Nummer 6: Juni 2010

2
Prijs: €4,95
Bestel



 


Op het omslag: Het publiek kijkt ademloos toe hoe een smetteloos witte replica van Naatje op zijn plaats wordt gezet ter gelegenheid van de manifestatie Damstad in 1950. Naatje stond tussen 1856 en 1914 op de Dam tegenover het Koninklijk Parleis als symnool voor de moed van de Nederlandse soldaten tijdens de Tiendaagse Veldtoch telgen de Belgen in augustus 1831. Maria Austria / MAI


- Honderden Koetshuizen
- Turkse drijvende tentoonstelling
- Nostalgische feestbouwsels
- Huisnummers zorgen voor chaos
- Communist zonder partij




Paarden op stand
Drie eeuwen lang telde Amsterdam honderden koetshuizen
Tekst: Charlotte Goede

inhoud1Ze vallen niet direct op, maar wie weet waar hij op moet letten, herkent ze meteen: koetshuizen. De garageboxen van de Gouden Eeuw. Vooral in de straten achter de hoofdgrachten zitten er veel. Nu zijn het woningen en kantoren. Geen enkel koetshuis heeft nog zijn oorspronkelijke functie. Dat gaat veranderen. Museum Van Loon restaureert het eigen koetshuis. Vanaf voorjaar 2011 is het weer in volle glorie te aanschouwen.

Al aan het einde van de 16de eeuw lieten welgestelde Amsterdammers zich in rijtuigen over de grachten vervoeren. De koets werd uitgevonden in Hongarije in het plaatsje Kocs. De kocsi of koets werd in de Gouden Eeuw zo populair in Amsterdam dat de eerste problemen zich al snel voordeden.
In 1595 waren er al zoveel koetsen dat in enkele straten eenrichtingsverkeer nodig was. Net als nu was ook parkeren lastig. Aan de rand van de stad werd ruimte gereserveerd op zogenoemde wagenpleinen. Pleinen die hiervoor werden ingericht, waren onder andere het Haarlemmerplein, het Leidseplein en het Utrechtseplein (nu Frederiksplein). De smalle kades langs de grachten werden vooral gebruikt om te laden en te lossen. Soms stonden er ook marktkraampjes aan de huizenkant. Veel ruimte voor het drukke rijtuigverkeer bleef dus niet over. Regelmatig belandde een koets in de gracht nadat de paarden op hol geslagen waren. Verkeersopstoppingen waren aan de orde van de dag. Het geratel van de wielen op de keitjes zorgde voor een enorm kabaal.
Vanwege de overlast stelde het stadsbestuur in 1643 zelfs een rijverbod voor koetsen in. Hier werden de leden van het stadsbestuur ook zelf de dupe van, want de regenten lieten zich graag rondrijden. Als snelde volgde een versoepeling van het verbod. Het was voor de rijkeren toch erg belangrijk om met hun rijtuigen te blijven pronken op de grachten en in hun koetshuizen.
Een koetshuis is nu nog vaak te herkennen aan de grote dubbele deuren. Onderaan zitten soms nog uitstulpingen van steen of gietijzer om te voorkomen dat de as tegen de muur aankwam bij het in- en uitrijden. Een mooi voorbeeld hiervan is te zien op Herengracht 97. Wanneer je over de gracht langs een huis loopt en twee kavels zijn samengevoegd tot één groot pand, is het vrijwel zeker dat de bewoners vroeger over een koetshuis beschikten. Aan de buitenkant van de koetshuizen hangen ook nog kleine lantaarns. In het schijnsel daarvan konden de paarden ’s avonds worden losgekoppeld van het rijtuig. In de Langestraat en op Keizersgracht 607 zijn de lantaarntjes nog te zien.

Één en al glitter
Freule Yvonne den Beer van Portugael, geboren van Loon, is nu 93 en reed in haar jeugd nog met de koets. Zij herinnert zich in een interview met Jhim Lamoree in Het Parool van zaterdag 31 januari 2009: “De zadelkamer, sommige mensen noemen het de tuigkamer, was één en al glitter. Als kind vond ik dat al leuk. De stal was strak georganiseerd, een beetje militaristisch. Aan de foto’s zie je ook dat bij de aankoop van paarden werd opgelet of ze een goed stel vormden, met hun witte sokken en natuurlijk met een soortgelijke bles.”
De familie Van Loon bewoont vanaf 1884 Keizersgracht 672. Een van de twee Van Raey-huizen. Het huis vormde samen met nummer 674 een identiek dubbelhuis. Architect Adriaen Dortsman bouwde het in 1671-1672 in opdracht van de Vlaamse graan-, wapen- en ijzerhandelaar Jeremias van Raey. Achter beide huizen ligt een koetshuis.
Het huis is sinds 1974 een museum. De familie had de beschikking over het koetshuis achter hun huis en een tweede koetshuis aan de overkant van de gracht. Het tweede bevond zich op de Keizersgracht 607, behorende bij Herengracht 502, een pand dat jonkheer Willem Hendrik van Loon in 1907 van de hand deed. Het koetshuis hield hij aan. Vanaf 1926 doet het pand op Herengracht 502 dienst als burgemeesterswoning. Achter dit koetshuis zat nog een manegebak waar de jonkheer graag aan dressuur deed. Hij trainde daar zijn paarden en honden en gaf er hele voorstellingen aan familie en personeel.
Het in 1684 gebouwde koetshuis was erg groot: vijftien meter breed en twintig meter diep. Aan de voorkant zaten drie deuren, waarvan alleen de middelste gebruikt werd. Op de eerste verdieping van dit koetshuis lag het hooi. Vanaf de 19de eeuw kwam er na enkele verbouwingen ruimte voor wel twaalf paarden. Met het koetshuis achter de woning op Kerkstraat nummer 259 erbij had de familie genoeg ruimte.
Het koetshuis zelf was een pronkstuk. Tonko Grever, conservator van Museum Van Loon, vertelt: “De stallen hadden een belangrijk showelement. Als je gasten had, liet je ze even de stal zien. Een social thing, gewoon onderdeel van het vermaak. Het koetshuis was vanwege die sociale functie aangekleed met een luxe parketvloer en er hingen ook plaatwerken van rijtuigen en aanspanningen met paarden.”

Nepramen aan tuinkant
Aan de toestand van de stallen kon je zien hoe schoon de mensen waren. Grever: “Er was geen beter kenmerk om de staat van het huis te zien dan onverwacht de stallen te bezoeken. Er was geen betere aanbeveling van je huis dan een schoongepoetste stal. Om te laten zien hoe spik en span het er was, werd er vers zand gestrooid en in dat zand werd met een mal het familiewapen uitgespaard.”
Omdat de bewoners vaak op het koetshuis uitkeken, werd de gevel aan de binnentuin helemaal versierd. Dit is heel goed te zien op Keizersgracht 524. Dit koetshuis dankt zijn bekendheid aan een schilderij van Hendrik Keun uit 1772. Het hangt in het Rijksmuseum. Het gebouw is prachtig versierd en hoger dan de naastgelegen bebouwing. De ingang bevond zich op Kerkstraat 61. In de twee nissen in de verder blinde muur staan twee gebeeldhouwde goden. Ceres met schaap en een wijnrank en Hercules met een leeuw. Het was juist weer níet de bedoeling dat de koetsiers in de tuin van hun opdrachtgevers konden kijken. Daarom zaten er geen ramen aan de tuinkant. Om de blinde muur een wat vrolijker aanzien te geven werden er vaak nepramen ingezet. Zoals bij het koetshuis van de familie Van Loon achter het woonhuis op 672.
De Van Loons haalden hun rijtuigen uit Frankrijk. De rijtuigen stonden daar als auto’s in een showroom uitgestald, bijvoorbeeld bij carrosserie Binder. Een bekende koetsenmaker in Nederland was Spijker op de Stadhouderskade. In de Spuistraat kon men terecht voor alles wat bij de aanschaf van een koets nodig was. Zo was het belangrijk dat koetsier, palfrenier, paarden en rijtuig mooi bij elkaar pasten. Grever: “Het was meer dan even in het rijtuig stappen. Het ging echt om het geheel van zo’n aanspanning. Dat bestond uit het rijtuig in de kleuren van de familie, zwart, zilver en goud, de tuigen met de familietekens, de helmtekens en de koetsier, knecht en palfrenier die ook weer waren uitgemonsterd in de familiekleuren. Dus het was echt een compleet plaatje. Als je ze voorbij zag rijden, wist je: Há, de familie Van Loon!”

In vol ornaat
De laatste koetsier van de familie Van Loon was de heer J.A. Verbaarschott. Als er met de koets werd gereden, ging er ook altijd een palfrenier mee. Deze functie wist freule De Beer van Portugael in Het Parool uit te leggen: “Het woord palfrenier komt van het Franse woord freiner, oftewel remmen. De palfrenier zorgde ervoor dat de koets afremde en in Amsterdam had je zeker een palfrenier nodig, met al die hoge bruggen. De koetsier kon dat niet doen, die had genoeg werk aan zijn paarden.”
De koetsier woonde boven het koetshuis. Grever: “Koetsier was een belangrijke en verantwoordelijke functie. Het was een baan van aanzien met een dito salaris en daar hoorde ook een dito woning bij.” Bovenin zat vaak nog een luik naar de hooizolder om het hooi makkelijk naar beneden te kunnen gooien. “Ik denk dat de staljongens op zolder sliepen. Mannelijk personeel woonde gewoonlijk uit huis en vrouwelijk personeel, veelal ongetrouwd, woonde in huis. Maar die staljongens, waar ook de palfrenier toe behoorde, zullen waarschijnlijk tot ze getrouwd waren in huis hebben gewoond, op zolder bij de koetsier.”
In de tweede 17de-eeuwse uitleg van Amsterdam (1660) werd rekening gehouden met de benodigde koetshuizen. De hoofdgrachten kregen een extra straat in het midden, zodat de koetshuizen achterin de tuin gebouwd konden worden. Met de bouw van deze extra straten werd voorkomen dat de ingang van het koetshuis op de chique gracht zelf zat. De koetsiers konden de rijtuigen klaarmaken aan de achterkant en reden dan in vol ornaat voor om de heer of dame des huizes op te pikken. De Kerkstraat en de Reguliersdwarsstraat zijn hiervan voorbeelden. Alleen al in de Kerkstraat zijn nu nog zo’n 45 voormalige koetshuizen te vinden. In de Reguliersdwarsstraat negentien en in heel Amsterdam meer dan 200.
Het idee voor de koetshuizen zoals we die in de Kerkstraat zien, kwam volgens Giles Worsley, schrijver van The British Stable, begin 17de eeuw overgewaaid uit Londen. De band tussen Londen en Amsterdam was in die tijd sterk en de Engelse architectuur, zoals die van Inigo Jones, werd alom gewaardeerd en vaak overgenomen.

Auto verdrijft koets
De luxe stal is – in heel Europa – gebaseerd op de Engelse stal. Er waren verschillende uitvoeringen. Grever: “In zijn meest eenvoudige vorm werd het interieur uitgevoerd in hout. Een luxer uitvoering bestond uit gietijzer met messing bollen erop. Het leuke is dat hier in het museum een stalmodel bewaard is gebleven waar de kinderen mee hebben gespeeld, die dezelfde uitvoering had als het echte koetshuis.”
In 1896 kondigt Het Handelsblad het einde van het particuliere stalbedrijf aan. De komst van de auto verdrijft de koetsen uit het straatbeeld. In tegenstelling tot andere welgestelde families blijven de Van Loons nog lang van hun rijtuigen gebruik maken. Tot in 1939 de paarden worden gevorderd door het leger. Grever: “Ze zijn de dieren nog een keer gaan opzoeken in Brabant waar ze gelegerd waren. Hoe het met ze ging weet ik niet. De familie is nog steeds emotioneel over het verlies van de paarden.”
Andere families deden hun paarden en koetsen over aan de Amsterdamse Rijtuig Maatschappij en parkeerden nu hun stalen rossen in de koetshuizen. Een groot aantal werd omgebouwd tot woonruimte. Vanaf de jaren tachtig kregen koetshuizen ook wel een functie als restaurant of soms zelfs discotheek. Zoals discotheek Club Exit op de Reguliersdwarsstraat 42, in het koetshuis dat ooit bij Herengracht 493 hoorde. Veel van deze gelegenheden loop je binnen zonder te beseffen dat er ooit paarden en rijtuigen uitgestald stonden.


 




De fezzen die er niet waren
Tentoonstellingsschip SS Karadeniz bezoekt Amsterdam
Tekst: Laura van Hasselt

inhoud_2Aan boord was een keur aan Turkse producten en een select gezelschap voer mee. Inclusief het staatsorkest. In juli 1926 deed het stoomschip de SS Karadeniz enige dagen Amsterdam aan. Een drijvende tentoonstelling die het moderne Turkije van Kemal Atatürk moest promoten. Het bezoek baarde veel opzien, maar de stereotiepen bleken hardnekkig.

“Op een mooien Zondag trekt half Amsterdam naar buiten; de andere helft – eenige overdrijving hierbij neme men voor lief – gaat van frissche lucht en groen genieten in het Vondelpark.” Het is 12 juli 1926 en de wereld zit nog prettig overzichtelijk in elkaar. Althans voor deze journalist van het Algemeen Handelsblad. Hij is de dag daarvoor bij een muziekmiddag in het Vondelpark geweest. Hoogtepunt was het optreden van een Turks orkest, opvarenden van het tentoonstellingsschip SS Karadeniz. “Er waren duizenden en duizenden, die naar de muzikale prestaties van de mannen, getooid met de fez, hebben geluisterd.”
Die laatste zin is opvallend. Niet vanwege de duizenden toehoorders, want zo’n exotisch optreden maakte je niet elke dag mee in het Amsterdam van 1926. Het vooruitzicht ‘echte’ Turken te zien, zal vast heel wat publiek hebben getrokken. Nee, opvallend zijn die musici “getooid met de fez”. De fez was namelijk sinds een jaar verboden in Turkije. En niet zo’n beetje ook: op het dragen van het traditionele Turkse hoofddeksel stond de doodstraf.
Waarom zouden deze Turken in Amsterdam, onder het oog van al die toeschouwers, dat risico lopen? Natuurlijk deden ze dat ook niet – ze zouden wel gek zijn. Op foto’s van het concert in het Vondelpark is geen enkele Turk te zien die een fez draagt. Sommigen hebben een hoed op, anderen zijn blootshoofds, maar een fez is nergens te zien. Behalve dan in het hoofd van de journalist van het Algemeen Handelsblad. Stereotiepe beelden kunnen verbazend hardnekkig zijn.  
Mustafa Kemal Pasja, beter bekend als Atatürk, moet in het verre Turkije stevig hebben gestampvoet, tenminste als hem verslag is gedaan. Doel van het optreden in het Vondelpark was om te laten zien dat moderne Turken juist géén fez of sluier meer droegen. En dat ze bovendien uitstekend Westerse muziek konden spelen – jazz bijvoorbeeld of Schubert, zoals die zondag in Amsterdam. Maar dat stond dan weer niet in de krant. Gelukkig is de kans niet heel groot dat de president van Turkije het Algemeen Handelsblad is voorgelezen.

Seculiere elite
Het verbod op de fez was onderdeel van een radicaal hervormingsprogramma van Atatürk, wat zoveel betekent als ‘Vader der Turken’. Nog maar drie jaar eerder had hij de republiek Turkije uitgeroepen. In 1923 kwam er een definitief einde aan het eeuwenoude Ottomaanse Rijk (‘de zieke man van Europa’) en de tijd van de sultans, de tulband en de fez. Voortaan moest Turkije modern zijn. Atatürk trok ten strijde tegen alles wat hem te religieus, te ouderwets of te Oosters was. Het nieuwe Turkije moest republikeins zijn, seculier en vooral: Europees. Als er in de jaren twintig een Europese Unie had bestaan, had Atatürk als eerste aangeklopt.
Om het nieuwe Turkije te promoten reisde in de zomer van 1926 een tentoonstellingsschip langs een aantal grote Europese havens: de SS Karadeniz (‘Zwarte Zee’). Het stoomschip kwam oorspronkelijk uit Rotterdam. Als de SS Wilis had het jarenlang op Nederlands-Indië gevaren voor de Rotterdamsche Lloyd. In 1924 werd de Wilis verkocht aan Turkije, waar het een nieuwe naam kreeg en werd omgebouwd tot een drijvende tentoonstelling over het moderne Turkije. Met aan boord allerlei Turkse producten en een select gezelschap uit de seculiere elite. Schrijvers, journalisten, architecten, filosofen, zakenlui, een heel bankkantoor... En het voltallige staatsorkest, 50 man sterk.
De Karadeniz vertrok in juni 1926 uit Constantinopel (vanaf 1930 officieel Istanbul). Via Algiers voer het naar Barcelona, Le Havre, Liverpool en Londen, om op 10 juli af te koersen op Amsterdam. “Het was zwaar bewolkt. Met de liefkozing van kleine golven gingen we op weg naar Amsterdam. Het schip deint lichtjes, als de heup van een vrouw.” Zo beschrijft kapitein Süreya Gürsu in zijn memoires de tocht van IJmuiden naar Amsterdam. Daar was de Karadeniz vier dagen te bezichtigen aan de steiger van de Holland-Amerika Lijn, aan de Westerdoksdijk. Daarna ging het schip verder naar Hamburg, Stockholm, Leningrad, Kopenhagen, Antwerpen, Marseille, Napels en tenslotte weer Constantinopel.

Aai over het hoofd
In 2004, vlak voor een besluit van de Europese Unie over toetreding van Turkije, zond het geschiedenisprogramma Andere Tijden een programma uit over de Karadeniz (twee jaar later gevolgd door de documentaire ‘A Voyage into the Future’). In Andere Tijden vertelde een van de laatst overgebleven opvarenden over de reis. Nevin Demirhan Pertev was nog maar 16 jaar toen ze mee mocht op de reis, met haar vader, een generaal in het Turkse leger die in Duitsland had gestudeerd. Ze herinnert zich hoe de Turkse president aan boord kwam in Mudanya om het gezelschap persoonlijk een goede reis te wensen. Ze wilde zijn hand kussen, maar hij wimpelde het gebaar af. In plaats daarvan gaf hij haar een aai over het sluierloze hoofd en zei dat ze vooral haar studie moest afmaken.
Onderwijs was een van de speerpunten van Atatürk. Niet alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen. Hij was uitzonderlijk geëmancipeerd voor die tijd. Zo voerde hij direct bij zijn aantreden in 1923 het vrouwenkiesrecht in. (Ter vergelijking: de Belgen deden dat pas in 1948 en Nederland was net iets eerder, in 1919). Atatürk was ook een verklaard tegenstander van de sluier voor vrouwen. Helemaal verboden is de sluier nooit geweest, maar geen van de vrouwen aan boord van de Karadeniz droeg er een – tot verbazing van velen, onder wie de Amsterdamse burgemeester, Willem de Vlugt.
De Vlugt kreeg een rondleiding van Bedia Arseven, een vrouwelijke journaliste die ook meereisde op de Karadeniz. Voor het Turkse Het geïllustreerde tijdschrift schreef ze “brieven van de boot”. Daarin vertelt ze dat de burgemeester haar complimenteerde met haar “moderne elegantie”, maar zich verbaasde over het feit dat ze geen sluier droeg. Dat laatste gold voor meer bezoekers van de tentoonstelling. Kapitein Gürsu schreef in zijn memoires: “Door onze revolutie zijn veertien eeuwen van traditie ingestort en zijn onze vrouwen onder hun zwarte doeken en sluiers te voorschijn gekomen. Ze zijn nu modern en zien er aantrekkelijk en waardig uit.” Ook het Algemeen Handelsblad was aangenaam verrast door de “bekoorlijke kortgeknipte dochteren uit het land van Kemal Pasja” die de bezoekers rondleidden op de Karadeniz.

Tapijten, rozenolie en opium
Ook verder waren de bezoekers in Amsterdam onder de indruk. De Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef: “Het is wèl een verscheidenheid van producten, die we hedenochtend aanschouwden aan boord van de Kara-Deniz.” Er volgt een opsomming van al het moois aan boord: tapijten, zijde, mohair, wol, amandelen, rozenolie, zeep, amber, meerschuim (een Turkse steensoort). En de “voortbrengselen uit het plantenrijk”. Vlas, katoen uit Adana (“welke direct van den katoenboom wordt geoogst en waarvan vooral Tsjecho-Slowakije afneemster is”), tabak en sigaretten, opium uit Smyrna etc.
Opium? De drug wordt in één adem genoemd met tabak en sigaretten alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En dat was het in zekere zin ook. Dankzij de koloniën had Nederland al eeuwenlang ervaring met opium. Sterker nog, de invoer, distributie en bereiding van opium in Nederlands-Indië waren in handen van de Nederlandse staat. Er bestond sinds 1919 wel een opiumwet, maar het zou tot na de Tweede Wereldoorlog duren voor opium echt op de zwarte lijst kwam. Vandaar dat een Turks schip zonder enig probleem met een voorraad in Nederland kon aanmeren – in heel Europa trouwens. Volgens de NRC importeerde Nederland in 1923 maar liefst 111,651 kilo uit Turkije. Daarmee was ons land de grootste internationale afnemer van opium uit Smyrna. Wel, voegt de krant eraan toe “in hoofdzaak echter voor transito-verkeer.”
Een aparte ruimte in de Karadeniz was met beelden en schilderijen ingericht door de Turkse Hogeschool voor de Kunsten. Vanzelfsprekend hing er ook een groot portret van Atatürk in het schip. Bezoekers konden aan boord niet alleen kijken, maar ook kopen. Sigarenpijpjes bijvoorbeeld, of halskettingen. Behalve de burgemeester, brachten ook de vice-voorzitters van de Amsterdamse Kamer van Koophandel, de heren H. R. du Mosch en Lousbergh, en havenmeester W.M. van de Poll een bezoek aan de drijvende tentoonstelling. En natuurlijk de Turkse consul. Al met al was het een zeer geslaagd bezoek.


Lovende woorden
Terwijl de Karadeniz in Amsterdam lag, was Turkije in de ban van een van de grootste politieke processen uit de geschiedenis van de jonge republiek. In juni was Atatürk ternauwernood ontkomen aan een moordaanslag. De politie had een grote groep samenzweerders opgepakt, onder wie een diverse kopstukken van de oppositie. Een aantal beschuldigden werd veroordeeld tot dwangarbeid; vijftien kregen de doodstraf. Ze werden publiekelijk opgehangen. Of ze allemaal echt schuldig waren is de vraag, maar het was een belangrijke stap in de consolidatie van Atatürks macht. Dinsdag 13 juli was de uitspraak van de rechter in Ankara: precies de dag dat de Karadeniz de haven van Amsterdam verliet om verder te stomen richting Hamburg.
Terwijl het in Turkije zelf rommelde, was het pr-offensief in Europa een groot succes. Niets dan lovende woorden stonden er over de Karadeniz in de kranten. Maar toch. De anekdote over de fezzen, die er niet waren, zegt nog steeds genoeg. Vooroordelen zijn hardnekkig. In de publieke opinie is Turkije een niet-Europees land gebleven. Exotisch, mooi en inmiddels ook een geliefd vakantieland, maar niet Europees. Ze kunnen dragen wat ze willen, ze kunnen zeggen wat ze willen. In dat opzicht is er weinig veranderd sinds 1926. Wel overigens op Europees politiek niveau, waar al jaren wordt gepraat over toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Istanbul is dit jaar ook een van de drie culturele hoofdsteden van Europa.


 




Feestbouwsels voor het volk
Moderne volkse nostalgie had haar voorgangers in de 19de eeuw
Tekst: Carolus van Doornen

inhoud_4Als decor voor een feestje valt er op de binnenstad weinig af te dingen. Grachtengevels, bruggen en bomen vormen een uitgelezen entourage voor elk evenement. De Gay Pride op de Bosbaan? Het laat zich moeilijk voorstellen. Toch zijn er door de eeuwen heen bij feestelijke gebeurtenissen in de stad vaak genoeg tijdelijke bouwsels opgetrokken. Van erepoorten tot rijen geveltjes in bordkarton, triplex of zeildoek.

In 1975 vierde de stad het 700-jarig bestaan. Het hele jaar vonden overal in de stad buurtgerichte activiteiten plaats, dikwijls met een blijvend karakter. De fietsersbrug over de Schinkel in het verlengde van het Vondelpark bijvoorbeeld. Maar hoogtepunt van het jubileumjaar zou – naast Sail Amsterdam – het zes dagen lange feest Mokum 700 in de RAI worden. De centrale figuur achter het feestdecor was reclame- en decorschilder Jan Luhlf (1909-1988). Deze zoon van een huisschilder had net de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, maar peinsde er niet over om te stoppen na een halve eeuw werkzaamheid. “Ik ben 66 en wil op die leeftijd nog wel eens lekker knallen.” Zijn atelier was vermaard om de aankleding van jubileumfeesten van bedrijven en huisdecorateur van beurzen in de RAI.
Destijds kenden dergelijke beurzen voor (buitenlandse) bedrijven aan het slot vaak een feestje, aangekleed als een zogenoemde Hollandse Avond: een tot bruine kroeg omgebouwde bar, een trapgeveltje met haringkar. Die recepties waren er alleen voor de selecte groep beursgangers. Maar met het aanstaande feestjaar meende de toenmalige RAI-directeur Thomas Vermeer: “Dit moeten we ook eens aan de gewone mensen laten zien, aan het volk van Amsterdam.” Het idee van Mokum 700 was geboren.
En zo geschiedde. PR-man Frits Paulen van de RAI ging met Otto Schutte (1933) van de firma Luhlf de boer op langs Amsterdamse bedrijven als Zwartjes, Perry van der Kar, Broodje van Kootje en Heineken. Schutte had zijn ontwerpschetsen bij zich van oude geveltjes waarachter de winkels een plek op Mokum 700 in de RAI konden krijgen. Schutte: “Ik tekende ze zo uit mijn kop. Voorbeelden had je aan de overkant van de straat. Je woonde ertussen. Hoe Amsterdam vroeger was, dat wist je gewoon.” Aan de replica van het poortje van het Amsterdams Historisch Museum en van het Rembrandthuis is echter af te zien dat ook het gemeentearchief werd aangedaan. Zo werkte ‘de grootste versierder van Nederland’, zoals de firma Luhlf werd genoemd, aan een nagebouwd Amsterdam en trok het in de RAI een ministad op.

Veilig pseudo-Mokum
Het festivalterrein besloeg grotendeels de Europahal en telde ruim 80 deelnemende bedrijven, naast instellingen als het jubilerende GVB en de brandweer. De haven werd uitgebeeld door een fors formaat ketting en een bord met tuigagevoorbeelden van de ADM tegen een metersgroot doek waarop schepen en hijskranen afgebeeld stonden. Geen historische verbeelding. Wel één die, navrant genoeg, door de sluiting van de werven in Noord niet lang nadien als het ware zélf historisch zou worden. Een gracht bestond uit een door bielzen en bloemstukken omzoomde reep water waarin een enkele platbodemschuit met heesters aangemeerd lag.
Er liepen besnorde gangmakers uit televisieland rond, onder wie Ted de Braak, die een moppie zong in Café Chantant, en Peter Knegjens, die aan het rad van fortuin draaide. En in de concertzaal speelde het Concertgebouworkest voor zijn doen uiterst populaire wijsjes, met als uitsmijter Geef mij maar Amsterdam. Straatnamen hadden quasi-oude spellingswijzen als Naetjenstraetjen, Drooghstoppelslop en Kattemepperssteegh. Geheel van oubolligheid was het festijn niet gespeend. Het was een mengelmoes van niet een, twee, drie te duiden tijdperken. Grootmoederstijd? Die goede oude tijd? Maar dat mocht de pret niet drukken.
Bezoekers waren vooral de recentelijk naar overloopgebieden als Purmerend verhuisde oud-Amsterdammers uit de saneringsbuurten. Vervuld van het sentiment ‘Amsterdam is Amsterdam niet meer’, vonden ze in de overdekte hallen een veilig pseudo-Mokum. Enkele maanden eerder nog had Amsterdam haar naam als ‘lastige’ stad weer eens eer aan gedaan met de metrorellen in de Nieuwmarktbuurt.
Het Parool had er een redactielokaal en bracht dagelijks een gratis Poorterseditie uit op het toen nog onbekende tabloidformaat. Bij de festivalredactie meldde zich een Amsterdammer met oude ansichtkaarten waarop nagebouwde huisjes aan een namaakgracht stonden. Het bleek te gaan om het in 1895 tijdelijk op het toenmalige IJsclubterrein (Museumplein) neergezette stadje Oud-Holland. Commentaar van de RAI: “Dit is een verrassing voor ons. We hebben er echt niets van geweten.”

Ceremonieel timmerwerk
De 20ste eeuwse volkse nostalgie van Mokum 700 heeft dus haar voorgangers gehad in de 19de eeuw. De eeuw waarin de burgerij en de middenklasse opkwamen (en de politieke macht van de vorsten werd ingeperkt). Tezelfdertijd verdwenen toen door de ontmanteling van de stadswallen ook de stadspoorten en ontstond er als het ware een heimwee naar deze aloude toegangen tot de stad. Er groeide een verlangen naar feestbouwsels voor het volk, dat nog werd gevoed door de afschaffing in 1875 van de jaarlijkse kermis, het volksfeest bij uitstek.
Het 25-jarig regeringsjubileum van koning Willem III bood een jaar eerder al een goede gelegenheid. De ontwerpers konden zich uitleven met de neostijlen die inmiddels in de architectuur zo populair waren. Her en der verrezen fantasievol uitgedoste bouwsels in de stad, ontworpen door J.L. Springer, de latere architect van de nieuwe Stadsschouwburg. Geen plein of brug werd overgeslagen.
Maar wat verraden de oude foto’s? De erepoort op het Jonas Daniël Meijerplein, een Kremlinachtig gevaarte, had twee schaduwen: de gesuggereerde naar rechts en de echte naar links. Van de erepoort op de Dam wrong het gesuggereerde perspectief en lubberde het zeildoeken basement. De door adelaars gedragen kronen werden (in tegenstelling tot die van het nabije Koninklijk Paleis!) met trekstangen overeind gehouden. De schaal was imposant, maar verder het waren niets anders dan decorstukken, even groots als plat. De uit 1840 daterende sobere, classicistische Haarlemmerpoort werd opgedirkt met een gedenknaald met wapenschild, schilddragers en een Fama (godin van de roem). Deze bekroning stond er  bovenop en was bijna even hoog als de poort zelf – nota bene de allerlaatste échte stadspoort, na de intocht van koning Willem II 1849 Willemspoort genoemd.
Ook bij de inhuldiging van Wilhelmina in 1898 pakte men stevig uit. De poorten oogden inmiddels eleganter en hadden soms zelfs het voorkomen van een pergola. Ook dit waren louter fantasiebouwsels, hoewel op de Armbrug over de Oudezijds Voorburgwal een heus slot Loevestein was opgetrokken. Op verkleinde schaal uiteraard, maar in fraaie harmonie met de torens van de Sint Nicolaaskerk op de achtergrond. De volksbuurten werden goed bedacht. Op het Bickersplein verrees een erepoort naar ontwerp van de architect J.C. van Epen. Een metershoog gevaarte met kantelen en stadswapens en versierd met bloemstukken. Bovenop de erepoort aan de Wittenburgergracht prijkte een ruiterstandbeeld van Willem de Zwijger, tweedimensionaal als een wajangpop. Met dergelijk ceremonieel timmerwerk bracht het volk de band met haar vorst tot uitdrukking.

Geromantiseerd Oud-Holland
Aan het einde van de 19de eeuw ontstond nog een andere variant. De braakliggende grond achter het Rijksmuseum (aanvankelijk nog in aanbouw) werd het terrein van grootschalige, internationale (wereld)tentoonstellingen. De hoofdstad werd zo het schouwtoneel voor een mondain internationaal publiek en presenteerde hier velerlei uit de koloniën en de laatste verworvenheden op het gebied van landbouw, nijverheid en industrie. De eerste was de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling in de zomer van 1883, waar 28  landen vertegenwoordigd waren. Ook kon men er een sober gebouwtje aantreffen van de verenigde Amsterdamse diamantslijpers en een (‘bewoonde’) kampong uit Nederlands-Indië. Maar nagebouwde oude architectuur van eigen bodem ontbrak nog.
Vier jaar later was het dan zover: tijdens de Voedingsmiddelen Tentoonstelling regen de trapgevels met winkelluifels zich aaneen op het marktplein met pomp. Ontwerper was de  kunstschilder Cornelis Springer, bekend om zijn geromantiseerde stadsgezichten met geveltjes van omstreeks 1600. De hoofdzakelijk Nederlandse bezoekers werden onthaald in een restauratiegelegenheid gehuisvest in een replica van het 16de-eeuwse Waaggebouw, dat in het echt tot 1806 op de Dam had gestaan. Er stond van alles: een bierhuis en een bakker, sigarenhandel Petit uit de Utrechtsestraat en ook een paviljoen van Blookers chocolade, genaamd “Socolate molen”. Figuranten in historische kostuums verhoogden de authentieke sfeer. De trend was gezet, de romantisering van het eigen verleden was cliché geworden.
Bij de Tentoonstelling van het Hotel- en Reiswezen in 1895, werd de hoofdattractie als “de vermaerde Marckt ende Graft Oudt-Hollandt” in gotische letters op het affiche gespeld. In ruim vijf maanden trok het een miljoen bezoekers. Pronkstuk vormde een getrouwe nabootsing van het middeleeuwse Amsterdamse stadhuis, dat in het echt in 1652 afbrandde. Opdrachtgever van het circa 80 panden grote stadje was de Nederlandse Hotelhouders Bond. Hoofdarchitect Evert Breman, een bouwkundige, had eerder een markant hoekpand met torentjes en erkers in neorenaissance stijl op het Muntplein (Reguliersbreestraat 1) ontworpen. Bouwen in neostijlen was toen algemeen in zwang. Het waren ansichtkaarten van dit Oud-Holland die 80 jaar later onverwacht opdoken tijdens Mokum 700.

Amerikaanse confettiregen
Ruim een halve eeuw later, toen in de echte architectuur de rechte, tierelantijnloze lijnen van het Nieuwe Bouwen inmiddels de toon aangaven, zou men zich nogmaals verpozen tussen de replica’s. In 1950 werd het (verzonnen?) jubileum van 500 jaar Kalverstraat aangegrepen om op de Dam vier weken lang de manifestatie Damstad te houden. In de Kalverstraat liet de winkeliersvereniging de winkels achter decorstukken van oude gevels verdwijnen. Otto Schutte, die 25 jaar later betrokken zou zijn bij het ontwerpen van Mokum 700, werkte er “als jong broekie” aan mee.
Pal voor het Paleis betrad men door een stadspoort een 15de-eeuws stadje. De opening werd verricht door een in een calèche gezeten burgemeester Arnold d’Ailly, “temidden van een stoet van herauten, stadswachten, narren, poorters en poorteressen”, aldus het Polygoonjournaal. “Een sfeervolle cortège, waarbij behalve de kleding van de burgervader eigenlijk alleen de Amerikaanse confettiregen wat uit de toon valt.”
De vele figuranten werden gekostumeerd en geschminkt door het atelier van Herman Michels. Ook de achttien jaar jonge Hans van Manen was er in dienst en draaide mee in de schminkploeg. Hij herinnert zich Damstad als een Anton Pieckachtig geheel: “Het was hol als je erop sloeg.” Het maakte op hem een amateuristische indruk. Toch was er was degelijk ook cultuur met een grote C te vinden. Zoals het dansoptreden van Sonia Gaskell. Dat was verre van amateuristisch. Amper klaar met schminken of Van Manen was al bij het podium met de dansers van Ballet Recital (een voorloper van het Nationale Ballet) te vinden. Hij beschouwt dit zelf als het begin van zijn balletcarrière.
Er was meer echte cultuur. Hella Haasse, destijds juist begonnen te publiceren, schreef toneelstukjes voor Damstad met titels als Hoe de Schout zichzelf aan de schandpaal bracht en Het treurig spel van Jan Klaassen en Katrijn of Ongeschikt voor de Houwelijcke Staat. Ietwat anachronistisch op dit festijn in middeleeuwse sfeer was Een Amsterdamse jongen redt de beurs: de verijdelde Spaanse aanslag (schuit met buskruit wordt door balspelende jongen ontdekt) had eerst in 1621 plaats.

Strobalen op de Oudezijds
Inmiddels laten de laatste decennia een wildgroei aan publieksmanifestaties zien en beleeft Sail Amsterdam deze zomer de achtste editie. Maar de geveltjes van Mokum 700, dat 250.000 bezoekers trok, kregen geen navolging. In 1985 bleef het tijdens het Bredero-herdenkingsweekend (georganiseerd door het Comité 400 jaar Bredero) bij gekostumeerde toneelspelers tussen strobalen op de Oudezijds Voorburgwal. En de replica van een stukje middeleeuwse stadsmuur die Stichting Sciltraminghe in 1999 een weekend lang had opgetrokken tijdens het Festival aan de Muur op de Nieuwmarkt, had een educatief doel. Het bouwsel bestond uit steigerpalen bespannen met zeildoek. Ook nostalgie is nostalgie niet meer… Maar toenmalig initiatiefnemer Raoul Serrée is als stadsgids nog dikwijls in historisch kostuum als schutter met hellebaard aan te treffen. Tegen het decor van echte gevels.


 




Ieder huis een eigen nummer
Buurt- of straatgewijs? Per pand of woning?
Tekst: Jeff Pinkster


De Amsterdamse huizen werden zo’n 200 jaar geleden voor het eerst van een huisnummer voorzien. Maar sindsdien is het nummeringssysteem alweer enkele keren veranderd. En steeds leverden nieuwe woonvormen nieuwe problemen op.

nummer_1-inhoudNog geen anderhalve eeuw geleden nummerde de gemeente niet per straat, maar per buurt. Een wandelaar die de hele Prinsengracht afliep, doorkruiste maar liefst achttien afzonderlijk genummerde buurten. Zo kon het gebeuren dat op deze lange gracht nummer 514 wel zesmaal voorkwam. Heel verwarrend, zeker voor mensen van buiten de stad.
Tegenwoordig zit het systeem een stuk eenvoudiger in elkaar. De van noord naar zuid lopende straten, worden vanaf het IJ genummerd: de westkant even, de oostkant oneven, in de volgorde van de straatdeuren. In de oost-weststraten wordt genummerd vanaf Damrak, Rokin en Amstel; oneven aan de zuidkant, even aan de noordkant van de straat of gracht. In heel Amsterdam zijn deze hoofdregels herkenbaar, al zijn er (door allerlei omstandigheden) vele uitzonderingen…
De hoofdgrachten voldoen wel én niet aan de regels: zij beginnen noord-zuid, maar buigen af naar het oosten. Het noord-zuiddeel (het oudste) is hier bepalend voor de nummering: die begint dus aan de IJkant. Zo komt het dat op  – onder meer – de Keizers- en Prinsengracht de hoogste nummers bij de Amstel te vinden zijn. Ook in de parallelstraten in de grachtengordel, zoals de Amstelstraat, de Kerkstraat en de Leidsedwarsstraten, liggen de hoogste nummers bij de Amstel.  
Hoe vanzelfsprekend deze principes nu ook mogen lijken, tot ruim twee eeuwen terug kende Amsterdam helemaal geen huisnummers. Eeuwenlang werden gevelstenen en uithangtekens gebruikt als huisaanduiding. Een zekere Willem Clermont woonde in 1712 bijvoorbeeld op de “Nieuwe Zijds Achterburgwal” (nu Spuistraat) tussen de Korsjespoortsteeg en het Kattegat “daer het Hemelryk uythangt.” Jan Schrijver, groenteventer op de Prinsengracht, was daarentegen te vinden “bij de brouwerij van het Roode Hert, in de gang naast de Winkelhaak, op de achterkamer.”
Maar lang niet alle panden waren voorzien van duidelijke herkenningstekens. De invoering van het huisnummer was daarom ondanks alle gebreken een hele vooruitgang. Diezelfde Jan Schrijver was nu immers terug te vinden op de Prinsengracht 365-1A. De nummering danken we aan de Fransen.

Franse tijd
De Bataafse Republiek was nog maar net uitgeroepen toen er op last van de Fransen in 1795 gestart werd met het nummeren van de huizen in Amsterdam. De Nederlandse bevolking moest worden geteld, zodat stemgerechtigde burgers konden worden opgeroepen. Maar een duidelijk bevolkingsregister met adressen was nooit aangelegd.
De bevolking werd daarom geteld aan de hand van een oude stadsindeling uit 1684, waarin Amsterdam verdeeld was in 60 wijken. Zogeheten wijkmeesters kregen de instructie “alle de Huizen, de Godshuizen er onder begrepen, met een nummer te teekenen, beginnende voor iedere Wijk met No. 1, 2 enz., tot het laatste Huis van de Wijk toe en vervolgens.” Het resultaat bleef niet behouden, maar leidde wel tot de verdeling van de stad in veertien districten en 420 ‘grondvergaderingen’.  Daarna werd besloten elk perceel een eigen volgnummer te geven.
De eerste officiële nummering werd in 1795 bedacht door Jean Henri van Swinden (1746-1823), hoogleraar wis- en natuurkunde aan het Amsterdams Athenaeum Illustre, voorloper van de UvA. Met twee collega’s leidde hij de volkstelling. Van Swinden stelde voor om “elke Gracht of Straat geheel op zich zelf te nummeren, zoodat maar ééns hetzelfde nummer op dezelfde Gracht of in dezelfde Straat werd aangetroffen, maar ook daarentegen zooveel malen in Amsterdam voorkwam als er Straten, Grachten, enz. Waren.”
Aan de ene kant van een straat werd van begin tot eind oplopend genummerd, vervolgens liep het aan de overkant in omgekeerde volgorde terug. Hoogste en laagste cijfer kwamen zo  tegenover elkaar te liggen. Boven de deur van Keizersgracht 672 is het  huisnummer van 1795 nog vaag terug te vinden: “No. 712” met daarvóór “ D 7 G 15”, een verwijzing naar het district en de grondvergadering. Meteen op de invoering van de huisnummers volgde in de zomer van 1796 het aanbrengen van straatnaambordjes. Al heeft het tot ver in de 19de eeuw geduurd, voordat alle straten van huisnummers en naambordjes waren voorzien zoals we die vandaag de dag kennen.
De eerste verwarring rondom de huisnummers ontstond al na een paar jaar. In 1808 kregen alle percelen er een nummer bij, vanwege de vernieuwing van de al bestaande belasting op de waarde van de huizen, de ‘verponding’. Deze ‘belastingnummers’ werden naast de oude huisnummers geschilderd.
Zo kreeg het eerdergenoemde Keizersgrachtpand (nu 672) naast nummer 712, nu ook nummer 4730 toegewezen. De verpondingsnummers liepen veel hoger op dan de gewone nummers, dus werd in de volksmond al snel gesproken over het grote en kleine nummer. De gemeente gaf nog een wegwijzer uit, die per straat de huisnummers van alle hoekpercelen vermeldde, maar kon niet voorkomen dat Amsterdammers beide nummers door elkaar gingen gebruiken. De verwarring was compleet.
Ook de Amsterdamse schrijver en advocaat Jacob van Lennep kon de logica van de huisnummering niet meer volgen. In deel 22 van zijn Romantische werken wijdt hij een compleet hoofdstuk aan het huisnummer. Van Lennep schetst het beeld van een systeem dat net als in Parijs en Londen doodeenvoudig had kunnen zijn, maar in Amsterdam tot tweemaal toe uitliep op een fiasco.

1852: nummering per buurt
Dat er een verbetering moest worden aangebracht “in de aanwijzing van de woonplaats der ingezetenen” stond voor Van Lennep buiten kijf. Het zou flink wat “aanleiding tot ongemak en beklag” wegnemen. Blij was de schrijver daarom toen het systeem uit 1796/1808 opnieuw op de schop ging in 1852. “Toen er voor eenige jaren sprake was, om het toen bestaande stelsel van indeeling der stad in wijken te veranderen, vleide ik mij, dat een nieuw en meer rationeel stelsel de bezwaren van het vorige zou wegnemen.”
Amsterdam werd nu per buurt genummerd. Uit de verordening van 21 juli 1852: “De Buurten worden genoemd naar de enkele en dubbele letters van het alphabeth, de Afdeelingen naar de letters der Buurt, met bijvoeging van Nummers, de Perceelen worden voorzien van de letter de Buurt en een volgnummer, bij iedere Buurt met No. 1 te beginnen.” Zo kreeg je de buurten A tot en met Z en AA tot en met ZZ, met uitzondering van de buurten I, en II.
De gemeente hoopte met de stelselwijziging de administratie beter op orde te krijgen. Publieke zaken werden al per wijk geregeld, maar het werd als een probleem ervaren dat de huisnummers van de straten de wijkgrenzen overschreden. Met de nummering per buurt was dat probleem opgelost. Jammer genoeg werd de stad daardoor één grote puzzel, vooral omdat de Amsterdammers niet konden teruggrijpen op het ietwat duidelijkere kleine en grote nummer: het werd bij wet verboden die nummers nog op gevel geschilderd te hebben.
Jacob van Lennep schreeg geërgerd: “In plaats van Wijken kwamen er Buurten, en in plaats van de bestaande nummers, die zwart geschilderd waren, kregen wij andere nummers, die rood geschilderd waren. Dat een en ander geschiedde ongetwijfeld, om eene heel wijze reden, die ik niet onderzoeken, laat staan beoordeelen wil; doch het ongerief, waarover men zich tot dien tijd beklaagd had, was niet weggenomen.”
Nu moesten Amsterdammers complete buurten doorkruisen om een adres te vinden. Van Lennep schreef over die chaotische toestanden de Vertelling van den heer, die bij een vriend te Amsterdam zou gaan logeeren. Daarin volgt de lezer de reis van een Belg uit Brussel die  in Amsterdam hopeloos verdwaalt. Zoekende naar  “X Smit, op de Keizersgracht, tusschen de Weesperstraat en Muidergracht, W 424”, stuit de Belg na een fikse wandeling op totaal tegenstrijdige nummering. De logica die hem een adres helpt vinden in Parijs of Londen, gaat in Amsterdam niet op. Laat op de avond geeft hij zijn zoektocht op, stapt het eerste de beste logement binnen en komt pas de volgende ochtend aan bij vriend Smit.

1875: opnieuw per straat
De weerstand groeide met de dag. De gewraakte Keizersgracht doorkruiste maar liefst acht buurten, de Prinsengracht achttien. Daarom nam men in 1874 het besluit om de stad opnieuw te vernummeren. Dit keer op “zoodanige wijze, dat elke straat of gracht op afzonderlijke wijze worde genummerd”, aan de rechterzijde even en aan de linkerzijde oneven.
Deze nummering is gaandeweg aangevuld en verbeterd. Zo bleken voorgevels niet altijd de voorkant van een woning te zijn. Daarom werd voortaan genummerd aan de straat waar de toegangsdeur lag. Omdat gezinnen steeds vaker geen heel huis bewoonden, maar slechts een deel, werden Romeinse cijfers aan de nummers toegevoegd om verdiepingen aan te duiden. De toevoeging hs duidde op de begane grond. I, II en verder op de bovengelegen verdiepingen. Na 1896 moesten ook de huizen van geannexeerde gemeenten worden vernummerd.
Al met al functioneerde het nummeringstelsel zo’n driekwart eeuw bevredigend, totdat het te maken kreeg met een nieuw probleem. Het “voor ons vertrouwde stelsel van verdiepingsaanduiding” voldeed niet meer, constateerden ambtenaren na de Tweede Wereldoorlog. Denk bijvoorbeeld aan de nieuwe bouwvormen in Bos en Lommer, met de bergingen aan de begane grond en de woningen op de bovengelegen verdiepingen. Hoe moet je die aanduiden als de bel-etage feitelijk al op de eerste verdieping ligt?
Dat probleem werd opgelost door de nieuwe regel dat elke woning aan een galerij een eigen huisnummer kreeg, met een verzamelbord bij de gezamenlijke toegang aan de weg. In 1955 zijn de eerste woonblokken in de Senecastraat,  het Confuciusplein, de Haarlemmerstraat en op de Korte Prinsengracht volgens deze regel genummerd. Een variant werd later in de Bijlmer ingevoerd, de zogeheten hotelnummering, die niet alleen het huisnummer aangaf, maar ook de verdieping (101, 201, enz.).
Zo ontstond een meer algemene nieuwe praktijkregel: elke zelfstandig verhuurbare ruimte een eigen nummer. De hele stad omnummeren kostte te veel geld. Vanaf 1963 werd de nummering in nieuwe woonwijken toegepast, vanaf 1972 werden ook panden vernummerd die her- of verbouwd werden. In die gevallen verviel de verdiepingsaanduiding, daarvoor in de plaats kreeg een nummer een lettertoevoeging – 439D, bijvoorbeeld. De nummervolgorde op een straat of gracht bleef  daardoor intact.
Maar een praktijkregel ligt niet vast, dus werd er nog wel eens van de regel afgeweken. Op de Egelantiersgracht bijvoorbeeld werden in 1983, links naast nummer 80, de oude huizen 82, 84 en 86 vervangen door een appartementencomplex, dat 306-322 werd genummerd: unieke nummers zonder letter. Het lijkt erop dat men verwachtte dat op den duur ook de herbouw volgens dit systeem zou worden vernummerd: nummer 2 werd dan 2-8, nummer 4 werd 8-12 enzovoorts. Uitgerekend werd dat de bovenste verdieping van nummer 80 dan nummer 304 zou heten, dus werd de nieuwbouw op de plaats van het oude 82hs nummer 306. Maar de oudbouw is hier nooit vernummerd. Waar dat wél gebeurde, ontstond steevast veel gemor, zodat in de jaren tachtig het systeem met lettertoevoeging het pleit won. Ook de gemeentelijke computersystemen bleken van het cijfer-lettersysteem minder in de war te raken dan van andere stelsels.
Sindsdien is de beschreven praktijkregel consequenter toegepast, al heeft Amsterdam de regel pas in 2004 formeel vastgelegd. Na toekenning van een nummer volgt nu eventueel een letter, eventueel aangevuld met nog een getal. Curieuze uitzonderingen uit het verleden zullen altijd blijven bestaan. Zo nummeren de evenwijdig aan elkaar lopende Rustenburgerstraat en Van Ostadestraat vrolijk tegen elkaar op. Eerstgenoemde straat was bij de annexatie van het noordelijk deel van Nieuwer-Amstel al gedeeltelijk bebouwd en genummerd. En die tegendraadse nummering werd toen maar aangehouden.

Een nieuwe tijd
“De richtlijnen zijn in het verleden niet overal consequent toegepast”, erkent Ton Roos, van de Dienst Persoons- en Geo-informatie (DPG). Hij was projectleider voor de invoering van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen en is verantwoordelijk voor de regelgeving over de huisnummering. “Aan een pand in Noord is ooit het huisnummer 5½ toegekend”, zegt Roos lachend. “Toch hebben wij het in Amsterdam inmiddels aardig op orde. Zeker nu de regelgeving wettelijk verankerd is.”
Sinds het eind van de jaren negentig werkt de DPG aan de verbetering van de registratie van personen, gebouwen en adressen. “Zo hebben we in 1995 het Romeinse cijfer formeel afgeschaft, dat kon niet worden gebruikt in de computersystemen. Vrijwel niemand weet dat, we laten het cijfer langzaam uitsterven.” In die periode hielp Amsterdam ook al mee aan de voorbereiding van één landelijke basisregistratie, die onlangs is ingevoerd. Een gevolg hiervan is dat Amsterdam al een tijdje gebruik maakt van één centraal adressenbestand.
“In 2003 zijn we begonnen met het naast elkaar leggen van adressenbestanden van verschillende diensten”, zegt Roos. “Het aanvankelijke bestand telde 500.000 adressen, na opschoning bleven er 440.000 over.” Foutieve, niet bestaande of dubbele adressen: ze werden er allemaal uitgehaald. “Door de bouw van allerlei nieuwe wijken, zoals IJburg, heeft Amsterdam nu weer 450.000 adressen.”
Adressen worden tegenwoordig op een andere manier geregistreerd. Roos: “We maken onderscheid tussen ligplaats, verblijfsobject en standplaats. Je hebt het dan eigenlijk over woonboten, woningen, winkels en kantoren en woonwagens.” Dat onderscheid is erg belangrijk. “Toen de eerste pinautomaten werden geplaatst, dreigden die even allemaal een huisnummer te krijgen. Het energiebedrijf weigerde anders stroom te leveren.”
De regels voor de toekenning van een huisnummer zijn door Amsterdam in 2004 formeel vastgelegd. Tussen 2005 en 2007 heeft dat concrete gevolgen gehad voor de woonboten in de stad, die zijn inmiddels vernummerd. Roos: “Tegenwoordig nummeren we de ligplaats, een adres zegt nu alleen nog wat over de vindbaarheid.”
Dat is ook het uitgangspunt geweest voor de afgelopen zomer ingevoerde wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Die bepaalt dat er vanaf 2011 in heel Nederland met dezelfde regels wordt gewerkt. “Iedereen gebruikt dan dezelfde gegevens. In feite kan er geen verwarring meer ontstaan.”


 




Communist zonder partij
Bloei en ondergang van het Amsterdamse communisme
Tekst: Serge Markx

inhoud_6Meteen na de oorlog was de CPN met vijftien zetels de grootste partij in de Amsterdamse raad. Machinebankwerker Roel Walraven werd toen lid. Hij was  bestuurder in de jeugdbeweging, kwam in de gemeenteraad en werd wethouder. De laatste jaren is hij de energieke en hartelijke voorzitter van het ‘bewonersplatform’ in Oud-West. Strijdbaarheid vormt de rode draad in zijn leven.

Roel Walraven woont op het WG-terrein. Een mooie lichte woning.
Zijn vrouw voorziet het gesprek geregeld van snedig commentaar. “Ik zag meteen dat je geen colatype bent”, zegt ze als ik kies voor sap.
Onlangs was Walraven op de begrafenis van de vroegere CPN-parlementariër Marcus Bakker. “Ik heb Marcus goed gekend, zat 30 jaar met hem in besturen.” Ook Paul de Groot (1899-1986), bestuurslid sinds 1938 en vanaf 1962 bijna almachtig als partijvoorzitter, kende hij goed. “In 1966 maakten we bij hem thuis samen een verkiezingskrant, De Rode Amsterdammer. Ik bewonderde De Groot; die man stak met kop en schouders boven de anderen uit. Hij had scherp politiek inzicht, sprak zijn talen, luisterde. Of ik moeite had met de partijdiscipline? Nee. Maar ik zat bij de leiding, en dan functioneer je anders dan een gewoon lid.”
Hij werd in 1930 geboren in de Indische buurt. “In die tijd een echte arbeidersbuurt. Strijdbaar. Ik groeide op in een communistisch gezin, mijn vader en moeder waren betrokken bij de Spaanse Burgeroorlog. Mijn moeder maakte kleertjes voor Spaanse kinderen en ik zamelde geld in.”
Zijn vader was koperslager bij de machinefabriek Werkspoor. Daar werkten 4000 mensen 48 uur per week. Het was crisis. “Mijn vader werd ontslagen en kon op dezelfde dag weer in hetzelfde werk beginnen, maar voor minder loon.”
Zijn ouders kwamen van Kattenburg en Oostenburg. Zijn vader kwam uit een gezin van tien. Bijna de hele familie was in dienst bij Werkspoor, ook zijn opa. Walraven: “Ik ben de enige die er niet terechtkwam. Na de ambachtschool ging ik op mijn vijftiende werken bij een metaalbedrijf. Ik was machinebankwerker, deed al het metaalwerk: veilen, hakken, machines in elkaar zetten.”  
Ze waren in de oorlog actief in het verzet. “Mijn vader heeft toen geleerd te schieten. Mijn moeder verspreidde De Waarheid.” Op zaterdagmiddag werd er door een groep mannen bij hen thuis vergaderd. “Ik wist niet wat ze bespraken. Tot we op zo’n zaterdagmiddag huiszoeking kregen. Politie. Twee Duitsers en twee Nederlanders. Die hebben lang zitten wachten, maar toevallig was er die middag geen vergadering. Angstig, want je wist wat er kon gebeuren.”

Stalin de bevrijder
Na de oorlog had hij een sterke politieke interesse. Hij was vijftien toen hij lid werd van het Algemeen Nederlands Jeugdverbond (ANJV), de jongerenorganisatie van de CPN. “Ik kwam al snel in het bestuur en rolde zo van het ene in het andere bestuur. Dat is heel gek.”
De CPN had twee wethouders. “Die zijn er in 1948 uitgewipt, toen de Koude Oorlog begon. De CPN was tegen de Amerikanen en de PvdA tegen de Russen. We gaven flink op elkaar af.” Bovendien was er de concurrentie tussen de grote PvdA en de grote CPN. “Die machtsstrijd zat in de Koude Oorlog verweven. ”
Hoe ziet hij achteraf de Sovjetunie en de meedogenloze Stalin? “Je moet dat in historisch perspectief zien. De Sovjetunie was het eerste land waar arbeiders en boeren aan de macht kwamen. Het werd voortdurend in zijn bestaan bedreigd. Toen begon de Tweede Wereldoorlog, en dat was een maatstaf voor hoe je de Sovjetunie beoordeelde. Dat gold ook voor Stalin als de verpersoonlijking van de Sovjetunie. Hij was bovendien de opperbevelhebber – de ‘generalissimo’ – van het leger.”
“Het Sovjetleger sloeg bij Stalingrad als eerste de Duitsers terug. De bewondering voor de Sovjetunie en voor Stalin was groot. Je kan lang praten over de fouten van Stalin, maar voor ons was hij het symbool van de bevrijding. Dat gold niet alleen voor communisten. Velen volgden op een landkaart hoe de Russen optrokken naar Berlijn.”
Als partijbestuurder ging hij geregeld naar Moskou. Hij was er op historische momenten. In juli 1953 voor het eerst, met een jeugddelegatie van het ANJV. De stad was zwaar beschadigd door de oorlog. Op 5 maart was Stalin overleden en kwam in het mausoleum naast Lenin te liggen. Walraven: “Je zag z’n gezicht en z’n jasje.” En in 1956 was hij op een receptie met Chroestjov, die in februari dat jaar Stalin van zijn voetstuk had gestoten. “Ik geloof dat ik hem nog een hand gegeven heb ook.” In 1978 bezocht hij Moskou vanwege de actie tegen de neutronenbom en in de jaren tachtig drie keer voor de promotie van Amsterdam in de campagne om de Olympisch Spelen in 1992 binnen te halen.

Ineens op zes
In 1966 kwam Walraven in de gemeenteraad. Tot zijn stomme verbazing. Als voorzitter van de jeugdbeweging was hij lijstduwer. “Ik was dat een paar keer; je tekent een formulier, en dat is het. Op een avond komt de krant - De Waarheid - en toen stond ik op nummer zes. Ik zei: ‘Verrek! Dan kom ik in de gemeenteraad.’ Ik had helemaal niet de ambitie, maar als de partij vond dat het nodig was, dan deed je het.”
“In het begin zat ik in de raad als een kat in een vreemd pakhuis. Dus ik vroeg aan de fractievoorzitter: ‘Wat moet ik eigenlijk doen?’ ‘Luisteren! En niks zeggen!’ Dat was zo bij alle fracties; je moest niet haantje de voorste spelen.”
Gijs van Hall was burgemeester. Volgens Walraven was hij een steile, wat autoritaire man. Het college was ouderwets en formeel, het grootste deel zat in streepjesbroek. Tegelijk met hem kwamen in 1966 ook de frivole provo’s in de raad. “Met de provo’s hadden wij niet veel op. Ook wij waren een vrij steile beweging.”
De herdenking van de Februaristaking was destijds een belangrijke kwestie in de Amsterdam politiek. Er was een langlopend conflict tussen de CPN en het stadsbestuur over de vraag wie er achter de staking zat. Walraven: “De kwestie was of de staking spontaan ontstond of georganiseerd was. Dat was de kern. Wij communisten weten hoe het gegaan is. De CPN haalde op de Noordermarkt haar kaders bij elkaar. Onder andere Dirk van Nimwegen sprak daar de mensen toe. De partij heeft toen de kaders in de bedrijven laten oproepen om te staken. Die staking is georganiseerd door de illegale CPN.”
Eerdere stakingsplannen vormden de grondslag. “Op basis daarvan is besloten te protesteren tegen de jodenvervolging, na de eerste razzia.” Toen kwam het cruciale moment of de oproep zou worden opgevolgd. “Dat kon de CPN-leiding niet voorzien, maar het werd in Amsterdam een algemene staking. Velen staakten alleen uit verontwaardiging. Maar de stoot kwam van de communisten.”

Auto met chauffeur
Het was een gigantische gebeurtenis. Doorslaggevend was dat de trams niet reden. Iedereen wist daardoor dat er iets aan de hand was. De bedrijven liepen leeg. “Je had toen bedrijven van duizenden mensen. En die gingen met honderden naar andere bedrijven om op te roepen tot de staking, zo kreeg je grote optochten. Mensen protesteerden.”
Jarenlang hield het stadsbestuur ’s ochtends een herdenking en de communisten ’s avonds. “In 1968 hebben Harry Verheij van de CPN en Ed van Thijn van de PvdA de gezamenlijke herdenking hersteld. Ik ben daarvoor. Het punt is dat geschiedschrijving niet objectief is. In veel geschiedenisboeken wordt met de waarheid geschoven. Ik ben zelf uiteindelijk ook niet objectief.”
De bij die razzia opgepakte joden zijn allemaal vermoord. Was de staking dus nutteloos? Walraven: “Dat is nou de vraag. De Februaristaking heeft de jodenvervolging niet kunnen tegenhouden. Dat is gewoon een feit. Maar mensen zagen voor het eerst dat je iets kon doen. Dat je niet weerloos hoefde te staan. Dat je niet alleen was. Je was met velen. Dat gaf een stoot tot het verzet.”  
In 1982 werd hij van raadslid wethouder. Hij is er bescheiden over. “Daar moet je niet teveel tegenaan kijken. Het is hard werken, zwoegen. Heel nuttig werk. Maar ik dacht nooit: zie mij eens zitten. Als je uitgenodigd werd bij bijeenkomsten vonden mensen het leuk als je met de ambtsketting kwam en in een auto met chauffeur. Dat is vreemd. Mensen hechten meer aan autoriteit dan ik zelf ooit deed.”
Hij vond het mooi dat hij wethouder personeelszaken werd. Kort daarvoor was er nog een ambtenarenverbod voor communisten. “Dat vond ik in zekere zin wel een triomf: nu was een communist de wethouder personeelszaken, die 30.000 ambtenaren bestuurde.” Het zette zich onder andere met de nota Adam en Eva in voor gemeentelijk voorkeursbeleid voor vrouwen en immigranten. Daarnaast had hij sport in zijn portefeuille.
Het belangrijkste wapenfeit voor hem was de rehabilitatie van de gemeentelijke stakers van 1955. Dat jaar was er een grote staking bij het overheidspersoneel om de sociale voorzieningen te verbeteren. “Het gemeentebestuur besloot alle stakers te straffen. Mensen werden in rang teruggezet en anderen werden enkele dagen gestraft. De ongeveer 60 gangmakers werden ontslagen. De kop van de staking werd er afgeslagen.”

Eerherstel stakers
Toen hij wethouder werd, ging de directeur van de afdeling Personeelszaken weg. “Bij zijn afscheidspraatje zei hij: ‘Walraven, als je één ding goed wil doen, dan moet je nog eens kijken naar die stakers uit 1955. Dat is de zwartste dag uit de geschiedenis van de afdeling Personeelszaken. Wij moesten toen in één nacht de brieven naar die mensen klaarmaken en versturen. Dat heeft veel ellende veroorzaakt.’”
Later verscheen een kleurenbijlage van Vrij Nederland waarin ontslagen mensen aan het woord werden gelaten. De gevolgen voor hen en hun gezinnen waren schrikbarend. “Ik liet het aan Jan Schaefer lezen, die naast me zat. ‘Godverdomme’ zei hij, ‘dat kan toch niet.’ Toen hebben we samen besloten dat daar wat aan moest gebeuren en het in B&W gebracht. Zo konden we het voor die mensen oplossen.”
“De rehabilitatie was sowieso belangrijk. Eerherstel. Ze vonden dat ze opkwamen voor een rechtvaardige zaak en tóch ontslagen waren. Ook regelden we een vergoeding voor gederfde inkomsten en kregen ze pensioenrechten. Ik zie nog wel eens een van de stakersvrouwen. Die zegt dan: ‘Ik ben nog van je op vakantie geweest!’”
Roel Walraven heeft de bloei en ondergang van het Amsterdamse communisme meegemaakt. Met de val van de muur in 1989 was ook het lot van de CPN bezegeld. De partij ging op in GroenLinks. Hij mist de grote ideologieën in de huidige politiek. “Het ergert me dat ze alles berekenen; het gaat om geld en niet om ideeën. Een politicus moet een idee hebben over de stad. Er is geen visie op de maatschappij.”
“Ik ben een communist zonder partij. Een socialistische maatschappij op de oude manier kan niet meer, maar in een nieuwe vorm kan het mogelijk zijn. Nodig blijft nationalisatie van banken, verzekeringen, gezondheidszorg en nutsbedrijven. Dat bewijst de crisis. De kern van de economie moet in handen zijn van de staat. Dan kan de rest zich vrij ontwikkelen.”

Delen: