zo heel erg treurig meer.” (‘Een dag begint’, 1933). Ondanks de charme van de buurt, maakte ook deze verhuizing Mary onrustig. “Elk voorjaar wil ik weg – dit is nu het vierde dat de paniekachtige afkeer zich van me meester maakt. Weg wil ik uit dit huis, deze buurt – alles in de steek laten. Deze grijze knorrige havenbuurt, waar de sloppen achter liggen met de voddenbergplaatsen en die met de stank van rotte sinaasappelen en rotte vis, met alles wat voos en aangevreten en niet meer bruikbaar is – maar ergens schijnt alles toch nog gebruikt te worden, anders zouden ze het immers niet bewaren.”


Het voorportaal van de hel


In het begin van de oorlog worden Henk en Mary gearresteerd, vanwege een misverstand blijkt later. Zij hadden hun ramen niet goed verduisterd en als de keukendeur openging werd een van de ramen verlicht, wat in de marinierskazerne aan de overkant werd gezien als een lichtsignaal aan de vijand. Het feit dat Mary joods was, speelde geen enkele rol. Ze schreef er pas heel veel later over. Haar laatste cursiefje verscheen in juni 1940, daarna heeft zij tijdens de oorlog (behalve brieven) niet meer geschreven.


Mary en haar zusje Betsy – allebei met een niet-jood getrouwd – zijn gered door Mary’s leugen tegenover Bruno dat zij Argentijnse was. De beide zusjes werden op grond van een verklaring van Bruno, die inmiddels weer in Duitsland woonde, verklaard tot Argentijnse met Indiaans bloed; voor de Duitsers was dat Indogermaans. Mary’s moeder werd door Henk op slinkse wijze uit de Hollandse Schouwburg gehaald. Daarover schreef Mary Dorna in 1961: “Alles wat ik denken kon, was: Ik ga ook wel. Hetzelfde had ik gedacht toen ze jaren geleden, in mijn jeugd, op een avond eveneens naar de schouwburg ging: Ik ga ook wel. (…) Maar ditmaal ging ik niet, zij ging. Ook ditmaal werd ze meegenomen naar de Hollandse Schouwburg, niet om te dansen en de kammetjes uit haar haren te verliezen, want men danst niet in het voorportaal van de hel.”


De bezetting was een breuk in het leven van Mary Dorna. Ze raakte overspannen in 1944 en ze werd een tijd opgenomen in Paviljoen III van het Wilhelmina Gasthuis. Na 1945 ging het steeds slechter met haar. Ze is veel ziek, is roekeloos met slaapmiddelen en alcohol en omdat ze ook nog eens slecht zag, viel ze vaak. In 1961 werd ze helemaal blind en kon ze niet meer zelf schrijven. Om de geldzorgen te verlichten kwam Henk op het idee om Mary’s verhalen opnieuw uit te geven. Het was een groot succes en het betekende een opleving van de belangstelling voor Dorna’s werk, waarover Simon Carmiggelt in een voorwoord schreef: “voor haar werk sta ik al mijn leven lang bij haar in het krijt.”


Henk sterft in 1968 en haar laatste jaren brengt Mary door met een huishoudster - nog steeds in het huis op de Prins Hendrikkade. Er verschenen meer herdrukken van haar werk en in 1970 zond de VARA een televisiedocumentaire over haar uit. Maar de hernieuwde belangstelling voor haar werk ging een beetje langs haar heen. Ziek, oud en alleen achtergebleven sterft Mary Dorna in maart 1971.


Tia M. Lücker is journalist.






Amsterdam aan het strand

Baden & zonnen in de stad


Tekst: Wanda Nikkels


07082004_StrandHet was de zomerhit van 2003: strand Blijburg op IJburg. En op het dak van Nemo is al sinds 2000 ’s zomers een strandje (weliswaar zonder zand, maar mét strandstoelen en parasollen), net als op het Stenen Hoofd en in Noord. Een rage, ja, maar geen primeur. Al voor en direct na de oorlog waren er in de stad genoeg alternatieven te vinden voor een dagje Zandvoort.


Net als Blijburg was ‘klein Zandvoort’ of ‘het Zandland’ het aangename bijproduct van een grote stadsuitbreiding. In 1928 werd de polder ten zuiden van de Stadionkade opgespoten met zand. Hierop moesten woningen verrijzen. Maar door de crisisjaren en de oorlog werd de bouw ervan jaren uitgesteld. Het gebied dat zich van de Stadionkade tot aan de Zuidelijke Wandelweg in Buitenveldert uitstrekte, had het aanzien van een uitgestrekt duinlandschap. Theo van Bakergem, een van de velen die ons op ons verzoek zijn herinneringen stuurde, verhuisde met zijn familie in 1934 naar een gloednieuwe woning op de Stadionkade. Vanaf de derde verdieping had hij vrij uitzicht over de zandvlakte tot aan het kerkje van Buitenveldert. Van Bakergem herinnert zich het smalle bruggetje voor voetgangers en fietsers over het Zuider Amstelkanaal. Aan weerszijden daarvan werden de aflopende oevers van het zandland in warme zomers gebruikt als strandje. “Daar zaten de moeders dan in meegebrachte ligstoelen of op handdoeken te zonnen. En werden door de kinderen zandkastelen gebouwd, of werd door hen pootje gebaad, en door sommigen zelfs voor zover mogelijk gezwommen.” Het water was niet echt geschikt om erin te zwemmen, het was ondiep en modderig. Van Bakergem: “Toen het water werd weggepompt omdat er een beschoeiing moest worden aangelegd, kwamen er kilo’s paling uit de modder naar boven. Dat wijst toch wel op een veenbodem.”


Tijdens de oorlogsjaren raakten de stadsbewoners steeds meer aangewezen op deze stadsstrandjes. De Noordzeestranden waren immers door de bezetter tot verboden gebied verklaard, en het werd steeds moeilijker om de stad te verlaten. In Nieuw-Zuid –Bibliotheek van Amsterdamse herinneringen (2003) beschrijft J.L. Dulfer hetzelfde strandje (bij de huidige Parnassusweg), waar zich met name tijdens de oorlog een uitgebreid strandleven ontwikkelde met ligstoelen en zelfs kleedhokjes. In hetzelfde boekje vertelt J.A. van der Veen dat hij pogingen deed om zandkastelen te bouwen. Tevergeefs. “Het zand was veel te droog en te fijn. Zodra je iets opgebouwd had, zakte het hele zaakje weer in elkaar.” Het Zandland verdween na de oorlog, toen het laatste deel van de bouwplannen van Plan Zuid alsnog werden uitgevoerd.


Lonken naar de matrozen


Een ander bekend stadsstrand was ‘het Zandje’ of ‘de Badplaats’ bij de Prins Hendrikkade. Al voor de oorlog was men daar begonnen met de voorbereidingen voor de aanleg van de IJtunnel. Ter verbreding van de Prins Hendrikkade was op het gedeelte tussen de Kikkerbilsluis tot aan het Scheepvaartmuseum zand gestort. Door de oorlog en door rijksbezuinigingen duurde het echter tot 1961 voordat met de bouw werd begonnen. Tot die tijd was het strand vooral populair bij de bewoners van de Oostelijke Eilanden, voor wie het strand tijdens warme zomerdagen een aantrekkelijk alternatief vormde voor de kleine, overbevolkte bovenwoningen van Kattenburg en Oostenburg. Anneke Wieffering woonde op Oostenburg en zag regelmatig kans om aan het oog van haar moeder te ontsnappen. Samen met een vriendinnetje toog zij naar het strandje, waar zij zich voorzichtig ontdeden van schoenen en sokken om pootje te baden. Zorgvuldig werden de paaltjes in het water vermeden, want daar was het water een stuk dieper. Gezwommen werd er niet door kinderen, die doorgaans pas vanaf hun achtste jaar zwemles kregen.


Er was nog een andere reden waarom maar weinig mensen te water gingen. An Karbet groeide op in de Foeliestraat, waar haar ouders een melkhandel hadden. Omdat het strandje op maar enkele meters van haar huis lag en de Prins Hendrikkade nog geen drukke doorgaande weg was, mocht zij al vroeg zonder begeleiding naar het strand. “Bij de paaltjes dreven vaak kadavers van dode honden. Helemaal opgeblazen. Je keek als kind wel uit om daar in de buurt te komen. Dat was vies en gevaarlijk. Sowieso was het water veel viezer, het stonk echt in de stad.”


Wie wel het risico van ziekte en ander ongemak namen, waren de wat oudere meisjes die naar de matrozen aan de overkant lonkten. Voor de aanleg van de IJtunnel lag op die plaats nog een deel van het marinecomplex. Willem Bosschert zat begin jaren vijftig als zeemilicien (dienstplichtige) in opleiding voor telegrafist op de Verbindingsschool van de Marine. “Op mooie zomerdagen zag je een strand vol meisjes die de matrozen lagen uit te dagen. Sommige meisjes zwommen zelfs naar de wallenkant van het Marinecomplex waar ze door de matrozen op de wal werden gehesen want zonder hulp kon je er niet op.” Volgens An Karbet, die zich deze taferelen ook kan herinneren, was het allemaal vrij onschuldig. “Er was zoveel afstand tussen jongens en meisjes, je deed gewoon niets met elkaar, behalve een beetje pret maken. Je moet weten: het was net na de oorlog en alles was zo vies. Maar de matrozen hadden echte zeep, die roken zo fris. Ze waren geschoren en ze hadden een mooi pak aan. Daarom waren ze populair bij de meisjes.” Of er echt romances zijn ontstaan uit deze strandontmoetingen is niet bekend. Wel dat niet alle meisjes zich hielden aan de zeden van die tijd. Bosschert: “Er was helemaal op de punt van de kade, waar nu het Nemo ligt, een bunkertje. Sommige matrozen trokken zich daar terug met een meisje. Nee, ik heb geen flauw idee wat ze daar uitspookten, hahaha.”


Zwemmen tussen de rotte appelen


Het Zandland en de Badplaats hebben jarenlang bestaan en waren stranden van formaat. Het Zandland mat ongeveer 300 meter, de Badplaats aan de Prins Hendrikkade zo’n 200 meter. Maar er waren ook kleinere, minder bekende stadsstrandjes. Meneer of mevrouw Dessing vertelt over het strandje aan het Westelijk Marktkanaal, waar kinderen uit West vertier zochten. Zandvoort en IJmuiden waren ver en duur in de crisisjaren, dus het strandje was een mooie uitkomst. “Wij stonden er met meegebrachte boterhammen en thermosflessen thee en koffie, met een kubusvormig geel/wit gestreepte strandtent, die op vier palen werd opgezet en vastgesjord met lijnen en houten haringen – om je decent om te kleden. Mijn zusje heeft er nog zwemmen geleerd, er was onder de regelmatige bezoekers een badjuffrouw; bij mij is dat vanwege toen nog grote watervrees nog niet gelukt.” Tilly Brand leerde er wel zwemmen en zwom er tussen de rotte appeltjes naar de overkant. Die appeltjes waren volgens haar afkomstig van de Centrale Markthallen die net waren gebouwd, waar een groentehandelaar ze blijkbaar in het doodlopende kanaal dumpte.


De heer Leideritz speelde in zijn jeugd op een strandje bij de westgevel van de in 1933 gebouwde Sint Augustinuskerk aan de Postjesweg. Dat was niet zonder gevaar. Het zand lag op het veen en dat leidde tot drijfzandvorming. Leideritz: “Ik zakte als negenjarige jongen tot mijn borst in het zand weg. Gelukkig riepen mijn vriendjes de hulp in van twee werklieden die gewapend met een ladder en een plank mij van de ondergang hebben gered.” Ook mevrouw Van der Burght-Peetoom ontsnapte ternauwernood aan de verdrinkingsdood. Zij was als vierjarige op het strandje bij het Westelijk Marktkanaal tussen de wal en de beschoeiing terechtgekomen en kopje onder gegaan. “Ineens hoorden mijn moeder en oma op echt Amsterdamse wijze roepen: “Daar verzuipt er een!” Dat was ik. Een man of grote jongen greep me en op de oever werd ik ondersteboven gehouden, zodat het water eruit kon lopen. Mijn redder heb ik helaas nooit kunnen bedanken.” Minder fortuinlijk was het kind dat vlak na de oorlog bij het strandje aan het einde van de Oude Hemweg verdronk. Op Theo Bakker - die toen zo’n jaar of vijf, zes was, maakte dat een dramatische indruk. “Er ontstond grote commotie. Mijn moeder pakte onmiddellijk haar spullen en vertrok met ons naar huis.” Het strandje verdween kort daarna toen het kanaal werd verbreed.


Bewoners van de Pijp hadden hun eigen kleine strandje aan de Amstel. Het lag op de plek waar eind jaren dertig het Roeicentrum en de oprit van de Berlagebrug werden aangelegd. In de novelle Over het water van H.M. van den Brink wordt de hoofdpersoon als kind door zijn onzekere moeder meegenomen naar het strandje. Na de eerste gelukkige indrukken van het kind dat in aanraking met het water komt, gaat het mis. Hij stapt in een spijker. Zijn moeder raakt in paniek en sleept het kind naar huis. “Aan mijn vader heeft ze waarschijnlijk nooit iets verteld van ons bezoek aan ons strand en van haar paniekerige falen. We zijn er die zomer ook niet meer in de buurt geweest. Wel herinner ik me dat er bij ons thuis, vele maanden later, met tevredenheid gesproken werd over het einde van de bouwwerkzaamheden in de wijk. Alles was dicht. De laatste klinker was gelegd. Nu zou het altijd vrede blijven.”


De terugkeer van het stadsstrand


Na de wederopbouw was de stad min of meer af. De strandjes waren ontstaan in de schaduw van de grote stadsuitbreidingen van de jaren twintig en de jaren vijftig en verdwenen met de voltooiing ervan. Voor de Amsterdammers was dat nauwelijks een gemis, want zij konden voortaan terecht in de nieuwe openluchtbaden in de stad. Door de uitbreiding van het openbaar vervoer en de toename van het eigen autobezit, was een ritje naar een recreatiegebied aan de rand van de stad geen grote of onbetaalbare onderneming meer. Zo nu en dan kon men nog wel terecht op een plekje in de binnenstad. Zo is er ongeveer tien jaar geleden heel even een strandje geweest op het terras van het gloednieuwe Holland Casino. Maar de echte comeback van het stadsstrand dateert van 2000. Nu Zandvoort en het trendy Bloemendaal zijn overspoeld door de massa en de eindeloze files naar het strand een bijna onneembare barrière voor een strandbezoek zijn geworden, is het stadsstrand weer helemaal ‘in’. Maar anders dan vroeger zijn deze stranden ontwikkeld door ondernemers met een feilloos gevoel voor de tijdgeest. En met zo’n succes dat een politieke partij in stadsdeel Centrum vorige jaar het plan opperde om weer een strand aan te leggen in het Oosterdok. Compleet met palmbomen, strandstoeltjes en een waterzuiveringsinstallatie zodat de bezoeker zonder angst voor zijn gezondheid te water kan gaan.


W. Nikkels is werkzaam bij AT5.




Delen: