Nummer 6: Juni 2017

Coverjuni20171 145x205


 


Prijs €6,- Bestel



Op de omslag: Telegraaf-hoofdredacteur Kick Schroder wordt in december 1915 gevangengezet. Omslag De Nieuwe Amsterdammer, 11 december, met tekening van Jan Sluijters


- Villa Betty


- Lezen is toch niks voor kinderen


- Bureau Jodenhoek


- De Moord- en Brandbuurt


- Held van het vrije woord of 'karakterlooze inktkoelie'?


En verder:


- Vaste route van Jan Rothuizen


- Hier gebeurde het: Eerste steen Felix Meritis gelegd, 7 juli 1787


- Stem uit het verleden: Jules Schelvis


- Markante Amsterdammer: Kick Schroder




Ondergronds in het Vondelpark



Wat te doen met de schuilkelder onder de in 1947 geopende Vondelbrug over het Vondelpark? Dat vroeg het gemeentebestuur zich een halve eeuw geleden af. De gevreesde Russische atoombom was nog altijd niet gevallen en dus was deze ruimte nutteloos, net als tientallen andere schuilkelders in de stad. De communistische wethouder Harry Verheij (jeugd en sportzaken) kwam in juni 1967 met een lumineus idee.
Hij was druk op zoek naar plekken waar de rebelse jeugd eigentijds maar toch verantwoord vertier kon vinden. Zo had hij al bedacht dat het kerkgebouw van de Vrije Gemeente aan het Kleine-Gartmanplantsoen een muzikaal jongerencentrum mocht worden. (Paradiso ging dat heten.) En in juni 1967 verzon hij iets soortgelijks voor de ruimte onder de Vondelbrug: prima geschikt als geluidsdichte 'beatkelder'! Fijn voor de omwonenden, die klaagden over de 'klereherrie' in het park. Omdat de plek in geval van nood nog steeds schuilkelder kon blijven, zou het rijk f 372.009,- bijdragen en de gemeente f 150.000.-. Op vrijdag 19 januari 1968 was het zover: de glunderende wethouder gaf een slag op de drum, waarna de Sammy Soul Set optrad.
Tijdens de bouw, kort na 1940, werd de holle ruimte onder de westelijke oprit even gebruikt als noodcentrale voor de telefoondienst. In de latere bezettingsjaren werd ze volgestort met water en zwommen er karpers. Na de bevrijding stond de kelder leeg, tot rond 1960 de bestemming atoomschuilkelder werd, onder de hoede van de BB (Bescherming Burgerbevolking).
Probleemloos bleek het beatkelder-project niet. De losse sfeer had ook nadelen, stelde de Stichting Lijn 3 in maart bezorgd vast. Er sneuvelden 33 glazen per dag. Na twee jaar ging Lijn 3 failliet, en maakte een doorstart als Studio 7. Toen ging het er pas echt mis. Bij een politie-inval in augustus 1971 werden 25 jongeren aangehouden in bezit van harddrugs (lsd en mescaline), gestolen en valse paspoorten, stiletto's en gaspistolen. Twee jaar later ging Studio 2 dicht en daarna stond de bunker twintig jaar leeg.
Maar zie: sinds juni huurt de stichting Schijnheilig (begonnen als krakerscollectief) de Vondelbunker, zoals de kelder nu heet, voor experimentele en gratis toegankelijke optredens in "de enige echte Amsterdamse ondergrondse". En met behoorlijk succes. Onlangs werd een tweede vijfjarig contract met de gemeente gesloten. Dat was stap één. Stap twee is de financiering. Schijnheilig heeft geld nodig om door te kunnen gaan. Geheel in de geest van de tijd is een crowdfunding gestart. Ga naar: https/vondelbunker.nl.




Koningin van de Overtoom Betty-1-huis-oud


Schatrijk en hopeloos verliefd was hij, de tabakshandelaar Eduard Lehmann. Met zijn geld kocht hij een schitterende buitenplaats tussen de Overtoom en het Vondelpark en het meisje van zijn dromen werd de koningin van deze villa: Villa Betty. Amsterdammers kennen het mysterieuze huis verscholen achter haag, hekken en parkgroen. Er doen nogal wat verhalen en geruchten de ronde. Harry Hosman ging op zoek naar de werkelijkheid.


Langs de Gerard Brandtstraat loopt een lange schutting overwoekerd met klimop; aan de kant van het Vondelpark staat een hoog hek met prikkeldraad. Als een kasteel rijst de villa met zijn torentje uit het lentegroen omhoog. In het weggerotte tuinhuisje schuilde vroeger een nachtbewaker, nu jagen 's nachts twee honden ongenode bezoekers de stuipen op het lijf. Door de poort aan de Overtoom is het donkere gesteente van Villa Betty aan het einde van de oprijlaan nauwelijks zichtbaar. Toch kennen vele Amsterdammers het mysterieuze huis op bijna een hectare grond midden in de stad. Uit de verhalen, de artikelen, de geruchten.
Ter hoogte van de parterre is een gevelsteen gemetseld: 'Eerste steen gelegd door P.H.F.M. Smithuysen oud 2 jaren october 1877'. Het gedenkteken herinnert aan de jaren waarin de randen van het Vondelpark bebouwd werden met grote vrijstaande huizen, het ene nog duurder en luxueuzer dan het andere. Vele Amsterdammers, vooral uit het oudste deel van de binnenstad, vonden het daar aantrekkelijk wonen in de toenmalige gemeente Nieuwer-Amstel, die begon even ten zuiden van de Vondelkerk. De lagere gemeentebelasting was een cadeautje.


Tabakserfgenaam
Eén van de gelukkigen was de 39-jarige Petrus Smithuysen. Samen met zijn vier jaar oudere broer Franciscus Smithuysen had hij uitstekende zaken gedaan in de tabakshandel. De eerste steen die Petrus' zoontje legde, betekende de start van de bouw van de villa naar een ontwerp van architect Peter Laarman. Op een belendend stuk grond liet zijn broer in 1878 de villa Marjo (Vondelstraat 12) neerzetten. Beide villa's raakten ingeklemd tussen nieuwe huizen en straten, en in 1895 verkocht Franciscus zijn Marjo. Hij verhuisde naar een kleinere villa in de pas aangelegde H.G. Kosterstraat, later omgedoopt tot Gerard Brandtstraat.
Na het plotse overlijden van Petrus Smithuysen moest zijn weduwe de andere villa van de hand doen. Eigenaar voor f 80.000,- werd in 1896 de net meerderjarige tabakserfgenaam Eduard Lehmann, een schatrijke zakenrelatie van haar man. De van oorsprong Duitse Lehmann liet de villa ingrijpend verbouwen en verfraaien door architect Gerrit van Arkel. Op de bel-etage kwamen vijf kamers in verschillende stijlen: Hollands, Frans Louis XVI, Arabisch, Chinees en Engels, met als extraatje een biljartkamer uitgevoerd in jugendstil. De bovenverdieping kreeg een Empire en een Mechelse kamer. Het plafond van de tabaksfirma in de Warmoesstraat verhuisde naar de dan nog naamloze villa.
De stijlkamers en het schitterende trappenhuis met glas in lood ramen vormen het decor van de in 1983 door regisseur Ate de Jong verfilmde roman Brandende liefde van Jan Wolkers. Kunstacademiestudent Jan (Peter Jan Rens) krijgt Franse les van Mademoiselle Bonnema (Ellen Vogel) en zorgt voor haar oude vader (Siem Vroom). Jan en zijn vriend Kees (Huub van der Lubbe) raken bedwelmd door de beeldschone Anna (Monique van de Ven), die ook een etage van Villa Betty bewoont.


Verliefd
Aan de Overtoom met de aangrenzende Kinkerbuurt ontbraken majestueuze ingangen zoals die in de Van Eeghenstraat. De toegang naar het park bestond uit een paar laantjes en paadjes. Volgens sommigen om de "proletarische aanwezigheid tussen het lover te ontmoedigen". Villabewoners als Lehmann aasden op een privétoegang tot het park. Op 28 mei 1896 kreeg hij toestemming voor een eigen achteruitgang. Onder voorwaarden. Eerst diende hij de sloot achter zijn perceel te dempen en riolering aan te leggen. Maar nu kon hij 's winters de arrenslee uit het koetshuis halen voor een ritje met twee appelschimmels door het park.
In die dagen raakte Eduard Lehmann verliefd op Elisabeth, een van de dochters van zijn procuratiehouder H.F. von Hunteln. Ze was in 1889 uit het Duitse Hanau naar Amsterdam gekomen. In 1900 trouwde hij met de 20-jarige vrouw, voortaan heette de villa Betty. Volgens de ene bron was Betty mooi, lang en statig, volgens de andere bron had ze het gedrongen figuur van Wilhelmina.
Al enkele jaren vóór de demping van de stinkende Overtoom in 1902 annexeerde Amsterdam het noordelijke deel van Nieuwer-Amstel. De straten werden omgenummerd. Villa Betty werd Overtoom 241. Ondertussen had Eduard Lehmann met vooruitziende blik aangrenzende panden verworven. In neorenaissancestijl liet hij een poort, een stal en een koetshuis bouwen. Een inscriptie aan de Overtoom markeert de uitbreiding: 'De eerst steen gelegd door Betty Lehmann-von Hunteln 7 juni 1900'. Paarden, koetsen, Rolls-Royces en Bentley's hebben anno 2017 plaats gemaakt voor de spiegels van Kinki Kappers.


Koningin
Gekscherend, maar ook met ontzag, werd Betty de Koningin van de Overtoom genoemd. Beroemdheden als prins Hendrik logeerden in de villa. De butler trakteerde buren bij die gelegenheid op een kelkje jenever. Ook de antirevolutionaire voorman dr. Abraham Kuyper was een bekende. Later werd hij er door politieke tegenstanders van beschuldigd dat hij als minister-president onder anderen Lehmann had voorgedragen voor 'beriddering' in ruil voor schenkingen aan zijn partij.
Onder de bezoekers was George Hendrik Breitner, die verstilde foto's van de villa afdrukte (hij woonde in 1906-1907 aan de overkant op de Overtoom). Ook Haagse School-schilders als Isaac Israëls, Hendrik Willem Mesdag en de gebroeders Jacob en Willem Maris kwamen langs, evenals de schilderes Thérèse Schwartze. Als dank maakten ze gezamenlijk een schetsje in olieverf op een palet dat Betty vol trots op een schildersezel tentoonstelde. In 2013 veilde Christie's het relikwie voor € 17.500,-.
Ter gelegenheid van hun zilveren bruiloft op 16 januari 1925 poseerden Betty en Eduard met familie op de statige hardstenen trap. Alles op de foto ademt de 19de eeuw. Ruim acht jaar later stierf Eduard Lehmann, volgens de rouwadvertentie "na een langdurig en zwaar lijden". Het huwelijk was kinderloos gebleven.
Vier jaar later, op 21 september 1937, hertrouwde Betty met een jeugdvriend, de 60-jarige Cornelius Ubbo Ariëns Kappers, sinds 1908 directeur van het Nederlandsch Centraal Instituut voor Hersenonderzoek. Al vóór Betty's huwelijk met Eduard had hij een zwak voor haar gehad. In de Tweede Wereldoorlog vervalste Ariëns Kappers vele zogeheten Ariërverklaringen, en voorkwam zo de deportatie van een 200-tal Joden. Het personeel moest zijn ondergoed goed verstoppen, anders gaf hij alles weg. Zelf droeg hij graag pofbroeken. Zijn kamenierster knipte de pijpen van nieuw pakken half af en liet ze omzomen.


Roos
Op zaterdag 5 mei 1945, ook de verjaardag van Betty, hees Ariëns Kappers het rood-wit-blauw op de toren van de villa en op het balkon. Boven de deur prijkte een grote Amerikaanse vlag, een geschenk uit 1902 van een Amerikaanse reisgenote. De vreugde over de bevrijding duurde kort. In 1946 overleed hij op kantoor aan een hartaanval. Daarna was het afgelopen met de partijtjes tennis, het paardrijden, het zwemmen en de tuinfeestjes. Af en toe reed de chauffeur Betty naar Duitsland of Zwitserland. Of naar de P.C. Hooftstraat, om een half pond aardbeien te kopen.
Ze had nu alle tijd om te dwalen door de kamers van haar huis en de reusachtige tuin. Stipt om half acht liet ze haar kamenierster de gordijnen van de slaapkamer opentrekken. Die hielp Betty bij het aan- en uitkleden, liet het bad vollopen met water van exact 38 graden Celsius. De butler, gekleed in een roze gestreept jasje, poetste stipt om 10 uur 's ochtends de bel van de villa. Het diner serveerde hij in een pandjesjas.
De mooie jaren waren voorbij. Betty kon alleen maar dromen van het verleden. Bovendien raakte het geld op. Als een van de huurders aan de Overtoom klaagde over een lekkage en aandrong op reparatie bitste de boekhouder: "Dat zal niet gaan. Mevrouw is aan haar laatste miljoen bezig." Het huis raakte in verval. Uit de enorme wijnkelder verdwenen op onverklaarbare wijze flessen. Een enkele keer wandelde Betty nog in de tuin. Met een stok wees ze de roos aan die de butler voor haar moest plukken. De jaren zeventig waren aangebroken – aan de andere kant van het hek bedreven hippies de vrije liefde.


Veilingen
Tot haar honderdste mocht Betty in de villa blijven wonen volgens het huwelijkscontract. Vlak voor ze die leeftijd bereikte eisten Duitse familieleden de veiling van het huis, inclusief de inboedel. Haar eeuwfeest vierde ze er al niet meer. Vóór ze de deur achter zich dichttrok, liet ze volgens de verhalen een groot, geschilderd portret van zichzelf dat in de villa had gehangen in de tuin verbranden. Nog hetzelfde jaar stierf stierf Betty von Hunteln in een tehuis in Driebergen.
Op de kijkdag van het huis konden belangstellenden zich vergapen aan de persoonlijke bezittingen van Betty. Zoals haar trouwbijbel van 1900. Die verdween geruisloos, evenals het album Onze reis naar Egypte en Soedan Jan. Febr. 1930. En ook foto's van het zeilschip Quo Vadis, waarmee Lehmann zeilwedstrijden over de hele wereld had gevaren. De opbrengst van de veiling van de villa met grond en opstallen op de avond van 4 juni in de Koepelkerk aan het Singel voor Overtoom 241 met het vroegere koetshuis annex stal op 243-245 bedroeg f 2,3 miljoen. De andere verhuurde huizen sloeg de veilingmeester af op ruim zeven ton.
De inboedel werd half juni geveild bij Sotheby's Mak van Waay aan het Rokin. Schilderijen, meubels, tapijten, tafelzilver, beelden, alles wat was verbonden met Villa Betty kwam onder de hamer. De pianola uit de muzieksalon ging naar het Pianola Museum. Een uitzonderlijk mooie Steinway-vleugel belandde via een tussenstation uiteindelijk ook bij dit museum, dat de vleugel vorig jaar in bruikleen gaf aan het Rijksmuseum. Een achtergelaten eikenkast voor vrachtpapieren uit de tijd van de tabakshandel pronkt tegenwoordig bij buurman Kees Tamboer.



Hoefsmid
De nieuwe eigenaar van Villa Betty, de beruchte speculant Ronnie van de Putte, belandde kort na zijn aankoop in de gevangenis. De villa kwam andermaal in de verkoop. Ondertussen verfilmden regisseur Ate de Jong en producent Rob Houwer in het lege pand Brandende Liefde. Koper van het landgoed in 1983 was de vastgoedmagnaat Nicolaas (Niek) Sandmann. Hij is nog steeds eigenaar. Het kantoor van Stichting Villa Betty, gehuisvest in de villa, beheert honderden huizen. Naast het sierlijke Villa Betty in de voorgevel heeft Sandmann in jugendstilstijl de namen van zijn vier kinderen laten vereeuwigen: Danilo, Valerie, Sander en Maximilian.
Hij verdeelt zijn tijd tussen de villa, een huis op Bonaire en een zeilschip. Zijn liefde voor de watersport bleek ook uit een enorme motorboot, die lange tijd op de oprit van de villa was gestrand. Met een crossmotor reed hij in het verleden erg graag rondjes door de tuin. Het geluid verscheurde de stilte in de buurt en mixte slecht met de klanken van piano en viool in een naastgelegen kleine particuliere concertzaal. Het gebrul is verstomd. Gebleven is het gehinnik van paarden, die op het landgoed hun stal hebben en over de smalle paden draven. Als de hoefsmid op bezoek komt, keert de 19de eeuw even terug aan de Overtoom.


Urnen
Ooit stond links van de ingang een planten- en druivenkas. Het gravel van de tennisbaan naast de villa is verkleurd, de scores hardop van 40 love en deuce zijn verstomd. In Brandende liefde voert Ellen Vogel de zwaan in het vijvertje. Ook hij is gevlogen. Slechts een glooiend heuveltje in de tuin verraadt de gemeubileerde bunker waarheen Betty in de oorlog kon vluchten. Op een duintop van crematorium Westerveld staat een grafmonument met de urnen met de as van Eduard Lehmann en Ariëns Kappers. Tussen hen in de as van hun echtgenote Betty von Hunteln.


HARRY HOSMAN IS JOURNALIST EN PROGRAMMAMAKER. HIJ WERKT AAN HET PROJECT 'AMSTERDAM IN FILM EN TV-SERIE'.


MET DANK AAN KEES TAMBOER EN GINI TAMBOER-VLIEGER.


 


 


 




Het liep storm Leeszaal-1-lezen-buiten


'Sist niet van ieder slecht boek de vraag der paradijsslang: Waarom eet gij niet van de vrucht van dezen boom?' Groot was de huiver in met name confessionele kring voor het uitlenen van boeken aan kinderen. Pionier Annie Gebhard doorbrak de weerstand met jeugdleeszaaltjes en parkbibliotheekjes.


Wie nu de Openbare Bibliotheek (OBA) aan de Oosterdokskade binnengaat en bij de roltrap links naar beneden kijkt, raakt onmiddellijk gefascineerd door de enorme veelkleurige ruimte. Halfronde witte boekenkasten waar de kinderen via een trap bovenop kunnen klimmen, kussens om op te lezen, voorleesbanken, het Annie M.G. Schmidt Theater – en natuurlijk het Muizenhuis met zo'n 100 kamertjes, dé grote attractie van de Jeugdafdeling. Sommige kinderen lezen, anderen hollen opgewekt schreeuwend rond. Het is geen voorwaarde meer om te kunnen lezen. In allerlei filialen is er voor baby of peuter het programma Boekstart. 'Retteketet... babypret!' (0-2 jaar) bijvoorbeeld, stimuleert voorlezen en taalontwikkeling.
Het heeft even geduurd voor de openbare bibliotheek zover was. Om precies te zijn een halve eeuw. In 1907 – de OBA bestond nog niet – werden de kinderleeszaal en -bibliotheek uit de doelstellingen van de openbare bibliotheekbeweging geschrapt. Men vreesde subsidieproblemen. In antirevolutionaire en vooral in katholieke kringen bestond grote weerstand tegen het uitlenen van boeken aan jeugdige personen. Ze vreesden gebrek aan controle op de kwalijke effecten van minder geschikte lectuur: "Sist niet van ieder slecht boek de vraag der paradijsslang: 'Waarom eet gij niet van de vrucht van dezen boom?'"
Geld voor jeugdleeszalen in openbare bibliotheken kwam er niet, ook niet in de in 1919 opgerichte Amsterdamse openbare leeszaal aan de Keizersgracht 440-444 en de filialen die de daaropvolgende jaren elders in de stad kwamen.
Nederland liep achter: in Engeland en Amerika bestond al volop een kinderleescultuur met goede boeken, leeszalen en professionele jeugdbibliothecarissen. Annie Gebhard (1883-1975), in dienst van de bibliotheek van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, was de pionier die ondanks alle huiver een begin maakte met het Amsterdamse kinderleeszaalwerk.


Rijen kinderen
In 1912 richtte ze de eerste kinderleeszaal op. 'Leeszaal voor Jongens en Meisjes', anders klonk het te kinderachtig. Gebhard zei later over de vele angstige bezwaren van bestuurders en politici: "Kinderleeszalen! Wat al schrikbeelden hebben ze niet opgewekt: kweekplaatsen van vroegwijze oude mannetjes en vrouwtjes, bleekneusjes, boekenwurmen, — in één woord de allergriezeligste verwachtingen gingen, in ons land althans, aan de oprichting van kinderleeszalen vooraf. Er was dan ook een beetje durf noodig om zonder veel ophef een proef te nemen."
De belangstelling was enorm, de kinderen stonden in rijen voor de ingang van het zaaltje in het Nutsgebouw op de Nieuwezijds Voorburgwal 212. De eerste tijd werd een gulden per jaar contributie gevraagd als drempel om de verwachte stroom nieuwsgierige kinderen een beetje in de hand te houden. "Maar", zag Gebhard, "het middel bleek erger dan de kwaal, zelfs een dubbeltje per maand leidde tot sneue gezichtjes." Het werd hoe dan ook erg vol, een jaar na de oprichting waren er 200 leden. In 1914 moest er een ruimte bij komen waar ook lezingen met lichtbeelden werden gegeven, bijvoorbeeld over Artis.
De kinderen mochten de boeken zelf uit de kast pakken, een moderne bijzonderheid. Aan aparte tafeltjes konden ze huiswerk maken; vooral kinderen uit grote gezinnen deden dat. Praten, eten en roken (!) waren in de leeszaal verboden.
De nadruk lag op goed lezen, vooral "bij volkskinderen van wie de ouders geen tijd of ontwikkeling hebben om te toe te zien wat en hoe het kind leest". Dat mocht niet oppervlakkig zijn, 'leeswoede' was uit den boze. En de oprichters verwachtten mooie pedagogische effecten: de beschavende invloed van de leeszaal zou kinderen van de straat houden en netheid, orde en eerbied voor het bezit van anderen bijbrengen.


Parkbibliotheekje
In de zomer van 1917 deed de Nutsbibliotheek iets bijzonders: in het Vondelpark werd een parkbibliotheekje georganiseerd tijdens de schoolvakantie van 15 juli tot 15 augustus. De mooiste boeken uit de Nutskinderleeszaal – in de vakantie gesloten – verhuisden naar het parkwachtershuisje. Bij goed weer konden de kinderen gaan zitten of liggen lezen; vuile handen moesten eerst in een emmer worden gewassen. De parkbibliotheek was een onmiddellijk succes, nieuw voor Nederland en opnieuw een initiatief van Annie Gebhard, die het idee opdeed in Engeland. Ze wilde grotere groepen kinderen bereiken, ook degenen die de Leeszaal voor Jongens en Meisjes niet kenden of te ver weg woonden. Het liep storm in het Vondelpark, de medewerkers moesten stoppen met inschrijven omdat ze boeken tekort kwamen.
"Jongens en meisjes van allerlei slag kwamen er, ook de allerarmsten, want 't verschil viel haast niet op. Tot een jaar of vijftien waren ze er van allerlei leeftijd; zelfs de heele kleintjes, die nog niet lezen konden, verschenen om net als de ouderen, met een boek onder hun arm parmantig weg te stappen en dan prentjes te gaan kijken... Af en toe stoppen de lezers om verstoppertje te doen", schrijft Nel Andriesse, die deze zomer de leiding had in het park.
Je kon er net zo rustig zitten als in een echt leeszaaltje en toch hoefde je niet aldoor stil te zijn, er was geen juffrouw die je 'aan de anderen moest herinneren'. In de verslagen is sprake van één gestolen boek, dat een dag later werd teruggebracht, Afke's Tiental van Nienke van Hichtum.


Briefje
De parkbibliotheek werd zo populair dat ook volwassenen vroegen om een filiaal, vergeefs. Wel werd het zomerse kinderbibliotheekje in het Vondelpark de komende jaren een vast evenement. Andriesse sprak de hoop uit dat er snel andere zouden komen in andere parken, waar de kinderen in de vakantie anders alleen maar rondhangen en ruzie krijgen met de parkwachter.
Dat duurde nog even. Toen er in 1924 ruim 1600 boeken waren geleend aan ruim 600 kinderen werd dat aanleiding om te overwegen ook in andere parken bibliotheekjes op te zetten. Vier jaar later konden de kinderen in het Oosterpark terecht. Op foto's in het Algemeen Handelsblad staan ze weer in dichte rijen voor het uitleenhuisje te wachten of zitten ze geconcentreerd te lezen, dicht naast elkaar op overvolle bankjes.
Amsterdam-Noord was in 1929 aan de beurt met een bibliotheekje in het Volewijkspark. In het boekenhuisje zaten de dames van het nieuwe Nutsleeszaaltje (sinds 1927) in de Wijde Steeg 4. Al lang voor de uitlening begon, stonden er kinderen met een briefje met toestemming van hun vader of moeder, om vijf uur moesten ze hun boeken weer inleveren. "En bijna nooit is er een boek verdwenen!", schreef Het Volk een paar jaar later enthousiast. Toen ook in het Sarphatipark vanaf 1930 in de vakantietijd boeken konden worden geleend en gelezen, werd er in het Nutsdepartement drie jaar lang enthousiast gerapporteerd over de vier zomerbibliotheken.


Kritiek
Maar drie jaar later kwam er na alle verslaggeving over het zonnige, drukke, maar waardevolle werk stevige kritiek. Het Nut vond het eigenlijk geen echt bibliotheekwerk, er zat te weinig continuïteit in. Het voldeed niet aan een werkelijke behoefte. "De meeste kinderen komen uit sensatiezucht", constateerde het bestuur. Een klein percentage van de ingeschreven kinderen komt terug, slechts weinige komen regelmatig. Uit een statistiekje over de jaren 1933-1934 blijkt dat het Vondelpark de trouwste lezers had. In het Sarphatipark en het Volewijkspark kwamen de meeste kinderen één keer en daarna nauwelijks meer. Naar aanleiding hiervan besluit het Nut tot opheffing van de bibliotheekjes in de parken met de meeste kinderen uit lage sociale milieus, waar de leesbehoefte volgens het bestuur gering was. Het bibliotheekje in het Oosterpark bleef bestaan, maar in de notulen van 1934 staat wat snibbig: "Kinderen in het Vondelpark komen om te lezen; kinderen in Oosterpark lezen omdat ze er toevallig komen." Vanaf 1937 bestond er alleen nog een parkbibliotheek in het Vondelpark. In 1939 werd ook die opgeheven.
Het jeugdwerk werd pas in 1950 onderdeel van de Nederlandse openbare bibliotheken. In 1969 verhuisde het leeszaaltje aan de Wijde Steeg – waar ooit Annie Schmidt gewerkt had – naar het Molenpad, om de hoek van de openbare bibliotheek aan de Keizersgracht.
In 2016 ondernam de OBA een originele poging om kinderen én hun ouders buiten de bibliotheek aan het lezen te krijgen. In de vier opvanglocaties voor vluchtelingen kwamen pop-up bibliotheken, enthousiast ontvangen door de kleine en de grote lezers. Dit jaar gebeurt dat bij het asielzoekerscentrum in de oude bajes aan de Wenckebachweg, oftewel de Lola Lik.



JOOSJE LAKMAKER IS JOURNALISTE EN PUBLICISTE.


 


 




De Jodenhoek door politie-ogen Inhoud-3-plein


Precies een eeuw lang waakte de Amsterdamse politie vanuit bureau Jonas Daniël Meijerplein over de oude Jodenbuurt. Op 5 juni 1967 sloot het politiebureau, dat moest wijken voor de inrit van de IJtunnel. Dagrapporten en herinneringen verhalen over het alledaagse leven in een bijzondere stadsdeel. Feestdagen, burenruzies, flauwgevallen marktbezoekers. Tot februari 1941. De buurt was de buurt niet meer.


Jonas Daniel Meijerplein 1 bestaat niet meer. Het deel van het plein waar het politiebureau stond heet sinds 1968 Mr. Visserplein. Van de 15de tot de 19de eeuw was hier het Leprozenhuis voor melaatsen en later ook zwakzinnigen. Alleen het Leprozenpoortje in de Lazarussteeg was er nog van over na de afbraak in 1860, een meter of tien ten oosten van de Mozes en Aäronkerk. Er kwam een nieuw classicistisch bouwblok, waarin het poortje werd opgenomen. Het nieuwe politiebureau Jonas Daniël Meijerplein kreeg er een plek, naast ook een universitair laboratorium en een lagere school.
De 'commissaris der 3de sectie' ofwel de oostelijke binnenstad, de buurt waar toen nog het overgrote deel van de Amsterdamse Joden woonde, was Isaac Tobias Philips, zelf ook Joods. (Rond 1890 ging dit de 2de sectie heten en na de Tweede Wereldoorlog 4de afdeling.) Hij was begonnen als apotheker en combineerde zijn politietaak met het bestuurslidmaatschap van het Nederlandsch-Israëlietisch Armbestuur. In 1878 werd geloofsgenoot Eduard W. van Raalte commissaris, tot zijn dood midden 1907. Beiden zagen onder meer toe op de ordelijke bouw en afbraak van de loofhutten bij het Loofhuttenfeest (Soekot) en de verbranding op straat van ongedesemd brood vlak voor het Joodse Pasen (Pesach) – openbare rituelen die na de Eerste Wereldoorlog geleidelijk uit het zicht raakten.
Uit de eerste decennia van het bureau is weinig bekend; de oudste bewaarde dagrapporten dateren van 1926. In de kranten vinden we vooral berichten als dit uit 1885: "Aan het commissariaat van politie 3e sectie (J.D. Meijerplein) zijn terug te bekomen: een lorgnet; een paardendeken; twee geiten, beiden met hoorns."


Rondje maken
Soms sloeg de vlam in de pan, zoals in februari 1886, toen koning Willem III 70 jaar werd. Aan de jonge socialistische beweging was het feest niet besteed. De Amsterdamse socialistenleider Jan Fortuijn en de colporteur Karel Bos legden ostentatief de brochure Koning Gorilla in de etalage van hun boekwinkeltjes in de Jordaan. Beiden werden prompt belaagd door een horde met stokken en stenen gewapende 'Oranjeklanten' uit die buurt. De meute trok door naar het Waterlooplein, waar een andere socialist, Piet Penning, een café dreef. Rood was de buurt destijds bepaald niet. Eendrachtig vielen Jordaners en Jodenhoekers aan op het café van Penning, dat moedig maar vruchteloos werd verdedigd door de socialistische stamgasten. De agenten van bureau Meijerplein zagen glimlachend toe hoe de hele zaak in puin werd geslagen. Vervolgens pakten ze niet de aanvallers op maar de verdedigers, en rosten die af.
Maar onder de straatarme bewoners van de buurt kon het socialisme vanaf de jaren 1890 geleidelijk op meer sympathie rekenen. Grote politieke onmin met andersdenkenden was er niet. Dat was onder meer te danken aan commissaris Cornelis van Asperen, die in januari 1908 de overleden Van Raalte opvolgde. Hij was zelf niet Joods, maar wist zich in de buurt door zijn vaderlijke gemoedelijkheid geliefd te maken. Altijd deftig gekleed, maar zeer benaderbaar maakte hij dagelijks een rondje over de Waterloopleinmarkt om met deze en gene een praatje te maken. Bij zijn 30-jarig jubileum als politieman in juli 1924 werd hij groots gehuldigd. In het omvangrijke feestcomité zaten onder meer de opperrabijnen van de twee grote synagogen op het plein, de pastoor van de Mozes en Aaronkerk, de voorzitter van marktkoopliedenvereniging Mercurius, de gevierde socialisten- en diamantbewerkersleider Henri Polak en de bekende 'volksrabbijn' Meijer de Hond.


Kalmeren
De Jodenhoekers hadden eerst wat raar aangekeken tegen die chique meneer, memoreerde De Telegraaf. "Maar langzaamaan begrepen de bewoners van dat sombere kwartier, dat voor een belangrijk deel uit schier onbeschrijflijke krotten bestaat, dat hun commissaris met hen meeleefde en dat hij hulp bracht waar die noodig was. En het duurde niet lang of men ging hem als vriend en raadsman beschouwen. Menig vertrouwelijk gesprek is daar in de ruime voorkamer van het bureau gevoerd, waar planten en schilderijtjes den strengen aanblik van de tafel met het groene laken en de reeksen wetboeken temperden. Kijvende lieden, die elkaar in de wachtkamer nog het ergste toewenschten, verlieten menigmaal gekalmeerd en vreedzaam de commissariskamer; menig huiselijk leed werd door hem verzacht."
Agent Hendrik Voordewind (auteur van de bestseller De commissaris vertelt, 1949) was iets minder geestdriftig over zijn superieur in de korte tijd (1909-1910) dat hij onder hem diende. Hij beschrijft Van Asperen als een buitengewoon ijdele man, voortdurend pochend op zijn wetskennis en zeer gehecht aan hierarchie, al was de commissaris toch ook de kwaadste nog niet. "Zijn optreden was weliswaar enigszins uit de hoogte, maar altijd correct. Nooit zou hij een politieman corrigeren in het bijzijn van een burger en ook nooit was hij op voorhand op de hand van eventuele klagers."
Al met al beviel het Voordewind uitstekend op bureau J.D. Meijerplein. Hij was opgeleid op bureau Leidseplein, dat de handen vol had aan inbraken in nabije villa's en aan "huilende dienstbodes die buiten de deur waren gezet". Hoe anders was het in de armoedige Jodenbuurt. Daar waren vooral veel familievetes en burenruzies. Ook gebeurde het nogal eens dat venters of bezoekers van de drukke markt een flauwte kregen en het bureau werden binnengedragen. Sensationele misdrijven maakte hij er niet mee: "Toch vlogen de dagen er om." Als de markt tegen de avond was afgelopen, werden de agenten soms na achten naar gebouw Plancius (nu Verzetsmuseum) in de Plantage Kerklaan gestuurd, want daar hielden de socialisten grote meetings, waar de emoties weleens hoog wilden oplopen.


Ontnuchteren
Een precies beeld van de dagelijkse gang van zaken is tot 1926 niet te geven, omdat de dagrapporten niet bewaard zijn. Daarna wel, althans van de volgende 25 jaar. Natuurlijk staat staat lang niet alles in die rapporten, zeker niet al die gesuste burenruzies – al werd nu en dan een aangifte van belediging genoteerd. Des te meer registreerden de agenten van dienst dagelijks heel wat aanrijdingen, vaak tussen een automobiel en een handkar; na de Tweede Wereldoorlog kwamen de bromfietsongelukken erbij. En eindeloos was de stroom aangiftes van diefstal van een heren- dan wel damesrijwiel. Vaak met de vermelding dat de fiets niet op slot stond. In de jaren dertig werden er bovendien talloze rijwielbelastingplaatjes gestolen.
Geregelde gasten waren de dronkenlappen. "6.15 uur v.m. [= voormiddag, dus ochtend – red.] Brengt a.p. [agent van politie – red.] Elzas vanaf N. Herengracht t/z overtr. Art. 453 W.v.Str. (openb. Dronkenschap) een persoon die opgeeft te zijn Wilhelmus Joseph Hubertus Spee, geb. 6 Jan. 1875 Roermond. Kleedermaker, won. Breedeweg 22 hs alhier. Fouilleering f 0,74, zilveren horloge, doublé ketting. Blijft voor ontnuchtering." Een paar uur later staat genoteerd dat Spee, ontnuchterd, met een 'raadgeving' is heengezonden.
Iedere avond meldde een politieman na een ronde langs alle theaters in de buurt (Carré, Plantage Schouwburg, Rika Hopper Theater, Hollandsche Schouwburg) of alle lichten wel waren gedoofd en de deuren deugdelijk gesloten. Dat bleek altijd het geval. Inbraken kwamen in de jaren dertig regelmatig voor, vooral bij bedrijven in de buurt. In maart 1937 deed een reeks van medewerkers van het Geologisch Instituut, Nieuwe Prinsengracht 136, bijvoorbeeld aangifte van diefstal door een insluiper.
Afgaande op onze vrij ruime steekproef waren geweldsmisdrijven in deze buurt een grote zeldzaamheid. Wel werd op 19 februari 1937 in het water van de Nieuwe Keizersgracht het lijk van een onbekende vrouw gevonden. "Verm. Israelitische, oud plm. 60 jaar." Dokter Zeehandelaar trof bij de lijkschouwing in het Binnengasthuis geen sporen van geweld aan. Later die dag werd de vrouw herkend als de 71-jarige Rebekka Paraira, vrouw van Levie Sajet. "Van misdaad is niet gebleken en slechts [sic!] aan zelfmoord moet worden gedacht."


Vernielen
Het dagelijks leven rondom dit bureau in de Jodenbuurt lijkt in de jaren dertig steeds meer te zijn gaan lijken op andere buurten. Anders dan elders waren wel de 'staten van gecontroleerde venters', omdat veel straathandelaren hier woonden. Bijzonder was ook de eeuwenoude zondagsmarkt in de Joden Houttuinen, die als een soort toeristische attractie veel publiek van buiten trok.
Van die alledaagsheid bleef niets over tijdens de bezettingsjaren. De Duitse inval in mei 1940 bracht natuurlijk zeker in deze buurt grote onrust, maar op straat was er aanvankelijk nog weinig van te merken. Dat veranderde radicaal in februari 1941. Vroeg in die maand hadden leden van de Weerbaarheidsafdeling (WA), de geüniformeerde knokploegen van de NSB, al stevig huisgehouden in cafés rond het Rembrandtplein. Als reactie verschaften jonge leden van sportscholen rond het Waterlooplein zich van ijzeren staven en dergelijke.
Op zondag 9 februari 1941 trok een WA-troep, bijgestaan door Duitse soldaten, naar het Waterlooplein en sloeg in de Lange Houtstraat (die later plaatsmaakte voor de Stopera) van een aantal woonhuizen de ruiten in. Soms drongen ze binnen. "Marcus Wertheim, mattenmaker, oud 35 jaar, wonende Lange Houtstraat 67 driehoog, doet aangifte van diefstal en opzettelijke vernieling, gepleegd door een achttal hem onbekende personen, waaronder enige Duitse militairen. Ontvreemd zijn een radiotoestel en een klok", vermeldt het dagrapport. Twee dagen later rukte opnieuw een WA-troep naar het Waterlooplein, maar stuitte daar nu op een jeugdige knokploeg van Jodenbuurters en Kattenburgers. De confrontatie kostte WA-man Hendrik Koot het leven, zijn makkers vluchtten. Koot werd met veel militaire praal begraven op Zorgvlied.


Zwijgen
De bezetters eisten dat iedereen zijn wapens inleverde op bureau J.D. Meijerplein, maar vrijwel niemand gaf gehoor. Op zaterdag 22 en zondag 23 februari sloegen de Duitsers genadeloos terug. Wat er dat weekend gebeurde bracht een enquête boven water van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1946 onder het Amsterdamse politiepersoneel. Wachtposten sloten de directe omgeving van het Waterlooplein af. Er kwamen vrachtwagens naar het Jonas Daniel Meijerplein. Soldaten pakten alle jonge mannen binnen de afzetting op. Arm in arm flanerende geliefden werden gewelddadig gescheiden, vaders van hun kinderen. Met harde slagen van geweerkolven werden de mannen samengedreven en ten slotte in vrachtwagens geladen, die ze naar kamp Ommen brachten – het voorportaal van het beruchte kamp Mauthausen, zo bleek.
Het personeel van het politiebureau zag het allemaal gebeuren. Wel waarschuwden agenten sommige mannen niet de afgezette buurt binnen te gaan. "Het optreden van de Duitsche Politie was beestachtig en intens gemeen, schreef J. 't Jong in 1946, "maar wij moesten zwijgen." Enkele toonden moed. De agenten Willem Klaassens en Kees Roos zagen bijvoorbeeld dat de Duitsers Joodse mannen bijeendreven bij de Tip Top-bioscoop in de Jodenbreestraat en van daar de Lazarussteeg (vrijwel naast de Mozes en Aaronkerk) in. De bedoeling was ze aan de andere kant van die steeg op het Waterlooplein door andere Duitse soldaten op te vangen. Klaassens en Roos renden naar het bureau en zetten de zijdeur naar de steeg open. Tientallen opgejaagden konden zo enige uren in het bureau onderduiken.
De schokkende gebeurtenissen van dit weekend waren de directe aanleiding voor de internationaal unieke Februaristaking enkele dagen later. Kort erna werd hoofdinspecteur Pieter Kater gearresteerd op verdenking van Judenfreundlichkeit. Hij had de leiding van het bureau (de commissaris zetelde sinds 1934 op bureau Singel). Op 3 april kwam hij weer vrij.


Afleren
Na de oorlog was de Jodenbuurt geen Jodenbuurt meer. Het merendeel van de bewoners was vermoord. Veel huizen waren uitgesloopt. De gemeente plande een brede autoweg naar de verhoopte IJtunnel. Op naar de toekomst! Maar wat een treurige aanblik bood de buurt. "De tranen hingen nog aan de muren", zegt Jimmy Nijman (90), die hier in 1950 begon als leerling-agent. Na een paar jaar bij bureau Raampoort keerde hij terug naar het Meijerplein en werd naast zijn straatdienst (1956-1960) opgeleid tot politieruiter.
Binnen zag het bureau er intussen anders uit. "Vroeger zat de brigadier/wachtcommandant links en de agentenwachtkamer rechts, nu omgekeerd." Er was fors verbouwd, met name voor een moderner cellenblok. "In 1950 waren die cellen nog onverwarmd. Midden in de winter haalden we geregeld arrestanten uit dat hok en zetten ze bij de potkachel in onze wachtkamer." Door de marktkooplieden was de sfeer nog steeds wel bijzonder. "In één dag had ik afgeleerd mijn handen op mijn rug te houden. Als je daar tenminste geen tabakspruim in gespuugd wilde hebben!"
Van 1959 tot 1963 werkte agent Ton van der Erve hier. "Je kwam binnen via een stenen trap. Beneden waren de publieksbalie, de wachtkamer en de cellen: twee gewone en één dronkemanscel naast een smalle gang naar de Lazarussteeg. Erboven waren de recherchekamers en op tweehoog woonde de telexist met zijn vrouw."
Helemaal verdwenen was de Joodse sfeer niet. "Er waren nog diverse textielgroothandels van Joodse eigenaars, zoals van de vader van Ed van Thijn en voetbalscheidsrechter Leo Horn. En op het Waterlooplein zat de alombekende autosloperij van Jack Maandag. In de Weesperstraat woonde nog bakker De Liever. Na sluitingstijd zat hij altijd voor zijn zaak en had hij voor iedereen een vriendelijk woord over. Als op vrijdagavond de sabbat begint, vroeg hij ons dienders het licht bij hem aan te doen. Hij riep dan altijd: 'Jongens, er staan twee bonbons voor jullie op tafel!"
Hij werd in 1963 overgeplaatst naar de Motordienst op de Overtoom. "Gelukkig heb ik dus de verdere onttakeling van de buurt en de sloop van het bureau niet meegemaakt."


MEER DOCUMENTEN EN GETUIGENISSEN VINDT U OP ONZE WEBSITE WWW.ONSAMSTERDAM.NL.




Achter de sporen Buurt-1-bouwmeneren


Juli 1930. Huurstaking in de Nova Zemblastraat. Een van de vele: het is crisis en de buurt is hartstikke rood. Huisuitzetting dreigt, er is een grote volksoploop. De bewoonster gooit vanaf het balkon een pispot leeg over de deurwaarder. De afloop is onbekend. Het tafereel is de oude Spaarndammerbuurt in een notendop. Niet voor niets staat 'Domela' meer dan levensgroot bij de entree. Ton Heydra kent de buurt als z'n broekzak.


Met zijn vuist in de lucht zwaait Domela Nieuwenhuis ons al toe. Het standbeeld van de revolutionair staat aan de toegang van het Westerpark bij de Spaarndammerbuurt, onze bestemming, ook wel de Moord- en Brandbuurt genoemd. Enigszins verscholen achter de sporen gelegen, was dit vroeger een echte arbeidersbuurt. Domela Nieuwenhuis (1846-1919) behoorde tot de voormannen van de Nederlandse socialistische beweging. Vanwege het beledigen van koning Willem III heeft hij nog een half jaar in de gevangenis gezeten. Het beeld van de kunstenaar Johan Polet is op 29 augustus 1931 onthuld en verbeeldt deze gevangenisstraf. Onderaan de sokkel staat de Griekse held Prometheus, die door Zeus voor straf aan een rots geketend is.
Het is duidelijk waar we heen gaan. Boven het viaduct staat in koeienletters het woord Spaarndammerbuurt. Aan weerszijde zien we nog een paar stoere beelden, gemaakt door de stadsbeeldhouwer Hildo Krop. Het ene heet Overvloed en laat een mensenpaar zien. Dit beeld is geïnspireerd op het gedicht Pan van de dichter Herman Gorter, waarbij de Griekse god Pan de schatten der aarde uitstort over de mensheid. Het andere beeld heet Verkeer en toont een aardbol omgeven door drie arbeiders: een mijnwerker, een havenwerker en een spoorwegarbeider. Opvallend zijn de slangenkoppen onder de beelden, waarmee de zege van de arbeidersklasse op het kapitaal wordt bezongen. De slang symboliseert het kapitaal dat door de arbeidersklasse vertrapt wordt. De communistisch gezinde Hildo Krop heeft dit waarschijnlijk allemaal bedoeld als een opwekkende stimulans voor de vele arbeiders die in de erachter gelegen Spaarndammerbuurt woonden.


Bommenwerper
Het viaduct onderdoor ligt een plantsoentje: het Domela Nieuwenhuisplantsoen. Ooit stond hier de grote Maria Magdalenakerk van architect Pierre Cuypers. De kerk is in 1967 gesloopt. Het enige wat nog rest zijn enkele muurtjes van de fundering. Over de toekomst van dit terrein is veel te doen geweest. Er is – weliswaar met een te lage opkomst – een referendum over gehouden. Buurtbewoners wilden het groen houden en het stadsdeel had plannen voor bebouwing. De laatste voorstellen gaan uit van een ingrijpende opknapbeurt van het plantsoen, waarbij de contouren van de Maria Magdalenakerk als vorm weer terugkomen. Nog niet alles van het voormalige katholieke bolwerk is gesloopt. De naastgelegen pastorie en het voormalige klooster van de zusters uit Den Bosch – het Sint Leo-Gesticht – staan er nog, alleen hebben ze nu een andere functie.
Rechtsaf de Westzaanstraat in. Hier stond vroeger de Sint Alfonsusschool. Op 22 maart 1944 stortte in de straat een Engelse bommenwerper neer. Het aantal doden bleef beperkt tot drie, omdat het woensdagmiddag was en de kinderen vrij hadden. Anne Frank schreef er over in haar dagboek. Ze kon vanuit haar onderduikadres aan de Prinsengracht het lawaai horen van de Duitsers die op het vliegtuig schoten. Voormalig buurtbewoner Emiel Ros heeft ervoor gezorgd dat als blijvende herinnering aan deze gebeurtenis een plaquette in de straat is aangebracht.
Er zijn in de Spaarndammerbuurt meer herinneringen aan de oorlog. Verderop zijn de Martin Vlaarkade en over het bruggetje de Henk Curièrekade genoemd naar twee bewoners die betrokken waren bij het verzet in de Tweede Werldoorlog. Beide waren lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN).


DWS
In deze omgeving heeft de Wester Suiker Raffinaderij gestaan, ooit de grootste suikerfabriek van Nederland en bekend om zijn suikerstroop. Al in 1919 werd het bedrijf onderdeel van de Centrale Suiker Maatschappij (CSM), die jarenlang in Halfweg gevestigd was. Het kantoor is toen verlaten, maar de fabriek bleef tot op 1 november 1965 de poorten helemaal sloten. Ruim 250 arbeiders werden toen ontslagen, 100 konden er terecht in Halfweg. De naam Suikerplein herinnert nog aan de raffinaderij, net als een kleine toegangspoort aan de Van Noordtkade, in 1994 gemaakt door kunstenares Jocke Overwater.
Wij lopen nu naar de Nova Zemblastraat. Begin vorige eeuw lag hier een voetbalveld, waar de arbeiders van de Houthaven en het personeel van de spoorwegen op warme zomeravonden een potje voetval speelden, zoals Jan Mens in De Gouden Reaal beschrijft. Tussen twee palen werd als bovenlat voor het doel een lint gespannen en daar moesten de 'Bikhamertjes' en de 'Stootijzertjes' de bal in zien te krijgen. Op 11 oktober 1907 richtten de Spaarndammerbuurters een echte voetbalclub op: Hercules, vanaf 1909 DWS (Door Wilskracht Sterk), met de clubkleuren blauw en zwart.
In het begin was het nog een echt buurtclubje en moesten de spelers de doelpalen in een schuurtje bij iemand thuis ophalen. De club groeide en verhuisde ook enkele keren vanwege bouwplannen, om in 1930 een terrein achter de sporen te krijgen, tegenover de begraafplaats Sint Barbara. Hier vierde DWS grote triomfen, maar bleef altijd de club van de Spaarndammerbuurt. Op zondagen liepen duizenden supporters door de buurt naar de wedstrijd. Overwinningen werden groots gevierd. Toen DWS in 1938 kampioen werd, liep heel de buurt uit om het kampioensteam te ontvangen. De club ging zelfs betaald voetbal spelen en werd in 1964 landskampioen bij de profs. De velden bij de Spaarndammerdijk waren toen al verruild voor een complex verderop in West en de thuiswedstrijden werden inmiddels in het Olympisch Stadion gespeeld.


Rust
De Spaarndammerdijk was een hoge zeedijk die vanaf de Haarlemmerpoort naar Spaarndam liep. De dijk is al in de tweede helft van de 13de eeuw aangelegd en beschermde het achterland tegen het water van het IJ en de Zuiderzee. Ook was de dijk een belangrijke route tussen Amsterdam en Haarlem. Er stonden verschillende buitenverblijven. Amsterdammers maakten er ook met enige regelmaat een wandeling, zoals bijvoorbeeld de schilder Rembrandt van Rijn. Vaak zochten ze verpozing in een van de herbergen. Een bekende uitspanning was Land en Yzigt in de bocht van de dijk, een statig huis met een muziekkoepel en een lommerrijke tuin. Ideaal om de stoffige binnenstad van Amsterdam te ontvluchten en eventjes tot rust te komen.
Rust is hier al heel lang ver te zoeken. In 1876 is het Noordzeekanaal gegraven en Amsterdam afgesloten van de Zuiderzee. Op het buitendijkse land en een deel van het IJ zijn toen de Houthavens aangelegd.* Op brede stroken grond tussen acht smalle insteekhavens kwamen loodsen van houtbedrijven te staan. Vanuit havenplaatsen als Riga, Dantzig en Archangel – waar nog enige straten naar genoemd zijn – brachten schepen het hout. Bij het lossen werden de balken vaak gewoon in het water gegooid om ze later in de loodsen op te slaan. De schrijver Theo Thijssen vertelt in In de ochtend van het leven dat de buurtjeugd regelmatig in de Houthavens ging 'balkje tippelen'. Er was altijd wel iemand die een nat pak haalde.
De loodsen vol met hout zijn bijna allemaal verdwenen. Er worden nu op grote schaal woningen gebouwd. Misschien keert toch nog een klein beetje van de vroegere groene oase terug. Om de oude buurt met de nieuwe wijk te verbinden, komt er een nieuw park op de tunnel van de drukke doorgaande weg, die grotendeels ondergronds gaat.


Rode Plein
Het Zaandammerplein (via de Hembrugstaat en de Houtrijkstraat) is het domein van architect Karel de Bazel: hij ontwierp de woningen hier in opdracht van de Gemeentelijke Woningdienst. Ze waren onderdeel van het 3500-woningenplan om met name de allerarmsten onderdak te bieden. Soberder dan die van de woningbouwverenigingen en zonder een grote keuken, alleen met een spoelhok. Er woonden veel communisten. Het Zaandammerplein stond ook wel bekend als het 'Rode Plein'. Op 1 mei ging bij bijna alle huizen de rode vlag uit.
Aan het plein stond ook een school. Tegenwoordig is dit buurthuis de Horizon. Het grote plein zelf was bestemd voor de in 1918 opgerichte speeltuinvereniging Spaarndammerkwartier. Om baldadigheid tegen te gaan konden jongens en meisjes hier samen korfballen. Ook was er een clubgebouw waar geoefend werd door de mondharmonicavereniging en de knapenfanfare. In 1929 is hieruit TAVENU ontstaan, dé harmonie van de Spaarndammerbuurt, voluit: Tot Aangename Verpozing en Nuttige Uitspanning.
Onder de poorten door en aan de overkant van de Oostzaanstraat ligt het Zaanhof, waar zich een klein oorlogsmonumentje bevindt. Iedere 4 mei is hier de dodenherdenking en speelt TAVENU. Na de twee minuten stilte gaan dan de vlaggen van de geallieerden omhoog. Eén daarvan is nog altijd de vlag van de voormalige Sovjet Unie, met hamer en sikkel. Het laat zien hoe groot de invloed van de Communistische Partij van Nederland in deze buurt was.
Het oorlogsmonumentje is in alle opzichten bijzonder. Het was een van de eerste na de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam en het geld ervoor is bijeengesprokkeld door de bewoners rond het Zaanhof. Ontwerper is de architect Gustaaf Roobol, die ooit op het Zaanhof woonde. Het monument bestaat uit een golf van bakstenen en sluit daarmee goed aan op de Amsterdamse-Schoolbouw in de omgeving.


Poort
De woningen van het Zaanhof zijn ontworpen door de architect Herman Walenkamp. In het oorspronkelijke plan van Publieke Werken – opgesteld door Joan van der Meij, de beroemde architect van de Amsterdamse School – kwamen hier twee gewone woonblokken, met een straat in het midden. Hoewel er veel kritiek was, keurde de gemeenteraad dit plan toch goed. Maar in 1914 werd Floor Wibaut wethouder van Volkshuisvesting en hij liet het plan aanpassen. Zo ontstond er een groen binnenterrein met een lage bebouwing. Deze laagbouw staat aan de wieg van de latere tuindorpen in Amsterdam-Noord en -Oost.
Let goed op de spreuken boven de poorten. Eentje refereert aan de Woningwet uit 1901, die het mogelijk heeft gemaakt dat in Amsterdam op grote schaal sociale woningbouw voor arbeiders tot stand is gebracht. Volkshuisvestingsverenigingen konden bouwleningen van het Rijk krijgen. Met dat geld bouwden verschillende woningbouwcorporaties in de Spaarndammerbuurt niet alleen goede maar ook mooie woningen. Aan het Zaanhof zelf Het Westen en daaromheen Patrimonium en de woningbouwvereniging van het Amsterdams Spoorwegpersoneel.
Beroemd zijn de twee woningcomplexen van Eigen Haard aan het Spaarndammerplantsoen. Zij zijn ontworpen door de architect Michel de Klerk, één van de grote inspiratoren van de Amsterdamse School. Hij maakte van de gevels en de achtergelegen woningen ware kunstwerken. Als we de poort onder doorgaan zien we een toren die eerder aan een kerk doet denken dan aan een volkswoningbouwcomplex. Overal opvallende details: molentjes, bijzondere baksteenverbanden, siersmeedwerk, hangende dakpannen en fraai vormgegeven huisnummers. Het gebouw heet naar zijn driehoekige vorm in de volksmond Het Schip. Van oorsprong herbergde het 102 woningen, een vergaderhuisje en een postkantoor.



Museum
De Klerk ontwierp Het Schip rondom een kleuterschaal, die er al stond. De school had toen nog slechts één verdieping. Enkele jaren na zijn de dood is er naar diens ontwerp een verdieping op gezet. Drie jaar geleden verhuisde basisschool De Catamaran naar nieuwbouw in de Houthavens. Museum Het Schip (dat al een museumwoning en een postkantoor voor het publiek had opengesteld) liet de school vervolgens verbouwen tot een museum met een vaste expositie over de Amsterdamse School.
Woningcorporatie Eigen Haard is in 2016 begonnen om Het Schip ingrijpend te restaureren. Onder andere worden verkeerde bakstenen en dakpannen vervangen. In de lunchroom van het museum kunt u uitrusten van de wandeling. Kijk dan ook even op het binnenplein waar zich een vergaderhuisje bevindt en straatmeubilair in de stijl van de Amsterdamse School opgesteld staat.


TON HEIJDRA WOONT IN DE SPAARNDAMMERBUURT, WERKT BIJ MUSEUM HET SCHIP EN SCHRIJFT BOEKEN OVER AMSTERDAMSE BUURTEN.


* HARRY HOSMAN SCHREEF DIT JAAR IN ONS APRILNUMMER EEN MOOI ARTIKEL OVER DE HOUTHAVEN ('JE ROOK DE HOUTLUCHT').




Journalist in hart en nieren Inhoud-5-portret


Honderd jaar geleden was hij met afstand de meest besproken journalist van Nederland en omstreken. Kick Schröder, een imposante verschijning met een vlammend rode baard, legendarische voetbalbenen en een gouden pen. Zijn naam – en vooral zijn bijnaam Barbarossa – is onlosmakelijk verbonden met de wilde jaren van De Telegraaf. Vanwege zijn zwier en sarcasme werd hij evenzeer bewonderd als verguisd. Tegenstanders typeerden hem als 'de meest karakterlooze inktkoelie van Nederland'.


Johan Christian Schröder wordt op 11 september 1871 geboren en groeit op in het gezin van een Amsterdamse broodbakker, die midden 19de eeuw vanuit het Noord-Duitse Lütetsburg als 'knecht' zijn geluk zocht in Amsterdam. Al tijdens zijn hbs-jaren is Johan (roepnaam Kick) een fervent cricketspeler en voetballer. Voetbal staat nog in de kinderschoenen en is evenals cricket een echte elitesport. In 1887 is hij medeoprichter van voetbalclub RAP, voortgekomen uit de drie Amsterdamse cricketclubs RUN, Amstels en Progress. Als linkshalf is hij de schrik van het veld. Onder het motto 'alles is geoorloofd zolang de scheidsrechter het niet ziet' schuwt hij de snoeiharde tackles niet. Hij schopt het tot aanvoerder van het nationale voetbalelftal, dat in 1894 zijn eerste wedstrijd speelt tegen de veel sterkere Engelse club Felixstowe. Aan het voetbal houdt hij zijn roepnaam Kick over. Behalve voetballer is Schröder een verdienstelijk bandyspeler (een soort ijshockey met een balletje) en als "de beste wicketkeeper die ons land heeft gehad" is hij een gewaardeerd lid van het nationale cricketteam.
Zijn journalistieke loopbaan begint bij enkele sportbladen, om in 1898 aan te monsteren bij De Telegraaf als sportredacteur. Dit veelbelovende dagblad is vijf jaar eerder opgericht door de avontuurlijke jonkheer Henry Tindal en valt op met een vooruitstrevende koers en een moderne stijl. Hij wordt in 1901 gepromoveerd tot chef-binnenland, maar wanbeleid van Tindal duwt de krant dan al bergafwaarts. Schröder verlaat begin 1902 het zinkende schip en treedt aan als hoofdredacteur van het succesvolle Nieuwsblad van het Noorden. Lang duurt zijn Groningse avontuur niet. Na een conflict met oprichter en eigenaar Ruurt Hazewinkel staat hij een half jaar later alweer op straat.


Gouden pen
Maar dan keert het tij. Wanneer de drukker en krantenmagnaat in wording Hak Holdert in september 1902 de zieltogende De Telegraaf koopt (Tindal is inmiddels overleden), benoemt hij Kick Schröder tot hoofdredacteur. De twee mannen zijn oude schoolvrienden en bewegen zich in dezelfde (sport)kringen. Maar het hoofdredacteurschap is niet veel meer dan een façade. Schröders voorkomen mag indrukwekkend zijn, hij heeft weinig invloed op de organisatie van de redactie of de koers van de krant. Hij is een begenadigd stilist en een journalist in hart en nieren, geen stuurman laat staan een kapitein. Nu is dat in Holderts ogen ook geen enkel bezwaar, want er is er maar één die de koers bepaalt en dat is hijzelf, de even succesvolle als despotische krantenkeizer.
Zijn vriend Schröder is op een andere manier van onschatbare waarde voor de krant: behalve door zijn gouden pen, vooral ook vanwege zijn vele contacten binnen de sportwereld en het politiek-culturele leven in de hoofdstad. Het schijnbare gemak waarmee De Telegraaf vanaf 1902 zo veel beroemde schrijvers, dichters, artiesten, schilders, musici en architecten aan zich weet te binden, heeft alles te maken met het grote netwerk van Kick Schröder binnen de wereld van kunst en cultuur. Ook zijn bekendheid met de sportwereld legt de krant geen windeieren. Verschillende journalistieke talenten hebben in hun jonge jaren kennis mogen maken met Schröders roemruchte tackles.
Als schrijvend hoofdredacteur legt hij een ongekende productie aan de dag. Wekelijks verzorgt hij in het snelst groeiende en meest besproken dagblad van Nederland ook een Raadsoverzicht, twee tot drie keer per week een toneelkritiek, eens in de zoveel tijd een flinke, spraakmakende (sport)reportage én vrijwel dagelijks een eigen column. En wat voor één: Schröders Dagboek van een Amsterdammer is een begrip.


Dagboek
Er zijn dan al meer dagbladen met vaste columnisten, maar Schröders dagboek is door toonzetting en sarcasme enig in zijn soort. De eerste aflevering ziet het licht op 1 april 1905 en tot zijn plotselinge dood in 1938 zal hij er duizenden schrijven. Vaak raken ze aan de actualiteit, maar even vaak gaan ze over de grote en kleine genoegens, de malligheden en vooral de ergernissen van het dagelijks leven.
Schröders zin voor overdrijving is legendarisch. Het treffendste – en dankzij bewonderaar Henk Hofland wellicht ook bekendste – voorbeeld is de column 'Tramwee' uit 1915, waarin hij de spot drijft met de slakkengang van de Amsterdamse trams. Het dagboek bevat "het waarachtige verhaal, opgeteekend uit den mond van een passagier" van een eindeloze reis met lijn 11 van station Muiderpoort naar het Centraal Station. Na een roerend afscheid van vrouw en kinderen ("Mijn kinderen weenen, dag Pa!") en voorzien van "leeftocht voor 4 dagen en een verschooning" volgt een lange en barre tocht. De passagiers lijden honger en kou, een vrouw bevalt aan boord, twee krankzinnig geworden reisgenoten springen in de Amstel. Ter hoogte van het Rembrandtplein stijgt de waanzin ten top: "De op 't Weesperplein geboren baby, loopt voor 't eerst. Munt. De dikste passagier is geslacht." Bij aankomst op het Centraal Station wacht de wagenbestuurder een boete "wegens te hard rijden!"


Wapen
Niet alleen in zijn columns, ook in zijn parlementaire verslagen en gemeenteraadsoverzichten schept hij er een waar genoegen in de autoriteiten tegen zich in het harnas te jagen. Omdat de meeste Kamer- en raadsoverzichten zich begin 20ste eeuw nog kenmerken door een gortdroge vertelstijl en een heilig ontzag voor de autoriteiten, baren zijn ironische commentaren veel opzien. Vooral in gemeenteraadsverslagen is Schröder goed op dreef. Sowieso voelt hij zich in de Amsterdamse gemeentepolitiek veel beter thuis dan in Den Haag, volgens hem "de stad der aderverkalking". Veel van zijn raadsverhalen laten zich lezen als hilarische politieke zedenschetsen. Met duivels genoegen typeert hij het gebrek aan daadkracht in de gemeenteraad. Een monotone redevoering van een liberale wethouder straft hij af met: "De heer Serrurier begon. Hij moet ook geëindigd zijn, maar niemand die het gemerkt heeft."
Nog meer stof doet Schröder opwaaien als schrijver van toneelkritieken. Onder het pseudoniem Barbarossa groeit hij uit tot de schrik van de schouwburg. Zijn onomwonden oordeel kan een opvoering maken of breken. Is hij geraakt dan geeft hij zich over aan hartstochtelijke huldeblijken, vooral wanneer het vrouwelijk schoon betreft. Maar wee de acteur (m/v) of regisseur die zijn toneelhart niet weet te beroeren. Hem wacht Barbarossa's meest gevreesde wapen: zijn bijtende sarcasme. Zo mag de grote Eduard Verkade het doen met een snerend: "Verkade's Koek is kunst, maar de Kunst van Verkade is koek."
Tussen alle journalistieke en toneelbedrijven door, vindt Schröder ook nog gelegenheid uit te rukken naar grote sportevenementen om die hoogstpersoonlijk te verslaan. Zijn reportage over de allereerste Elfstedentocht van 2 januari 1909 bewijst dat hij ook in sportief opzicht nog steeds zijn mannetje staat. Hij schaatst een flink deel in de kopgroep mee en dat levert een sterk staaltje participerende journalistiek op.


Martelaar
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914, krijgt de toch al spraakmakende opstelling van De Telegraaf er een explosieve dimensie bij. De francofiele Holdert – hij heeft de jaren daarvoor vanuit Parijs de krant bestierd – geeft opdracht tot een uitgesproken pro-Franse koers. Gedurende de oorlogsjaren voert De Telegraaf een onstuimige anti-Duitse en progeallieerde campagne. De krant drijft de Nederlandse regering tot wanhoop – die doet er juist alles aan om neutraal te blijven. Vier jaar lang laat zij alle in- en uitgaande telefoongesprekken door de militaire inlichtingendienst afluisteren en vooral in de eerste oorlogsjaren grijpt het Openbaar Ministerie met regelmaat in.
Na enkele incidenten waarbij Schröder zich als hoofdredacteur moet verantwoorden voor aanstootgevende commentaren en voor de anti-Duitse prenten van Louis Raemakers, escaleert de slechte relatie tussen het OM en De Telegraaf in het najaar van 1915. Vanwege zijn herhaalde beledigingen aan het adres van de centrale mogendheden – "een groep gewetenlooze schurken" – wordt Schröder gearresteerd wegens het doelbewust in gevaar brengen van de neutraliteit (artikel 100). In de avond van 4 december wachten twee rechercheurs hem op voor zijn huis aan de Weesperzijde, alwaar hij even later arriveert, in gezelschap van zijn vrouw Annie en beladen met sinterklaaspakjes voor zijn vier kinderen. Ze voeren hem naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans; hij zal er zeventien dagen verblijven.
Het nieuws van Schröders hechtenis slaat in als een bom. De vaderlandse journalistiek is in rep en roer en in het parlement, de Nederlandse huiskamers en de gezantschappen van de oorlogvoerende mogendheden is zijn arrestatie het gesprek van de dag. De verontwaardiging wordt vanzelfsprekend gevoed door De Telegraaf, die dagelijks over meerdere pagina's een bloemlezing uit de vele steunbetuigingen brengt. Ook de bizarre timing van de arrestatie aan de vooravond van het Sinterklaasfeest wordt natuurlijk breed uitgemeten.


Breuk
Pas op 21 december volgt vrijspraak, nadat Holdert een bewijsstuk tevoorschijn heeft getoverd waaruit klip en klaar blijkt dat Schröder al sinds begin december geen verantwoordelijkheid meer draagt voor de inhoud van De Telegraaf. Een grote mensenmassa wacht Schröder 's avonds op bij de gevangenispoort en vergezelt hem op zijn zegetocht naar vrouw en kinderen. Het heeft er alle schijn van dat Holdert welbewust met de ontlastende verklaring heeft gewacht totdat hij genoeg publicitaire munt uit de affaire had geslagen. Ruim twee weken lang heeft Schröder mogen schitteren in zijn rol van martelaar van het vrije woord.
Of Schröder medeplichtig is geweest aan Holderts publiciteitsstunt zal vermoedelijk altijd een raadsel blijven. Feit is wel dat de verstandhouding tussen de jeugdvrienden na Schröders vrijlating bijzonder slecht is. In januari 1916 komt het zelfs tot een tijdelijke breuk, na een hoogoplopende redactionele ruzie over het door Holdert persoonlijke opgericht Anti-Smokkel-Bureau, dat de illegale smokkelactiviteiten tussen Duitsland en België moet bestrijden en buiten Schröder om vanuit de redactie wordt gerund.
Hij laat zich overhalen het hoofdredacteurschap toch weer te aanvaarden. Volgens eigen zeggen alleen omwille van de 'progeallieerde zaak'. Een mogelijk andere reden laat hij onvermeld: zijn toch al niet kinderachtige jaarsalaris is in het najaar van 1915 door Holdert al verhoogd tot ƒ 8.000,- en gaat in januari 1916 naar ƒ 12.000,- per jaar.
Zeven jaar later blijkt opnieuw dat Schröder niet ongevoelig is voor financiële prikkels. In april 1923 besluit hij in zee te gaan met de omstreden zakenman Willem Broekhuijs, die het plan heeft opgevat een dagblad op te richten dat vooral De Telegraaf moet beconcurreren. Als hoofdredacteur van De Dag kan Schröder het astronomische bedrag van ƒ 1000,- per week opstrijken, een viervoud van zijn salaris bij De Telegraaf.


Grijs
Maar het avontuur loopt dood: door een combinatie van technische en financiële catastrofes zal De Dag nooit verschijnen. Schröder en de tientallen andere Telegraafredacteuren die zich door Broekhuijs hebben laten verleiden, keren in de zomer van 1923 met hangende pootjes bij Holdert terug. Door de beste krachten weer in genade aan te nemen, weet hij zijn greep op de redactie nog verder te versterken. Ook Schröder is weer welkom, zij het niet langer als lid van de redactie, laat staan als hoofdredacteur. En aangezien Holdert na Schröders transfer naar De Dag in mei 1923 het Dagboek van een Amsterdammer ten grave heeft gedragen, moet hij op zoek naar een andere titel voor zijn columns. Vanaf november draagt zijn rubriek de naam Spotterny of Sotterny, kortweg S.O.S.
Maar echt schitteren doet Schröder niet meer. Zijn vlammend rode baard is met het klimmen der jaren verworden tot een ingetogen grijze sik en in plaats van een schaterlach of een kreet van verontwaardiging wekken zijn dagelijkse columns hooguit nog een weemoedige glimlach op. Enkele uren na het schrijven van zijn S.O.S.-je voor de krant van 18 december 1938 wordt de 67-jarige sportlegende onverwacht geveld door een hartaanval. Op 22 december vergezelt een flinke schare journalisten, sport- en theatervrienden hem naar zijn laatste rustplaats op Zorgvlied.



MARIËTTE WOLF IS MEDIAHISTORICA EN SCHRIJFSTER.

Delen: