Nummer 6: Juni 2008

062008_Cover




Op het omslag: “Jan Swammerdam”, luidde het oorspronkelijke bijschrift onder deze litho van Johann Peter Berghaus. In werkelijkheid kopieerde tekenaar Jan Stolker De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp. Stadsarchief.

- Vrouwen voor kiesrecht
- Jan Swammerdam
- Voetbalclub Wilhelmina Vooruit
- Provo Luud Schimmelpennink
- Collectes in crisisjaren
- Graansilo aan het IJ






Strijdtoneel voor vrouwenkiesrecht
Vrouwen bevochten in juni 1908 hun rechten
Tekst: Karin Lakeman

062008_VrouwenPrecies honderd jaar geleden, in juni 1908, werd in Amsterdam het derde congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht gehouden. Voor de eerste keer kwam een groot aantal vrouwelijke congresgangers samen in Nederland. Ongeveer 1200 deelnemers uit 21 landen congresseerden onder leiding van de drie bekendste voorvrouwen van de eerste feministische golf in Nederland: de Amsterdamse dames Aletta Jacobs, Wilhelmina Drucker en Johanna Naber.
Amsterdam was van 15 tot en met 20 juni 1908 even het strijdtoneel voor het vrouwenkiesrecht. Het Concertgebouw werd voor een week afgehuurd voor de samenkomst van de International Woman Suffrage Alliance. Ook verder werden kosten noch moeite gespaard. Epicentra waren het woonhuis van Aletta Jacobs, ‘presidente’ van de Nederlandse Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, aan de Tesselschadestraat 15 en het huis van de familie Naber aan de Van Eeghenstraat 5. Hier werden activiteiten voorbereid en logés ontvangen. Overigens was een aparte vleugel van het Amstel Hotel gereserveerd voor de Amerikaanse delegatie.
Al lang ervoor en nog lang erna gonsde het van de activiteiten. De voorzitter van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, de Amerikaanse Carrie Chapman Catt, was vanaf mei in Amsterdam in verband met de voorbereidingen. De zondag voorafgaand aan het congres preekte de voorzitter van de Amerikaanse vereniging voor vrouwenkiesrecht, dominee Anna Shaw, in de Waalse Kerk. Na afloop van het congres werden er voor de gedelegeerden van de Wereldbond uitstapjes georganiseerd naar Scheveningen en naar de Diergaarde in Rotterdam. Dominee Shaw en Chapman Catt verbleven nog weken in Amsterdam om hier en in de rest van Nederland propagandawerkzaamheden te verrichten.

Deining en juwelen
De meeting in Amsterdam, zoals deze in 1908 al heel modern in de pers werd genoemd, was een groot succes. En dat terwijl het de Nederlandse organisatrices vooraf zo had tegen gezeten! Maar toen het moment daar was, werd er in het Concertgebouw inhoudelijk flink vergaderd en wijdde de Nederlandse pers pagina’s lang uit over de bijeenkomsten. Aan de leden van de Amsterdamse afdeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht was gevraagd gedurende het congres de vlag uit te hangen.
Er was een prachtig sociaal programma met diverse recepties (onder andere van burgemeester Van Leeuwen en zijn vrouw in de ambtswoning aan de Herengracht) en allerlei excursies en uitstapjes, van een boottocht op de Amstel tot aan bezoeken aan Amsterdamse scholen, crèches, het armenhuis en het destijds ultramoderne Wilhelmina Gasthuis. De organisatrices wilden ruimschoots gelegenheid bieden voor sociale contacten tussen de vrouwen uit de verschillende landen. Er werden levenslange vriendschappen gesloten of verstevigd en er werd volop ‘genetwerkt’. Niet alleen door de vrouwen onderling, maar ook met Nederlandse organisaties en leden van het establishment.
Voor een sfeertekening van het wereldcongres in juni 1908 kunnen we het beste terecht bij de familie Naber in de Van Eeghenstraat. De ongetrouwde dochter Johanna was actief feministe, ex-bestuurslid van de Wereldbond, eerste secretaresse en persvoorlichtster van het voorbereidend comité voor het congres. Ook moeder Anna Naber was actief in de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Johanna stelde in 1915 een bundel met familiecorrespondentie samen met daarin een aantal pareltjes van brieven van de toen al oude moeder Anna over het vrouwencongres in Amsterdam.
Op 18 juni 1908 schrijft zij aan haar zoon: “Het Congres is geopend en slaagt boven alle verwachting. Hier aan huis hangt de vlag uit, evenals aan de andere huizen, waar Bestuursleden wonen en die vlag zal de gehele week blijven uithangen. Papa is een engel van geduld in deze roezige week, waarin geen orde of regel is te houden en alle etenstijden op een gruwelijke manier verlaat worden. Dat is zijn steun aan het Vrouwenkiesrecht en ik ben hem er heel dankbaar voor. Heden middag ben ik, getooid met het Congres-lidmaatschaps-insigne en met de Vrouwenkiesrecht-kleuren, lila en goud, eens in het Concertgebouw gaan kijken. Ik vond er de Amerikaansche Predikante aan het woord. Zij sprak ongelooflijk gemakkelijk: was een en al leven en beweging. Zeker van Fransche afkomst. Dan sprak er een reeds bejaarde Mrs. Despard, die bij een suffragette-betooging onder het paard van een chargeerenden dragonder was geraakt. Een vrouw om respect voor te hebben.”
In haar in 1924 gepubliceerde Herinneringen schrijft Aletta Jacobs over de hectiek rond het congres: “Op 14 Juni, een Zondag, werd in de groote zaal van het Concertgebouw nog tot middernacht muziek gemaakt. Daarna konden wij er over beschikken. Een paar dames uit het Centraal Comité zorgden er voor, dat het heele gebouw gedurende den nacht duchtig werd schoon gemaakt en zij hielden daarop toezicht. Toen den volgende ochtend om 9 uur de eerste bezoeksters kwamen, gingen de laatste schoonmaaksters de deur uit.”
Anna Naber meldde in een volgende brief, op 25 juni, hoe goed alles was verlopen: “Er zijn nu 14 dagen van zware deining voorbij en ons Congres is schitterend geslaagd. Ik heb zelfs nog deel genomen aan het gala-diner in de groote zaal van het Concertgebouw. (…) Er was groot toilet gemaakt. (…) De Engelsche en Amerikaansche Dames waren in full evening-dress, laag gedecolleteerd met lange sleepen. De Amsterdamsche Dames hadden, wat zij eigenlijk zoo zelden doen, haar juweelen voor den dag gehaald. Enkele Engelsche Dames droegen haar tiara’s.”

Dwars door alle zuilen
Het was dus ‘sjiek de friemel’ tijdens het congres. Maar laten we de zaak waar het allemaal om ging niet uit het oog verliezen. De deftige dames hebben er immers voor gezorgd dat vrouwen nu bijna overal ter wereld algemeen kiesrecht hebben. Het congres vond plaats tijdens het hoogtepunt van de strijd om het vrouwenkiesrecht in de westerse wereld. Vooral in Engeland woedde het gevecht hevig: daar gingen de zogenoemde suffragettes de straat op om te demonstreren en werden zij zonder pardon in de gevangenis gegooid.
Amsterdam was het Nederlandse middelpunt in de eerste feministische golf. Hier werden de eerste daden gesteld in de vrouwenstrijd en de eerste vrouwenverenigingen opgericht. Op initiatief van onder andere Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs werd in 1894 de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgericht, in gebouw De Eensgezindheid aan het Spui. De Vereeniging had maar één doel: algemeen kiesrecht voor vrouwen. De vereniging wilde verder neutraal zijn en moest zogezegd ‘dwars door alle zuilen’ gaan. Vrouwen én ook mannen van allerlei politieke en religieuze gezindten sloten zich bij de Vereeniging aan. Mannen mochten overigens geen bestuurslid worden. De organisatie breidde zich gestaag uit: in 1897 waren er ruim duizend leden; in 1907, voorafgaand aan het congres, waren dat er 3350.
Ten tijde van het congres was er alleen in Australië, Nieuw-Zeeland, Finland en Noorwegen algemeen kiesrecht voor vrouwen en die situatie bleef voorlopig nog wel even zo. In 1883 had Aletta Jacobs geprobeerd om op de kieslijst voor de Amsterdamse gemeenteraad te komen. Hoewel ze formeel aan de eisen voldeed, werd haar verzoek toch afgewezen omdat ze een vrouw was. Mede door de inspanningen van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en ook de Bond voor Vrouwenkiesrecht werd in 1917 passief kiesrecht voor vrouwen in de Nederlandse grondwet vastgelegd, tegelijkertijd met het algemeen kiesrecht voor mannen. Twee jaar later werd ook het algemeen kiesrecht voor vrouwen bij wet geregeld.

Een lege kas
Eind 1906 begonnen de Nederlandse kiesrechtvrouwen voortvarend met de voorbereidingen voor het congres. Er werd een Centraal-Comité gevormd van zeven leden (allemaal Amsterdamse vrouwen) dat onder voorzitterschap van Aletta Jacobs de voorbereidingen ter hand moest nemen. Johanna Naber, lid van het comité, meldde dat werd gewaarschuwd dat “men in die Commissie enkel mochten benoemen vrouwen, van wie met eenigen schijn van zekerheid kon worden verwacht, dat zij ten minste drie maanden aanéén het zouden kunnen doen zonder eten, zonder drinken en zonder slapen.”
Zij vervolgt: “Dat is ook inderdaad noodzakelijk gebleken. Maar in de spanning van het oogenblik, in de bezieling der in ons gewekte verwachtingen kon niets ons te veel zijn. Vol ijver, in goed vertrouwen bestonden wij het reeds dadelijk om, zij het ook met eene ledige kas, voor den vollen duur der congresweek het Concertgebouw te Amsterdam in zijn geheel af te huren.”
Verder werd er een Sub-Comité voor de financiën benoemd, met Wilhelmina Drucker als ‘presidente’, om iets aan die ledige kas te doen. Het afhuren van het Concertgebouw alleen al kostte f 2.000,-. Overigens is er gepoogd om de regering te laten optreden als gastheer (met de bijbehorende financiële middelen), maar de dames kregen nul op het rekest. Ook anderszins lukte het niet om betrokkenheid van de regering bij het congres te verkrijgen. Waarschijnlijk is zelfs gevraagd om de jonge koningin Wilhelmina een rol te laten spelen bij het congres, maar ook dat ging niet door. Wel werd het slotdiner bijgewoond door Jacques Oppenheim, lid van de Raad van State. Ook de Amsterdamse wethouder Zadok van den Bergh zat aan het diner.
Voor de financiering zat er niets anders op dan bij individuele vrouwen en mannen geld los te peuteren. In het Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht werd nauwgezet verslag gedaan van wie hoeveel geld aan het congres gedoneerd had in een lijst met initialen en bedragen. De dames Drucker en Jacobs gaven het goede voorbeeld door elk driehonderd gulden te schenken. “Van het Sub-Comité te Amsterdam: A.H.J. f 300, W.D. f 300, (…).” Aletta Jacobs leverde nog een andere financiële bijdrage aan het congres: zij bood een afternoon tea aan in het Vondelpark-paviljoen.
Ook bijdragen van f 1,- en zelfs 50 cent werden in het Maandblad gepubliceerd. Verder vermeldenswaard: de directies van het Algemeen Handelsblad, Het Nieuws van de Dag en De Telegraaf gaven ieder f 25,-. Uiteindelijk werd er meer dan f 10.000 ingezameld. Dat was ruim voldoende: de Vereeniging hield f 5.000 over.

Engelsch oefenen
Ook over de andere voorbereidingen valt in het Maandblad veel terug te lezen. Er wordt een stevig beroep gedaan op de Amsterdamse afdeling, onder andere om logés te huisvesten en allerlei hand- en spandiensten te verrichten. Zo waren er bijvoorbeeld 13 orde-commissarissen nodig, die dan wel het Engels - de officiële congrestaal - goed machtig moesten zijn. Een van de leden van het Centraal-Comité, Henriëtte van Loenen-de Bordes bood aan het Engels van de orde-commissarissen in spe in een aantal avonden wat bij te spijkeren: “Wij zullen ons oefenen in het Engelsch en onder de hand insignes maken”, laat zij weten.
Heerlijke kneuterigheid en veel dames-achtige gezelligheid dus, maar laten we ons niet vergissen in de vastberadenheid, de serieusheid en vooral ook de professionaliteit van de betrokken dames. Ze wisten bijvoorbeeld veel steunbetuigingen voor het congres te verkrijgen. Rijen met klinkende namen uit de politiek, de adel en de wetenschap werden gepubliceerd in het Maandblad. En ook anderszins wisten de dames wel van wanten wat betreft beleidsbeïnvloeding en het bewerken van de publieke opinie, om maar eens even wat moderne termen te gebruiken. De Nederlandse vrouwen waren trouwens alleen belast met de organisatorische voorbereidingen voor het congres. De Wereldbond was verantwoordelijk voor het inhoudelijk gedeelte.
De Vereeniging had wel de nodige tegenvallers te verwerken. Eén dag nadat officieel begonnen was met de voorbereidingen voor het congres, kwam er een scheuring in de gelederen. Een deel van de leden vond de Vereeniging te fel feministisch en richtte de Bond voor Vrouwenkiesrecht op. De Bond zorgde voor tegenwerking bij de voorbereidingen, maar de belangrijkste tegenslag was de val van het kabinet-De Meester eind 1907. Hiermee was de geplande grondwetswijzigingen van de baan. Van het nieuwe confessionele kabinet-Heemskerk kon qua vrouwenkiesrecht niets worden verwacht. Op slag was het onderwerp van de politieke agenda verdwenen. De verenigingsvrouwen waren bang dat er daarom weinig belangstelling zou zijn van Nederlandse zijde voor het congres van de Wereldbond, maar dat viel uiteindelijk alleszins mee.
Het congres bestond deels uit besloten huishoudelijke vergaderingen van de Wereldbond. Bij aanvang waren vrouwenkiesrechtorganisaties uit 13 landen aangesloten. Deze landen (Australië, Canada, Denemarken, Engeland, Finland, Duitsland, Hongarije, Italië, Noorwegen, Rusland, Zweden, de Verenigde Staten en Nederland) werden ieder vertegenwoordigd door zes afgevaardigden en zes plaatsvervangende afgevaardigden. In de loop van de week sloten ook Bulgarije, een Zwitserse, regionale organisatie en een Zuid-Afrikaans comité zich aan. Er werd onder meer vergaderd over de statuten en het maandblad Jus Suffragii van de Wereldbond. Daarnaast waren er openbare bijeenkomsten en feestelijkheden die Nederlandse belangstellenden konden bijwonen.
Hoogtepunten waren de openingsbijeenkomst en het slotdiner, met toespraken van Carrie Chapman Catt en Aletta Jacobs, en veel Nederlandse folklore. Op de openingsbijeenkomst was er Hollandse muziek, zoals de door Catharina van Rennes gecomponeerde en gedirigeerde cantate Oud-Hollandsch Nieuwe Tijd, gezongen door een koor van 380 vrouwen en kinderen. Op het slotdiner werden de 450 gasten getrakteerd op een ouderwetse klompendans, uitgevoerd door onder meer de geadopteerde zoon van Aletta Jacobs en de toen nog jonge Rosa Manus, een Amsterdamse die later nog een belangrijke rol zou vervullen in de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. Ook was er een geestige op het vrouwenkiesrecht toegesneden samenspraak van Thomasvaer en Pieternel, als enige onderdeel van het congres in het Nederlands gesproken.

Leerrijke beschaming
“Het succes was volledig, zowel innerlijk als uiterlijk”, zo schreef verenigingsbestuurslid Elizabeth van der Hoeven in een terugblik in 1919. “Naar buiten sloeg het Congres de vooroordeelen neer als riethalmen. Die kiesrecht-vrouwen zouden er raar uitzien, ze zouden door elkaar praten, zeer zeker den logischen draad niet kunnen houden, zeuren of schreeuwen - en - wat moest de financieele afloop wel zijn, daar zelfs mannen-congressen met een te kort sloten! Den regen- en mistvoorspellers scheen de volle zonneschijn in het gelaat. Hoe rees onze zaak door hun leerrijke beschaming op alle punten!”
Ze had gelijk: het congres had de vrouwen geen windeieren gelegd. In 1908 kreeg de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht er 1350 nieuwe leden en 18 nieuwe afdelingen bij. De kas was weer goed gevuld en de pers was geheel op de hand van de kiesrechtstrijdsters geraakt. Al met al had de strijd om het vrouwenkiesrecht een belangrijke impuls gekregen, in ieder geval in Nederland.






Jan Swammerdam tussen God en wetenschap
Zoon Amsterdamse apotheker werd topwetenschapper
Tekst: Ulli Fischer

062008_SwammerJan Swammerdam zag onder zijn microscoop zaken die nooit eerder waren gezien. De oudste zoon van een apotheker op de Oudeschans ontwikkelde zich tot topwetenschapper. Zijn ontdekkingen waren revolutionair en veranderde de wijze waarop men Gods schepping zag. Zijn kennishonger bracht Swammerdam in een geloofscrisis.
Jan Swammerdam (1637-1680) onderbrak zijn studie geneeskunde in Leiden voor een studiereis naar Frankrijk. Een gebruikelijke zet voor een veelbelovende student die zijn horizon wilde verbreden en kennis wilde maken met de stand van wetenschap in andere landen. Tijdens zijn reis maakte hij in 1664 een wandeling bij het buiten van een vermogende vriend die zou uitgroeien tot een levenslange begunstiger, Melchisédech Thévenot. In het Bois de Vincennes sloeg de jonge Swammerdam de schrik om het hart. Paarden waren aan het drinken uit een bloedrode plas water. Bij nog eens beter kijken, bleek het oppervlak van het water bezaaid met duizenden rode watervlooien.
Insecten stonden niet in hoog aanzien in deze tijd ook niet als onderzoeksobject voor wetenschappers. Swammerdam was een andere mening toegedaan. Hij nam wat vlooien mee om te observeren. Hij bedacht hoe gemakkelijk een mens verkeerde conclusies kon trekken bij oppervlakkige waarneming. Een wat banger mens had waarschijnlijk gedacht dat het bloed had geregend.

Schokkende kennis
Een dergelijk oordeel doet nu wellicht vreemd aan, maar was een realistische inschatting van Swammerdam. Er was veel onbekend in zijn tijd. En er werd veel ontdekt. Dankzij ontdekkingsreizen, nieuwe onderzoeksmethoden en instrumenten werd steeds duidelijker dat de wereld groter was en dat mens en natuur anders in elkaar zaten dan eeuwenlang werd aangenomen. Kennis en God waren nog wel stevig met elkaar verstrengeld. Descartes die aan de wieg stond van de moderne wetenschap en het logisch nadenken propageerde, was ervan overtuigd dat Gods wil aan de natuurwetten ten grondslag lag.
Soms was nieuwe kennis zo schokkend dat het geruime tijd duurde voordat ze werd aanvaard. In 1628 ontdekte de Engelse arts William Harvey de bloedsomloop. Toen in 1662 een studiegenoot en vriend van Swammerdam, Niels Stensen, naar buiten bracht dat het hart een spier was, werd verontwaardigd gereageerd. Galenus die sinds de oudheid dé autoriteit was op medisch gebied, had het anders verteld. Het hart was als een zon die warmte voortbracht en de bron van het leven was. Volgens Galenus werd voedsel in het hart omgevormd tot bloed en spiritus, waardoor het lichaam kon functioneren.
Ook over de door Swammerdam onderzochte insecten, werd lang anders gedacht. Zo werd aangenomen dat ongedierte spontaan uit modder voortkwam of uit rottend vlees. Ook na publicaties van Swammerdam, waarin hij als een van de eersten de geslachtelijke voortplanting van insecten aantoonde, bleef het geloof in ‘spontane generatie’ hardnekkig bestaan. Een andere ontdekking waarmee Swammerdam de wereld verbaasde, was de metamorfose van de vlinder. Bedreven als hij was in het ontleden, liet hij zien dat in de rups de vleugels van de vlinder al opgevouwen aanwezig waren. Ook toonde hij aan dat de bijen een koningin aan het hoofd hebben en niet een koning. Daarmee werd een misverstand dat sinds de oudheid bestond, rechtgezet.

Perfectionisme
Gezien het baanbrekende onderzoek dat Swammerdam verrichtte, is het wonderlijk dat weinigen nu nog weten wie hij was. Hoe kan het dat een geniale wetenschapper, die gesteund werd door regenten en burgemeesters van Amsterdam en die een aanbod afsloeg van de Toscaanse prins Cosimo de Medici om voor hem te komen werken, in vergetelheid is geraakt?
Luuc Kooijmans, historicus en auteur van Gevaarlijke Kennis, inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam, heeft er verschillende verklaringen voor. “Swammerdam is vrij jong gestorven met 43 jaar. Zijn belangrijkste werken heeft hij vlak voor zijn dood voltooid en niet meer zelf kunnen publiceren”, zegt Kooijmans. “Gedurende zijn leven had Jan Swammerdam het niet altijd makkelijk. Als jonge student al ontdekte hij belangrijke dingen, maar kon deze niet onder eigen naam publiceren. Anderen gingen met de eer strijken. Hoogleraren zoals Gerard Blaes en Jan van Horne publiceerden Swammerdams bevindingen zonder zijn naam ook maar te noemen. Op andere momenten schoot Swammerdam uit perfectionisme niet op met een publicatie, waardoor andere onderzoekers hem voor waren.”
Swammerdam ontdekte bijvoorbeeld eerder dan de bevriende anatoom Frederik Ruysch dat er kleppen in de lymfevaten zitten, maar publiceerde daarover later dan Ruysch. Kooijmans: “Swammerdam was erg op de inhoud gericht en niet strategisch bezig met hoe krijg ik een baan aan de universiteit of hoe word ik doctor.”
Het gebrek aan carrièreplanning moet een teleurstelling geweest zijn voor zijn vader. Jan Jacobszoon Swammerdam had gehoopt dat zijn zoon een artsenpraktijk zou beginnen. Maar na de promotie aan de Universiteit van Leiden in 1667, op stellingen over de ademhaling, kwam zijn zoon terug naar Amsterdam. Hij ging weer boven de apotheek wonen op de Oudeschans, vlak bij de Montelbaanstoren. En zette zijn onderzoek naar insecten en de (menselijke) voortplanting voort.
Het beroep van arts trok Swammerdam niet aan, omdat hij maar al te goed besefte dat de medische kennis niet voldeed om verantwoord medisch handelen mogelijk te maken. Bovendien zou een praktijk beslag op zijn tijd leggen en ten koste gaan van het onderzoek. Het beroep van onderzoeker bestond in de 17de eeuw nog niet. Gedreven als hij was, Swammerdam ging gewoon door met zijn roeping.
De oude Swammerdam zal geregeld op zijn zoon hebben gemopperd dat het eens tijd werd dat hij zijn eigen kost ging verdienen. Maar er moet ook begrip geweest zijn, meent Luuc Kooijmans, “want er was ook gedeelde interesse”. Vader Swammerdam bezat een beroemd naturaliënkabinet. Bezoekers uit heinde en verre kwamen de objecten bekijken die deels waren verworven bij matrozen van de VOC en uit verre landen waren meegebracht. De apotheek bevond zich in het toenmalige havengebied van Amsterdam, waar het een komen en gaan was van mensen en zeilschepen.
Historicus Eric Jorink, die werkt aan een biografie over Swammerdam, ziet het voor zich: “Jan Swammerdam die op pannendeksel sloeg en op de grond stampte om te ontdekken of slakken over gehoor beschikten. En dat allemaal boven de apotheek van zijn vader.” Uiteraard moeten er soms spanningen zijn geweest, maar Swammerdam “was geen zonderling type”, zegt Jorrink, die is verbonden aan het Huygens Instituut. Zijn biografie over de geniale, diep gelovige natuuronderzoeker verschijnt eind 2009.

Niet één portret
In de 17de eeuw verrichtten in Europa vijf mensen pionierswerk met de microscoop, vertelt Jorink. “Twee daarvan waren Nederlanders: Antonie van Leeuwenhoek en Jan Swammerdam.” Van Leeuwenhoek geniet nog steeds bekendheid. Hij was volgens Jorink dan ook handiger in het verkopen van zich zelf. “Van Leeuwenhoek liet zich schilderen. Er zijn zelfs Delfts blauwe tegeltjes met zijn portret. Het is typerend dat er van Swammerdam niet één portret is vervaardigd. Jarenlang heeft men in boeken een fakeportret gebruikt, een uitsnede uit Rembrandts bekende schilderij van chirurgijns, De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp.”
En dat terwijl Swammerdam diepgravender onderzoeker deed dan Van Leeuwenhoek die als lakenhandelaar de microscoop had ontdekt om stoffen te keuren. Op een gegeven moment bekeek Van Leeuwenhoek ook water, bloed en zaadcellen onder de microscoop en meende hij diertjes te zien. Swammerdam was echter in staat ontdekkingen in een groter verband te plaatsen. Door zijn ontleedkundig onderzoek kwam hij tot de conclusie, dat alle wezens volgens dezelfde principes waren geconstrueerd. Er bestond geen wezenlijk verschil tussen luis en mens.
En dat was niet respectloos bedoeld. Juist in de verfijnde structuur van insecten zag Swammerdam de almacht van de Schepper. Klassiek is de aanhef die Swammerdam schreef in 1677 bij het absolute hoogstandje dat hij volbracht: de ontleding van de luis! “Ik presenteer u edele de almaghtigen vinger Gods, in de Anatomie van een luijs; waarin gy wonderen op wonderen op een gestapelt sult vinden, en de wysheid Gods in een kleen puncte klaar sien ten toon gesteld.”
De analyse van de organen van de luis is Swammerdams topprestatie, vindt Jorink. Het geeft aan hoe behendig Swammerdam was in het ontleden, maar ook in het slijpen van zijn eigen lenzen. “De grens van het toen mogelijke werd hiermee behaald. Swammerdam zag onder zijn microscoop dingen nooit iemand voor hem had gezien. Zijn waarnemingen zijn deels in de 19e eeuw herhaald. Toen goede microscopen op grotere schaal beschikbaar kwamen. Swammerdams observaties blijken zeer betrouwbaar.”

Religieuze crisis
In het verleden was er weinig betrouwbare biografische informatie over Swammerdam. De beste bron om Swammerdam te leren kennen is zijn eigen werk, menen zowel Kooijmans als Jorink. Jorink prijst Swammerdam als voortreffelijk auteur met een “meeslepende, vileine, soms ironische en lichtelijk geëxalteerde schrijfstijl. Als hij afrekende met een tegenstander kon hij buitengewoon scherp of sarcastisch zijn.” Ook uit de prachtige tekeningen die Swammerdam maakte blijkt zijn vakmanschap. Aan hand van deze tekeningen zijn etsen gemaakt om zijn werk te illustreren.
In de loop van zijn leven kreeg Swammerdam steeds meer erkenning. Toch kon hij nog steeds niet aan de kost komen en bleef hij financieel afhankelijk van zijn vader. Een huwelijk en het stichten van en gezin waren hierdoor uitgesloten. Het plezier dat Swammerdam aan zijn onderzoek ontleende, zal veel hebben goed gemaakt. Maar hij kende ook twijfels. Was hij wel goed bezig? De twijfel werd op een gegeven moment zo ernstig dat Swammerdam in een religieuze crisis raakte.
Als jonge man had Swammerdam predikant willen worden. Nu vroeg hij zich af of hij God wel op de goede manier diende. Bracht de verworven kennis hem de zekerheid en het geluk dat hij zich wenste? Jorink: “Wellicht vreesde hij dat hij een zelfde ontwikkeling door zou maken als Spinoza, bij wie de liefhebbende God uit het universum was verdwenen. Hij werd geplaagd door onzekerheid: was het wel goed zo diep door te dringen in Gods schepping? Was hij niet van de verboden vrucht aan het proeven?”
Kooijmans beschrijft de vertwijfeling waarin Swammerdam terecht kwam. “Hij realiseerde zich dat hij door zijn gedrevenheid bij het onderzoek vaak had nagelaten om te bidden of zich om naasten te bekommeren. Hij kreeg last van angstaanvallen, waarbij tranen van benauwdheid hem over de wangen liepen.” In deze periode maakte Swammerdam kennis met het gedachtegoed van Antoinette Bourignon, een geestelijke leidster die het einde der tijden verkondigde en beweerde haar boodschappen rechtstreeks van God te ontvangen. Door al het wereldse streven achter te laten en haar te volgen was het mogelijk een nieuw begin te maken. Swammerdam was verscheurd. Zou hij zijn levenswerk eraan geven? Was hij bereid zijn eigen wil op te geven?

Sobere levensstijl
Swammerdams omgeving reageerde verbijsterd op zijn plan om zich te voegen bij Bourignon in Schleswig-Holstein. Swammerdam was overigens niet de enige wetenschapper die in een geloofscrisis raakte door de eenzame positie waarin hij verkeerde en de nieuwe vragen die de nieuwe kennis met zich meebracht. Kooijmans schetst hoe Christiaan Huygens bij vlagen depressief was en zich zelf wonden toebracht. Niels Stensen, jeugdvriend van Swammerdam, trad over tot het katholieke geloof en werd priester. De extreem sobere levensstijl die hij erop na hield, werd uiteindelijk zijn dood.
Al met al verbleef Swammerdam ruim een half jaar bij Bourignon van september 1675 tot april 1676. Betrekkelijk snel werd hem duidelijk dat Bourignon een minder mooi mens was dan haar geschriften deden vermoeden. Terwijl ze matiging en zelfverloochening predikte, nam ze vaak zelf meer eten en drinken dan noodzakelijk was. Ze kon onredelijk zijn, sprak zich zelf tegen en heerste met harde hand over haar volgelingen. Swammerdam kreeg ruzie met haar, het rommelige en vieze huishouden stond hem tegen. Hij keerde terug naar Amsterdam, tot grote opluchting van vrienden en familie.
“Het is een mythe dat Swammerdam als een wrak uit deze periode kwam,” zegt Jorrink. “De laatste jaren van zijn leven waren juist zijn meest productieve.” Ook zijn religiositeit ontwikkelde zich verder. Hij zag zijn levensmissie nu duidelijker voor zich. De natuur was te lezen als een bijbel Gods. Dat wilde hij overbrengen. Hij werd niet meer gedreven door eerzucht en de wens erkenning te oogsten. Hij wilde slechts God dienen met de talenten die hij van God had verkregen. Een ieder die zijn naaste lief had zou wel een plek in de hemel krijgen, was zijn overtuiging.
Swammerdam stierf 43 jaar oud, waarschijnlijk aan een ziekte die hij opliep via zijn geliefde insecten: malaria. Op zijn sterfbed wilde hij niet meer over zijn werk praten. Wel zorgde hij ervoor dat zijn vriend Thévenot de manuscripten van zijn levenswerk ‘De Bybel der Nature’ zou ontvangen. Dankzij de Leidse medicus Herman Boerhave, die ruim 50 jaar later voor publicatie zorgde, is het levenswerk van Swammerdam voor het nageslacht bewaard gebleven. En kunnen we ons nog steeds verbazen over de toewijding en liefde die uit Swammerdams werk spreekt.







Lefgozertjes aan de bal
Voetbalclub Wilhelmina Vooruit bestaat 100 jaar
Tekst: Vincent Huis in ’t Veld

062008_VoetbalEnkele lefgozertjes stonden aan de wieg van de voetbalclub Wilhelmina Vooruit. De club werd 100 jaar geleden opgericht in een souterrain aan de Plantagedoklaan. Al snel konden de eerste spelers hun balletje van 2 cent inruilen voor een echte bal.
‘Jongens waren we - maar aardige jongens.” Zo begint het beroemde verhaal ‘Titaantjes’ van de Amsterdamse schrijver J.H.F. Grönloh, beter bekend als Nescio. Hele zomernachten stonden de drie hemelbestormers in Amsterdam-Oost bij het hek van het Oosterpark honderduit te bomen over hoe de wereld eruit zou moeten zien. Zij waren niet de enige jongens in het Oosterpark. Even verderop voetbalde een groepje HBS-scholieren, merendeels joodse lefgozertjes van amper zestien. Maar zij hielden het niet bij woorden en hadden net zelf een voetbalclub opgericht.
Die club was Wilhelmina Vooruit, de datum 25 mei 1908, en de ‘geboorteplek’ het souterrain van de ouders van Hers Cauveren aan de Plantage Doklaan 12. Aanvankelijk oefenden de jonge voetballers in het Oosterpark met een balletje van 2 cent. Maar bij de oprichting was bepaald dat elke oprichter 35 cent ‘entreegeld’ moest betalen. Zo hadden de jongens al snel een echte voetbal bij elkaar gespaard, de eerste aanschaf van de club.
Wilhelmina Vooruit heette de eerste drie jaar simpelweg ‘Wilhelmina’, naar de toenmalige koningin. De club zag zich in 1911 genoodzaakt de naam te veranderen. De Nederlandsche Voetbalbond (NVB) had besloten dat verenigingen in plaatselijke bonden niet dezelfde naam mochten dragen als clubs van de ‘grote’ bond. Omdat in de NVB al een vereniging met dezelfde naam speelde, Wilhelmina uit Den Bosch, was een herdoop noodzakelijk. Na uitvoerige discussies werd besloten om ‘Vooruit’ aan de naam toe te voegen. Wilhelmina Vooruit is overigens een van de weinige clubs met een vermelding in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. (de Dikke Van Dale). Bij het lemma ‘Wilhelmina Vooruit’ staat de omschrijving: “(volkst.) vrouw met grote boezem”, “[naar de Amsterdamse voetbalclub van die naam]”.

Oude schuur
De jongens vonden al gauw na de oprichting een echt speelveld: het terrein bij de toenmalige Parkschouwburg aan de Plantage Parklaan, waar nu het sportcomplex Parkschouwburg ligt. Van een oude schuur die de club van de moeder van voorzitter Louis Aussen had gekregen, bouwden de leden eigenhandig een kleedkamer. Martijn Sajet, lid van het eerste uur, schreef in 1958: “Feitelijk was het een openbaar stuk grond. Wie er het eerste kwam, speelde. Of wel, wie de sterkste vuisten had. En daar wij die niet hadden maar ook toen al gold dat wie niet sterk is slim moet zijn, gingen wij naar het Politie-bureau en vroegen of we op dat veld mochten spelen. Dat mocht, zei men. Allicht. Dat mocht iedereen. Maar toen wij er waren en een ander kwam, konden wij zeggen, dat we ‘toestemming hadden van de Politie!’ (–) Langzamerhand kregen we er een monopolie-positie en omdat wij ons ordelijk gedroegen en blijkbaar aardige jongetjes waren, kregen we de steun en de sympathie van de bewoners van de aangrenzende huizen, die ons, als er moeilijkheden dreigden, of wel zelf te hulp kwamen, of de politie opbelden.”
Later huurde de club het terrein voor de toen kapitale som van f 10,- per jaar. Door de centrale locatie kreeg de club al spoedig een zekere populariteit. Sajet: “En publiek dat we kregen! Voetballen zomaar in het midden van de stad was niets nieuws. Dat deden de jongens toen op ieder pleintje en in iedere straat. Maar echte wedstrijden, in tenue en met een echte scheidsrechter met een korte broek, nee, daar moesten de meeste voorbijgangers even naar blijven kijken.”
Nu was het zaak om de vereniging verder uit te bouwen. Al bij het halfjarig bestaan in november 1908 organiseerde de club een groot feest in gebouw Plancius aan de Plantage Kerklaan, tegenover Artis, vooral om leden te werven. De actie was een groot succes, en zo begon een lange clubtraditie van feesten, fuiven en revues. Voorzitter Louis Aussen schreef later dat het vooral de feesten zijn geweest die de club in de beginjaren beroemd maakten. “Ik ben ervan overtuigd dat alle artisten nog steeds met heel veel genoegen aan dezen tijden terug zullen denken… zelfs zij die hiervan hun vrouw hebben overgehouden!”

Koninklijk goedgekeurd
Om de naamsbekendheid te vergroten, haalde de club met grote regelmaat stunts uit. Vrijwel elk jaar kwam Wilhelmina Vooruit met iets nieuws, dat later gemeengoed zou worden. Zo ontdekte clublid Albert Sterk een handleiding waarmee een vereniging ‘Koninklijke Bewilliging’ op de statuten en daarmee rechtspersoonlijkheid kon verkrijgen. De aanvraag werd ingediend en al gauw kreeg de club bericht dat het departement positief had besloten. In 1910 werd de club, waarschijnlijk als eerste Amsterdamse voetbalvereniging, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit. Bij de behandeling van de aanvraag was gelukkig niet naar de leeftijd van de indieners gevraagd. Geen van hen was meerderjarig, zoals de wet vereiste. Maar later kon vol trots op de voorkant van elk clubblad worden vermeld: ‘Goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 23 Juni 1910’.
Het idee voor dat clubblad was eveneens in 1910 gelanceerd door Albert Sterk, wiens vader voor dagblad Het Volk werkte. Het plan werd enthousiast onthaald door het bestuur. Volgens Martijn Sajet, toen secretaris, was Wilhelmina Vooruit de eerste club van de stad met een gedrukt clubblad. Zelfs het deftige AFC had ‘slechts’ een gestencild nieuwsblaadje. Landelijk is waarschijnlijk alleen het gedrukte clubblad van het Dordtse DFC ouder. Zo verscheen op 1 augustus 1910 – de club speelde nog niet eens in de Amsterdamsche Voetbal Bond (AVB) – het eerste nummer van Onze Revue.
De club wist in 1912 opnieuw de aandacht te trekken. Ditmaal met een persbericht waarin een trip naar Duitsland werd aangekondigd, ter gelegenheid van vierjarig bestaan. WV ging wedstrijden spelen in Essen en Elberfeld in het Roergebied. Sajet in 1958: “Toen we met de trein vertrokken, stond het perron zwart van de mensen, waarbij bestuursleden van de bond en allerlei mensen van de krant van hun belangstelling en nieuwsgierigheid blijk gaven.” De reis beviel zo goed dat de club voortaan elk jaar een Duitse tour organiseerde, tot 1933, toen de nationaal-socialisten aan de macht kwamen.
Al in 1912, toen de leden van het eerste uur pas rond de twintig waren, brak het besef door dat er moest worden gezorgd voor opvolging. Om aspirant-leden te werven ging Martijn Sajet de boer op om lezingen te houden voor HBS-leerlingen. “Het resultaat ervan was een paar jongens die in slaap waren gevallen én een adspiranten-elftal,” schreef hij later. Zo kreeg de club in juni 1913 een aspirantenteam. Meteen doemde een nieuw probleem op: er bestond geen competitie waarin het nieuwe jeugdelftal kon uitkomen. Daarom voerde de club een intensieve lobby voor een aspirantencompetitie, die in het seizoen 1916-1917 voor het eerst door de AVB werd georganiseerd.
WV was niet alleen trendsetter met een eigen jeugdafdeling, maar ook de eerste vereniging met een eigen medisch adviseur en een verplichte medische keuring voor aspirant-jeugdleden. Pas in 1930 zou ook de AVB een verplichte medische keuring invoeren. Martijn Sajet wees in het clubblad fijntjes op de voorhoederol van zijn club. “Laat ons blij zijn, dat het nu eindelijk zoo ver gekomen is. Beter laat, dan heelemaal niet.”

Een levensbehoefte
Bij het eerste lustrum in 1913 speelde WV zich wederom in de kijker met de uitgave van het 216 pagina’s dikke Geïllustreerd Sportgedenkboek, waarin 50 vooraanstaande personen uit de sportwereld een ‘historisch-propagandistisch’ artikel schreven. “De sport – in hare verschillende takken meer en meer beoefend – heeft langzamerhand reeds vele vooroordeelen, die haar in een goede ontwikkeling belemmerd hebben, overwonnen. Nog zijn wij echter niet waar wij wezen willen. Sport moet en behoort te zijn een levensbehoefte; evenals de arbeid moet zij de waarde van het leven verhoogen.” Zo begint het voorwoord, waarvan het moeilijk voor te stellen is dat het werd geschreven door een paar jongens van amper twintig. De inleiding van het gedenkboek was van de hand van niemand minder dan baron Pierre de Coubertin, de ‘uitvinder’ van de moderne Olympische Spelen en destijds voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité.
De gewoonte om bij speciale gelegenheden hoge mensen uit de nationale en internationale (sport)wereld te benaderen voor een bijdrage was hardnekkig. Bij het 50-jarig bestaan in 1958 richtte de club een verzoek aan alle regeringsleiders van Europa om een stukje te schrijven over het belang van sportbeoefening voor de jeugd. Premier Drees willigde het verzoek in, maar vroeg zich in een begeleidende brief af “of het eigenlijk wel op de weg lag van een plaatselijke club zich met een dergelijke vraag ook te wenden tot de verschillende minister-presidenten in het buitenland”. De samenstellers schreven daarover in het jubileumnummer: “Och, eigenlijk misschien wel een beetje brutaal van ons. Maar toen we nog broekjes waren en ons Sportgedenkboek samenstelden, hebben we ons ook gewend tot de kopstukken van de sportwereld in binnen- en buitenland. En met succes. Waarom dan ook nu niet een beetje optimisme?”




Wilhelmina Vooruit, Hortus en EDW
Op 25 mei 2008 bestond de Amsterdamse voetbalvereniging WV-HEDW 100 jaar. De club is een fusieclub, ontstaan uit een drietal verenigingen met van oorsprong overwegend joodse leden:
- Wilhelmina Vooruit, opgericht op 25 mei 1908;
- Hortus, opgericht op 18 april 1912;
- EDW (Eendracht Doet Winnen), opgericht op 8 november 1913.
In 1931 zijn Hortus en EDW gefuseerd tot HEDW. Wilhelmina Vooruit en HEDW gingen in 1956 op in ‘Wilhelmina Vooruit verenigd met HEDW’, kortweg WV-HEDW.
WV en HEDW werden zwaar getroffen door de Tweede Wereldoorlog, waarin ruim de helft van de leden omkwam. Twee monumenten bij het clubgebouw op sportpark Middenmeer getuigen van dit oorlogsleed. Na de oorlog zijn de gedecimeerde clubs moeizaam overeind gekrabbeld. Maar anno 2008 is WV-HEDW met meer dan 1000 leden, verdeeld over 21 zaterdagteams, twaalf zondagteams, een damesteam en zeventien jeugdteams, een van de grootste voetbalclubs van Amsterdam.






‘De Witte Fiets verovert Europa’
Markante Amsterdammers: Luud Schimmelpennink
Tekst: Peter-Paul de Baar

062008_SchimmelHij werd in 1965 wereldwijd bekend als een van de voorlieden van de Provo-beweging. Nu is Luud Schimmelpennink directeur van innovatiecentrum Y-Tech en lid van stadsdeelraad Centrum. Zijn Witte-Fietsenplan (1965) kreeg weerklank tot ver buiten de Provo-kring, net als de twee jaar later bedachte Witkar. Helaas strandden in Amsterdam alle experimenten, maar in Parijs en Lyon rijden de witte fietsen nu wél. En ook hier moet het dus gaan lukken – want Schimmelpennink geeft nooit op.
“Ja, ik ben al levenslang Amsterdammer en kan mij ook niet voorstellen dat ik ooit ergens anders woon. Op 27 mei 1935 werd ik geboren in de Spaarndammerbuurt, als oudste in een katholiek gezin met elf kinderen; dat was niet niks. Mijn vader was vertegenwoordiger in bakkerij-artikelen, mijn moeder begon later een winkeltje in mode-achtige dingen. Toen ik een jaar of zeven was, verhuisden we van de Zaanstraat naar de Rooseveltlaan. M’n vader stierf helaas vrij vroeg, in 1954. Dat hakte erin. En toen waren er nog geen vangnetten als weduwen- en wezenpensioen… Toch hadden wij als kinderen nooit het gevoel dat we arm waren.”
Na de lagere school en de ambachtsschool kwam Schimmelpennink op de HTS op de Muidergracht. “Dat was een goede opleiding.” Eind jaren vijftig lag het werk niet voor het oprapen. “Gelukkig ontmoette ik de baas van een werfje in Diemen. Voor hem ontwierp ik een lichtgewicht vierpersoons-bootje van polyester. Dat was nieuw en sloeg in. Het leverde mij een mooie baan op als hoofd van het constructiebureau van Stork Werkspoor in Utrecht – ook al had ik geen ingenieurstitel. Maar na een paar jaar merkte ik dat ze daar voor echte innovatie te voorzichtig waren.”
Schimmelpennink verwisselde zijn vaste baan voor een freelance-contract met Vicon in Nieuw-Vennep, een fabriek in landbouwwerktuigen. Daarvoor zette hij een kunststof-productielijn op. Hij zou 27 jaar voor Vicon blijven werken, twee dagen per week.

Tijd genoeg voor Provo
Begin jaren zestig woonde Schimmelpennink, pas getrouwd met vriendin Afren, in een klein huisje op de Heiligeweg, al snel met twee dochters. Als aardig betaalde freelancer vond Schimmelpennink tijd genoeg om rond te lopen door de stad, waar steeds meer spannends gebeurde, zoals demonstraties tegen de atoombom en merkwaardige ceremonies (‘happenings’) van de spraakmakende ‘anti-rookmagiër’ Robert Jasper Grootveld op het Spui, naast de deur dus. Grootvelds kritiek op de ‘consumptiemaatschappij’ sprak Schimmelpennink wel aan. Ook gingen Afren en hij steeds vaker langs in het Sociaal-Religieus Debatcentrum in de Raamstraat: een vrijplaats voor felle discussies tussen wereldverbeteraars van iedere soort. Daar maakte hij (inmiddels bijna 30) voorjaar 1965 kennis met de anarchistische filosofiestudent Roel van Duijn (22), opgegroeid in Den Haag, en de doenerige Zaanse activist Rob Stolk (19). “Dat waren inspirerende avonden. En achteraf gingen we met z’n allen naar café Reynders.”
Van Duijn, Stolk en anderen proclameerden in mei 1965 hun Provo-beweging. Schimmelpennink bood schuchter zijn ondersteuning aan. Voor de vage kritiek en visioenen van zijn jonge vrienden bood hij rationele, praktische onderbouwing. In juli 1965 presenteerde hij Provo’s Witte-Fietsenplan, in het tweede nummer van het blaadje Provo. Op het platteland waren auto’s ongetwijfeld een uitkomst, gaf hij toe. Maar in de overvolle stad waren ze onpraktisch, vervuilend en onveilig. Fietsen waren ‘schoon’ en namen veel minder ruimte in. Kortom: de binnenstad moest autovrij worden en de gemeente diende daar 20.000 fietsen voor algemeen gebruik neer te zetten, herkenbaar aan hun witte kleur. “Ik liet me mede inspireren door het systeem van 17de-eeuws Amsterdam,” zegt Schimmelpennink. “Grote koetsen die daar van buiten aankwamen, moesten toen worden gestald op ‘wagenpleinen’ buiten de stadspoort.”
Een reeks van andere Witte Plannen volgde. Zo deed de hele familie Schimmelpennink mee aan het Witte Kinderenplan: “Onze gedachte was: kinderen raken te veel geïsoleerd in hun eigen huis. Dus maakten we gewoon een ruimte waar die kinderen iedere ochtend met elkaar konden spelen, en iedere week paste een ander ouderpaar op. We wilden die kinderen hun eigen orde laten scheppen; alleen als ’t te gek werd grepen we in. Nee, geen totále vrijheid, zoals bij een paar andere anti-autoritaire crèches. En het ging perfect. Toen de kinderen naar de kleuterschool moesten hebben we als vervolg onze eigen Open Kleuterschool opgezet, in een kraakpand bij de Nieuwmarkt. En ook dat ging nog een paar jaar heel goed. Onze dochters hebben er best wel wat aan gehad!”
Intussen naderde het omstreden huwelijk van kroonprinses Beatrix met Claus van Amsberg – een Duitser. Dat lag twintig jaar na de bevrijding nog zeer gevoelig. Het republicanisme laaide op en Provo haakte er gretig op. Grinnikend vertelt Schimmelpennink over de angst bij de politie (die wist dat Schimmelpennink een duikerpak had) dat hij een echte bom wou leggen tegen de kademuur bij de Westertoren. Kikvorsmannen zochten vergeefs de hele Prinsengracht af. “Ik had alleen tijdens een vergadering gesuggereerd een stinkbommetje in een rioolpijp te leggen, maar dat was maar een losse gedachte.” Wél uitgevoerd werd het plan de bruidsstoet te verrassen met rookbommen. “Het recept was hartstikke simpel. Poedersuiker als brandstof, met salpeter als zuurstofleverancier, in bolletjes van aluminiumpapier. Die stak je aan door er je brandende sigaret in te steken. De salpeter haalden Bernard de Vries en ik op de scooter bij tuinderijen in het Westland, waar het spul werd gebruikt voor het maken van kunstmest. Op een woonboot aan de Kattenburgergracht maakten we er bommetjes van. Toen het aluminiumfolie op was, stopten we het spul in kleine damestasjes: dat bleken de volgende dag de meest verrassende bommetjes!”
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van juni 1966 behaalde Provo één zetel. Uit angst voor ‘inkapseling’ werd besloten die ieder jaar door een nieuwe provo te laten innemen. Als tweede Provo-raadslid trad op 22 februari 1967 Luud Schimmelpennink aan. Net als de anderen kreeg hij geen voet aan de grond, maar voelde zich zeker geen paria: “Ik herinner me dat ik een interpellatieverzoek indiende dat burgemeester Samkalden formalistisch weigerde. Toen stond Huub Jacobse van de VVD op en zei tegen de oude communist Leen Seegers: ‘Wat vind jij daar nou van, als nestor van de raad?’ De CPN haatte Provo, maar Seegers zei: ‘Ik vind dat Schimmelpennink gelijk heeft’. Toen mocht het toch – al werd mijn voorstel met algemene stemmen verworpen.” Datzelfde lot trof zijn Witte-Fietsenplan. “De fiets gold als ouderwets, de auto als modern en comfortabel. Ik zei toen: het gaat mij ook niet per se om die fiets, maar om schoon en efficiënt verkeer. Maar dat kan ook met een elektrisch autootje, hoor.” In mei 1968 presenteerde Schimmelpennink het prototype van de Witkar: VVD’er Wim Keja, zijn aardige buurman in de raadzaal, liet zich graag uitnodigen voor het eerste ritje. In 1972 maakte hij zijn uitgewerkte plannen openbaar. Hij had willen beginnen met vijftien stations, maar de zuinige gemeente stond in 1973 maar één station toe, op het Amstelveld. Uiteindelijk kwamen er vijf stations (Amstelveld, Spui, Elandsgracht, Damrak en Leliegracht), maar dat bleek toch veel te weinig voor een alternatief vervoerssysteem. Schimmelpennink: “Dat is net zoiets als een tramnetwerk met drie haltes.” De steun van sponsors brokkelde af en in 1988 werd het Witkar-project beëindigd.

Proces om metrobom
Intussen had Schimmelpennink zich niet verveeld. Na zijn raadslidmaatschap werd hij (inmiddels wonend op de Oudezijds Achterburgwal) in 1968 gevraagd als voorzitter van wijkcentrum D’Oude Stadt. Dat deed hij tien jaar met allure. Hij raakte betrokken bij de acties tegen de aanleg van de metro-oostlijn door de Nieuwmarktbuurt. Eén van de enerverendste episodes (maart 1975) betrof de ‘metrobom’. Rechts-extremisten legden een bom bij de metro-in-aanleg om de linkse Aktiegroep Nieuwmarkt in discrediet te brengen. Tegen beter weten in gaven B&W een verklaring uit waarin de Aktiegroep beschuldigd werd. Schimmelpennink en anderen spanden een proces wegens laster aan tegen B&W – en wonnen. “Later heb ik van VVD’ers Jacobse gehoord dat Samkalden toen heeft overwogen af te treden,” aldus Schimmelpennink.
Na een paar jaar voorbereiding bracht Schimmelpennink in 1987 weer een groot project tot stand: innovatiecentrum Y-Tech, in een voormalig tabaksveem in de Van Diemenstraat. Het moest een Nederlandse variant van de Californische ‘Silicon Valley’ worden: een centrum waar vele innovaties bedrijven profiteerden van gezamenlijke voorzieningen en elkaars kennis, inspiratie en contacten. Maar het mocht weer niet zo groot worden als daarvoor nodig was. “Eigenlijk is het een gewoon bedrijfsverzamelgebouw geworden.”
In 1994 deed Luud Schimmelpennink, vooral uit woede over het megalomane project De Kolk tussen Nieuwendijk en Nieuwezijds, met een eigen lijst vergeefs weer een gooi naar een zetel in de gemeenteraad. Hij trok er lering uit: sinds 2002 concentreert hij (als deelraadslid) zijn aandacht op de binnenstad, en nu namens een grote partij, de PvdA. “Daarmee kan je tenminste eens iets bereiken.” Hij maakt het de partijbaronnen intussen wel lastig. Twee keer werd hij op een onverkiesbare plaats gezet, maar dankzij voorkeursstemmen toch gekozen.
Intussen is hij weer volop bezig met... het Witte Fietsenplan! Eind jaren negentig leek dat na allerlei aanpassingen weer grote kans te maken in Amsterdam, met steun van het GVB en de Postbank: in december 1999 wijdde Ons Amsterdam er nog een hoopvol artikel aan. Voor het betalen (en controle op het gebruik) zou gebruik worden gemaakt van de Chipknip van de Postbank. Dat betaalsysteem legde het in 2000 echter op de valreep af tegen het Chipper-systeem van de overige banken, en toen lag het hele project weer in duigen.
Maar zie: na half-gelukte proefnemingen in Kopenhagen en Wenen, is de Witte Fiets (naar Schimmelpenninks ontwerp) ineens een eclatant succes in Lyon en Parijs, en als alles goed gaat (de nieuwe rechtse burgemeester is een risico...) ook in Londen. En hier in Nederland is de nieuwe OV-Chipcard natuurlijk ideaal inpasbaar in het Witkar-plan.
“De tijd is er nu rijp voor,” verzekert Schimmelpennink. “De Witte Fiets en de Witkar gaan Europa veroveren!”






Amsterdamsch Crisis-comité
'Elken dag één cent, dan zijn wij content'
Tekst: Joosje Lakmaker

062008_Crisis‘Wij waardeeren dat zeer, al zien wij graag méér.’Zo luidde het motto bij de eerste collecte op 6 februari 1932 van het Amsterdamsch Crisis-Comité. Onder leiding van elf, merendeels vermogende, heren probeerde het comité de ergste nood in de stad te ledigen. Sommigen werden geholpen. De bureaucratie was groot.
Na de beursval van 1929 duurde het even voordat de crisis ook in Nederland in volle hevigheid uitbrak. Maar twee jaar later waren vijftigduizend Amsterdammers werkloos, zo’n twintig procent van de beroepsbevolking. De schrik over de gevolgen van de economische depressie leidde in november 1931 tot de oprichting van een Nationaal Crisis-Comité, met prinses Juliana als beschermvrouwe. Plaatselijke comités volgden en op 9 december 1931 werd het Amsterdamsch Crisis-Comité opgericht, onder voorzitterschap van burgemeester De Vlugt. Het bestuur bestond uit elf, merendeels vermogende Amsterdamse heren, zoals de directeur van de Nederlandsche Handelsmaatschappij, K. van Aalst, de president van de Nederlandsche Bank, L.J.A. Trip en A. Asscher, lid van de Kamer van Koophandel en directeur van een grote diamantslijperij. Namens de gemeente namen deel: wethouder J.Douwes van Maatschappelijke Steun en de directeur van het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijke Steun, J.W. Jurrema.
Het doel van het comité was het geven van steun aan mensen die niet onder de bestaande regelingen vielen, zoals kleine zelfstandigen, en aanvullende steun aan langdurig werklozen in natura, kleren, schoenen en beddengoed. In het laatste geval ging het om gezinnen bij wie de nood langzamerhand hoog gestegen was, in het jargon: ‘inzinkingsgevallen’ genoemd.
Het Bureau voor Maatschappelijke Steun verzorgde de gemeentelijke werkloosheids- en andere steunuitkeringen. Het comité zou extra, particuliere hulp geven tijdens de crisis, die naar men verwachtte, niet lang zou duren. Werkgelegenheid creëren was beslist niet de doelstelling van het Crisis-Comité, daarmee zou het in conflict komen met het Arbeidsbureau. `Gepaste zuinigheid is geboden, het Comité moet niet een instelling van weldadigheid worden,’ zei de burgemeester bij de oprichtingsbijeenkomst, en sprak daarmee geheel in de geest van de vooroorlogse werklozen- en armenzorg.
De animo onder bekende Amsterdamse bedrijven om aan de vraag naar giften van het comité te voldoen, was groot. Het regende aanbiedingen. Vroom en Dreesmann bood 1000 bonnen. voor manufacturen. Douwe Egberts 10.000 pakjes tabak. De bakkerij Weduwe E.A. Rekers schonk 1000 broden. Ook lunchroom Heck op het Rembrandtplein wilde graag zijn betrokkenheid laten blijken en stelde honderdvijftig lunchpakketjes ter beschikking. In de pakketjes zaten een broodje kaas, een broodje ham en een snee roggebrood met spek. Deze gift werd minder gewaardeerd. Het Crisis-Comité veronderstelde dat de werklozen dit beslist niet zouden willen hebben; waarom werd er niet bij gezegd. De lunchpakketten werden doorgestuurd naar het Leger des Heils.
De hulpvragers - in een paar maanden al tienduizenden – hadden andere behoeften. Zij vroegen vooral geld. Geld om huurachterstanden te kunnen betalen of om uit de schulden te komen. Soms vroeg men om een treinabonnement.

Steun in natura
Een ‘korps van dames en heren’, bijgestaan door ambtenaren van het Bureau Maatschappelijke Steun, zou zich bezighouden met de hulpverstrekking. In de praktijk waren het vooral de laatsten die beoordeelden of men werkelijk te doen had met een `crisisgeval`, en of er geen sprake was van fraude.
Zo lang er sprake was van steun, bestond er bezorgdheid over fraude. De regels waren streng. Werklozen moesten ‘stempelen’; zich een, soms tweemaal per dag melden, om zwart werken te voorkomen. In het begin van crisisperiode bestonden er nog niet veel stempellokalen in de stad en de afstand van en naar huis was vaak groot. Cafémedewerkers in de steun moesten zich ’s avonds melden; het schriftelijk verzoek van een kellner om alsjeblieft wat vroeger te mogen stempelen zodat hij ’s avonds bij zijn gezin kon zijn, werd geweigerd. Wie in aanmerking wilde komen voor bijstand moest elke cent spaargeld melden. Had de steunvrager nog financiële reserves –hoe weinig ook- dan moesten die eerst worden opgemaakt. Verdiensten van inwonende kinderen werden van de steun afgetrokken, maar ook andere familieleden: ouders, kinderen of zelfs kleinkinderen waren verplicht om in het onderhoud van de werkloze en zijn gezin bij te dragen.
Wanneer een werkloze een beroep deed op hulp in natura van het Crisis-Comité, kreeg hij een controleur van de Maatschappelijke Steun op bezoek. Had de aanvrager echt geen schoenen meer, of werkelijk geen fatsoenlijk pak in de kast hangen? De hulpvrager moest aantonen dat hij het gevraagde werkelijk nodig had. Hij of zij moest de ambtenaar wel binnenlaten. ‘Steun wordt ingetrokken, indien de werklooze weigert ten allen tijde(n) de daartoe gemachtigd personen (-en) in zijn woning te ontvangen,’ luidde een van de elf controlebepalingen.
Op een formulier van de Maatschappelijke Steun uit 1934 - met het stempel: CRISIS - staat genoteerd: `De man draagt een versleten grijs costuum. Verder niets aangetroffen.’Advies: ‘toestaan 1 costuum van f 13,-.’
De steun in natura werd gehaat, en sommige mensen verkozen liever tot de draad versleten kleding of beddengoed dan de vernedering van deze huisbezoeken te moeten ondergaan.
Een enkele keer durfde een medebestuurslid de strenge en zuinige directeur Jurrema van het Bureau Maatschappelijke Steun te kapittelen, zij het zonder succes. ‘De periode waarin de vrouwen der arbeiders met een boezelaar en een omslagdoek rondliepen, is reeds lang voorbij,’ zei een lid van het comité, bij de behandeling van het punt: kleding voor vrouwen in de werkverschaffing.’Dus als er vraag is naar een zomermantel, moeten we die verstrekken.’
Directeur Jurrema: ‘In veel gezinnen draagt de vrouw haar jas zowel ’s winters als ’s zomers. Bij aanschaffing heeft men zich hier op ingesteld. Dus de behoefte aan een zomermantel is niet zo dringend als die aan een wintermantel die warmte moet verschaffen. Mijns inziens is er geen reden om, als men voor een wintermantel is afgewezen, direct een zomermantel toe te staan. Daartoe zou eerst een onderzoek moeten worden ingesteld.’
De hoeveelheid tijd die controleurs aan onderzoek moesten besteden, leidde tot een uiterst traag besluitvormingsproces. Het duurde soms maanden voor er iets werd gegeven. Kritiek in het bestuur op de late verstrekkingen werd beantwoord met verwijzing naar de veelvoorkomende fraude. Steunbedrog zoals in een overzicht van ‘met succes behandelde gevallen van fraude’:
- de aanvrager stond in de Ten Katestraat met handel.
- de aanvrager was langs de straat als violist werkzaam bij een muziekgezelschap (in een auto).
-de aanvrager stond met een tent voor het slijpen en repareren van schaatsen op het ijs aan het Diep in Zeeburg.
Aan deze ontmaskeringen gingen uren vooraf van gesprekken met familieleden, met buren op de trap of in de straat. ‘Volgens inf. is aanvrager zelden thuis, gaat ‘s morgens weg en komt ’s avonds laat terug met pakken onder de arm,’ rapporteert een steunambtenaar in de Transvaalbuurt.
Als de beslissingen voor extra hulp door het Crisis-Comité eindelijk waren genomen, volgde er voor velen een grote teleurstelling. Maar een klein aantal aanvragen werd toegekend, de rest werd afgewezen. De reden voor onmiddellijke afwijzing was vaak dat de acute nood geen verband hield met de crisis. Een moeilijk bewijsbare zaak, omdat het dikwijls ging om mensen die al jaren in de steun liepen en bij wie de situatie almaar was verslechterd, of kleine winkeliers wier omzet geleidelijk terugliep. Volgens een notitie uit juli 1932 werden 2,973 van de 7,988 aanvragen direct afgewezen. Na onderzoek volgden nog eens 2,892 afwijzingen. Op 1,790 aanvragen werd gunstig beslist, en 369 aanvragen waren nog in behandeling.

Boze aanvragers
Op het Bureau voor Maatschappelijke Steun was men zelf ook allerminst gelukkig met de gang van zaken. Ook al nam het aantal mensen bij de dienst toe van 251 in 1929 naar 461 in 1932, er bleef werk liggen, ook wat betreft de gewone steunverlening. De ambtenaren leden onder de druk om de tijd tussen aanvraag en een eerste aanbetaling zo klein mogelijk te houden. Het werk werd steeds onaangenamer en gevaarlijker. Geregeld werden ambtenaren buiten opgewacht door boze aanvragers die hen tot aan huis volgden en lastigvielen. Snelheid en efficiency van beslissingen werd een selectiecriterium, maar ook mentale weerbaarheid. Een ambtenaar in de lastige Jordaanbuurt waar hij goed voldeed, had daar ‘onaangenaamheden’ meegemaakt, die hem zozeer aangrepen dat hij tijdelijk in een rustige wijk moest worden geplaatst. Voor directeur Jurrema was het aanleiding om de vaste benoeming van de man uit te stellen. ‘Dat zou hem prikkelen zich te verzetten tegen zijn nerveusheid.’ Sommige buitenambtenaren vroegen om bewapening, een verzoek dat geweigerd werd; in Leiden echter kregen de controleurs gummiknuppels om zich te verdedigen.
Voor mensen in de steun was de winter de zwaarste tijd: hogere uitgaven en nauwelijks werkaanbod. In januari en februari 1931 kwam het regelmatig tot vechtpartijen tussen werklozen, steunambtenaren en politie. Een reden voor zorg en woede onder de werklozen waren de geruchten over plannen van de regering om ook op de steunuitkeringen te bezuinigen. In september van dat jaar vroeg de gemeente Amsterdam, uit angst voor nieuwe ongeregeldheden, om hulp van het leger voor de komende wintermaanden. december In de nacht van 3 op 4 januari ’32 arriveerden er in het diepste geheim drie vrachtwagens, gepantserd en met schietsleuven, en soldaten met karabijnen en mitrailleurs.
Het Amsterdamsch Crisis-Comité vergaderde intussen over acties om haar inkomsten te vergroten. Vooral het Dames-Comité, met als ere-voorzitster mevrouw C. De Vlugt-Flentrop, echtgenote van de burgemeester, was heel actief. De dames organiseerden feestelijke straatcollectes, soms met olifanten en kamelen, waarvoor aan de collectantes speciale crisisbusjes werden uitgedeeld. Ten bate van het comité trad de Amerikaanse zangeres Josephine Baker op, werden er voordrachten georganiseerd en een bridgewedstrijd gehouden. Er werd geld ingezameld met de verkoop van zilveren lepeltjes, een voorstel van het Nationaal Crisis-Comité. De crisislepeltjes kostten veel vergadertijd. Wie moest ze verkopen? Het idee om dit werklozen zelf te laten doen, tegen betaling van 25 cent per verkocht lepeltje, stuitte op weerstand in het bestuur, men zag hier toch een taak voor het Dames-Comité zelf.
De kunsthandelaar Jacques Goudstikker organiseerde in februari 1932 een expositie van 17e eeuwse Hollandse winterlandschappen; de opbrengst ging naar het comité. Er hingen werken van Hendrik en Barent Avercamp, Jan van Goyen en Ruysdael. ‘Voortreffelijk gekozen,’ schreef de recensent van De Groene Amsterdammer. ‘Het beeld van zo’n ouderwetse vaderlandse winter zet ook aan tot saamhorigheid en hulpvaardigheid.’
De situatie van de werklozen en hun gezinnen stak schril af bij de vrolijke inzamelacties. Uit een gemeentelijk onderzoek naar de toestand van ondersteunde werkloozen tussen oktober 1934 en februari 1935, blijkt dat moedeloosheid en verbittering overheersten. In veel gezinnen was de man al jaren werkloos. De meeste mensen hadden hun ziekteverzekering opgezegd. Kranten en radio hadden ze niet meer. Schaamte maakte dat ouders voor hun kinderen afzagen van de door de gemeente verstrekte schoolvoeding, schoolkleding of klompen; allemaal uiterlijke kenmerken van armoe en bedeling, en dikwijls een reden waarom kinderen werden gepest. Schaamte bestond er ook voor de familie en kennissen. In het rapport wordt de toestand beschreven in een gezin van een vijfentwintig jarige werkloze metaalbewerker, zijn zevenentwintig-jarige vrouw en een dochtertje van drie. ‘(…)Er zijn schulden gemaakt; man vertoeft meestal in clublokaal voor werkloozen, beoefent schaakspel; omgang enkel met familieleden, die werkloos zijn; man en vrouw verwachten alleen verbetering van een algeheelen omkeer van staat en maatschappij,’
Steunverlagingen leidden in juli 1934 tot een opstand in de Jordaan en verschillende andere Amsterdamse buurten. Burgemeester Van der Vlugt zette in overleg met premier Colijn het leger in, er vielen verschillende doden. De uitkeringen werden toch verlaagd en de jaren daarna werden de omstandigheden alleen maar grimmiger. Ook voor de ambtenaren van de Maatschappelijke Steun van wie het salaris tot 30 procent verminderd werd.
Op 6 september 1935 werd het Crisis-Comité opgeheven. Er bleek geen sprake te zijn van een tijdelijke crisis, de economische neergang was een hardnekkig verschijnsel, een permanente toestand. De belangstelling voor giften nam af, collectes brachten haast niets meer op. De mensen raken verbitterd, werd in het bestuur geconstateerd, en de muziek bij de geldinzamelingen stootte af. Met voldoening had de penningmeester een half jaar eerder gemeld dat het saldo van f 10.000 desondanks vrij stabiel bleef, dit tot verbazing van andere bestuursleden die al die jaren in de veronderstelling geleefd hadden dat geldgebrek de reden was voor de vele afwijzingen. Men besloot tot aan de liquidatie van het comité, ook bij twijfelgevallen wat ruimer te verstrekken.




Alles werd genoteerd
Ook de zoon van de burgemeester, Mr. E.de Vlugt, vond emplooi in het Crisis-Comité, als secretaris. Zo schiep het comité toch nog enige, zij het minieme werkgelegenheid. Secretaris De Vlugt deed de papieren rompslomp. De ambtenaren van de Maatschappelijke Steun noteerden alles wat zij in het belang van hun onderzoek nodig achtten. En dat was veel. Op de formulieren stond een kolom met tien mogelijke ‘achtergronden der armlastigheid’ van drankmisbruik tot en met groot kindertal en talloze vragen over vorige werkgevers en mogelijke neveninkomsten. In de eerste plaats keek de rapporteur of er in het gezin van de aanvrager extra inkomsten binnenkwamen, meestal ging het om verdiensten van de vrouw. Hoeveel verdiende zij als kleermaakster, en was dat niet een fictief laag bedrag gezien de pas aangeschafte naaimachine in huis? Ook de verdiensten van inwonende kinderen werden meegerekend. Dus ook hun werkgevers en inkomsten staan vermeld. Zo lezen we onder het kopje ‘Kinderen’: “1 zoon, Gerrit, 3j., Sophie Rosenthal bewaarschool.”






Stichter van graanburcht aan het IJ
Amsterdamse ondernemers: Jan Philip Korthals Altes
Tekst: Theo E. Korthals Altes en Hansje Galesloot

062008_GraanHet gebouw is bekender dan de man. De Graansilo Korthals Altes is een van de karakteristiekste oude gebouwen aan de IJ-oevers. Krakers wisten rond 1990 de bijna 100-jarige kolos voor sloop te behoeden. Wie was de ondernemer die deze silo liet bouwen? En waarom heeft het gebouw zo’n burchtachtig uiterlijk?
‘Moedernegotie’ werd de handel op het Oostzeegebied in vooral graan genoemd. Amsterdam dankte er een aanzienlijk deel van zijn welvaart in de Gouden Eeuw aan. De stad was in die periode de graanschuur van de wereld. Vanaf de 18de eeuw ging die positie verloren, maar heden ten dage is Amsterdam weer de grootste graanimporteur van Europa. Met die wederopstanding heeft de silo aan het IJ alles van doen.
‘Graanfactor’ was het beroep van Jan Philip Korthals Altes, toen hij in 1895 het startsein gaf voor de bouw van de silo op de Westerdoksdijk. Het beroep bestaat niet meer. In de haven hielden de veembedrijven, zoals het Blauwhoedenveem en het Groenhoedenveem, zich bezig met opslag en doorvoer van goederen. De graanfactors coördineerden als hun vertegenwoordigers de gang van zaken tijdens het lossen en wegen van het graan. Ze stonden borg voor een correcte weging en waren verantwoordelijk voor het nemen van monsters om de kwaliteit te controleren. Ook regelden ze een zo vlot mogelijke overslag van het graan van zeeschip naar binnenschepen. Het was een lucratieve functie, gezien de rijkdom die Jan Philip Korthals Altes ermee verwierf.

Grondspeculatie
Bij zijn geboorte in 1827 in Amsterdam droeg Jan Philip alleen de achternaam Altes. Zijn vader was een Duitse immigrant, Johann Philip Altes. Zijn moeder, Antonia Korthals, stamde uit een familie die al eeuwenlang in de graanhandel zat. Haar broers Willem en Evert namen het familiebedrijf van hun vader Willem Evertsz Korthals over. Ook echtgenoot Johann Philip ging bij de onderneming werken, nadat hij eerst als Duits soldaat had meegevochten in de slag bij Waterloo.
Op zijn zestiende trad de ambitieuze Jan Philip, de oudste van de zeven kinderen, in dienst bij het familiebedrijf. Al heel snel – hij was pas 23 – werd aan hem de dagelijkse leiding toevertrouwd. Tien jaar later kreeg hij de kans het gehele graanoverslagbedrijf van de familie Korthals voor eigen rekening te gaan exploiteren. Een voorwaarde daarvoor was de blijvende verbintenis van de naam Korthals aan het bedrijf. Dit leidde in 1861 tot het invoegen van de naam Korthals in die van de familie Altes.
Het ging de jonge ondernemer voor de wind, in meerdere opzichten. In 1855 was hij getrouwd met Maria ter Haar, met wie hij negen kinderen kreeg. Verschillende zonen (en later kleinzonen) gingen na een handelsopleiding te hebben gevolgd meedraaien in het familiebedrijf. Korthals Altes verwierf steeds meer pakhuizen in Amsterdam en in de Zaanstreek, zodat zijn firma een aanzienlijk aandeel kreeg in de lokale graanmarkt en zijn vermogenspositie groeide. Hij had ook visionaire – en achteraf gezien opvallend trefzekere – inzichten over de ontwikkeling van het havengebied. Volgens hem zou de noordoever van het IJ belangrijk gaan worden. Hierop speculerend kocht hij daar vanaf 1870, toen Noord nog nauwelijks bebouwing kende, aanzienlijke stukken grond. Ook maakte hij zich sterk voor de bouw van een brug over het IJ, ter hoogte van het huidige Centraal Station. Bijna een eeuw later – in 1963 – zei een kleinzoon van Jan Philip met enige ironie tot de verzamelde nazaten: “Jullie zouden allemaal veel welvarender, en veel ongelukkiger, zijn geweest als hij die gronden had behouden.”

Graanschepen in Damrak
De brug over het IJ is er niet gekomen. Noch heeft hij zijn zin gekregen bij de bouw van het Centraal Station, waarvan de plaatsing aan de kop van het Damrak hem een doorn in het oog was. Korthals Altes had daar zijn kantoor en woonhuis. Graanschepen meerden aan langs het Damrak om monsters aan te leveren voor keuring, alvorens de lading kon worden doorverscheept naar de pakhuizen. De open verbinding met het IJ was dus in zijn eigen zakelijke verkeer een belangrijke factor. In 1881 startte echter de bouw van het station en was het gedaan met het open havenfront. Twee jaar later werd het Damrak gedeeltelijk gedempt. Deze strijd had Korthals Altes verloren – maar hij zou zich revancheren.
Ondertussen had de graanfactor een stap gezet die klassiek was voor een lid van de Amsterdamse gegoede klasse: hij liet architect A.L. van Gendt in 1874 een buitenverblijf bouwen aan de Stationsweg in Baarn, villa Casa Cara geheten. Het dorp was net aangesloten op de moderne wereld door de aanleg van de Oosterspoorlijn, waarna hier een reeks van villa’s voor Amsterdamse notabelen verrees, merendeels door Van Gendt ontworpen die zelf ook een deel van het jaar in Baarn woonde.
Rond deze zelfde tijd kwam de Amsterdamse economie in een stroomversnelling na de opening van het Noordzeekanaal. Opnieuw werd Amsterdam een centrum van de handel in tropische producten, maar het inhalen of zelfs maar bijbenen van de Rotterdamse haven was niet langer haalbaar. Ook in de graanhandel waren de hoofdstedelijke entrepreneurs op achterstand gezet door hun collega’s uit de Maasstad. Om paal en perk te stellen aan de Rotterdamse opmars besloot Korthals Altes tot een gewaagde investering: van 1895 tot 1897 liet hij een reusachtige silo bouwen op een speciaal aangelegde strekdam in het IJ in het verlengde van de Westerdoksdijk. De investeringskosten bedroegen ruim f 800.000. Hij financierde dit hoofdzakelijk uit eigen middelen.

Onderdeel van de Stelling
De nieuwe silo was tienmaal groter dan het gemiddelde pakhuis in de stad. Met deze briljante zet voorzag Korthals Altes gelijktijdig in een uitweg uit twee nijpende kwesties. Door de ligging aan het IJ kende de silo een optimale bereikbaarheid voor het laden en lossen van schepen; deze konden zelfs aan twee kanten aanleggen langs de dam. Bovendien kon men in het nieuwe pand inspelen op de mechanisatie van de graanoverslag, die juist in deze tijd internationaal in een stroomversnelling kwam (met elevatoren die het graan opzogen uit het ruim van het schip en met transportbanden). Om de nieuwste technieken en processen van schaalvergroting te leren kennen reisde de graanondernemer zelfs door de Verenigde Staten.
Eigenlijk loste Korthals Altes nog een derde probleem op, al werkt dat een beetje op onze lachspieren. Het idee voor een reusachtige graansilo in Amsterdam was in 1888 al eens geopperd door de architect J.F. Klinkhamer, als onderdeel van de Stelling van Amsterdam. Als de stadsbevolking omringd zou zijn door onder water gezette weilanden, met daarachter de vijandelijke belegeraar, moest er natuurlijk wel voldoende voedsel zijn. Korthals Altes had als graanhandelaar zitting in een rijkscommissie die zich over dit provianderingsvraagstuk boog. Het is niet ondenkbaar dat deze handige ondernemer een deel van zijn investeringskosten ten laste van het rijk heeft weten te brengen door de bestempeling van zijn silo tot noodvoorziening in tijden van oorlog. Het gebouw is inderdaad ontworpen door Klinkhamer (met assistentie van A.L. van Gendt) die de silo – geheel in stijl met de Stelling – het aanzien van een middeleeuwse burcht heeft meegegeven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de silo kortstondig voor het bunkeren van graan gebruikt, maar toen zag iedereen het anachronistische in van deze wijze van oorlogsvoorbereiding.

Haven westwaarts
Vanaf 1888 tot zijn dood in 1904 was Korthals Altes lid van de gemeenteraad, zodat hij de voorbereiding van de silo kon combineren met deelname aan de politieke besluitvorming over de toekomst van de haven. Hij was een uitgesproken voorstander van een krachtige expansie, waarvoor zelfs de ongerepte Veluwe het moest ontgelden: dwars door de zandverstuivingen tekende hij een kanaal naar het Duitse achterland (niet veel later legde men voor dit doel, maar langs een omslachtiger tracé, het Merwedekanaal aan).
Volgens een necrologie in het Stadsnieuws had hij beter eerder geboren kunnen worden, dan was de Amsterdamse haven een hoop leed bespaard gebleven. “Had hij een dertig jaar vroeger stem in het kapittel gehad, hij zou zeker met kracht zijn opgekomen tegen de groote misslagen, die bij het vaststellen der plannen werden begaan door den bouw van bruggen over het nieuwe Noordzeekanaal en het afsluiten van onze zoo gunstig gelegen dokken door den gordel van spoordijken en, wat misschien het ergste is: door den bouw der voornaamste havenwerken ten Oosten der stad en niet ten Westen naar zee, waar hun plaats zou zijn geweest.”
In 1891, inmiddels drie jaar raadslid, schreef Korthals Altes hierover een nota aan B&W. Hij reageerde op de voorkeur van de gemeente voor de havenontwikkeling in oostelijke richting. Een nieuw Entrepot zou daar moeten komen, aan de Cruquiusweg, met de gigantische pakhuizen Maandag tot en met Vrijdag. Nee, schreef Korthals Altes, dit moet in het westelijk havengebied gebeuren, omdat men dan “veel langer [zal] kunnen voldoen aan een der eerste vereischten welke aan iedere Handelsinrichting behooren gesteld te worden, namelijk dat zij voor de handelaars en hunne vertegenwoordigers of bedienden gemakkelijk te bereiken is.” Het Entrepot kwam toch in het oostelijk havengebied. De graansilo echter staat pal naar het westen gekeerd, trots en met overtuiging. Zo was de silo ook een statement in de actualiteit van de gemeentepolitiek, alwaar men pas decennia later het gelijk van Korthals Altes zou erkennen.

Kraakpand
Dynamisch bleef Korthals Altes tot zijn laatste snik. Nog op zijn 73ste, na enkele jaren weduwnaar te zijn geweest, hertrouwde hij met de tweelingzus van zijn overleden vrouw, Mette Johanna ter Haar. Drie jaar later overleed hij, in november 1904. Het familiebedrijf fuseerde in 1918 met een aantal andere graanmaatschappijen tot de SEGMIJ (NV Nederlandsche Silo-, Elevator- en Graanfactor Maatschappij). Dit bedrijf werd nog tot de Tweede Wereldoorlog mede door nazaten van Jan Philip bestuurd.
In 1952 werd de bakstenen silo Korthals Altes uitgebreid met een betonnen graansilo, gebouwd in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Maar dit keer gokte men mis met de gekozen plek. Om de schepen van steeds grotere tonnages te kunnen opvangen liet het Amerikaanse graanhandelsbedrijf Cargill in 1960 een geheel nieuw silocomplex in de Vlothaven bouwen. Deze vestiging bleek zo’n succes dat Amsterdam haar koppositie op het gebied van de graanhandel terugveroverde op de Rotterdamse concurrenten. Het doel dat Jan Philip Korthals Altes zich met zijn silo had gesteld, ging alsnog in vervulling – maar dan nog verder westwaarts.
De beide graansilo’s aan de Westerdoksdijk verloren de slag en werden in 1987 buiten gebruik gesteld. Sloop dreigde, waarop ze twee jaar later werden gekraakt. Ze ontwikkelden zich tot opvallende woonwerkcultuurpanden, waar tal van feesten en manifestaties werden gehouden. De stenen silo kreeg de status van rijksmonument. Jarenlang gesteggel over de toekomst van de panden volgde. Uiteindelijk bouwde architect André van Stigt de beide silo’s in de periode 1997-2000 om tot woningen, ateliers en bedrijfsruimtes. Zo is de graansilo Korthals Altes nog immer als een trotse burcht aanwezig aan de oever van het IJ.

Delen: