Nummer 7-8: Juli-aug. 2010

HR_OAM_07_2010_CVR_klein


Prijs: € 5,95 Bestel


Deels over het thema 'Het Amsterdamse water'



 


Op het omslag: Detail van Avond op de Amstel, in 2006 op het doek gezet door Ronald van den Berg (1950-2007). Het gezicht is vanuit zijn appartement. Meer van zijn werk kunt u vinden op www.rolandvandenberg.nl. Geertje van den Berg.


- Transport over water
- Amsterdams onmisbare waterbewakers
- De komst van de badkamer
- Aldo van Eycks speelplaatsen
- 24 kilometer grachtengevels


En verder:


- Een wandeling over het Zeeburgereiland
- Urk was ooit van Amsterdam
- Reuring rond de Verfdoos


Amsterdam waterstad
Deze zomer staat Amsterdam weer in het teken van SAIL en 2010 schijnt zelfs ‘Jaar van het Water’ te zijn. Ook zonder die aanleidingen is er reden genoeg om het eens iets uitvoeriger te hebben over het water in Amsterdam, dat op allerlei manieren steeds van levensbelang is geweest voor de stad. Om te drinken, bijvoorbeeld, maar daarover schreven we al heel wat. In dit nummer verhalen wij over de vrachtvaart door de stad, het waterbeheer, een heftige watersnood en – weer eens wat anders! – badkamers. Speciale aandacht ook voor twee eilanden: het Zeeburgereiland en Urk. Veel leesplezier!


 




Bomen, roeien en jagen
Transport over water binnen de stad
Tekst: Ton Wegman

inhoud_268_kleinVrijwel iedereen denkt bij vervoer over water in voorbije eeuwen aan de zeilvaart. Maar binnen de luwte van de bebouwing was het bevoorraden van de stad een zaak van spierkracht. Aardbeien uit Beverwijk, melk uit Waterland, of wat ook, alles kwam over het water. Tot aan de randen van Amsterdam kon er worden gezeild, daarna moest ‘elleboogstoom’ uitkomst bieden.

De meeste Amsterdamse markten lagen aan het water. Alleen de Bloemenmarkt aan het Singel is daarvan nog overgebleven. Maar wie weet nog dat je voor melk naar de Prins Hendrikkade moest, vis op de Nieuwmarkt bij de Geldersekade haalde en groente kocht op de Prinsengracht? Levensmiddelen werden grotendeels per schip of schuit dagvers aangevoerd.
Vervoer over het water binnen de stad kon niet onder zeil, omdat er tussen de bebouwing geen of onvoldoende wind was. Bovendie was manoeuvreren met een zeilschip binnen de smalle stadswateren bijna onmogelijk, want bij elke vaste brug moest de mast worden gestreken. Het vervoer moest dus anders. Schippers hadden drie mogelijkheden: jagen, roeien of bomen.
Gejaagd werd er aan de randen van de stad. Jagen is het vooruit trekken van een schip aan een of meer lange lijnen. Dan is een jaagpad noodzakelijk, waarlangs de jagers zonder obstakels, zoals bomen, bruggen en bebouwing, hun sleep ongehinderd kunnen trekken. Langs de Amstel en de Kostverlorenvaart kon er worden gejaagd. Anders dan trekschuiten, die voornamelijk gericht waren op personenvervoer tussen steden, werden vrachtschepen meestal niet door paarden gejaagd, maar door een deel van de bemanning. Er werd immers slechts bij tegenwind of windstilte gejaagd.
Roeien werd voornamelijk toegepast bij kleine scheepjes met betrekkelijk weinig vracht of bij personenvervoer op het IJ. Roeischuiten waren relatief snel en wendbaar, maar hadden veel breedte nodig met hun riemen, wat in de volle en vaak smalle grachten een probleem kon zijn. In kleine roeivaartuigen kon er overigens ook gewrikt worden met een roeiriem aan de achterkant, maar binnen de stad gebeurde dit vrijwel niet. Veel tuindersschuiten, die uit de directe omgeving van de stad kwamen, werden geroeid, de vracht was niet heel zwaar en de lage bruggen konden moeiteloos worden gepasseerd. Ook de melkschuiten uit de Waterlandse dorpen werden op weg naar de melkmarkt in de stadswateren geroeid, maar als het even kon ging op het IJ en in Waterland het zeil omhoog. Deze scheepjes hadden een eenvoudig zeiltuig dat tijdens het roeien kon worden gestreken.

Bomend over de grachten
Het gebruik van de vaarboom kwam bij het transport van vracht binnen Amsterdam het meest voor. Bij zeilschepen met gestreken mast was het de enige mogelijkheid om het schip voort te bewegen, maar ook platte schuiten in allerlei vormen en formaten werden hield de massa van de schuit deze meestal wel in beweging, door de schuitenvoerders geboomd.
Dat bomen was een bijzondere techniek. Om een schuit in beweging te krijgen, plantte de schuitenvoerder een zware, essen vaarboom schuin in de bodem van het vaarwater. Hij plaatste de knop van de vaarboom tegen zijn schouder en leunde vervolgens voorover. Het gewicht van zijn lichaam leverde de energie die de schuit in beweging bracht. Lopend van voor naar achter over het dek, hield hij de schuit in gang. Aan het eind trok hij met een korte ruk de vaarboom uit de modderige bodem. De vaarboom was dan vaak enkele decimeters diep in de prut weggezakt en die ruk was nodig om zonder al te veel snelheidsverlies door te varen. Vervolgens liep hij weer naar voren – met zijn vaarboom door het water meeslepend – en zette de boom opnieuw in de waterbodem.
Bij het bomen werd nooit een grote snelheid gehaald – dat was maar beter ook, immers remmen was onmogelijk! De schuitenvoerder moest goed inschatten hoeveel zijn schuit zou uitdrijven wanneer hij wilde stoppen. De constructie van de schuiten was echter zo stevig dat ze wel tegen een stootje konden. De bootshaak, een lange stok met een ijzeren haak aan het eind, werd gebruikt om te draaien om af te stoppen aan een remmingwerk, een steiger of een dukdalf.
Overslag van vracht van zeeschepen naar de pakhuizen en vemen in de stad, leverde een grote stroom goederen op, die ook per schuit werd getransporteerd. Voor bulkvracht, met name van graan, waren er de korenlichters. Forse schuiten met luiken die uitsluitend voor deze vorm van transport werden gebruikt, maar ook als tijdelijke opslag dienst deden. In het gildereglement was bepaald dat de schuitenvoerder op zijn schuit aanwezig moest zijn als het vaartuig dat laatste het geval was.

Gespecialiseerde vaartuigen
Stukgoederen als vaten, kratten, houten balken, zakken en stenen werden op platte schuiten de stad binnen gevaren. Het manoeuvreren met dergelijke zware schepen op het IJ en door de binnenwateren was echt vakwerk. Tot de ingebruikneming van het Oostelijk Havengebied, waar koopvaardijschepen langs kades afmeerden, werden langszij geankerde zeeschepen dekschuiten vastgemaakt en de vracht overgeladen.
Ook het personenvervoer had eigen, gespecialiseerde vaartuigen, die we nu als watertaxi’s zouden typeren. Het werkterrein van de roeischuiten lag voornamelijk op het IJ, waar ze het verkeer van en naar de geankerde schepen voor hun rekening namen. Tot vreugde van de Amsterdamse dominees, die het scheepsvolk graag ter kerke zagen gaan, voeren zij ook op zondag. Maar de schuitenvoerders die vracht vervoerden, mochten op de dag des Heren níet werken.
Beide groepen waren lid van het roei- en steigerschuitenvoerdersgilde. “Tot hetzelfde behooren niet alleen zulke gildebroeders, die groote of kleine Roeischuiten hebben, dienende om persoonen of goederen te vervoeren; maar ook zulken, die Steigerschuiten houden, dienende voornaamlijk tot het van of naar boord voeren van Koopmansgoederen”, schrijft  Wagenaar. “Zij worden niet, gelijk de voorgaanden, met riemen, maar met haaken en boomen bestierd, en dragen de naam van Steigerschuiten, omdat zij hunne gewoonlijke ligplaats hebben aan steigers die hier en daar in de Stad, met name langs den Y-kant gevonden worden”.
De belangrijkste steigers waar deze vaartuigen lagen, waren de Kampersteiger bij het Zeerecht, de Nieuwebrugsteiger naast de Nieuwebrug aan het begin van de Texelse Kade, de Buikslootersteiger bij de Nieuwe Stadsherberg en de Hoofdbrugsteiger bij de Schreierstoren. Ook bezoekers van de stad maakten van de roeischuiten gebruik om zich voor een toeristisch tochtje door de haven te laten roeien.

Groente, fruit en vis
Groente werd aanvankelijk uit heel Holland aangevoerd, maar vanaf de 18de eeuw steeds meer uit de directe omgeving. De tuinbouwgebieden lagen in de polders ten zuiden en ten westen van Amsterdam en de groenteschuiten moesten bijna altijd een overhaal passeren. Bij een overhaal werd een schuit vanuit een lager gelegen polder over de dijk getrokken naar een hoger vaarwater. Bekende overhalen waren die tussen de Kostverlorenvaart en de Slotervaart en tussen de Boerenwetering en de Mennonietensloot, naast het Rijksmuseum. De naam Boerenwetering verwijst nog naar de oorspronkelijke gebruikers van dit water. Dat geldt ook voor het sluisje Boerenverdriet, dat tussen het Singel en het Spui lag en waar de boeren al in de 16de eeuw lang moesten wachten voor zij konden passeren.
Nog tot ver in de 20ste eeuw werd groente per schuit aangevoerd. De markthallen aan de Jan van Galenstraat hadden aan weerskanten een groot aantal insteekhavens met steigers om aan af te meren. Inmiddels gebeurt de aanvoer naar de Centrale Markt geheel met vrachtwagens gebeurt – de buurtbewoners weten er alles van – en zijn de insteekhavens gedempt en bebouwd.
Fruit kwam vooral uit het rivierengebied en via de Vecht en vanaf Muiden via de Zuiderzee en het IJ naar de markten. Bij slecht weer ging het laatste deel van de route over de Weespertrekvaart, een verbinding die meer tijd kostte en dus liever omzeild werd.  
Van de Noordzeekust was aanvoer van zeevis met schepen vanuit Beverwijk over het IJ, die roeischuiten vervolgens naar de diverse vismarkten brachten. De vis van de Zuiderzee werd net zo op het IJ overgezet in roeischuiten. Riviervis kwam via de Amstel binnen. Drinkwater, een schaars artikel in de stad, werd vanuit de Vechtstreek per waterschuit aangevoerd.

De laatste dekschuiten
Ook de afvoer van vuilnis en mest ging per schuit. De vuilnisschuiten lagen op diverse plekken in de stad afgemeerd en waren berucht vanwege de stankoverlast en de meeuwen die er krijsend op af kwamen. Nog tot 1992 werd het stadsvuil per schuit afgevoerd. Daarna was het voorbij: de nieuwe vuilverbranding in het Westelijk Havengebied is niet over water bereikbaar.   
Dekschuiten hielden het onder ‘elleboogstoom’ het langst vol. Tot in de jaren zestig zag je ze nog met regelmaat: dekschuiten die bomend werden voortbewogen. Maar ook de schuitenvoerders met de vaarboom werden steeds zeldzamer. Sleepboten en gemotoriseerde dekschuiten namen hun taak over. Voor het slepen van dek- en vuilnisschuiten kwam er zelfs een nieuw type sleepboot dat met neergeklapte stuurhut onder vrijwel alle bruggen door kon. In binnenvaartkringen heten dit soort schepen nog steeds ‘Amsterdammers’.
Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw schakelde de binnenvaart  (evenals de zeevaart) in een steeds hoger tempo over van hout naar ijzer en later staal. Binnen enkele decennia verdwenen de onderhoudsgevoelige houten schepen en schuiten uit het stadsbeeld.
Vooral op de werven van de firma Bernhard zijn in de loop der jaren honderden dekschuiten gebouwd. Rond 1970 dreven er in de Amsterdamse havenregio nog 3000 dekschuiten. Een van de voordelen is dat het dek op veel plekken op kadehoogte ligt, waardoor de lading er niet vanaf gehesen hoeft te worden. Om zand, kolen of puin te kunnen laden werden er schotten op geplaatst.


De ijzeren dekschuit, die leeg vaak al 25 ton weegt en een laadvermogen kan hebben van wel 400 ton of meer, is nog steeds in gebruik. Vooral bij de aannemerij is het type erg geliefd en de dekschuiten die er nu nog zijn worden gekoesterd. Ook de tuinders ontdekten in de loop van de vorige eeuw de voordelen van staal en vervingen in hoog tempo hun houten scheepjes door moderne, gemotoriseerde exemplaren. Die afdankertjes zijn inmiddels geliefd bij vrijetijdsschippers en nog in grote aantallen op de Amsterdamse wateren te bewonderen.




Waterbewakers van de stad
Peilbeheersing en waterverversing waren de taken van het Stadswaterkantoor
Tekst: Niels Wisman

inhoud_284_kleinHet water van Amsterdam werd eeuwenlang in de gaten gehouden vanuit het Stadswaterkantoor. Daar noteerden ze precies hoe hoog het stond en grepen ze in als gevaar dreigde.  De ‘commandeurs’ en ‘sluisdiepers’ van het kantoor beschikten over schuiten en een eigen onderkomen in de buurt van het IJ. Het eerste stond aan de Nieuwmarkt bij de Geldersekade, het laatste zetelde tot enkele jaren geleden in de Montelbaanstoren aan de Oudeschans, ook wel bekend als ‘Malle Jaap’.

In tijden van extreem hoog water waren de mannen van het Stadswaterkantoor de helden van Amsterdam. Ze rukten bij nacht en ontij uit en namen maatregelen om de schade te beperken. Maar hoon was hun deel als bewoners en bezoekers van de stad het ’s zomers weer eens te kwaad kregen door de stank van de grachten. Tot ver in de 19de eeuw wisten ze de drijvende korsten afval en de kwalijke dampen ook door ingenieuze nachtelijke doorspoeling van het brakke water niet weg te krijgen. Uiteindelijk kwam in de 20ste eeuw daarin verbetering en verwierven de stadswatermannen bovendien eeuwige roem dankzij hun langjarige en nauwgezette registratie van waterstanden en andere weerkundige gegevens.
Peilbeheersing en waterverversing waren de hoofdtaken van het Stadswaterkantoor. Het belang daarvan was nauwelijks te overschatten in een stad waar water door de jaren heen gemiddeld zo’n 30% van de oppervlakte innam. Tot in de 19de eeuw was Amsterdam een stad van dichtbebouwde en door smalle bruggen met elkaar verbonden eilanden. Het zeewater stond letterlijk aan de sluisdeur. Nog afgezien van grote overstromingen, liepen kelders en pothuizen bij hoogwater regelmatig onder. De grachten waren bij ontstentenis van een rioleringsstelsel en een goed georganiseerde stadreiniging hopeloos vervuild. “Een schone maagd met een stinkende adem”, zo kwalificeerde een anonieme tijdgenoot de stad in de 18de eeuw.
De noodzaak van beheer over dit rijkelijk aanwezige zoete, zoute, brakke en vooral vieze water van Amsterdam is zo oud als de stad zelf. Het groeiende stelsel van Amstel, IJ en burgwallen vergde al vroeg veel zorg. Met de aanleg van de grachtengordel en verdere uitbreidingen als de Jordaan werd het alleen maar ingewikkelder. Alles moest bevaarbaar en zo schoon mogelijk blijven. Daar kwam bij dat het water van het omringende Amstelland via de stad diende te worden afgevoerd en bovenal moest het zeewater bij hoge vloed buiten worden gehouden. Vanouds hielden de burgemeesters van Amsterdam zich persoonlijk bezig met deze problematiek.

Vaste peilingen
In het laatste kwart van de 17de eeuw kwam er een speciaal ‘Comptoir der Waterkeeringe’. Dit eerste Stadswaterkantoor veroverde al snel een belangrijke plaats in het waterbeheer van  Amsterdam. De hoofdtaak van het Comptoir was om vast te stellen hoe hoog het water precies stond in de stad en in het IJ. Dat  begon met een stok en een gat in de vloer van een houten gebouwtje op palen bij de Nieuwmarkt. De vroegste behuizing  van het Stadswaterkantoor balanceerde daar zo’n beetje boven het water van de Geldersekade. De achterkant was gericht naar de Waag en de voorkant bood uitzicht in de richting van de Schreierstoren en het IJ.   
Op de Nieuwmarkt werden vanaf 1 januari 1700 vaste peilingen van de waterstanden verricht. Dat ging ongeveer zoals tegenwoordig het oliepeil van een auto wordt gecontroleerd. Rond het gat in de vloer van het Comptoir was een koker aangebracht, waardoor men een peilstok in de gracht liet zakken. Nadat de stok weer uit de koker was gehaald, kon het peil worden afgelezen. Zo werd de stand in het IJ bijgehouden, want het water van de Geldersekade stond in verbinding met de zee.
De mannen van het Stadswaterkantoor beperkten zich niet tot peilingen in hun steigerhuisje alleen. Ze trokken eropuit om de stand op te nemen in de stad. De resultaten werden nauwkeurig vastgelegd, dag en nacht, per uur of halfuur. In één moeite door werd op de Nieuwmarkt aantekening gehouden van heersende windrichtingen, temperatuur  en andere weerkundige wetenswaardigheden, want ook dat kon van belang zijn. Het leverde langlopende meteorologisch reeksen op die uniek zijn in de wereld en tegenwoordig op de internetsite van het KNMI geraadpleegd kunnen worden.

Verwaarloosd onderkomen
Kennis van de waterstanden was voor Amsterdam van levensbelang. Tot diep in de 19de eeuw stond het water van het IJ rechtstreeks in verbinding met de zee en was dus onderhevig aan getijdenwerking. Als het gevaarlijk hoog kwam, moesten de zeesluizen worden gesloten. Dan waren de sluisdiepers van het Stadswaterkantoor in hun element, maar ook bij minder spectaculaire waterstanden zaten ze niet stil.
Gebruikmakend van het niveauverschil van het water in het IJ en in verschillende delen van de stad, konden de grachten worden doorgespoeld door de sluizen op gezette tijden open te zetten en weer dicht te draaien. Dat geschiedde onder verantwoordelijkheid van het Stadswaterkantoor, volgens een systeem dat naarmate de stad groeide steeds ingewikkelder werd. De resultaten van deze exercities om het grachtenwater te verversen bleven overigens lange tijd ver achter bij de verwachtingen.
In 1861 werd het Stadswaterkantoor bij de Nieuwmarkt gesloopt voor de aanleg van een grote vishal. De laatste jaren hadden de commandeurs en sluisdiepers de vismarkt al als buur gekregen en hun onderkomen ziet er op afbeeldingen uit die tijd verwaarloosd uit. Toch niet zonder weemoed trokken ze met hun instrumenten en schuiten naar een soortgelijk klein houten gebouwtje bij de Kraansluis, aan het begin van de Oosterdoksdijk. Daar werden de werkzaamheden zeven jaar lang voortgezet.
In 1868 werd het huisje bij de Kraansluis verruild voor de benedenverdieping van het vermaarde gebouw ‘Zeerecht’, aan het IJ ter hoogte van de Kop van de Zeedijk. Het was de voormalige zetel van de stedelijke ‘Commissarissen van Zeezaken’. Het verblijf daar duurde maar kort en al in 1878 nam het  Stadswaterkantoor zijn intrek in de Montelbaanstoren op de Oudeschans.

Nieuwe klussen
Terwijl de oudere sluisdiepers ook bij de Kraansluis, in Zeerecht en in de Montelbaanstoren hun sterke verhalen over hoog water bleven vertellen aan wie het maar wilde horen, veranderden de stad en de waterhuishouding sterk. De bevolking groeide explosief, grachten werden gedempt en in het natte land rond de oude stad verrezen nieuwe woonwijken.
Het meest ingrijpend voor de werkzaamheden op het Stadswaterkantoor  was in 1872 de afsluiting van het IJ in verband met het in gebruik nemen van het Noordzeekanaal. Daarmee viel de directe werking van eb en vloed aan de voordeur van Amsterdam weg. In de loop van de 20ste eeuw werd de getijdenwerking met de Afsluitdijk in 1932 nog verder weg gebannen en nadat in 1943 een groot gemaal was gaan draaien bij Zeeburg, waren ze op het Stadswaterkantoor voor waterverversing zelfs niet meer afhankelijk van waterstanden.
Onder de veranderende omstandigheden werden in de Montelbaanstoren de waarnemingen van het waterpeil voortgezet met een steeds verfijnder instrumentarium, want voor de waterhuishouding bleef die kennis van belang. Ook het doorspoelen van de grachten ging door en werd met de groei van de stad alleen maar urgenter.
Omdat het personeel voor de werkzaamheden toch al dag en nacht in ploegen aanwezig was, werden er in de loop der jaren op het stadhuis voor de slappe uurtjes wat klusjes bij bedacht. In de jaren zestig van de 20ste eeuw werkten op het Stadswaterkantoor continu zo’n 30 ambtenaren. Ze bedienden de sluizen en waterkeringen, hielden die op diepte en assisteerden bij de peilmetingen. Daarnaast verrichtten ze onder andere reinigingsdiensten op het water en zorgden ze in de nachtelijke uren voor het plaatsen van noodverlichting bij obstakels op de weg.

Naar een glimmend kantoor
Naast peilbeheersing bleef de belangrijkste taak van het Stadswaterkantoor de waterverversing – en daarmee werden op den duur eindelijk behoorlijke resultaten behaald. Terwijl sinds mensenheugenis het grachtenwater van Amsterdam iedere nacht moest worden doorgespoeld, gebeurde dat rond het jaar 2000 nog maar twee keer in de week. Alleen ’s zomers was het soms nodig vaker te verversen.
In 2006 moest het Stadswaterkantoor de Montelbaanstoren verlaten. Tegenwoordig zijn naam en taken van dit eerbiedwaardige Amsterdamse  instituut in een carrousel van reorganisaties verdampt in de moderne uitvoeringsorganisatie Waternet. Wat begon in een schamel houten huisje op een steiger in het water van de Geldersekade bij het IJ, wordt tegenwoordig voortgezet achter de glimmende gevel van een kantoorkolos aan de Ouderkerkerlaan. Dat is vlak bij de Amstel, want in Amsterdam is het water nooit ver weg.


 


 




De natste ruimte in huis
De geboorte van de badkamer (1850-1945)
Tekst: Natasja Hogen

inhoud_290_kleinWater is iets om over te varen, wisten al de eerste Amsterdammers. Om in te vissen ook. Onder bepaalde voorwaarden kon je het zelfs drinken. Maar dat je er jezelf ook mee zou kunnen wassen, was lang geen populaire gedachte. Pas na 1850 veranderde dat. En rond 1900 werd die omslag ook zichtbaar in de woninginrichting. Een aparte badkamer werd voor de elite een prestigeobject. Amsterdamse sanitairleverancies speelden daarbij een hoofdrol.

Op badkamergebied was Amsterdam internationaal bepaald geen trendsetter. De oudste baden van Europa stammen van ver voor onze jaartelling. De Romeinen kenden uitgebreide thermen (badinrichtingen) en ook de eerste openbare toiletgelegenheden stammen uit deze tijd. In de Middeleeuwen en de Renaissance viel de hygiënische standaard echter ernstig terug. Baden werd zelfs gezien als een gevaar voor de gezondheid. Ook het toilet verdween; de behoefte deed men op straat of in een hoek in huis.
Die ontwikkeling kwam de volksgezondheid natuurlijk niet ten goede en  epidemieën waren aan de orde van de dag, ook in Amsterdam. Zowel de mens als de stad vervuilde ernstig, maar eeuwenlang werd het verband daarvan met de pest, de cholera en andere ziekten nauwelijks gelegd. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw kwam hier duidelijk verandering in. Dat was allereerst te danken aan nieuwe medische ontdekkingen en analyses: met behulp van moderne microscopen werden ziekteverwerkers als bacteriën en virussen ontdekt. Ook kwamen er technische innovaties die het makkelijker maakten de vervuiling te lijf te gaan. Voor een goede hygiëne zijn immers een paar elementen essentieel: efficiënte toevoer van schoon water (voor drinken en wassen), snelle afvoer van afval (stadsreiniging, dus) en vuil water en fecaliën (riolering), goede ventilatie en veilige technieken om woningen (en water) te verwarmen.
Een eerste duidelijke blijk van het nieuwe denken was het Verslag aan den koning over de vereischten en inrichting van arbeidswoningen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (1855). Over de bestaande toestand, vooral in de steden, velde het Instituut een vernietigend oordeel. Het dringendst moest er iets gebeuren aan de afvoer van huisvuil en fecaliën, de drinkwatervoorziening en de ventilatie van de woning.
Amsterdam had in december 1853 zijn eerste waterleiding gekregen, vanuit de duinen naar een pomp bij de Haarlemmerpoort. Initiatiefnemer was de particuliere Duinwatermaatschappij, met Engels kapitaal. Hoewel de Amsterdamse advocaat en romanschrijver Jacob van Lennep het boegbeeld was, zagen Amsterdamse ondernemers en de gemeente er aanvankelijk niets in. Vrij snel kwamen er tientallen openbare tappunten bij en geleidelijk werd het buizenstelsel doorgetrokken naar de huizen van rijke en later ook armere Amsterdammers. Voorheen werd het drinkwater door particulieren vanuit de Vechtstreek naar Amsterdam gevaren en opgeslagen in waterkelders. Ook was er uit diep geboorde putten opgepompt grondwater, vaak nogal troebel. Maar wie geen van beide kon betalen, dronk soms nog vies grachtwater, met alle gevolgen van dien.

De eerste badkamers
Ook wat betreft de stadsreiniging en de sector ‘pies & poep’ liet de gemeente het initiatief lang aan particulieren. Zo kreeg de ondernemende arts en weldoener Samuel Sarphati in 1848 het alleenrecht tot het ophalen van huisvuil en fecaliën en het legen van de stedelijke beerputten. Pas rond 1860 begon de gemeente met de aanleg van een rioleringsstelsel. In 1884 werd het eerste gemeentelijke centrale pompstation opgeleverd, aan het eind van de 19de eeuw was ongeveer 40% van de Amsterdamse huishoudens op het (helaas haperende) rioleringssysteem aangesloten. Dankzij de aanleg van particuliere gas- en elektriciteitsnetwerken, die rond 1900 werden overgenomen en uitgebreid door de gemeente, kwamen bovendien twee moderne energiebronnen beschikbaar voor steeds meer inwoners.
Al die ontwikkelingen leidden tot een nieuwe ruimte in het woonhuis: de badkamer. Bij de bouw van de nieuwe dure woningen rond het Vondelpark in de tweede helft van de 19de eeuw werd een badkamer vaak al standaard in de woningplattegrond opgenomen. De arbeiderswoning zou het nog tot halverwege de 20ste eeuw moeten stellen met een eenvoudig privaat of soms het multifunctionele lavet. Voor de welgestelden was de badkamer behalve functioneel, ook een manier om hun welstand en verfijnde smaak te laten zien.
Door de geweldige (maar slecht verdeelde) economische opbloei van Amsterdam na de opening van het Noordzeekanaal in 1876 kon de Amsterdamse elite alsnog aansluiting vinden bij de snelle ontwikkeling van de sanitaire techniek. In Engeland werden al in de 18de eeuw de eerste (kostbare) toiletten met een spoelsysteem ontwikkeld en in Frankrijk en de Verenigde Staten kregen begin 19de eeuw herenhuizen een badkamer. De meeste herenhuizen in Amsterdam beschikten rond 1850 al wel over een toilet in de woning, maar pas ruim daarna zouden badkamers in de mode raken. Toen dat gebeurde groeide uiteraard de vraag naar sanitair en al snel ook het aantal bedrijven dat daarin handelde. Grote buitenlandse firma’s waren onder andere Shanks (Verenigde Staten), Johnson & Brothers (Engeland) en Porcher (Frankrijk). Vooral de Amerikaanse invloed was sterk: in de VS waren al vroeg strenge ‘sanitation laws’ afgekondigd, waardoor de sanitairhandel lucratief werd.

Sanitair wordt industrie
In Amsterdam was  de firma Peck & Co een van de bekendste sanitairfirma’s, naast Heystee, Smit & Co en Th. van Heemstede Obelt’s Sanitair Technisch Bureau. George Peck, oprichter van Peck & Co, was van 1854 tot 1857 in dienst van het Britse bedrijf John Aird, dat het exclusieve recht had op de levering van sanitaire producten van de Duinwatermaatschappij. Toen in 1857 het contract tussen de Duinwatermaatschappij en John Aird afliep, sprong George Peck in het gat. Een goede gok: inmiddels konden steeds meer Amsterdammers het zich veroorloven zich aan te sluiten op gas en water. Peck & Co legde zich echter niet alleen toe op het ontwerpen, leveren en aansluiten van badkamers; de firma was ook graag kandidaat voor de aanleg van bijvoorbeeld openbare rioleringssystemen en waterpompen. Peck & Co groeide mee met de technologische ontwikkelingen: bewaard gebleven catalogi tonen zeker tot Tweede Wereldoorlog een zeer uitgebreid assortiment dat zich constant vernieuwde.
Hoewel de Amsterdamse firma’s veel sanitair zelf produceerden, bestond hun assortiment voor een belangrijk deel uit producten van de grote buitenlandse producenten. Voor degenen met een ruim budget was het daarnaast mogelijk om sanitair op maat te laten maken. Zo vermeldde Peck & Co in zijn catalogi dat “een aanvraag om maatwerk mogelijk is, wanneer niet gevonden in het afbeeldingenboek.” Met de stijgende vraag naar sanitaire producten kwam de massaproductie langzaam op gang, maar sanitair bleef lange tijd bar duur.
Het belangrijkste reclamemiddel waren catalogi. Deze rijk geïllustreerde en luxe vormgegeven boekwerken gaven niet alleen een beeld van alle losse onderdelen, maar ook voorbeelden van complete badkamers. Bovendien toonden ze decoratiepatronen en materialen. Tegelijk werden ze gebruikt voor promotie van de firma: veel catalogi tonen foto’s en tekeningen van winkels, fabrieken en werkplaatsen of platen die de geschiedenis van het sanitair verbeelden.
Bij het ontwerpen van een badkamer was doorgaans geen architect betrokken, omdat ze werden ingepast in bestaande woningen. De meeste sanitairfirma’s hadden bovendien eigen ontwerpers in dienst en konden alle aansluitingen verzorgen. In speciale toonkamers konden opdrachtgevers in één opdracht een complete badkamer bestellen. Anders lag het natuurlijk bij chique ‘onder architectuur’ te bouwen  woningen waarin meteen al een badkamer voorzien was. In een catalogus van Porcher richt de firma zich bijvoorbeeld nadrukkelijk tot de architect. Niettemin zullen er niet erg veel door toparchitecten zijn ontworpen, vanwege de hoge kosten van maatwerk.

Tegel vervangt tapijt
De Amsterdamsche Duinwatermaatschappij heeft een belangrijke rol gespeeld bij de popularisering van de badkamer. In 1854 gaf ze een eerste boekje uit – De voordelen der Duinwaterleiding – met onder meer zestien voorbeelden van badkamers, losse toestellen en sanitair. Die waren nog heel eenvoudig, met weinig versiering. Na 1880 werden de aangeprezen badkamers bepaald luxueus. Inmiddels hadden ook sommige Amsterdammers buiten de echte elite een badkamer, zodat de echte rijken zich weer wilden onderscheiden door een nóg fraaiere versie. De eerste badkamers waren ingericht als een verlengstuk van de slaapkamer, met tapijt, gordijnen en behang aan de muur. Maar tegen het einde van de 19de eeuw werd de ruimte steeds sterieler door de toepassing van tegelwerk en andere gladde, hygiënische materialen.
Het sanitair, zoals de waskom en het bad, kregen aanvankelijk vaak een houten ombouw. Baden waren daarnaast vaak voorzien van een opstand of baldakijn. In Frankrijk ontstonden de ‘cabinets de toilettes’, houten meubelstukken waaruit een wastafel, bidet of zelfs een heel bad geschoven kon worden. In veel Franse catalogi zijn deze meubelstukken terug te vinden en ook in Nederland kwamen soortgelijke boudoirs voor. Deze afwerking van het sanitair was ingegeven door een aantal motieven. Ten eerste werd de samenleving in de 19de eeuw steeds preutser. Overdadige decoratie moest de baden, wasbaken en toiletten camoufleren door ze op gewone meubelstukken te laten lijken. De ombouwen werden geplaatst om de techniek te verhullen – of juist het ontbreken daarvan. Zo hadden wastafels in de eerste helft van de 19de eeuw vaak geen afvoer, maar werden ze geleegd in een emmer. Een ombouw onttrok deze aan het zicht. Na 1880 verdween de ombouw en verzonk de waskom in het blad. Want dankzij de voortschrijdende techniek werden wastafels onverplaatsbaar door toevoeging van een (warm)watervoorziening en afvoer. Aanvankelijk werd het meeste sanitair gemaakt van geëmailleerd ijzer, later steeds vaker van porselein.  

Douche krijgt voorkeur
In de laatste decennia van de 19de eeuw waren met name in Frankrijk voor het ontwerp van badkamers de uitbundige Louis XVI- en Empirestijlen erg populair, zoals goed te zien is in catalogi uit deze tijd. In Nederland was tot omstreeks 1920 naast een sobere variant van de Louis XIV-stijl vooral een Duitse, rationele stijl populair. Die onderscheidt zich vooral door veelvuldig gebruik van marmer. Deze stijlverschillen vinden we terug in de catalogi en advertenties. De firma Korsten adverteert bijvoorbeeld met een zwierige gedecoreerde badkamer in min of meer Franse stijl, terwijl de firma Van Heemstede Obelt een veel strakkere inrichting laat zien.     
Na 1910 werd de badkamerinrichting veel minder weelderig. De grote meubelstukken en overdadige decoratie verdwenen uit de badkamer. Ze maakten plaats voor een medisch-hygiënische stijl, waarbij het sanitair niet langer werd verhuld. Materialen moesten gemakkelijk zijn schoon te houden en ongevoelig voor krassen, waarin bacteriën zich kunnen verzamelen. Zo wordt in de catalogi van Peck & Co duidelijk vermeld dat het product onbeperkte garantie heeft tegen haarscheurtjes. De douche krijgt steeds vaker de voorkeur boven het bad. Deze ‘versobering’ van de badkamer betekende echter niet dat er bij het ontwerp geen aandacht meer werd besteed aan uitstraling en stijl: de variatie in het aanbod bleef groot. Hoewel voornamelijk in wit afgebeeld, waren de verschillende onderdelen in allerlei kleuren en voorzien van diverse motieven leverbaar. In catalogus 7A van Peck & Co (rond 1930) staan op de eerste pagina’s drie felgekleurde badkamers afgebeeld, in tulpenzwart, zacht lila, en Kopenhagen Blauw. De accessoires en poten van de wastafels zijn uitgevoerd in goud. Deze badkamers zijn ontworpen in de stijl van de Art Deco. De prominente positie van deze afbeeldingen in de catalogus doet vermoeden dat dergelijke in onze ogen vrij heftig gekleurde badkamers destijds erg populair waren. Tot de Tweede Wereldoorlog blijft de Art Deco de boventoon voeren in de verschillende catalogi.


 




Laat de kinderen vrij spelen
Aldo van Eyck ontwierp 860 speelplaatsen voor Amsterdam
Tekst: Fanta Voogd

inhoud_312_kleinBetonnen zandbakken en aluminium klim- en duikelrekken. De speelplaatsen van Aldo van Eyck waren in Amsterdam lang een vertrouwd beeld. Maar ook zo transparant en onnadrukkelijk, dat het maar weinig kinderen van de jaren vijftig, zestig en zeventig zal zijn opgevallen dat het koele metaal waarop zij leerden kopjeduikelen bijna volledig uit het straatbeeld is verdwenen.

In 1947 trad de 28-jarige Aldo van Eyck (1918-1999) in dienst van de Amsterdamse Publieke Werken. Nog in datzelfde jaar kreeg hij van zijn meerdere Jacoba Mulder  –een van de ontwerpers van het Amsterdamse Bos – opdracht om een speelplaats te ontwerpen in Amsterdam-Zuid. Daarmee luidde zij voor Nederland het tijdperk in van de openbare, buurtgerichte speelplaatsen. De speeltuinen van voor de oorlog waren bedoeld voor de hele wijk, kinderen moesten er lid van zijn en speelden er onder toezicht. Van Eycks speelplaats op het Bertelmanplein was de eerste van naar schatting 860 speelplaatsen, die tot 1978 in Amsterdam naar zijn ontwerp zijn uitgevoerd.
Aldo van Eyck was behalve ontwerper van speelplaatsen, een van de belangrijkste naoorlogse Amsterdamse architecten en een invloedrijk denker over stedenbouwkundige kwesties. In zijn publicaties over het belang van speelplaatsen verwees hij vaak naar het effect dat sneeuw op het gebruik van de stad heeft. Als het heeft gesneeuwd, nemen kinderen de stad over: ze sleeën, gooien sneeuwballen, maken sneeuwpoppen en zijn zichtbaarder dan ooit. “Maar wat de stad voor haar kinderen nodig heeft, moet duurzamer zijn dan sneeuw”, aldus Van Eyck.
De abstracte esthetiek van Van Eyck verwijst nog duidelijk naar die van De Stijl en het Nieuwe Bouwen, maar in zijn denken was hij eerder verwant aan (en bevriend met) de kunstenaars van Cobra. Van Eyck verzette zich tegen de steriele, technocratische en autoritaire kantjes van het moderne bouwen. Terwijl zijn baas, de stedenbouwkundige Cor van Eesteren, met zijn Algemeen Uitbreidingsplan in 1934 een dwingende blauwdruk had opgesteld voor de latere tuinsteden, wilde Van Eyck zijn ontwerpen juist aanpassen aan de bestaande stedelijke omgeving. Net als zoveel generatiegenoten uit de kunst, film, politiek en filosofie kwam hij in opstand tegen de grootse, hiërarchische systemen van de vooroorlogse generatie.

Auto pikt ruimte in
De eerste openbare speeltuin van Nederland, aan het Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam, werd in mei 1880 geopend. Het was het begin van de ‘speeltuinbeweging’, waarbij in heel Nederland mensen aan de slag gingen voor een speeltuin in de eigen wijk. De speeltuinen van de eerste generatie waren ruim opgezet, met veel lege ruimte. De houten toestellen vertoonden nog veel overeenkomst met wat er in de gymnastiek werd gebruikt: rekstokken, ringen en klimrekken. Vanaf de jaren twintig maakten de houten gymnastische toestellen geleidelijk plaats voor metalen toestellen. Deze toestellen vormen ons beeld van een klassieke speeltuin met schommels, wippen,  klimrekken en een glijbaan.
Ook als het gaat om openbare speelplaatsen speelde Amsterdam een pioniersrol. In de jaren dertig introduceerde ‘mejuffrouw Mulder’ zandspeelplaatsen, onder meer in het Vondelpark en het Sarphatipark. Met zand bedekte terreinen waar kinderen als op een strand konden recreëren. De zandspeelplaatsen zijn de directe voorlopers van de speelplaatsen van Van Eyck.
“Over de smalle stoepen van de straatjes tussen de grachten rijden en draaien de grote vrachtauto’s de garages in en uit. Plaats om te spelen is er voor de kinderen nauwelijks. Vooral de kleintjes die niet ver kunnen komen zijn hiervan de dupe want Ma stuurt ze toch de straat op. Kinderen hebben meer bestaansrecht dan auto’s, maar in de binnenstad betwijfelt men dat soms.” Deze hartenkreet uit een brief van een bewoonster van de Noorderstraat aan Publieke Werken van Amsterdam (1953) geeft een goed inzicht in de grootstedelijke noden van een jong gezin tijdens de wederopbouw.            
Na de Tweede Wereldoorlog was het kindertal groot en de woningen waren klein. Het autobezit nam snel toe en hoewel het er veel minder waren dan nu, trad de politie niet effectief op tegen foutparkeerders en snelheidsovertreders. Terwijl in de jaren dertig de straat zelf nog speelterrein was, had de auto in de jaren vijftig vaak ook nog eens een deel van de smalle stoep ingepikt. En vanwege de woningnood werden onbebouwde ‘landjes’ in de binnensteden in rap tempo volgebouwd.

Vaste elementen
Niet alleen de materiële omstandigheden maakten noodzakelijk dat de jeugd een deel van openbare ruimte heroverde, ook het denken was er rijp voor. Het 19de-eeuwse besef dat kinderen licht en ruimte nodig hebben, was in deze jaren tot in alle lagen van de bevolking doorgedrongen. De historicus Johan Huizinga had met zijn Homo ludens (1938) duidelijk gemaakt dat spel voor het mensdom bloedige ernst is. En jonge ouders volgden en masse het pleidooi van de Amerikaanse kinderarts Benjamin Spock voor een meer ontspannen manier van opvoeden. Het opkrabbelende Europa koesterde zijn jeugd en verheerlijkte de kinderlijke onbedorvenheid en spontaniteit.
In dit klimaat kreeg Van Eyck alle ruimte en liet het “speelplaatsen sneeuwen over Amsterdam.” Eerst vulde hij braakliggende terreintjes in de binnenstad en saaie pleintjes in de 19de-eeuwse wijken. Vanaf midden jaren vijftig werden zijn speelplaatsen ook opgenomen in de nieuwe wijken aan de stadsranden.
De speelplaatsen – hoe gevarieerd in vorm en afmeting ook – bevatten telkens een handvol vaste elementen. De zandbakken waren opgebouwd uit gestandaardiseerde betonelementen van de Gelderse Betonfabriek De Meteoor. De klim- en duikelrekken waren aanvankelijk van gegalvaniseerd staal, maar bleken toch te gaan roesten. Vanaf 1954 was Smits Aluminium Verwerkende Industrie uit Kinderdijk de vaste leverancier van klimrekken van geanodiseerd aluminium, in veertien iglo-, tunnel- of trechtervormige variaties. Behalve voor klimmen konden de klimrekken ook dienen als uitkijkpost of – met een kleed erover – als hut. ‘Springstenen’, ‘speeltafels’, ‘klimbergen’ of paaltjes van sierbeton moesten door kinderen naar eigen goeddunken worden betrokken in het spel. Van Eyck omzoomde het geheel telkens met houten zitbankjes. Zijn zandbakken, klimrekken en springstenen vonden overigens in heel Nederland aftrek.
Pas vanaf 1968 maakte Van Eyck voor zijn speelobjecten in de nieuwe wijken ook systematisch gebruik van hout. De gemeente kocht van de Bruynzeel Fineerfabriek in Zaandam zogeheten kernhouten palen, een overblijfsel van de fineerproductie. Die palen gingen zij aan zij verticaal de grond in, waardoor een houten klimberg ontstond, die een veel ruiger en minder gestandaardiseerd beeld opleverde dan zijn eerdere speelplaatsen. Het was de voorbode van een nieuwe generatie speeltoestellen.

Het behouden waard
In de jaren zeventig maakte hout een comeback. Het ‘natuurlijke’ materiaal sloot beter aan bij de tijdgeest dan aluminium en beton, dat zelfs spreekwoordelijk was geworden voor het grauwe kinderbestaan in de grote stad. ‘Zweedse speeltuinen’ en speelforten werden volledig opgetrokken uit hout en touw. Anderzijds maakten kleurrijke wipkippen en speeldieren van polyester een einde aan de door Van Eyck beleden noodzaak van abstractie. Hij en zijn medestanders zagen het als hun missie om de fantasie van kinderen te stimuleren. Speelbeesten maakten huns inziens het speelgedrag passief.
In 1978 ontwierp Van Eyck zijn laatste speelplaatsen. Nadien werden nieuwe speelplaatsen in Amsterdam samengesteld uit catalogi, met een wipkip hier en een glijbaan daar. Zonder samenhang, zonder achterliggende visie. Met de komst van de stadsdelen in de jaren tachtig was het gedaan met de centrale regie van Publieke Werken. Hier en daar leidde dat tot uitwassen, zoals door Snickers, Nuts en Dr Pepper gesponsorde basketbalveldjes. Of een nieuwe stadswijk (Oostelijk Havengebied) waar men was vergeten speelplaatsen in het stedenbouwkundig ontwerp op te nemen.
Van de 860 speelplaatsen die Van Eyck ontwierp, waren er in 2001 nog 90 over. En dat zijn er inmiddels waarschijnlijk nog minder. Op het Jonas Daniël Meijerplein staat er nog één. In het Vondelpark bij het Kattenlaantje en de Amstelveenseweg ook, maar ingebed in een nieuwerwetse speeltuin. Op die laatste is onlangs een flinke glijbaan geplaatst, die Van Eycks “niet-hiërarchische compositie” – geen van de elementen van de speelplaats mochten in zijn visie de andere overheersen – niets overlaat.
Voorzichtig dringt het besef door dat Van Eyks speelplaatsen het behouden waard zijn. De opstellers van het ‘Speelruimteplan 2009’ van Slotervaart stellen dat er in het (inmiddels voormalige) stadsdeel één gehandhaafd moet blijven als ‘cultuurhistorisch element’. “Voorgesteld wordt in een van de laagbouwbuurtjes ten westen van de Johan Huizingalaan bijvoorbeeld in de omgeving van de Louis Bouwmeesterstraat of Hemsterhuisstraat een plekje in tact te laten.”
Concentreert de publieke bezorgdheid zich in onze dagen vooral op de toenemende zwaarlijvigheid onder kinderen, de kern van het probleem is niet veel anders dan 60 jaar geleden. Veel kinderen uit allochtone gezinnen kampen met exact dezelfde problemen als de arbeiderskinderen uit de jaren vijftig: grote gezinnen in te krappe woningen. De kinderen uit de middenklasse spelen minder buiten dan ooit. Overbezorgde ouders brengen hen, uit vrees voor het drukke verkeer, met de auto naar school en hun clubjes. Het enige moment waarop basisschoolkinderen nog wel eens ontsnappen aan het beknellende toezicht van volwassenen, is wanneer zij op het internet dwalen.


 


 




‘Van Huis tot Huis geteekend’
Alle grachtengevels getekend, gegraveerd, gefotografeerd en gepixeld.
Tekst: Carolus van Doornen


gouden_bocht_2010-1


Talloze kunstenaars lieten zich door de grachtengordel inspireren. Motieven te over: gevels, bomen, boogbruggen, water. Maar slechts enkelen namen de gevelwand zelf als onderwerp. Ruim 24 kilometer gevelrijen met meer dan 4000 grachtengevels. Die vastleggen is een genre op zich. Geen sfeerbeelden, wel eindeloos veel raampjes. Caspar Philips was de eerste die het deed, Google Maps de laatste.

“Op een dag kom ik terug”, wist de in New York geboren Tim Killiam (1947) toen hij als student op doorreis slechts tijd had voor een enkele nacht in een hotel op het Damrak. Tijdens zijn architectuurstudie in de Verenigde Staten was Amsterdam niet aan bod gekomen. De grachtengordel? Nooit van gehoord. Hij kéérde terug, bleef voorgoed en de grachtenhuizen lieten hem niet meer los.
Het was journalist Ewald Vanvugt die, terug uit Venetië, met de Amerikaan een boek over de grachtengordel wilde maken. Hij de tekst, Killiam de tekeningen. Uiteindelijk werd het helemaal Killiams project, waarbij Hans Tulleners, fervent liefhebber van het Amsterdamse grachtenhuis, de teksten zou schrijven. “Ik wilde een pocketboek, een naslagwerk voor op straat, om mee langs de grachtengevels te lopen, als in de Gouden Gids”, zegt Killiam. Even origineel als handzaam. Na drie jaar werken zou het boek in 1978 het daglicht zien.
Met camera (een 6 x 6 Yashica) en keukenladder trok hij op de zondagochtend langs de grachten en legde gevelrij na gevelrij vast. De foto’s werden in een doka afgedrukt op een tafel met een helling, om de vertekening eruit te halen die bij de opnames ontstond doordat de camera immers achterover moest worden gehouden. De afgedrukte foto’s werden aan elkaar geplakt tot ellenlange stroken. Het was handwerk. Per abuis kreeg de brede gevel van Keizersgracht 555 er zodoende nòg een raamtravee bij.  Vervolgens werden de foto’s overgetrokken op calqueerpapier. Killiam ontwikkelde één tekenstijl: “Zelfs een kind zou het moeten kunnen.” Een vergelijking met de werkwijze van Walt Disney en zijn tekenstudio is onvermijdelijk… Een dozijn vrienden maakte 600 tekeningen van zo’n 3000 gevels. De lay-out is even helder als weldoordacht: geen gebouwen over de middenvouw van het boek en geen halve gevels op de uiteinden van de pagina’s. En de gevels van de even en oneven zijde zijn met de stoepen naar elkaar toe, boven elkaar afgebeeld.
Dat ‘achteroverklappen’ van beide gevelwanden was overigens niet echt een primeur. Dat deed ook al Killiams grote inspiratiebron: de bekende graveur Caspar Philips (1732-1789), wiens nauwkeurige tekeningen van alle gevels van Heren-, Keizers en Brouwersgracht al in de jaren 1768-1770 voor het eerst werden uitgegeven.  Er volgden nog diverse heruitgaven.

Caspar Philips maakte fouten
Een nieuwe generatie had zojuist in 1976 met Caspar Philips kennisgemaakt door de monumentale en veel besproken uitgave Vier eeuwen Herengracht, op initiatief van het Genootschap Amstelodamum uitgebracht door de Stadsdrukkerij, met een vette subsidie van de gemeente en het Prins Bernhardfonds. De kartonnen cassette bevatte twee boekwerken op royaal koffietafelformaat; het geheel woog minstens zeven kilo. Het dunste deel (180 pagina’s) bestond grotendeels uit geveltekeningen, niet alleen die van Philips, maar ook (daaronder) 20ste-eeuwse equivalenten, die hierna ter sprake komen. In het dikke boek (720 bladzijden) had mr. H.F. Wijnman van het Gemeentearchief daar nog eens per huis een vracht gegevens over alle eigenaren en/of hoofdbewoners aan toegevoegd. Het is het laatste in hoogdruk geproduceerde boek van de Stadsuitgeverij, gebonden in kalfsleren rug.
Caspar Philips leverde een verbluffende prestatie en maakte school, maar in de loop der tijd merkte zijn verre opvolger Killiam wel dat diens weergave minder correct was dan iedereen dacht. Dat bleek bijvoorbeeld toen men bovenop het Geelvinck-Hinloopenhuis, Herengracht 518, de attiek (balustrade) wilde terugbrengen die bij brand verloren was gegaan. Nummer 518 en 520 werden beide gebouwd voor dezelfde familie en hadden oorspronkelijk eenzelfde attiek. Killiam werd geraadpleegd, de prenten van Caspar Philips kwamen op tafel. “Zij dachten: Caspar Philips is de oudste bron, dus de beste. Maar hij tekende nummer 520 niet correct. Tel het aantal balusters (‘pilaartjes’, CvD) in de attiek. In plaats van vijf tekende Caspar Philips er drie.” Killiam: “Don’t trust Caspar Philips. Hij is niet Mozes met zijn bijbel!”
Een kind weet dat Mozes niet met de bijbel maar met de Tien Geboden van de berg afdaalde, maar Killiam heeft zeker een punt. Er zijn meer eigenaardigheden. De raamopeningen zijn stelselmatig te klein en zonder het houtwerk van de kozijnen afgebeeld. Het doet de vraag rijzen of ‘vergeten’ is de kozijnen òm de raamopeningen heen te tekenen. Niet alleen met details heeft hij gesjoemeld, maar bij nadere beschouwing blijkt bovendien dat de gevels van Caspar Philips een fractie zijn te breed zijn uitgevallen. Het is weinig, maar het rijzige van de gevels is ietsjes afgezwakt.  Gevelopmetingen zijn kennelijk niet verricht.
Alle uitgaven sinds 1768 waren gebaseerd op de zelfde gravures, ongeveer op de schaal 1:250. In 1959 kwamen zowaar ook Philips’ oorspronkelijke tekeningen boven water. Kunsthistoricus Bert van Swigchem trof ze in 1959 aan in de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen op de Kloveniersburgwal.

24 losse bladen
Alle kleinigheden ten spijt, is het unieke van Philips’ werk dat hij als eerste de grachtengevels aaneensluitend, als een strook, heeft afgebeeld: “ruim 1400 prachtige en trotfche Gebouwen origineel van Huis tot Huis geteekend en op Kunftige koopere Plaaten Afgebeeld.” Geveltekeningen werden uiteraard al eerder gemaakt, ook van grachtenpanden. Dat waren doorgaans ontwerptekeningen. Prenten van meerdere buurpanden op een rij bestonden ook al, zoals de weinig bekende gravures van (waarschijnlijk) Cornelis Danckerts: een serie van zestien prenten  waarin behalve het stadhuis een vijftigtal grachtenhuizen afgebeeld wordt. Het kan als voorloper van Caspar Philips’ Grachtenboek beschouwd worden, met dit verschil dat niet de gevelrij als geheel is weergegeven, maar een selectie van belangrijke, brede panden. Er worden dus panden overgeslagen. Het zijn architectuurtekeningen, met maatstok afgebeeld, maar verwarrend genoeg op verschillende schaal naast elkaar.
Caspar Philips’ gravures werden oospronkelijk als 24 losse bladen uitgegeven door boekverkoper Bernardus Mourik. De reeks was bedoeld voor de grachtenpandbewoners en ter lering van bouwmeesters en bouwlieden. Er was vraag naar: twee decennia na de eerste uitgave verscheen in 1791 een herdruk. In de late 18de eeuw werd menig grachtenpand verbouwd of van een nieuwe gevel voorzien in de trant van de toenmalige Lodewijkstijlen. Het plaatwerk had dus niets van doen met restauratie of nostalgie – ten aanzien van de grachtengordel waren dat destijds onbekende begrippen.
Caspar Philips’ gravurereeks was de eerste en gedurende meer dan een eeuw ook de enige. Herdrukken waren er in de 19de eeuw niet. Er was destijds weinig oog voor de schoonheid van de oude grachtengevels. De blik was toekomstgericht, grachten werden gedempt en grachtenpanden gesloopt, zoals bij de verkeersdoorbraak van de Raadhuisstraat. Pas na 1900 kwam het Grachtenboek weer in de belangstelling. Heruitgaven in zeer verschillende formaten en formules volgden elkaar nu geregeld op: 1922, 1930, 1962, 1976 (zie hierboven) en in 1991 (zie hieronder).

Zes jaar tekenen
Halverwege de 20ste eeuw ontstond voor het eerst het plan om Philips’ monnikenwerk te ‘actualiseren’. Initiator was in 1943 de architect J.P. Mieras, bestuurslid van Amstelodamum. Hij was geïnspireerd door een Engels voorbeeld: in 1933 had men daar de vroeg 19de-eeuwse London Street Drawings van John Tallis nog eens ‘overgedaan’. Mieras hoopte dat een nieuw grachtenboek eigentijds architecten zou doordringen van de bestaande schaal en stijl van de grachtengordel. Bij de (‘foute’) overheid wilde Amstelodamum niet aankloppen voor subsidie. Het moest dus vrijwilligerswerk zijn. Om die reden riep Amstelodamum de zogeheten Grachtengevelcommissie in het leven die een “teekenwedstrijd voor de rijpere schoolgaande jeugd” organiseerde.
Die werd met glans gewonnen door de collectieve inzending van De Poorters, leerlingen van de studentenvereniging van het Voortgezet Hooger Bouwkunst-Onderricht. Zij ontleenden die naam aan hun verenigingshonk, gevestigd op een zolderruimte van de Muiderpoort. De inzending bevatte de volledig in inkt uitgewerkte tekeningen (schaal 1:100) van de Herengracht, van Amstel tot Koningsplein, later aangevuld met het resterende gedeelte tot de Brouwersgracht. Volgens Amstelodamum geeft het schetsen en opmeten, in plaats van fotograferen, “de (leerling)architect de gelegenheid om intens door te dringen in structuur en materiaal van het bouwwerk, een bijna lijfelijk contact. Het dwingt er toe het bouwwerk als het ware te betasten, zoals men een fijn geweven stof tussen de vingers neemt om de structuur te proeven.” In 1949 werd de complete serie tekeningen aan het genootschap aangeboden.
Het had de 45 jonge architecten alles bij elkaar, mede door de “terugslag door de hongerwinter, de bevrijding en alles wat daarna kwam” zes jaar gekost. De leden van Grachtengevelcommissie waren er “eerlijk gezegd een ogenblik stil” van. In het gebouw van de Academie van Bouwkunst aan het Waterlooplein volgde een tentoonstelling. “In de drie galerijen die de kleine binnenplaats omsluiten, door hun lengte uitzonderlijk geschikt hiervoor, waren de tekeningen tentoongesteld, een lange indrukwekkende film van grachtengevels, getekend met een nauwkeurigheid en raffinement die de afbeeldingen van Caspar Philips’ werk verre te boven gaan.” Wijkende perspectieflijnen ontbreken. Het zijn opmetingstekeningen, telkens per gevel uitgewerkt en vervolgens naast elkaar geplaatst. Bouwkundige details zijn glashelder leesbaar. De kades zijn uitgestorven, de ramen zwarte gaten. Maar bij de Amstel smoort een baliekluiver zijn pijpje.
Door financiële problemen kwam het lang niet tot publicatie. Dat gebeurde pas in het de genoemde monumentale uitgave Vier eeuwen Herengracht: ter ere van de viering van ‘Amsterdam 700’ en 75 jaar Amstelodamum kwamen eindelijk de subsidies rond.

Ideaalbeeld op koffiekopjes
Levendiger en vele malen bekender zijn de grachtengeveltekeningen op het destijds zeer populaire en nog steeds vlijtig verzamelde Nutroma koffieservies uit de jaren zestig. Het bestond uit koffiekopjes, melkbekers en eierdopjes, rondom gedecoreerd met levendig uitgewerkte zwart-witte geveltekeningen. De tekeningen waren gemaakt door Henk Roodenburg (1895-1987) een topografisch schilder en etser. Voor de serviesopdracht schetste hij ter plekke en gebruikte hij standaardwerken  over Amsterdamse bouwkunst. Licht laat Roodenburg sfeervol langs de gevels spelen en ramen werkt hij kien uit: achter de gordijntjes wònen mensen. Om het ideaalbeeld van de Gouden Eeuw niet te verstoren werd een enkel pand uit de gevelrij weggelaten. Dissonanten als de 19de-eeuwse nouveau riche gevel Herengracht 380-382 of de asymmetrische art nouveau gevel Herengracht 16, die het ideaalbeeld van de Gouden Eeuw zouden verstoren, ontbreken op de koffiekopjes.
Schijn bedriegt wel vaker. Het Grachtenboek uit 1991 heeft het formaat van een koffietafelboek, maar staat vol met geschiedenissen van panden en bewoners geschreven door auteurs die hun visitekaartje al ruimschoots hadden afgegeven. Boven en onder de teksten staan in zwart-wit de gefotografeerde gevelrijen van de grachtenpanden. De huisnummeringen lopen tegengesteld: bovenaan oplopend de oneven nummers en onderaan aflopend de even nummers. Anders dan de werkelijke situatie, dus.
Fotograaf was de Annemieke van Oord-de Pee uit Utrecht. Ze werkte met een technische Horseman  loopbodemcamera (4 x 5 inch) op statief en fotografeerde alleen bij egale, grijze hemels. Zonloze dagen voorkomen storende slagschaduwen.Vooraf belde ze naar kunsthistorisch bureau D´Arts op de Herengracht, samen met de SDU uitgever van het boek: “Hoe is de lucht bij jullie?” De buienradar bood nog geen uitkomst. Onderweg in de trein kwam soms toch de zon door, helaas…. Ze fotografeerde ’s winters, zodat bladeren aan de bomen het zicht niet belemmerden. Het was doorzetten, meters maken. Skikleding bood enige soulaas. Soms was ze genoopt bij een huis aan de overkant aan te bellen: bij het Singel bijvoorbeeld, omdat niet over de drijvende kramen van de Bloemenmarkt heen gefotografeerd kon worden.
De foto’s werden aan elkaar geplakt tot lange stroken, met gevelrijen van straathoek tot straathoek, als op de stadsplattegrond. De waterlijn is, in tegenstelling tot de kades, horizontaal en vormt de onderkant van de foto’s. Afdrukken was bijna nog meer werk dan fotograferen. Met behulp van de vergrotingskoker bracht Van Oord-de Pee de gevels op één gelijke schaal. Een half afgesneden auto (bij Herengracht 524 en 522) of boomtak (Herengracht 516 en 514) verraadt knip- en plakwerk. De gevels werden weinig contrastrijk in het boek afgedrukt. Voor de grijzige gevelwanden is zelden een mens te bespeuren. De agenten voor het Paleis van Justitie zijn een schaars teken van leven. Achterin het boek zijn dezelfde opnames pittiger gereproduceerd. Bovendien zijn ze daar op gelijke schaal van en in dezelfde lay-out naast de 18de-eeuwse gravures van Caspar Philips geplaatst. De lezer kan kijken en vergelijken. Inmiddels is Van Oord opnieuw langs de grachten te vinden, nu met een digitale camera, want een nieuwe uitgave van het Grachtenboek is in voorbereiding!
Tot slot, het allernieuwste: Street View van Google Maps. Gefotografeerde gevels van elke straat op ieders computerscherm. Wat zal ik ervan zeggen? Amorfe dronkenmansblikken!


gouden_bocht_2010-2


 




Niemandsland met kapsones
Een wandeling over het Zeeburgereiland
Tekst: Peter-Paul de Baar

Weinig stukjes stad maken nu zo’n drastische verandering door als het Zeeburgereiland, de door water omringde driehoek tussen het Oostelijk Havengebied en IJburg. Dit voormalige baggerdepot was een eeuw lang een nogal troosteloos gebied waar vrijwel niemand kwam zonder dwingende reden. Nu moeten er aantrekkelijke woonwijken komen. Intussen is de ene helft een zandvlakte en de andere een chaos, soms met romantische trekjes.

Deels is onze tocht een déja vue: we maakten deze wandeling als eens eerder voor het meinummer van 1990. Er zijn herkenningspunten, maar vooral valt op hoeveel er sindsdien veranderd is.
We beginnen op een plek met zo’n acht eeuwen geschiedenis: de Zeeburgerdijk. En wel het alleroostelijkste deel: je komt er door vanaf de eindhalte van tram 7 en 14 (Flevoparkbad) onder de snelweg door te lopen, de Flevoparkweg bij de sporthal te kruisen en daar het oeroude dijklichaam te beklimmen. (Links bij de bocht van de Insulindeweg stond vroeger de Kriterion-benzinepomp. Waar bleef die? Dat zien we straks). We lopen rechtsaf de dijk op en dáár wordt de historie weer eventjes voelbaar. De oude Sint-Antoniesdijk was onderdeel van een tientallen kilometers lange zeedijk die in de 13de eeuw werd gebouwd langs de hele zuidoever van het IJ. Zo’n beetje hier én een halve kilometer westwaarts brak die zeedijk in 1561 door (lees erover op pag. 282-283 in dit nummer).
Vlak voor het eind van de dijk (nr. 633-641) staan twee aaneen gebouwde schattige oude huisjes. Dit was eens de herberg Zeeburg, in 1785 gebouwd op de fundamenten van de verdedigingsschans Seeborgh of Zeeburg. De herberg werd druk gebruikt door vissers en veehandelaren. Voor de hier aan land gebrachte varkens was onder aan de dijk – waar nu kunstmatige meertjes voor waterfiltering te zien zijn – een groot stallencomplex gebouwd. Dat werd eind 2002 door stadsarcheoloog Jerzy Gawronski en zijn team blootgelegd (zie Ons Amsterdam, februari 2003).
Vroeger maakte de dijk hier een scherpe bocht naar rechts en ging verder langs het tracé van de huidige Diemerzeedijk. Maar het verbindende stukje verdween in 1892 voor de aanleg van het Merwedekanaal, sinds 1952 Amsterdam-Rijnkanaal. Dus beklimmen we de ijzeren trappen van de hoge Amsterdamse Brug uit 1957, een schakel in de Zuiderzeeweg van Oost naar Noord. Meteen voorbij de kanaalmonding kijken we naar de Diemerzeedijk onder ons, met aan het begin Camping Zeeburg, waarover straks meer. In 1990 zagen we daar nog Jeugdland-Oost (voorheen Jongensland-Oost), in 1997 verhuisd naar de zuidoever van het Nieuwe Diep.
Hier dalen we weer de trappen af naar de Zuider-IJdijk en gaan die linksaf op. Voorbij het jachthaventje betreden we de zuidwestpunt van het Zeeburgereiland. In 1990 noemden we dat overigens nog Eiland Zeeburg. Maar in datzelfde jaar werd stadsdeel Zeeburg ingesteld en om verwarring te voorkomen kreeg sindsdien de naam Zeeburgereiland de voorkeur.

Baggerbergplaats
Met die Zuider-IJdijk begon het. Het alleroudste stukje, uit 1872, ligt verder noordwaarts, bij de toen aangelegde Oranjesluizen. In 1892, bij de aanleg van het Merwedekanaal, kreeg dat stukje zuidwaarts een verlenging: het werd de oostkant van de kanaalmonding en de westrand van het Zeeburgereiland. Al twee jaar eerder was er oostwaarts vanaf de sluizen een 4300 meter lange strekdam aangelegd in de stroomgeul van het IJ, om die te versmallen. Daardoor ging het water sneller stromen en werd het dichtslibben afgeremd. Intussen werd ook het Noordzeekanaal verdiept en werden de havenbassins gegraven in de toenmalige Stads-Rietlanden, die tussen pakweg 1870 en 1920 zijn omgevormd tot Oostelijk Havengebied. Het opgebaggerde slib werd opgeslagen ten zuiden van de lange strekdam. Om te zorgen dat de baggerberg daar bleef liggen, kwam er een derde dijk aan de zuidkant, van de plek waar wij nu staan tot halverwege de strekdam, die de driehoek sloot.
Op een kaart uit 1907 wordt door het kleurgebruik gesuggereerd dat toen het meest westelijke reepje eiland al begaanbare grond was, maar de rest nog nauwelijks. Rond 1910 werd de zuidwesthoek militair oefenterrein. In 1916 was de grond kennelijk zo stevig dat aan de noordkant het Marinevliegkamp Schellingwoude gevestigd kon worden, met een hangar en hellingbaan voor watervliegtuigen. In 1940 werd dat complex door de Duitse bezetters overgenomen, die er de grootste Nederlandse basis voor Luftwaffe-watervliegtuigen van maakten en bijna het hele eiland een militaire functie gaven.
Na de oorlog kwam de militaire luchtmacht er niet terug, maar wel bleven er een militair hospitaal en schietbanen van de Militaire Kaderschool. In 1962 trok het leger zich terug uit deze westkant van het eiland en acht jaar later ook van de rest. In 1957 was het eiland eindelijk redelijk bereikbaar geworden door de bouw van de Amsterdamse Brug (tussen Oost en het eiland) en de Schellingwouderbrug (tussen het eiland en Noord.) Daardoor kwam de weg vrij voor allerlei bedrijven en initiatieven die door hun overlast of bescheiden budget elders niet welkom waren: de grotere aan de IJzijde en talloze kleintjes aan de westrand.

Kunstenaars en kampeerders

We beginnen de rondgang maar met ons eigen subjectieve hoogtepunt: de charmante artistieke enclave rond de loods Zuider-IJdijk 25, hier even rechtsaf en dan (bij nummer 25) iets ‘landinwaarts’.
Tussen de hoge bomen vinden we de oude loods (nummer 26) die van 1974 tot diens dood het atelier was van beeldend kunstenaar Theo Niermeijer (1940-2005). Binnen en buiten staan overal zijn fantasievolle sculpturen van ‘oud roest’. Nu gebruikt de Braziliaanse kunstenaar Bruno Filho het atelier. Rondom de loods wonen en werken nog een tiental kunstenaars in kleurige woonwagens. Op houten bordjes staan teksten als ‘Museum Zeeburg’ en ‘One Peaceful World’. Hier zijn we helemaal terug in de hippiejaren van rond 1970. Een heel contrast met een eeuw geleden, toen precies hier een exercitieterrein lag, met schietbanen ernaast. Het einde van de idylle is echter in zicht, want over een jaar of vijf komen ook hier nette burgermanswoningen.
We lopen terug naar de hoek van het eiland en gaan rechtsaf de Zuider-IJdijk op. Vanaf de verharde rijweg beklimmen we voor een mooier uitzicht het eigenlijke dijklichaam links daarvan en lopen verder noordwaarts. Links zien we het Oostelijk Havengebied, rechts achtereenvolgens een hondentrainingsveld en een bonte verzameling loodsen met tientallen kleine bedrijfjes en wat ateliers. En Ponycentrum Jolly Jumper, al ogen de ponies niet erg jolly.
Een glimmend metalen bouwsel verbergt de ingang van de Piet Heintunnel, geopend in 1997. Vanonder het Spoorwegbassin racen rechts van ons vele auto’s het eiland op, over de IJburglaan rechtdoor naar IJburg of halverwege het eiland linksaf over de Schellingwouderbrug naar Noord. En sinds 2005 rijdt hier ook sneltram 26 richting IJburg.
Ongeveer hier lag van 1974 tot 1997 de roemruchte Camping Zeeburg, nu te vinden aan de Diemerzeedijk. Die huidige kampeerplaats is een stuk netter en saaier dan de oude. Camping Zeeburg werd ingericht door de gemeente als ‘troostprijs’ voor de straatarme buitenlandse hippies die niet meer gratis (op de Dam en in het Vondelpark) mochten slapen.

Duizendpoot Jan Kamp
De camping was een geldverslindende voorziening en naar de mening van de gemeente in 1983 ook overbodig geworden. De particuliere stichting die de exploitatie overnam, wilde de camping zo laagdrempelig mogelijk houden, met zo min mogelijk regels. De bezoekers vormden een prettig zooitje ongeregeld, als het echt moest getemd door de zwaarbebaarde, joviale reus Jan Kamp, een voormalige Groningse schipper, die in 1987 beheerder werd. De camping werd tevens werkervaringsproject voor jonge werklozen, psychiatrische patiënten en ex-verslaafden. Duizendpoot Kamp loste alles op; alleen aan administratie had hij een broertje dood. Dat leidde tot gigantische belastingaanslagen en ten slotte een knallend conflict tussen hem en het bestuur. De enige oplossing was (in 1996) het vertrek van beide partijen. In 1997 maakte de camping een brave doorstart op het voormalige Jeugdland-Oost.
Voorbij de tunnelingang aan onze rechterhand lag – wat meer naar achteren – tot voor kort het volkstuinencomplex Blijkmeer. “Het is De Enige Amsterdamse Vrije Tuin, wij geven elkaar geen boetes voor slordige heggen of onkruid”, staat nog op het internet te lezen. Begin 2009 werden alle tuintjes genadeloos weggevaagd. We zien nu nog slechts een grote vlakte hobbelig grasland, met hier en daar wat hoge bomen.
Waar de dijk een flauwe bocht maakt naar rechts, staan nog een paar kleine huisjes – mogelijk gebouwd voor personeel van de Oranjesluizen. Nummer 35 is nu te koop voor € 945.000,-. Die imposante sluizen uit 1872 zien we nu voor ons. We lezen de leerzame informatieborden en nemen kort een kijkje. Terug op het eiland lopen we haaks op onze oorspronkelijke route langs de noordkant. Het gaat hier straks veel drukker worden, want in de ‘Sluisbuurt’ is ondermeer een winkelcentrum gepland. Nu zijn hier nog een paar vrij grote bedrijven te vinden, een stuk grootschaliger dan aan de westkant, maar een aantal (zoals Snelbak Containers) liet zich al uitkopen. De grootste overblijver is Van Keulen Bouwmaterialen, aan onze rechterhand vlak voor de onderdoorgang van de Schellingwouderbrug.

Exit rioolwaterzuiveringsinstallatie
Deze brug naar Noord werd gelijk met haar zusje de Amsterdamse Brug in 1957 geopend. Als we er onderdoor lopen, stuiten we op een linie van hoge hekken die het hele oostelijk deel van het terrein afsluiten: één grote zandwoestijn. In 1990 liepen we nog helemaal rechtdoor tot voorbij de oostpunt van het eiland, waar de strekdam nog een heel eind doorloopt het IJmeer in. Dat kan nu niet meer, zelf al zouden de hekken er niet staan, want ten behoeve van de watervogels en vooral de pleziervaart is de dam in 2009 halverwege ‘doorgeknipt’.
Terug onder de brug door, gaan we zuidwaarts het eiland op, over een hobbelige weg parallel aan de afdalende  Zuiderzeeweg, langs Van Keulen en de verdwenen volkstuinen. Waar de Zuiderzeeweg het maaiveldniveau bereikt, ligt het centrale kruispunt van het Zeeburgereiland. We steken de autoweg over naar het voet- en fietspad van de IJburglaan. In 1990 lag hier nog een stille smalle zijweg zonder naam, nu is het een drukke autoweg naar IJburg, met tramlijn 26 ernaast.
Bijna het hele eiland ten oosten van de Zuiderzeeweg en ten noorden van de huidige IJburglaan werd van 1982 tot 2006 in beslag genomen door de Rioolwaterzuivering-Oost: een gigantische batterij imposante bassins. Tot 1982 werd het rioolwater van Oost-Amsterdam nog ongezuiverd het Buiten-IJ ingepompt. Nadat al eind jaren tachtig was besloten om niet alleen op IJburg, maar ook op het Zeeburgereiland woningen te bouwen, dacht de gemeente nog tot ver in de jaren negentig dat de rioolwaterzuivering hier kon blijven, alle stank en lawaai ten spijt. Pas in 1998 werd bij nader inzien besloten een grote zuiveringsinstallatie voor de hele stad te bouwen in het Westelijk Havengebied; acht jaar later was die klaar.
Als herinnering aan het verleden mochten op het eiland drie van de kleinste bassins blijven staan. De twee meest westelijke worden herschapen tot het Annie M.G. Schmidthuis: een speels cultuurcentrum met een aan de schrijfster gewijde expositie, theater en filmzaal, restaurant en speeltuin op het dak. Het derde bassin wordt het kantoor van architectenbureau Faro.
Ten westen en zuiden van de bassins komen woonwijken. Tussen de westelijke huizenblokken is een sportpark gepland. Omstreeks 1990 dacht men nog aan 50% sociale huurwoningen, maar inmiddels is 30% de norm. De mooiste en duurste huizen komen te staan aan het IJ, aan de noordrand. Langs de IJburglaan zien we grote billboards die het eiland nu al aanprijzen als nieuwe woonparadijs. Daar bestaat enige scepsis over. Dankzij lijn 26 is het eiland veel bereikbaarder geworden, maar excentrisch blijft het. Bovendien is er veel verkeersoverlast. En geologen vrezen dat heien hachelijk is, omdat in deze ‘oergeul’ van het IJ de fameuze ‘eerste zandlaag’ vaak ontbreekt en misschien ook wel de tweede!



Studenten in containers
Vlak voor de kruising met de Ringweg-Oost zien we aan de linkerhand tot onze verrassing het eerder zoek gewaande tankstation Kriterion. Niet toevallig draagt het dezelfde naam als de bekende bioscoop: beide waren en zijn werkverschaffingsprojecten voor studenten, in 1945 bedacht door de jonge verzetsman Piet Meerburg, onlangs overleden. Net vóór het tankstation ligt een betegeld zijpad. Ongeveer hier komt de Kaapkotweg naar de nieuwe ‘Rio-buurt’.
We zouden rechtdoor kunnen lopen, over de Jan Schaeferbrug naar IJburg, het nieuwe woongebied in het IJmeer dat bij onze wandeling in 1990 nog Nieuw-Oost heette en alleen nog in gedachten bestond. Dat doen we nu maar niet – want we moeten weer terug langs hetzelfde stuk IJburglaan van daarnet. Een alternatieve route is er nog niet. Teruglopend kijken we voor de afwisseling naar de zuidkant van de laan. Daar is zowaar al een nieuw, wat somber ogend woonwijkje neergezet door corporatie De Key. Het blijken studentenflats, opgetrokken uit gestapelde containerwoningen.
We steken het kruispunt over en gaan vlak voor de futuristische vormgegeven tramhalte van tram 26 linksaf de ‘ventweg’ op. Aan onze rechterhand zien we allereerst een tijdelijke ‘Park + Ride’ voor toeristenbussen en daarachter een complexje oranjebruine prefab ‘blokhutwoningen’. Van 2001 tot 2005 was dit Asielzoekerscentrum Zeeburg. Nu wonen er studenten, die binnenkort weer moeten verkassen naar de containerwoningen aan de IJburglaan, want de hele zuidwestkant van het eiland wordt de moderne Baaibuurt-West. Verder doorlopend zien we rechts nog een terreintje dat kermisexploitanten gebruiken als winterverblijf. En dan staan we weer op de zuidelijke dijk. Rechtsaf komen we weer op bekend terrein en lopen weer naar de Amsterdamse Brug. Terug naar het ‘vasteland’!




Urk was ooit van Amsterdam
Minder ‘anders’ dan het lijkt
Tekst: Klaas de Vries

Twee eilanden kocht Amsterdam in 1660: Schokland en Urk. De stad hield ze tot 1792 in bezit. Wij kennen Urk als bolwerk van gereformeerde orthodoxie. Dat was niet altijd zo. Vooral Amsterdam heeft de Urkers het calvinisme opdrongen. Die namen dat op de koop toe. Want zonder Amsterdamse steun was het eiland door de Zuiderzee verzwolgen.

Wat nu Urk is ontstond zo’n 150.000 jaar geleden als een grote bult van keileem, omhoog geduwd door het landijs tijdens de voorlaatste ijstijd. Nadat in de 12de eeuw het oude Flevomeer alias Almere zich tot Zuiderzee had ontwikkeld, kreeg het eiland steeds meer te lijden van de vaak woeste golven. Aan de rifachtige zuidwestkust werden steeds stukken afgeslagen, terwijl aan de lage noordoostkant de klei weer aanslibde. Zo veranderde Urk tot ongeveer 1700 voortdurend van omvang en vorm. Hoe lang Urk bewoond is, blijkt een moeilijke vraag. Na de inpoldering werd bij Urk een hertshoornen bijl uit ongeveer 10.000 jaar voor Christus gevonden, maar ook een stenen bijl van zo’n 7500 jaar later. Daarna won de zee weer terrein. De eerste overtuigende sporen van nieuwe bewoning dateren van rond 900 na Christus.
Ook al waren ze na de 9de eeuw door de zee gescheiden, bestuurlijk was Urk vanaf ongeveer 1300 eeuwenlang een eenheid met Schokland, betiteld als de ‘heerlijkheid Urk en Emmeloord’. Emmeloord was Schoklands grootste nederzetting. Een ‘heerlijkheid’ was een gebied bestuurd en uitgebaat door een Heer die het ‘in leen’ had van een vorst: eerst de Duitse keizer, vanaf 1285 de graaf van Holland, wiens rol na de vorming van de Nederlandse Republiek in 1588 werd overgenomen door de Staten van Holland. In 1616 beleenden die Urk aan de katholieke Vlaamse jonkheer Johan van de Werve, die op een kasteeltje bij Antwerpen woonde.

De bekering van Urk
Onder meer de 18de-eeuwse stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar duidde Urk en Emmeloord gemakshalve aan als ‘ambachtsheerlijkheid’, net als bijvoorbeeld Nieuwer-Amstel en Sloten. Maar Urk was al omstreeks 900 (bijna drie eeuwen voordat Amsterdam ontstond) een ‘hoge heerlijkheid’. Het verschil: in een ambachtsheerlijkheid moest de heer zich beperken tot de ‘lagere rechtspraak’ (kleinere misdrijven, arbitrage) terwijl een ‘hoge heer’ ook bevoegd was tot hoge rechtspraak: zaken waarin de doodstraf geëist kon worden.
Een visserseiland was Urk eerst niet. Aanvankelijk overheerste de landbouw, maar de akkers werden steeds weer door de zee weggeslagen. Daardoor werd de veeteelt belangrijker. De populaire Urker boter werd via de markten van Elburg en Kampen verhandeld tot in Keulen aan toe. In de 16de eeuw kwam daar de visserij bij. Eerst dichtbij in de Zuiderzee op haring en bokking die werd verkocht op de markt in Enkhuizen, na 1700 steeds meer op de Noordzee. De daar gevangen schelvis, schol en tong werd bij voorkeur in Amsterdam aan de man werd gebracht. In 1792 leefden alle 142 Urker mannen inmiddels van de visvangst.
Veel langer dan elders in de regio bleven de Urkers katholiek. Een belangrijke factor was dat ook eigenaar Van de Werve ‘rooms’ was. In 1599 ondernam de hervormde kerkeraad van Enkhuizen een vergeefse poging om de pastoor van Urk tot het calvinisme te bekeren. Dertig jaar later werd de eerste dominee geïnstalleerd. Hij kreeg het zwaar, zowel materieel als mentaal. Midden 17de eeuw werd Urk nog steeds geregeld bezocht door rondreizende priesters. Pas rond 1700 was heel Urk protestant. Die omslag was sterk bevorderd door het feit dat Urk een nieuwe eigenaar had gekregen: de stad Amsterdam, waar al sinds 1578 de protestanten aan de macht waren. Wat bewoog de stad tot de aankoop van het eiland?

Vuurtoren met plat dak
Al in 1617 hadden de Staten van Holland op aandrang van Amsterdam op Urk een vuurtorentje laten bouwen, met een plat dak waarop een kolenvuur werd gestookt. Ook zonder toren was het hooggelegen eiland sinds mensenheugenis een baken op de Zuiderzee geweest. Schepen liepen gevaar vast te lopen op de ondiepten van het Enkhuizerzand. Kustafslag dwong de vuurtoren tot drie keer toe landinwaarts, tot ze in 1662 op de huidige plek kwam. De kwetsbare kust was een risico voor de bakenfunctie die het ‘vuur van Urk’ vervulde. Hoe bezorgd Amsterdam ook was, heer Van de Werve deed er niets aan, want Urk leverde hem weinig op. Uiteindelijk liet hij zich overhalen op 4 oktober 1660 Urk voor ƒ 14.000,– aan de stad te verkopen. Namens de vier Amsterdamse burgemeesters trad de machtige Andries de Graeff als nieuwe heer van Urk aan. In augustus 1661 bracht een hoge delegatie voor het eerst een officieel bezoek aan Urk. De schout en vier burgemeesters van het eiland beloofden toen plechtig nu toch echt protestant te worden, waarna ze luisterden naar een preek van de dominee en de Amsterdammers in het huis van de schout (het informele gemeentehuis) een vorstelijke maaltijd voorzetten.
Die ‘investering’ was het wel waard. Sindsdien besteedde Amsterdam veel geld en moeite aan de kustversterking van Urk en het herstel van stormschade. In 1710 en 1752 werden bovendien in Amsterdam twee grote loterijen voor Urk georganiseerd. En toen het  kerkje van Urk weer eens was omgewaaid, werd op initiatief van Amsterdam maar goeddeels op kosten van Holland een door de Amsterdamse bouwmeester Samuel Creutz ontworpen godshuis gebouwd. Bescheiden maar stevig en charmant, nu bekend als het Kerkje aan de Zee.
Financieel bleek Urk voor Amsterdam een bodemloze put, al slaagde de stad er nu en dan in ook het gewest Holland een bijdrage te laten leveren. Ten slotte wist de stad het gewest er toe te bewegen het beheer van Urk in 1792 over te nemen.
Maar intensieve contacten bleven er nog lang. Tot ver in de 20ste eeuw verkochten  Urkers hun vis in Amsterdam en Urkse meisjes schijnen hier nog in de jaren dertig zeer welkom te zijn geweest vanwege hun properheid en toewijding. Op Urk bleef men zich spiegelen aan de Amsterdamse traditie van handel en scheepvaart, ook nadat het in 1939 ophield een eiland te zijn. De Urker vissersvloot is een van de belangrijkste in de Europese Unie.


 


 




Reuring rond de Verfdoos
Mooi opgeknapt wooncomplex in een probleemwijk
Tekst: Hannie Raaff

Na jaren keert Hannie Raaff terug naar de Verfdoos. De modelflat in Slotermeer waar ze als jong meisje in 1956 kwam te wonen. Het leven was er goed. Het in verval geraakte wooncomplex is onlangs totaal gerenoveerd. Wat ze aantreft? Prachtige woningen, rommel en een scherpe sociale tweedeling. “Ik wil er wel weer wonen om te geloven dat alles beter gaat worden.”

In 1956 was ik negen jaar en verhuisden wij van Bentveld naar ‘de Verfdoos’, de creatie van architect Allert Warners aan de Slotermeerlaan. Ik was er meteen verliefd op.
Slotermeer was een wijk in aanbouw. Om de grond bebouwbaar te maken was zand opgespoten, gewonnen uit de Sloterplas, waar je nu heerlijk in kon zwemmen. Het zou de mooiste buurt worden van alle na de oorlog gebouwde wijken, afwisselend kwamen er eengezinswoningen en flats. Die flats vormden ‘stempels’ binnen een patroon van binnentuinen, grachtjes en brede lanen, zoals de Slotermeerlaan. En van al die flats was onze flat het mooist. De Algemene Woningbouwvereniging (AWV) had het aangedurfd om in tijden van woningnood een complex van twee flatgebouwen neer te zetten dat voor die tijd uitmuntte in originaliteit en luxe – en dat voor sociale woningbouw!
Het witbetonnen gebouw stond hoog op de poten en de speelse vorm werd nog extra opgevrolijkt door gekleurde glazen platen. De ingang van de portiekwoningen zat aan de achterkant, aan de Martinus Nijhoffstraat. Daar stonden ook achtkantige schuurtjes waar je met het voorwiel aan een haak je fiets moest ophangen. En dan de woningen zelf. Het waren doorzonwoningen met een grote huiskamer en een bijna even grote keukenkamer, waar je huiswerk kon maken terwijl je moeder stond te koken. Vanuit de huiskamer hadden we een fantastisch uitzicht over Amsterdam.
Ook hadden we drie flinke slaapkamers. En in de badkamer was een lavet met een ingebouwde wasmachine, bestaande uit een langzaam heen en weer draaiende vin en een centrifuge. Als je de vin eruit haalde kon je in het lavet een kind baden. Twee balkons hadden we. Bloembakken en stoeltjes op het voorbalkon, de vuilnisemmer, de schillenbak en de reservekan met olie voor de oliestook op het achterbalkon. Daar hingen we ook de was op. Behalve op zondag, want de overburen huurden niet van de AWV, maar van ‘het Oosten’ en waren dus katholiek. Zij hadden grotere gezinnen en kleinere flats.

Zwaar gesteven petticoats
We voelden ons uitverkoren: 10.000 mensen hadden de modelwoning in de Verfdoos bezocht en wij behoorden tot de 90 gezinnen die een woning kregen. Mijn moeder verkocht in Bentveld de Friese staartklok om de flat in te richten volgens de idealen van Goed Wonen, een stichting die arbeiders opvoedde om hun huis smaakvol en strak in te richten. Dus kregen we een teakhouten wandrek en in alle kamers rustig grijs linoleum, behalve in de keukenkamer waar zwart linoleum met gekleurde vlekjes lag, ‘confetti’ geheten. Dat was handig, want je zag er niets op, zelfs geen gekleurde muisjes. Ik kreeg twee rotan stoeltjes in mijn kamertje en een tomadorekje voor mijn boeken.
Voor mijn moeder was de verhuizing niet alleen een terugkeer naar haar geboortestad, maar ook het begin van een veel beter leven. Ze was woningbouw maatschappelijk werkster  bij de ‘toeslagwoningen’ in Slotermeer en Geuzenveld, een project voor ‘zwak-sociale gezinnen’, zoals dat toen heette, en kon nu gewoon op de fiets naar haar werk.
Ik wilde zo snel mogelijk een echt Amsterdams kind worden. Dat viel nog niet mee. De scholen in Slotermeer konden de grote toestroom van nieuwe bewoners met kinderen uit de naoorlogse geboortegolf niet aan. De klassen zaten overvol en dus moest ik op de lagere school in Aerdenhout blijven en stuurde mijn moeder me daarna naar een mulo in Amsterdam-Zuid. Ik heb heel veel moeten zeuren om naar de Burgemeester Tellegenschool bij ons in de buurt te mogen. Daar zaten 44 schreeuwerige kinderen in één klas en ik vond het er geweldig. Mijn moeder zag met lede ogen aan dat ik me bij de ‘volkse sfeer’ aanpaste, met zwaar gesteven petticoats en een onvervalst Amsterdamse tongval. Om me een beetje bij te sturen deed ze me op stijldansen in buurthuis Ons Huis, waar je niet mocht rock-’n-rollen, want dat was ordinair.   

Vertrouwen in de toekomst
In ons portiek woonden allemaal ‘nette arbeiders’ en middenstanders die een winkel hadden onder de Verfdoos. We veegden en dweilden bij toerbeurt de trappen en daarna rook het er weer naar vers beton. Natuurlijk waren er ook problemen. Het tochtte en we konden de ruzies van de buren letterlijk volgen – en die verliepen niet allemaal even netjes. Maar op Sinterklaasavond strooiden mijn moeder en ik snoepgoed in het hele trapportaal en bonsden wij op alle deuren waarachter jonge kinderen woonden.
Wonen in de Verfdoos maakte ons optimistisch en vol vertrouwen in de toekomst.  Dankzij de loongolf werden we allemaal rijker en we genoten volop van de noviteiten die in onze buurtwinkels te krijgen waren: paprika’s bij de groenteman en langspeelplaten bij Hans Grünhut. Sommige kledingzaken werden zo succesvol dat ze wegtrokken uit de Slotermeerlaan, zoals de ouders van de broertjes Japie en Wimmie Groven, die een herenmodezaak in de Beethovenstraat begonnen. Andere gezinnen vertrokken naar een eengezinswoning in één van de nieuwere tuinsteden, zoals Osdorp. Wij geloofden dat door de stijgende welvaart kinderen van vijftien niet meer van school zouden gaan om te werken en dat de ruzies van de buren zouden stoppen. Zelfs de mensen in de toeslagwoningen zouden zich aanpassen aan onze sociaal-democratische normen.
Mijn moeder ging pas weg uit de Verfdoos toen ze 70 was. Niet de negen trappen waren het bezwaar: ze wilde met haar vriend samen een nieuwe start maken in een appartement in Zuid. Ikzelf woonde toen allang niet meer thuis, zelfs niet in Amsterdam. Jarenlang had ik niets meer te zoeken in Slotermeer.
Behalve dan in mijn dromen, ik droom regelmatig dat ik weer met mijn moeder en broer in de Verfdoos woon.

Hernieuwde kennismaking
Dan verschijnt in de Volkskrant van 15 januari 2010 een artikel over de renovatie van de Verfdoos. Architect Klaas Waarheid heeft het complex aangepast aan de eisen van 2010, “denkend vanuit het DNA en de positieve elementen van het gebouw” en rekening houdend met de wensen van diverse doelgroepen. Na ongeveer 35 jaar vind ik het de hoogste tijd voor een hernieuwde kennismaking.
Die kennismaking begint op Plein ’40-’45. Op de markt domineren grote, allochtone gezinnen het straatbeeld. Kinderwagens met drie, vier kinderen erin en ernaast zijn geen uitzondering, de ‘witte’ populatie is van mijn leeftijd en zit opvallend vaak in een scootmobiel.
Ik loop het ‘Tuinstadhuis’ in, het gebouw dat ik ooit gebouwd heb zien worden  als hoofdkwartier van de NVV, de voorloper van de FNV, nu Stadsdeelkantoor. Een vriendelijke beveiligingsmedewerker bevestigt mijn eerste indrukken. In de tijd van toenemende welvaart trokken veel eerste bewoners weg, zoals mijn moeder en de broertjes Groven. Deze leegloop werd gekeerd door de komst van heel veel, te veel kansarme Marokkaanse gezinnen. De werkloosheid in Slotermeer/Geuzenveld is nu hoger dan in de rest van Amsterdam, net als de schooluitval. Het handjevol oudere Amsterdammers dat gebleven is, moppert dat de buurt hun buurt niet meer is. De fouten uit het verleden worden nu hersteld: de slechtste wooncomplexen gaan tegen de vlakte, er komen koopwoningen om beter gesitueerde bewoners in de buurt te houden. En wat de buurt mooi vindt, wordt behouden en aangepast aan de eisen van de tijd.
Dat is ook met de Verfdoos gebeurd. Als ik er voor sta is het net of ik een oude geliefde weer tegenkom. Aan de kant van de Slotermeerlaan is het complex nog even fris en mooi als vroeger; moeiteloos herken ik aan de gekleurde glasplaten de plek van mijn slaapkamertje. De winkels zijn aangepast aan het magere budget van de bewoners. De spectaculaire facelift zit aan de achterkant. Door twee enorme glazen kolommen met liften en trappenhuizen vinden de nieuwe bewoners hun weg naar de galerijen, die op de plek zitten van de vroegere achterbalkons. De architect heeft vaste plantenbakken in de nieuwe achtergevel geplaatst. Ze zijn allemaal leeg.

Een praatje aanknopen
De Verfdoos is nu een maand of vier weer helemaal bewoond, maar bij de bellentableaus ontbreekt meer dan de helft van de naambordjes. Ik kan zonder aan te bellen de entree in, de elektronische toegangsdeur is geforceerd. Dat krijg je als buitenspelende kinderen geen deurmat meer tussen de deur kunnen leggen, want als je te vaak aanbelt wordt je moeder kribbig.  
In de hal hangt een brief van de huismeesters: “Beste bewoners, nu jullie in dit mooie nieuwe gebouw wonen is het de bedoeling dat het ook netjes blijft. Er gaan wat zaken fout.” Ik zie wel wat er fout gaat: troep op de galerijen en de entree, zwerfvuil, lekkende vuilniszakken. Verontrustend is het einde van de brief: “Als wij een brief ophangen, is het niet toegestaan deze weg te halen. Dit bepalen wij.” Mijn pogingen om een praatje aan te knopen met de nieuwe bewoners stranden.
Bij de ‘kleine’ Verfdoos, de seniorenflat met de ingang aan de Van Moerkerkenstraat, het tweede deel van het complex, lukt het wel. Frans, Henny en Dinie zijn sinds hun 18de jaar lid van de AWV. Begin jaren tachtig kwamen ze in het andere deel (de ‘grote’ Verfdoos) wonen. In het begin waren ze, net als wij destijds, dolgelukkig met de flat. Er woonden ook buitenlanders, aanvankelijk niet meer dan één gezin per portiek. Dat was het beleid en er waren geen problemen. Maar vanaf 1990 waren ze nog de enige autochtone bewoners.
Ze hebben zich enorm kwaad gemaakt op de AWV. Buitenlanders …. dat is nou eenmaal zo. Maar waarom zoveel en dan ook nog mensen die zo van het platteland kwamen en niet wisten hoe je een modern huis moest bewonen? Op gegeven moment hield Henny op om de buren te bewegen ook een keer de trappen te vegen en te dweilen: “Frans zei dat ze met die lange jurken de boel wel schoonveegden.” Een eerdere renovatie om de flat te isoleren, werd heel slecht uitgevoerd – als de buren spruitjes kookten (of knoflook) genoot de hele flat mee. De balustrades van de bakons gingen roesten en zaten los, en een likkie verf kwam er niet aan te pas.
Net als in 1956 konden ook nu de scholen de toeloop niet aan, met dit verschil dat de nieuwe generatie kinderen het Nederlands slecht beheersten en de ouders ‘andere gedragscodes’ hadden. Op het hele schoolplein is maar één blond koppie te zien en dat is de kleindochter van Diny. Voor balletles moet ze naar een andere buurt.

Terug na de renovatie
Toch keerden Frans, Henny en Dinie na de renovatie terug, zij het naar de kleine Verfdoos,  bestemd voor 55-plussers zonder thuiswonende kinderen. Waarom? “Omdat ik van een beetje reuring hou. En het uitzicht is hier prachtig”, zegt Frans. Voor Henny had de terugkeer niet gehoeven, de kinderen zijn naar Purmerend vertrokken en winkelen doen ze niet in “die armoezaken” in de buurt.
En, het moet gezegd, de woningen zijn vanbinnen prachtig geworden. Wél zijn door de verbeterde isolatie de plafonds lager en de kamers een paar centimeter kleiner dan eerst. Ook moeten ze nu elektrisch koken, omdat er stadsverwarming is gekomen. Wokken kan niet meer. De buitenlandse gezinnen in de grote Verfdoos hebben nu massaal gasflessen in de berging staan, wat nogal gevaarlijk is. En die lege bloembakken moeten ‘ooit’ door woningbouwvereniging Stadgenoot gevuld worden, de rechtsopvolger van de AWV. Henny heeft er niet op gewacht en alvast een palm in de hal van de kleine Verfdoos gezet.
De situatie is nu deze: de grote Verfdoos is ‘zwart’, er wonen grote gezinnen, en het is er alweer een troep; de kleine Verfdoos, de seniorenflat, is ‘wit’, en netjes. Ook hier ontbreken veel naambordjes op het bellentableau in de keurige ontvangsthal. Maar dat heeft een andere oorzaak. Er staan namelijk nog veertien appartementen leeg. Stadgenoot krijgt ze niet verhuurd aan de doelgroep 55-plus. Terwijl de oude bewoners huurgewenning krijgen, moeten nieuwe bewoners € 600,- betalen. Dat is nog wel binnen de huursubsidiegrens, maar toch een hoop geld voor een flat in een probleemwijk. Want dat is het, ondanks de goede bedoelingen, nog steeds: een probleemwijk.
Henny, Frans en Diny zijn nu bang dat de norm verruimd wordt. Ze houden wel van kinderen, daar niet van. Maar het moeten geen kinderen zijn die in het portiek kakken en de boel vernielen. Het is duidelijk: hier is sprake van cultuurverschillen die niet meer met strooigoed op Sinterklaasavond te overbruggen zijn.
“Heb jij geen zin om hier te komen wonen”, vragen ze bij het afscheid. Het gekke is dat ik niet meteen nee zeg. Ik wil wel weer in de Verfdoos wonen om te geloven dat alles beter gaat worden. En bovendien heb ik na al die jaren buiten Amsterdam ook wel weer eens zin in een beetje reuring.

Delen: