Nummer 6: Juni 2007

062007_Cover





Op het omslag: De binnenplaats van het Oude Vrouwen en Mannenhuis op de Amstel omstreeks 1920. Gemeentearchief.

- Diaconaal dorp aan de Amstel
- Wandelen door de Dapperbuurt
- Dirk de Waterduiker
- De oudste geschiedenis van Amstelland
- Komische en erotische puzzels
- P.L. Tak, ‘een gentleman in roode broek’






Diaconaal dorp aan de Amstel
Amstelhof gesloten na 325 jaar ouderenzorg
Tekst: Niels Wisman

062007_AmstelhofAchter de lange gevel van voormalig verpleeghuis Amstelhof tussen Nieuwe Heren- en Nieuwe Keizersgracht wordt vanaf deze zomer gebroken en gebouwd. Dit voorjaar verlieten de laatste bewoners het huis en in 2009 neemt de Amsterdamse dependance van de Hermitage in Sint-Petersburg hier zijn intrek. Daarmee is een einde gekomen aan bijna 325 jaar ouderenzorg op deze fraaie locatie.

Met de verbouwing van Amstelhof zet Hermitage Amsterdam een traditie voort. Al sinds de opening van het Diaconie Oude Vrouwenhuis in 1683 hebben timmerlieden, metselaars en andere vaklui de bewoners regelmatig uit de slaap gehouden. Het huis werd opgeleverd als een strak vierhoekig complex in de traditie van het classicisme. De zalen en vertrekken waren aangelegd rondom een grote binnenplaats en twee kleinere binnenhoven in de zijvleugels. Al spoedig moest er worden uitgebreid en sindsdien heeft men in de loop van drie eeuwen met grote ijver doorgebroken, overkapt, aangebouwd en natuurlijk ook weer afgebroken. De buitenkant liep onder al dit geweld weinig schade op en zal bij de huidige ombouw tot museum ook onaangetast blijven.
Het opvallendst aan het pand zoals dat in de 17de eeuw werd neergezet, was de symmetrisch ingedeelde voorgevel die met een lengte van 76 meter het niet veel later gebouwde stadhuis op de Dam naar de kroon stak. De fraaie hoofdingang in het midden was alleen voor de sier aangelegd en kon niet open. Van de twee kleinere zij-ingangen was alleen die aan de kant van de Nieuwe Herengracht echt in gebruik. De grote kerk- en eetzaal achter het midden van de gevel was na de Burgerzaal in het stadhuis de grootste in de stad en werd ook wel uitgeleend voor officiële gelegenheden die niet direct te maken hadden met het huis.
Behalve deze kerkzaal worden ook de Regenten- en Regentessenkamers op de hoeken van het pand aan de Amstelzijde bij de huidige verbouwing tot museum gespaard en zelfs zoveel mogelijk teruggebracht in historische staat. Hetzelfde geldt voor de 18de-eeuwse kelderkeuken in de voorvleugel. In de hier nog steeds te bewonderen reusachtige, in baksteen gevatte kookpotten werden tot in de tweede helft van de 19de eeuw de karige maaltijden voor honderden bewoners bereid.

Mannenkelder
Het Diaconie Oude Vrouwenhuis aan de Amstel werd gesticht door de Nederduits Gereformeerde Gemeente (de latere Hervormde Gemeente) op grond die door de stad beschikbaar was gesteld. De bouw was mogelijk dankzij een royaal legaat van de rijke Amsterdammer Barend Helleman. In de wandeling werd de instelling al snel het ‘Besjeshuis’ genoemd, ook toen het na een verbouwing aan de achterzijde in 1718 was omgedoopt tot Diaconie Oude Vrouwen en Mannen Huis. Het stukje Amstel voor het huis stond ook wel bekend als de ‘Besjesgracht’.
De eerste vrouwen woonden in kamertjes voor vier personen in de zijvleugels en achtervleugel, maar op den duur werden steeds meer gemeenschappelijke slaap- en ziekenzalen ingericht. De vrouwen waren voor 18de-eeuwse begrippen redelijk goed gehuisvest, maar de mannen hadden het slecht getroffen. Ze deelden met zijn allen een lage zaal in een aanbouw aan de achtervleugel, die veelzeggend ook wel werd aangeduid als de ‘kuil’ of ‘mannenkelder’.
“Die ’t reglement overtreden, worden door diakenen of diaconessen bestraft of, zo woorden niet baten, aan ene afgezonderde tafel, de schandtafel genaamd, met geringer spijze vertoefd,” meldt stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar in 1760 over het regime in het Besjeshuis in de 18de eeuw. Het pand mocht door de bewoners niet naar eigen goeddunken worden verlaten en ’s avonds na 9 uur moest het overal donker en stil zijn. Eenmaal per week kwam de dokter langs en één keer per jaar werden kleding en schoeisel uitgereikt. Een lichtpuntje was voor sommige bewoners in de 18de eeuw misschien dat er altijd genoeg bier was. Betrouwbaar drinkwater was in deze tijd schaars en duur. Het huis beschikte aan de Amstel op de hoogte waar later Carré is gebouwd over een eigen brouwerij, waar overigens bier met een zeer laag alcoholpercentage werd bereid.
Het Oude Vrouwenhuis bood bij opening onderdak aan 368 vrouwen en dat was voor toenmalige begrippen uitzonderlijk veel. Tot in de 19de eeuw zou het tehuis het grootste van Nederland zijn. Het aantal bewoners nam verder toe door de opening van de mannenafdeling en de groei zou de komende eeuwen aanhouden. De economische achteruitgang van de 18de eeuw stuwde het getal van hulpbehoevende Amsterdammers op en vooral in de 19de eeuw zou de nood grote proporties aannemen. Het hoogste aantal bewoners werd bereikt toen in het laatste kwart van de 19de eeuw de Amsterdamse bevolking explosief ging groeien. Rond 1900 woonden in het inmiddels flink uitgebreide complex tussen Amstel, Nieuwe Keizersgracht, Weesperstraat en Nieuwe Herengracht zo’n 1000 mensen. Dat moet ondanks de gerealiseerde aan- en nieuwbouw toch erg krap geweest zijn.

Merkwaardig uniform
“Regentesse, wat doet de slager elleke dag voor de Ossenpoort met z’n kar?” De Ossenpoort was de ingang van het Besjeshuis waardoor koeien voor de slacht naar binnen gebracht werden, en deze retorische vraag werd in het toneelstuk Bloeimaand van Herman Heijermans gesteld door een bewoner. In het stuk – dat in 1904 in Amsterdam werd opgevoerd – was meer kritiek te horen op de gang van zaken in het huis, waar de bejaarde schoonmoeder van de schrijver enig tijd gewoond had. Je kreeg niet alleen te weinig vlees, maar het eten was ook nog eens waterig, als je de bel niet op tijd gehoord had kwam je de eetzaal niet meer binnen, en klagen kon je beter uit je hoofd zetten: “Dan kenne ze je zo pèste, dat je ’t bezuurt tot je in je houte pallotje ligt.” Over het toneelstuk ontstond enig rumoer en journalisten kwamen kijken of het echt zo erg was. Hun conclusie was dat het wel meeviel, maar de regenten en regentessen hadden natuurlijk wel geweten dat de pers kwam.
De heren regenten resideerden in een mooie kamer op de hoek van Amstel en Nieuwe Herengracht en vormden het bestuur van de instelling. De dames regentessen hadden een prachtig vertrek op de hoek met de Nieuwe Keizersgracht en bestierden samen met het leidinggevend personeel de dagelijkse gang van zaken in het huis. Tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw was donderdag ‘Regentessendag’ en kwamen de dames gehuld in hun uniform per koets naar het tehuis om te controleren of alles goed ging. Ze droegen dan traditioneel een zwart kostuum, een zwart mutsje en een schortje, gecompleteerd met een reusachtige kasjmieren sjaal die als een mantel aan de voorkant werd dichtgespeld. De dames sloegen zelden een donderdag over, behalve die ene keer rond de eeuwwisseling die door historica Isabel van Eeghen in 1951 werd geboekstaafd in het Maandblad Amstelodamum: “Eenmaal gebeurde het op een koude winterdag dat een onvoorzichtige koetsier op het einde van de Keizersgracht niet draaide, maar de Amstel opreed. Dankzij het dikke ijs kwamen de vier inzittende regentessen in hun merkwaardige uniform met de schrik vrij.”

Verstilde oase
De groei van het aantal bewoners in de 19de eeuw was behalve door aanbouw van nieuwe vleugels en overkapping van de binnenhoven in de zijvleugels mogelijk doordat op het terrein achter het Oude Vrouwen en Mannenhuis een aantal nieuwe gebouwen was verrezen: al in 1725 het Corvershof voor behoeftige oudere echtparen, in 1789 het Bestedelingenhuis voor bijzonder kwetsbare armen van verschillende leeftijden, en in de tweede helft van de 19de eeuw achtereenvolgens een Gesticht voor Gehuwden, het gebouw van de Magdalena Hodshon Stichting en dat van de Van Limmikstichting. Ook in de laatste drie huizen woonden ouderen en zo ontstond tussen Amstel en Weesperstraat een ‘diaconaal dorp’ dat in de drukke stad een wereldje op zichzelf was.
“En als ge tenslotte door den fraaien tuin wandelt, die uitzicht geeft op een aantal diaconale instellingen, dan kan zich een wonderlijk gevoel van u meester maken,” lezen we in De helpende hand, een boekje van de Hervormde Diaconie uit 1936. “Ge vergeet dat ge u in het hart van de stad bevindt: geen gerucht van buiten klinkt tot u door; even, als ook het ruischen van den wind in de boomtoppen ophoudt, kunt ge van heel ver het geklingel van de tram horen.” In de jaren die volgden maakte dat geklingel van de tram plaats voor het permanent geraas van het verkeer over de Weesperstraat, maar het verpleeghuis bleef een verstilde oase in hartje stad.
Vanaf 1953 Amstelhof geheten, ontwikkelde het tehuis zich sindsdien in overeenstemming met de tijdgeest. Het werd een echt Amsterdams verpleeghuis met uitstapjes naar de terrassen van het Rembrandtplein en een geheel eigen sfeer. Beroemd werd de in 1966 ingevoerde ‘ober’: een personeelslid dat achter een wagentje met advocaat, frisdrank en jenever de afdelingen rondging.
Plannen om de bewoners van Amstelhof in andere huizen onder te brengen bestonden al langer, maar tot voor enkele jaren werden die steeds weer afgeblazen. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd het hele pand nog een keer grondig onder handen genomen. Alle aanbouwsels die aan het complex waren vastgegroeid werden toen afgebroken en in de binnenhoven van de zijvleugels werden met betonconstructies moderne dienstruimten gebouwd. Inmiddels voldoen ook de toen aangebrachte verbeteringen niet meer aan de normen die tegenwoordig in de zorg gelden, en tot een nieuwe verbouwing als verpleeghuis is het dit keer niet gekomen. De regionale zorginstelling Cordaan heeft de bewoners nu in overleg weten te plaatsen bij eigen huizen elders of bij collega-instellingen in de stad.

Kunsttempel
Een bestemming als museum zat er voor het Besjeshuis aan de Amstel al heel lang in. Begin 19de eeuw zou op deze plaats een Paleis van Kunsten en Wetenschappen komen, een prestigeproject van Lodewijk Napoleon die tussen 1806 en 1810 ‘koning van Holland’ was. Er werd zelfs een serieus ontwerp voor gemaakt, maar de koning regeerde te kort om de plannen werkelijkheid te laten worden. Nog in 1952 toonde het Rijksmuseum belangstelling voor het complex om er een kunstnijverheidsmuseum in onder te brengen. Omdat het kabinet na de grote watersnoodramp van 1953 wel wat anders aan het hoofd had, kwam er niets van. De plannen voor een ‘Hermitage aan de Amstel’ dateren van rond 2000 en het beroemde Russische museum heeft inmiddels al een klein filiaal aan de Nieuwe Herengracht. In vergelijking met wat er straks komt, is dit nog maar kinderspel.
“Door de Ossenpoort betreedt het publiek de binnenplaats, steekt deze over en komt de Hermitage Amsterdam binnen in de tuinvleugel aan de oostzijde.” Aldus het ontwerp voor de verbouwing van Amstelhof tot museum van architect Hans van Heeswijk. Achter de gevel van Amstel 51 wordt weer eens verbouwd en het belooft groots en prachtig te worden. Zoals dat in het verleden met het Oude Vrouwen en Mannen Huis wel vaker ging, blijven de oudste elementen gespaard, maar worden de recentere sporen uitgewist. Waar eens de slachtkoeien hun droevig lot tegemoet gedreven werden, wandelen straks montere toeristen de kunsttempel binnen.






‘Niet lullen, gaten vullen!’
Een wandeling door de Dapperbuurt
Tekst: Hansje Galesloot

062007_DapperbuurtIn de steigers gezet als woonoord voor de middenklasse, werd de Dapperbuurt algauw een typische arbeiderswijk. In de jaren zestig zakten de woningen van ellende bijna in elkaar. De gemeente wilde de hele buurt slopen, maar heftig verzet van buurtbewoners verhinderde dat. Op deze wandeling volgen we de sporen van deze roerige episode.

We beginnen onze wandeling op de Zeeburgerdijk, op de hoek van het wooncomplex dat naar een oude uitspanning is genoemd: de Roomtuintjes. De bebouwing hier wijkt sterk af van die in de rest van de Dapperbuurt. De Roomtuintjes zijn de laatste stuiptrekking van het Nieuwe Bouwen, met zijn filosofie van licht, lucht en ruimte, waardoor de vormgeving van de Westelijke Tuinsteden en de Bijlmermeer is bepaald.
Het had niet veel gescheeld of de hele Dapperbuurt had er zo uitgezien. In 1971 zag het plan-Duyff het licht. De buurt was al decennialang in verval, dus het was duidelijk dat een stevige ingreep nodig was. Duyff stelde voor de hele wijk tegen de vlakte te gooien en te vervangen door in stroken gebouwde flats. Het bestaande stratenpatroon zou geheel verdwijnen en slechts de helft van het aantal woningen zou terugkeren. De bewoners werden geacht bijna allemaal naar elders te vertrekken, want de gemeente wilde ook een einde maken aan de concentratie van lagere inkomens in de wijk.
Ziedaar het begin van de strijd om de stadsvernieuwing in de jaren zeventig. De Dapperbuurt beet het spits af. Eind 1970 werd hier de actiegroep De Sterke Arm opgericht door linkse studenten. Hun eerste doel was betaalbare nieuwbouw in de open gaten; pas later gingen de actievoerders pleiten voor renovatie om zo het karakter van de Dapperbuurt niet geheel verloren te laten gaan. Na enkele jaren van felle acties ging de gemeente overstag en stapte over op een gefaseerde sanering, waarbij de bewoners van te slopen panden steeds door konden schuiven naar de al gerealiseerde nieuwbouw. Bouwen voor de buurt werd het motto. Alleen de Roomtuintjes kwamen toch volgens het oorspronkelijke plan tot stand, omdat het terrein al vrijgekomen was door het vertrek van het Bodecentrum (zie ons maartnummer). Maar al direct na oplevering kantten de bewoners zich tegen de hoge huren, terwijl de binnentuinen al spoedig aan verloedering ten prooi vielen. Een populair woonoord is het nooit geworden.

Lou de Palingboer
We steken de Pontanusstraat over en vervolgen onze weg langs de Mauritskade. Bij de Dapperstraat slaan we linksaf. Oorspronkelijk heette de buurt het Muiderpoortkwartier, maar door zijn centrale ligging wist de Dapperstraat – genoemd naar de 17de-eeuwse stadsgeschiedschrijver Olfert Dapper – het tot buurtnaam te schoppen. Nog diverse andere stadshistorici zijn geëerd met een straat in deze buurt: Wagenaar, Commelin, Von Zesen, Pontanus, Van Domselaer en Vlaming. De overige straten zijn naar andere geleerden uit de 17de en 18de eeuw vernoemd.
Dapper is in Nederland in het vergeetboek geraakt, maar hij deed beschrijvingen van verre landen verschijnen die internationale bekendheid kregen, al schijnt hij nooit verder gereisd te zijn dan tot Utrecht. In Parijs is zelfs een heel museum aan hem gewijd: Musée Dapper. Daar wordt Olfert Dapper in ere gehouden als de eerste wetenschapper die over vreemde volkeren schreef zonder etnische vooroordelen en zonder in exotische curiositeiten te blijven steken. Een wel heel passende aartsvader van de multiculturele Dapperbuurt! W.F. Hermans koos hem als hoofdpersoon van een surrealistische roman, Het evangelie van O. Dapper Dapper. Maar hij maakte er een potje van door Dapper in een eerder werk te introduceren als palingboer: een mix met Lou de Palingboer, die zijn geruchtmakende carrière als uitventer van spirituele praatjes begon op de Dappermarkt.
Aan het noordelijke uiteinde van de Dappermarkt zijn nog enkele plukjes oudbouw bewaard gebleven, terwijl de rest van de markt een bonte lappendeken van nieuwbouw in allerlei stijlen is. Op nummer 7 bevond zich de kapperszaak van de vader van Karel Appel. Het ouderlijk huis stond in de Commelinstraat (op nummer 25, nu nieuwbouw). Daar maakte Appel zijn eerste schilderijtje, van de rood geëmailleerde koffiepot van zijn moeder “waarmee ze echte Amsterdamse koffie zette, een joods bakkie koffie”. Karel haatte het kappersvak, maar moest toch twee jaar in de zaak staan. Daarna zette hij zijn schildersplannen door, zodat hij door zijn ouders het huis uit werd gezet.
De Dappermarkt, van start gegaan in 1910, telt tegenwoordig meer dan 250 kramen en werd onlangs gekozen tot beste markt van Nederland. De bezoekers komen zelfs van buiten Amsterdam. In een vorig nummer van dit blad vertelde theatermaakster Jetty Mathurin dat ze altijd vrolijk wordt van de Dappermarkt: de volkse humor van de marktkooplui is onovertroffen. Rond 1980 dacht men dat de markt ten dode was opgeschreven. Ze heeft zich echter aan de nieuwe samenstelling van de wijk weten aan te passen, zonder dat het authentiek-Amsterdamse karakter verloren is gegaan. Een bijzonder voorbeeld van integratie.

Voortuinen
We volgen de Dapperstraat tot aan de Commelinstraat. Hier bevindt zich het oudste stuk van de Dapperbuurt. In 1873 startte de bouw in de Wagenaarstraat, daarna kwam de Commelinstraat aan de beurt. De nieuwe wijk, die bedoeld was voor beter verdienende arbeiders, ambtenaren en zelfstandigen, werd ruim opgezet. Zo hadden de huizen aanvankelijk voortuinen en zou de Eerste Van Swindenstraat een gracht worden met brede kades.
Na de economische crisis van 1883 echter was het met de allure gedaan. De fase van de revolutiebouw brak aan, waarin kleine aannemers probeerden zoveel mogelijk te verdienen aan het realiseren van bouwblokken. Voor het eerst werd voor een anonieme markt gebouwd en de gevolgen waren ernaar. Het gebrekkige heien bezorgt de Dapperbuurt tot op de dag van vandaag problemen, omdat renovatie hierdoor algauw in de papieren loopt.
De Commelinstraat is zonder twijfel de mooiste straat van de Dapperbuurt en heeft ook het beste zijn oude karakter bewaard. Maar voordat we die straat in lopen, staan we stil bij het door Hans van Heeswijk ontworpen hoekpand met de metalen gevelplaten met daarop de beroemde versregel van J.C. Bloem: ‘Domweg gelukkig, in de Dapperstraat’. De belettering van het gedicht is van Ootje Oxenaar, de ontwerper van postzegels en bankbiljetten. Van Heeswijk heeft drie panden in deze geest ontworpen op een steenworp afstand van elkaar. Vanwege hun gedurfde architectuur, die sterk afwijkt van de omgeving maar daar toch niet lelijk mee contrasteert, hebben ze de bijnaam ‘De Drie Dappertjes’. Bloem was overigens allesbehalve een gelukkig mens, zoals zijn recent verschenen biografie leert. Bij nadere beschouwing is het gedicht nogal zwaarmoedig. Ook de op de zijgevel afgedrukte versregels van Bloem geven weinig hoop voor de toekomst.
Vrolijker wordt een mens van de Leeshal Oost , Commelinstraat 53. Hier liggen de tweedehands boeken en tijdschriften in enorme stapels opgetast. Wie erin is geslaagd een boek te bemachtigen zonder dat de stapel omvalt, mag het exemplaar na lezing weer terugbrengen en voor de helft van de prijs iets nieuws meenemen. In de jaren vijftig was de Leeshal met dit leenconcept voor kinderen een uitkomst. Voor een abonnement op een stripblad was thuis geen geld en bibliotheken moesten toen nog niets van dit genre hebben, maar in de Leeshal konden strips goedkoop worden geleend en weer ingeruild.

Buurtsynagoge
Verder lopend in de richting van de Linnaeusstraat krijgt de Commelinstraat een steeds fraaier aanzien. De hoge panden in neo-classicistische stijl zijn met een rijkdom aan roomwitte ornamenten versierd. Aan de overkant op nummer 16 staat een minder expressief gebouw, getooid met de naam ‘Rogate’ in smeedijzeren sierletters. Recent heeft hier dus iets christelijks in gezeten (rogate is Latijns voor bidt), maar in 1922 werd hier een buurtsynagoge in gebruik genomen. In de Dapperbuurt woonden niet zoveel joden als in de Transvaal- en Oosterparkbuurt, maar een kleine concentratie bevond zich in en rond de Commelinstraat. Over de buurtsynagoge vertelt Max van Saxen in Herinnering aan joods Amsterdam dat hier de merkwaardigheid bestond dat rituele handelingen die in de sjoel verricht moesten worden (zoals het optillen van de thorarol) van tevoren bij opbod werden verkocht. Zo drongen de gewoonten van de Dappermarkt door in deze buurtsjoel.
Op de hoek met de Linnaeusstraat zien we weer een nieuwbouwpand van Hans van Heeswijk met door Oxenaar vormgegeven tekst, ditmaal van Nescio. Diens ouderlijk huis stond aan de Mauritskade 85, achter de Von Zesenstraat (nu afgebroken). De Dappermarkt en andere locaties in de buurt duiken geregeld op in de verhalen van Nescio, maar nooit in gunstige zin. De schrijver was te veel een buitenmens om van deze door-en-door steedse buurt te kunnen houden. Het langste citaat op het woonpand gaat dan ook over het polderleven.
Op de andere hoek, waar nu de bar East of Eden is gevestigd, zat vroeger het beroemde café Poort van Muiden. Hier vonden veel vergaderingen plaats, zoals de oprichtingsvergadering van woningbouwvereniging Het Oosten in 1911. In de zalen boven werd dansles gegeven (Dansschool Koehof) en was op zondagavond vrij dansen. Doorlopend langs de Linnaeusstraat, vroeger Oetewalerweg geheten en volgens sommige wetenschappers de oudste weg van Amsterdam, belanden we bij de Muiderkerk. Door een felle brand in 1989 resteert er van de oorspronkelijke hervormde kerk uit 1892, ontworpen door de architect G.W. Vixseboxse, alleen nog de toren. Omdat die een eeuw lang zo beeldbepalend was geweest, werd besloten de slanke toren te integreren in de nieuwbouw. Het resultaat is niet bepaald fraai geworden. De stenen van de toren zouden eerst schoongespoten worden en zouden dan qua kleur beter hebben gepast bij de nieuwbouw, maar uit bezuinigingsoverwegingen werd hiervan afgezien. Een wonderlijk kunstwerk ‘Geloof, hoop en liefde’, waarvan drie beelden op en rond de kerk te vinden zijn, maakt de zaak er niet veel beter op.

Doerak
Gauw door naar het hoekpand van de Wijttenbachstraat, de Laatste Linnaeus gedoopt sinds de renovatie, maar in het kraaktijdperk Doerak geheten. Dankzij die kraakactie is het pand voor sloop behoed. Er komen nu appartementen in met literaire namen, verwijzend naar de vele schrijvers die in deze buurt hebben gewoond of in het Witsenhuis aan het Oosterpark hebben gelogeerd.
De Wijttenbachstraat zelf kan deze oppepper van een fraai hoekpand wel gebruiken. Ooit was dit een allee met een arcadisch karakter; samen met de Linnaeusstraat en de Domselaerstraat het gouden randje van de buurt. Op oude foto’s zijn dames met parasolletjes te zien die onder hoge bomen flaneren langs de statige herenhuizen. Vandaag de dag is minstens de helft van de oude bebouwing verdwenen en is de weg een verkeersader geworden.
We steken het kruispunt over en vervolgen onze route langs de Linnaeusstraat. Op de hoek met de Domselaerstraat kijken we uit op het voormalige Burgerziekenhuis, nu stadsdeelkantoor. In 1891 opende dit ziekenhuis zijn deuren, in een periode waarin de medische wetenschap grote vooruitgang boekte, maar de kwaliteit van de verpleging bedroevend laag was. Het Binnen- en Buitengasthuis waren de naam ziekenhuis niet waard: de zieken lagen daar in lange rijen op strozakken. Veel beter was de toestand in het Prinsengrachtziekenhuis, maar dat was alleen voor de rijken weggelegd. In dat gat sprong het Burgerziekenhuis, eerst gevestigd aan de Keizersgracht. Het nieuwe pand aan de Linnaeusstraat werd ontworpen door A.L. van Gendt volgens het paviljoenmodel: losstaande gebouwen, zodat licht en lucht optimaal binnen konden stromen. Uiteindelijk bleek ook dit gebouw niet aan de voortschrijdende kwaliteitsnormen te kunnen voldoen en werd besloten te verhuizen naar Almere; in 1991 verliet de laatste patiënt het pand. Het ziekengebouw aan de Domselaerstraat is verbouwd tot een bedrijvencentrum voor vrouwen.

Lang vergeten
De Domselaerstraat die wij hier inslaan, heeft een opvallende gevelwand die het bestuderen waard is. De hele straat is in één keer gebouwd, in 1903, maar de huizen vertonen allemaal afwijkende details, qua kleur van de baksteen, de vorm van het geveltopje, het hekwerk van de balkons, of de tegeltableaus in de portieken. Vermoedelijk zijn de panden als huurwoningen gebouwd en dan is dit een bewonderenswaardig voorbeeld van architectonische afwisseling binnen één bouwblok. Daar kan men tegenwoordig nog van leren.
Op de hoek met de Dapperstraat ligt brandweerkazerne Victor uit 1912, na de Honthorstkazerne de oudste kazerne van Amsterdam. De traditie dat brandweerposten jongensnamen (en een enkele keer een meisjesnaam) hebben is al heel oud en heeft een onbekende oorsprong. Doorlopend langs het laatste stuk Domselaerstraat passeren we nog het ROC-gebouw op de hoek met de Pontanusstraat, waarin oorspronkelijk een kleuterschool gevestigd was. Ook om het behoud van dit pand is hard gevochten door de buurt.
We eindigen onze wandeling op het Oosterspoorplein, ontstaan in 1939 toen het nieuwe Muiderpoortstation werd opgeleverd, een ontwerp van dezelfde architecten als van het Amstelstation, H.G.J. Schelling en J. Leupen. Tot die tijd bestond slechts een gelijkvloerse halte, maar de gelijkvloerse kruisingen leidden tot steeds onhoudbaarder toestanden en zo besloot men de spoorlijn op een dijk te leggen.
Het Oosterspoorplein herbergt tegenwoordig twee monumenten. Het ene, in 2002 onthuld, herinnert aan de treurige rol van het Muiderpoortstation in de oorlog, toen hiervandaan ongeveer 11.000 joden zijn afgevoerd, vooral afkomstig uit de Transvaalbuurt. Een bord met uitgespaarde letters maakt hier melding van, maar indrukwekkend is vooral het gedicht van Victor E. van Vriesland dat in de rugleuning van een bank is uitgespaard: “Tocht er door hun schimmen/ Nog een stroom van lang,/ Lang vergeten namen,/ Lang vergeten ogen?/ Zullen wij nog weten/ Dat wij ons vergeten/ Zijn vergeten?”
Het andere monument is een kunstwerk van Karel Appel, Flowers, door hem in 1991 gemaakt en later hier geplaatst als herinnering aan zijn afkomst als Dapperbuurter. Van de vier in brons uitgevoerde bloemen liggen er drie en staat er nog eentje overeind. Het past wonderwel bij het oorlogsmonument.






‘Waarachtig, dat redden wordt een gewoonte’
Dirk de Waterduiker: een held met gebreken
Tekst: Marte van Santen

062007_Waterduiker“Even een klein beroep op het voorstellingsvermogen van den lezer: Denk u eens in, dat er 74 menschen, twee honden en een paar katten op een rijtje staan. Een respectabele optocht, nietwaar? Welnu, zoveel menschen en dieren heeft Dirk de Waterduiker uit het water gehaald!”

Zo begon op 10 april 1931 een groot artikel in Het Volk over de aanstaande gouden bruiloft van Dirk de Waterduiker, die in de voorgaande halve eeuw naar verluidt 74 mensen uit de gracht wist te redden.
Ten onrechte ontbreekt hij in de onlangs door het jubilerende wijkcentrum uitgebrachte Jordaancanon, want nog lang na zijn dood was deze mensenredder wel degelijk een van de meest gevierde Jordanezen. Al is enige relativering van zijn status op zijn plaats, leert een lijvig politiedossier, bewaard in het Gemeentearchief. Menslievendheid was zeker niet het enige motief voor zijn talloze reddingen. En hoeveel waren dat er nu precies?
Dat hij eigenlijk Dirk Rietveldt heette was het geheim van het Bevolkingsregister. Verbaliserende politieagenten én hijzelf schreven zijn achternaam meestal als ‘Rietveld’. En de meeste buurtgenoten in de Jordaan kenden hem al rond 1900 alleen bij zijn eervolle bijnaam, of als ‘Oome Dirk’.
Zij wisten niet beter of hij was een Amsterdammer, maar Dirk werd op 15 augustus 1858 geboren in Vlissingen. “Als ik het wel heb, moet ik nog van Michiel de Ruyter afstammen.” Al liet hij zich in augustus 1937 maar alvast huldigen als 80-jarige, was zijn geboortedatum volgens de Burgerlijke Stand toch echt 15 augustus 1858. Zijn vader was schipper en toen Dirk tien jaar was, werd die overgeplaatst naar Amsterdam. Daar trouwde hij in 1881 met Alida Niesink. Met haar woonde hij in de Elandsstraat, de Laurierstraat, op de Bilderdijkkade, in de Konijnenstraat, weer de Elandsstraat en ten slotte een pension in de Valeriusstraat. Werk vond hij in de pakhuizen aan de Prinsengracht, de Herengracht en de Lauriergracht. Nu eens was hij zoutdrager, dan weer graansjouwer of expeditieknecht bij een houtfirma. Ook was hij ‘bruggentrekker’, wat inhield dat hij zwaarbeladen karren de brug over hielp. Hij werkte eigenlijk altijd op straat, “hetzij met lasten op zijn schouder, hetzij met vrachten op zijn kar”. Zo kwam het ook dat hij vaak in de buurt was als er iemand te water raakte. “Je denkt er niet bij na, hè? Waarachtig, dat redden wordt een gewoonte. Zooals een ander een vlieg van z’n neus slaat, zoo spring ik te water. Floep, d’r in!”
Geheel onomstreden was het aantal van 74 reddingen trouwens niet; het is afkomstig van Dirk zelf. In 1913 schreef een politieman in zijn rapport: “Hij redde, naar hij in 1911 verklaarde, toen den 66sten drenkeling, hetgeen niet gecontroleerd is kunnen worden; hijzelf kon niet de nodige aanwijzingen geven.” In een interview met het Algemeen Handelsblad gaf Dirk dat ruiterlijk toe. “Jaa, zoo nu en dan ontmoet ik nog wel eens lui, die mij dan vertellen dat ze aan mij het leven te danken hebben. Het spreekt vanzelf dat ik ze niet ken. Aantekening heb ik er niet van gehouden.” Feit is dat tussen 1895 en 1925 slechts tien reddingen door Dirk de Waterduiker officieel door de politie werden gedocumenteerd.

Levensgevaar
Eén van de tien geredde drenkelingen die in de rapporten staat genoteerd was de veertienjarige Neeltje Koopman, die op 22 mei 1910 met haar fiets de Keizersgracht in reed. Neeltje was volgens het politierapport “al zinkende”, toen Dirk “gekleed te water sprong, haar zwemmende wist te bereiken en haar vervolgens naar de walkant bracht”. Het rapport wist verder te vermelden dat “de drenkelinge daarbij de beide handen van de redder heeft vastgegrepen, waardoor de redder zijn eigen leven in gevaar is geweest”. Daarmee is nog niet het hele verhaal verteld, blijkt uit de verklaring van Dirk: “Ik haalde het kind eerst boven water, bracht haar naar het posthuis op de Westermarkt en ging toen terug om de fiets op te duiken. Die heb ik toen naar de familie gebracht waar ze logeerde. Ik moest nog soebatten om wat voor het bezorgen van de fiets te krijgen; ze hadden d’r toch niet om gevraagd, zeiden ze…”
Een redding die Dirk bijna fataal werd, was die van Petrus Hermans op 11 juni 1920. De stomdronken Hermans liep ’s middags om twee uur pardoes de Prinsengracht in. Dirk, die vlakbij met een aantal mannen stond te praten, bedacht zich geen moment en sprong “geheel gekleed” het water in. Al gauw had hij de drenkeling te pakken en zwom met hem naar de waterkant. Halverwege echter greep Hermans Dirk plotseling bij de keel. Na een worsteling lukte het Dirk zich los te maken en toch nog met de drenkeling de wal te bereiken. De mannen belandden ongedeerd op het droge, zij het dat Dirks “hemd en sporthemd zoo danig defect waren geraakt”, dat hij ze niet meer kon dragen. Schade: ƒ 10.
Verkeerden er dieren in nood, dan schoot Dirk net zo makkelijk te hulp. “’k Heb een getuigschrift, dat ik met levensgevaar een kat uit een riool heb gehaald,” zo vertelde Dirk in 1931 aan Het Volk. “’k Ben er in gekropen tot ik haast geen lucht meer kon krijgen!” Dat zijn vrouw niet altijd even blij met dit soort acties was, bleek uit hetzelfde interview. “Je lijkt ook wel gek!” reageerde ze op de verhalen van haar man. “Vroeger was het toch zoo, dat-ie te water sprong als een kwajongen z’n pet in de gracht smeet!”

Voor een borrel de gracht over
Al werd Dirk de Waterduiker meer en meer een locale beroemdheid, de politie had regelmatig ook te maken met zijn minder memorabele momenten. Zo wordt in een politiedossier uit 1913 vermeld dat hij een alcoholicus was, die in de zes voorgaande jaren zeker twaalf keer was gearresteerd voor openbare dronkenschap. Een van de getuigen bij een redding in 1897 meldde zelfs dat “Dirk gaarne voor een borrel de gracht overzwemt en zulks ook doet”. In mei 1889 werd hij al veroordeeld tot een maand cel wegens “mishandeling van een politiebeambte” en in maart 1898 tot veertien dagen wegens diefstal van een vuilnisbak. In 1903 werd hij geverbaliseerd voor diefstal van zes bloemkolen, maar toen kwam het niet tot een veroordeling. Daarom stond hij, volgens een rapport uit 1910, “minder gunstig bekend”. Misschien is het ook wel geen toeval dat een opvallend groot deel van zijn reddingen plaatsvond voor het bierhuis Prinsengracht 274, hoek Elandsstraat, met de kroegbaas als getuige.
Hoewel Dirk zich graag tegen Jan en allemaal beklaagde dat hij nooit een beloning ontving voor zijn dappere werk, viel dat in de praktijk wel mee. Al in 1897 kreeg hij van rijkswege een bronzen en in 1912 een zilveren medaille voor ‘menslievend hulpbetoon’. Voor elke officieel geregistreerde redding kreeg hij ƒ 3 van de politieadministratie. Vaak kwam daar nog een kleine bijdrage bij van de familie van de geredde drenkeling. Opvallend genoeg bleek het redden van dieren het meest lucratief. Voor de kat die Dirk uit het riool haalde ontving hij van de dierenbescherming ƒ 15, toch zo’n drie weken huur. Ook zou hij nog zeker twee keer ƒ 15 innen voor het redden van een paar honden. Wat begonnen was als een mengeling van menslievendheid en dronkemansbravoure, werd steeds meer een aanvullende broodwinning, die hij onmiskenbaar hard nodig had, temeer omdat veel van zijn karige loon aan jenever opging. In 1914 vroeg hij onderscheiden te worden als ‘broeder in de orde van de Nederlandsche Leeuw’, de enige koninklijke onderscheiding die een jaaruitkering opleverde, maar met het oog op Rietveldts gedrag ging dat de adviserende hoofdcommissaris Roest van Limburg te ver.

Liesbreuk
Wonderbaarlijk genoeg heeft Dirk aan al die keren dat hij het vieze grachtenwater in dook amper iets overgehouden. De enige kwetsuur die hem door de jaren parten heeft gespeeld lijkt een liesbreuk te zijn geweest, al roepen de verhalen daarover wel de nodige vraagtekens op. De eerste keer dat melding werd gemaakt van een dergelijke klacht was in 1913. Tijdens de redding van de zevenjarige Johan Bedalle uit de Prinsengracht zou Dirk zijn uitgegleden en ongelukkig terechtgekomen zijn, met pijn in zijn lies tot gevolg. Bij behandeling in het Binnengasthuis werd een breuk geconstateerd, waarna hij gedwongen was een zogenaamde breukband te dragen. Ruim tien jaar later, in 1926, klaagde Dirk naar aanleiding van twee reddingen opnieuw over pijn in de lies. Wederom zou hij ongelukkig in het water terecht zijn gekomen, waarbij hij zich onder andere gestoten had aan een oud ijzeren ledikant dat op de bodem van de gracht lag. Ook deze keer werd een liesbreuk geconstateerd, nu door de gemeentearts, waarna Dirk opnieuw een breukband moest dragen. Twijfel over de aard van de blessure kwam aan het licht toen Dirk naar aanleiding van de laatste twee reddingen een verzoek voor een financiële compensatie indiende bij het Carnegie Heldenfonds. Het fonds vroeg hierop nadere inlichtingen bij de politie en kreeg het volgende antwoord: “Wat het hebben van eener breuk betreft, moet ik er op wijzen dat Rietveld reeds eerder een geldelijke uitkeering heeft verzocht, wijl hij bij een redding een breuk zou hebben gekregen. Een en ander staat uitvoerig vermeld in mijn brief van 3 januari 1914. Rietveld ontkent vroeger een breukband te hebben gedragen en zegt, dat de in de linkerlies voorkomende breuk zich eerst na 16 mei 1925 openbaarde. Van een vroegere behandeling in het gasthuis zegt hij zich niets te herinneren, hetgeen niet hoeft te verwonderen, aangezien hij toen onder den invloed van sterken drank was.”
Het weerhield hoofdcommissaris Marcusse er overigens niet van positief over de tegemoetkoming te adviseren. Door zijn liesbreuk kon Dirk steeds minder sjouwen, vrouw Rietveldt kon door toenemende blindheid haar snoepwinkeltje niet meer drijven, en bovendien had buurtonderzoek uitgewezen dat hij “geen misbraak van sterke drank” meer maakt en “zich tegenwoordig goed gedraagt”. Het Heldenfonds kende hem daarop een uitkering van ƒ 5 per week toe.
Zijn reputatie kon nu niet meer stuk, zoals wel blijkt uit de festiviteiten die de buurtvereniging in 1931 organiseerde voor zijn 50-jarig huwelijk. Zijn huis, Elandsstraat 21, werd overdadig met sparrengroen en papieren bloemen versierd. “De Elandsstraat en de omliggende straten stonden op stelten,” schreef een verslaggever van De Telegraaf, “toen het knapenkoor Klein maar Dapper met volle muziek naderde en even later ‘lang-zal-ie-leven’ speelde. De operetteclub zong het gouden echtpaar, dat onder een gouden erepoort zat, toe.” Een paar dagen later werd Dirk in het clubgebouw van speeltuinvereniging Ons Genoegen officieel gehuldigd. De feestelijkheden werden afgesloten met de komst van een draaiorgel, dat enkele uren speciaal voor het echtpaar speelde.
Als een nog steeds armlastig maar gerespecteerd burger overleed Dirk Rietveldt op 5 juni 1940, 83 jaar oud.






Het IJ ouder, de Linnaeusstraat jonger?
Onzekerheid over oudste geschiedenis Amstelland
Tekst: Peter-Paul de Baar

062007_OntstaansgsStroomde de Amstel oorspronkelijk echt naar het zuiden? Is de Linnaeusstraat wel de oudste straat van Amsterdam? En wanneer ontstond het IJ? Een aantal deskundigen op uiteenlopende vakgebieden boog zich over de theorieën van taalhistoricus en amateur-archeoloog Piet van Reenen, geventileerd in ons februarinummer.

Hoe zat het ook alweer? Piet van Reenen en zijn mede-onderzoeker Bart Ibelings, bezig aan een bijdrage voor het boek Diemen in het land van Amstel, vonden een kaart uit 1555, getekend door de koster van de Oude Kerk. Daarop was in het water van het Watergraafsmeer (later ingepolderd) een kerktorentje ingetekend. Dat wees erop dat hier ooit een kerkje stond, dus een dorp lag. Een andere kaart suggereerde bovendien dat er ooit een weg van zuid naar noord dwars door het meer liep. Conclusie: oorspronkelijk waren het twee meren, met daartussen een dorpje, het later zuidwaarts verplaatste Duivendrecht. Dit gehucht lag aan een lange doorgaande weg, waarvan de Ouderkerkerlaan, de Burgemeester Stramanweg, het Zwarte Laantje, de Rijksstraatweg in Duivendrecht en de Amsterdamse Linnaeusstraat nog restanten zijn.
De Linnaeusstraat (vroeger Oetewalerweg), merkte Van Reenen vervolgens op, lag precies evenwijdig aan het merkwaardig rechte stuk van de Amstel tussen Berlagebrug en Blauwbrug. Dat kon geen toeval zijn. Waarschijnlijk was dit deel van de Amstel gegraven, voor de afwatering van een ontginning, en was de Oetewalerweg een ‘achterdijk’ voor de lange sloten die de kavels scheidden.
Dat kanaal alias ‘watergraft’ (gracht) sloot in de Amstelbocht aan op het Watergraafsmeer: daarmee was volgens Van Reenen meteen de naam van dat meer verklaard. Het kanaal verbond bovendien twee delen van de huidige Amstel aan elkaar: de kronkelende hoofdstroom ten zuiden van de Omval en het stukje in de oude binnenstad dat we nu kennen als Rokin en Damrak. Dat waren twee afzonderlijke veenrivieren. De eerstgenoemde, door Van Reenen aangeduid als de Oude Amstel, mondde toen dus volgens hem niet uit in het IJ, maar – indirect – in de Vecht en de stroomrichting moet dus precies andersom zijn geweest dan nu. Het noordelijke riviertje liep volgens Van Reenen door tot in Waterland (het IJ was er tot 1170 nog niet, naar zijn idee). Die stroom, benoorden Amstelland bekend als de Waterlandse Die, mondde uit in het ‘Almere’, dat later Zuiderzee en uiteindelijk IJsselmeer zou gaan heten.
Ten slotte had Van Reenen ook zijn ideeën over de oorsprong van Diemen. De alleroudste bewoningssporen, van kort na 1030, zijn gevonden op de oostoever van de Diem (Overdiemen). Maar het huidige dorp ontstond uit een tweede nederzetting (Oud-Diemen) op de plek van het huidige Diemen-Noord, gesticht kort na 1070. Diemen-kenners hebben lang aangenomen dat de eerste Diemenaren hun gehucht van de oostoever van de Diem westwaarts hebben verplaatst, maar uit het wegenpatroon leidt Van Reenen af dat Oud-Diemen vanuit Ouderkerk, dus vanuit het zuiden is gekoloniseerd en Overdiemen een halve eeuw eerder uit de richting van Muiden, dus vanuit het oosten.

Verdronken Duivendrecht
We legden Van Reenens stellingen voor aan een handvol deskundigen. Allereerst drie universitaire kenners van de middeleeuwse geschiedenis, vooral van de geschreven bronnen: prof. dr. Peter Henderikx en dr. Kees Verkerk (beiden inmiddels gepensioneerd aan de Universiteit van Amsterdam) alsmede dr. Petra van Dam, werkzaam aan de Vrije Universiteit. Daarnaast drie historisch-geografen: prof. dr. Guus Borger (Universiteit van Amsterdam), prof. dr. Jelle Vervloet (Landbouwuniversiteit Wageningen) en drs. Chris de Bont die onder de hoede van Vervloet zowaar een heel proefschrift voorbereidt over de bodemgeschiedenis van Amstelland. Voorts natuurlijk onze stadsarcheoloog dr. Jerzy Gawronski en ten slotte historicus en Diemen-kenner drs. Jaap Haag.
Prof. Peter Henderikx, emeritus hoogleraar archivistiek en goed thuis in de middeleeuwse waterhuishouding, noemt de vondst van die kaart van de koster van de Oude Kerk met het verdronken kerkje van het oudste Duivendrecht “werkelijk schitterend”. Van Reenens daarop gebaseerde stelling dat het oudste Duivendrecht door het uitdijende Watergraafsmeer is verzwolgen en dat toen ook de verbinding tussen de huidige Linnaeusstraat (vroeger Oetewalerweg) en de Rijksstraatweg werd verbroken, wordt eigenlijk door iedereen overtuigend gevonden. Met de kanttekening dat de gedachte niet nieuw is: wijlen Jaap Kruizinga, Ons Amsterdam-medewerker van het eerste uur, beweerde dat al rond 1975, al had hij toen weinig argumenten.

Stichting van Diemen
Over de ouderdom van de twee opeenvolgende Diemense nederzettingen is evenmin veel discussie – al moet je met archeologische dateringen altijd uitkijken, knort Kees Verkerk. Dat geldt wél voor Van Reenens stelling dat Oud-Diemen vanuit Ouderkerk is gesticht en dus niet vanuit het nabije Overdiemen. Historicus Jaap Haag, oud-voorzitter van de Historische Vereniging Diemen, betwijfelt dit. Uit schriftelijk bronnen blijkt namelijk dat niet veel later het kerkje van Oud-Diemen werd beschouwd als dependance van de kerk van Muiden. Is het dan niet aannemelijk dat dit dorp, net als de oudere nederzetting in Overdiemen, door kolonisten uit Muiden is gesticht? Van Reenen raakt er niet door van zijn stuk: wie bewijst dat Oud-Diemen kerkrechtelijk niet eerst bij Ouderkerk heeft gehoord?
Historisch-geograaf Guus Borger trekt intussen de veronderstelde ouderdom van de Linnaeusstraat in twijfel. Want is die straat van oorsprong wel de achterdijk van de ontginningssloten die haaks op dat kanaal uit omstreeks 1070 werden gegraven, en is de straat dus even oud als het gegraven Amsteldeel? Borger valt het allereerst op dat het verkavelingspatroon tussen dat stuk Amstel en de straat/dijk veel regelmatiger is dan ten zuiden van de Omval. Hij vermoedt dat de verkaveling tussen Ouderkerk en de Omval nog zonder strakke leiding tot stand kwam, en dat de perceelsgrenzen (sloten) haaks op de latere straat ‘moderner’ en dus jonger zijn. Een extra aanwijzing daarvoor is dat de sloten ten oosten van de toenmalige Oetewalerweg op de oudste bewaard gebleven kadasterkaart recht in het verlengde liggen van de sloten aan de westkant. Volgens Borger waren ze oorspronkelijk één geheel en is de weg van Oud-Duivendrecht naar Oetewaal dwars door dit slotenpatroon heen aangelegd: niet in het kader van de ontginning, maar pas later.

Gegraven Amstel?
Maar het meest geanimeerd is het debat over het oudste rivierenpatroon in deze regio. “Dat er iets met de Amstel aan de hand is, lijkt mij duidelijk,” stelt historisch-geograaf prof. Jelle Vervloet. “Alleen over hoe de ontwikkeling precies is verlopen, lopen de meningen uiteen.” Allereerst: is het kaarsrechte stuk Amstel tussen de Omval (Berlagebrug) en het Waterlooplein (Blauwbrug) inderdaad een gegraven verbinding tussen twee natuurlijke wateren? Vervloet heeft daar zelf met John Mulder in 1983 al een onderzoeksrapport over geschreven; hij verbaast zich erover dat Van Reenen daar niet op ingaat. Jazeker, dat stuk Amstel is nu kaarsrecht, erkenden toen Vervloet en Mulder, als reactie op bodemkundige prof. Leen Pons die in 1974 als eerste met de kanaaltheorie aankwam. Maar uit oude kaarten en archiefstukken blijkt dat pas rond 1660, bij de aanleg van de grachtengordel, de oeverlijn zo recht geworden is… Dus misschien was het toch een natuurlijke stroom, al is ook dát niet te bewijzen. Verkerk gelooft in ieder geval niet in de kanaaltheorie: “Een dergelijk werk kan ik me in de 11de eeuw niet voorstellen.”
Chris de Bont echter lijkt wel te willen aannemen dat het om een gegraven water gaat, maar hij verbaast zich er dan weer over dat Van Reenen en eerder Pons zich nauwelijks afvroegen waaróm dat kanaal dan gegraven werd. Iets met afwatering, ja, maar hoezo? Hijzelf denkt door bestudering van de landschapsgeschiedenis van de 8ste tot 13de eeuw het antwoord wel te weten, maar verklapt het nog niet voordat zijn proefschrift begin volgend jaar verschijnt.
Ook stadsarcheoloog Jerzy Gawronski houdt ons in spanning. “Misschien vinden we aanwijzingen voor het al dan niet natuurlijke karakter van dit deel van de Amstel, als we volgend jaar kunnen gaan graven onder het dan te bouwen metrostation Rokin. Tot die tijd is er eigenlijk, althans vanuit archeologisch gezichtspunt, geen zinnig woord over te zeggen. Alleen de ouderdom van Diemen staat voor mij wel vast. Voor de rest berust dat hele verhaal van Van Reenen puur op speculatie. Er kan best iets van waar zijn, maar enig bewijs is er niet.”

Ouderdom van het IJ
Bewijsbaar of niet, de andere experts laten zich er niet van weerhouden hun eigen vermoedens te uiten. Bijvoorbeeld over het vraagstuk van de stroomrichting van de Amstel en, daarmee verbonden, de ouderdom van het IJ. Volgens Van Reenen ging de zuidelijke Amstel (via het vermeende ‘kanaal’ en het daarop aansluitende Rokin/Damrak) pas noordwaarts naar het IJ stromen ná 1170, omdat die brede zijarm van het Almere pas in dat jaar door grote stormvloeden ontstond. Kees Verkerk gelooft er niks van: “Bij die stormen in 1170 is het IJ ongetwijfeld sterk verbreed, maar dat het er eerder niet was, kan ik me niet voorstellen.” Peter Henderikx: “Het Spaarne en de Zaan worden al genoemd in de 11de eeuw. Waarom zou dan ook het IJ er niet geweest kunnen zijn?” Petra van Dam van de VU, gepromoveerd op het ontstaan van het Haarlemmermeer, valt hen bij. “Ik denk niet dat het IJ ontstaan is door één stormvloed, net zomin als het Haarlemmermeer en de Zuiderzee door stormvloeden zijn ontstaan. Oeverafbraak is een geleidelijk proces geweest in dit kwetsbare veengebied. Vooral door bodemdaling als gevolg van drainage verzwakten de oevers. Bij iedere stormvloed zal het wateroppervlak groter geworden zijn.”
Jelle Vervloet en Guus Borger komen weer met heel andere ideeën over ligging en stroomrichting van de veenriviertjes die later samen de Amstel gingen vormen. Volgens Vervloet boog de ‘Oude’ Amstel, stromend vanuit het zuiden, oorspronkelijk bij de Omval noordoostwaarts af, via het latere Watergraafsmeer dat toen nog veel smaller was. Via een voorloper van het Nieuwe Diep mondde deze oer-Amstel dan uit in het Almere.
En dan die andere oer-Amstel, het noordelijke stuk oftewel de monding van de huidige rivier. Dat Rokin en Damrak (toen nog niet verbonden met het zuidelijke stuk Amstel) overgingen in de Waterlandse Die, wil er bij Guus Borger niet in. Van Reenen stelt dat die hele stroom opwelde in een veenkussen in de buurt van het huidige Waterlooplein en dan noordwaarts de nog droge latere bedding van het IJ kruiste, om vervolgens dwars door Waterland stromend ergens bij het huidige Ransdorp in het Almere uit te monden. Maar als het verbinden van de twee veenriviertjes tot één Amstel tot doel had Amstelland beter af te wateren, waarom bedacht de toenmalige landheer, de bisschop van Utrecht, dan een kanaal vanaf de Oude Amstel naar zo’n ellenlange veenrivier? Borger: “Het is twijfelachtig of een afwatering via Waterland de venen rond de Omval veel voordeel opgeleverd zal hebben.” Hij denkt daarom eerder dat Rokin en Damrak geen eenheid vormden met dat Waterlandse riviertje, maar meer noordwestwaarts liepen en daar direct uitmondden in het rond 1100 al vrij grote IJ, dat mogelijk toen al in verbinding stond met de Noordzee. Dat was een veel kortere afwateringsroute!
En tja, ook dat is best mogelijk, geeft Van Reenen desgevraagd ruiterlijk toe. Hopelijk bieden het proefschrift van De Bont en de opgravingen onder de Noord-Zuidlijn volgend jaar al wat meer houvast.







De eeuw van de puzzelrages
Van brave Oranje-puzzels tot Pleasure puzzles for men
Tekst: Geert Bekkering

062007_PuzzelsLegpuzzels waren als hobby eerst voorbehouden aan de elite, want de handgezaagde houten legkaarten waren duur. Pas in de 20ste eeuw, met de triplex en kartonnen puzzels, kwam de democratisering van dit tijdverdrijf. Puzzelen werd een ware rage. Welke rol speelden Amsterdamse firma’s toen bij het zagen en stansen van puzzels?

In de eerste fase van het maken van legpuzzels, vanaf 1760, hadden Amsterdamse kaartenmakers een groot aandeel, zoals we in het oktobernummer van 2006 beschreven in een artikel over de ontstaansgeschiedenis van de legpuzzel. Het waren hun landkaarten die werden verzaagd, als hulpmiddel voor kinderen bij het leren van aardrijkskunde. Later kwamen daar prenten met allerlei afbeeldingen bij. In de 19de eeuw kende Amsterdam veel verkoopplaatsen van puzzels en veel lokale producenten. Maar de tijd van de grote oplages moest toen nog komen.
In het najaar van 1908 brandde in Amerika een puzzelrage los. In de salons en bij teaparty’s van de hogere kringen stortte het hele gezelschap zich op kleine legpuzzeltjes. Iedereen maakte dezelfde puzzel en wie het eerste klaar was, had gewonnen. Algauw verbreedde de bevlieging zich naar meer soorten puzzels. Triplex kwam in de handel, zodat het mogelijk werd ingewikkelder puzzels te zagen; dun massief hout was daar te breekbaar voor. In deze tijd werd bij puzzels meestal geen afbeelding meegeleverd en soms droegen ze zelfs een misleidende naam. Ingeblikt bleek dan een ridder in harnas te zijn.
De rage kwam rond 1910 naar Europa. Parijse salons adverteerden met “wekelijks nieuwe legpuzzels”. De Eerste Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan deze puzzelgolf in Duitsland en Frankrijk, maar in het neutrale Nederland puzzelde men rustig door, vooral in de grote steden. Alle puzzels uit deze periode waren handgezaagd en dus duur. Liefhebbers met een smallere beurs konden terecht bij de diverse uitleencentrales die ontstonden. Zo gaf de Amsterdamsche Legkaarten Centrale abonnementen uit voor ƒ 3 per halfjaar: iedere maand een nieuwe puzzel in bruikleen, die binnen Amsterdam gratis werd bezorgd en omgeruild. De laatste puzzelcentrale heeft het overigens nog tot 2000 uitgehouden.

Reclamepuzzels
Toen de puzzelrage goed op gang gekomen was, ontdekten ondernemers de mogelijkheden voor reclamedoeleinden. In 1913 gaf Heineken’s Glazenwasscherij, gevestigd in de Van der Helststraat, een geestig reclamepuzzeltje uit waarop het toen net geopende Haagse Vredespaleis stond afgebeeld met een wel erg hoge ladder ertegenaan. Tussen 1908 en 1916 zijn door Koekfabriek De Nederlander van B.J. Lindeboom & Zoon in Amsterdam een drietal dozen uitgegeven met ieder zes puzzels. Iedere puzzel bestond uit 24 koekplaatjes. Het was de tijd dat de Verkade-albums erg populair waren en meerdere firma’s probeerden daarop in te haken. Tot die tijd werden de meeste kruidenierswaren merkloos verkocht en pas in de winkel afgemeten en verpakt. Door het laten verzamelen van plaatjes voor puzzels en verzamelalbums bouwden de fabrikanten merkentrouw op.
Uitgeverij Gebr. Koster in de Korte Korsjespoortsteeg (later verhuisd naar Naarden) werkte samen met de illustrator Daan Hoeksema. Zijn grappige tekeningen vielen goed bij de jeugd. Koster heeft ze tot prentenboeken, kleurboeken, bouwplaten en legpuzzels verwerkt. Vaak moest de jeugd eerst zelfwerkzaam worden en zelf de stukjes uit een vel dun karton snijden, voor het puzzelspel kon beginnen. Door die knutselkwaliteit zijn maar weinig producten bewaard gebleven.
Van 1910 tot 1940 waren er bij Perry in Amsterdam puzzels te koop onder de naam Perry’s pastime picture puzzles. Het waren triplex puzzels, gezaagd volgens een heel herkenbaar systeem. Perry was voor de oorlog een warenhuis en ontwikkelde zich pas na 1945 tot winkel in sportartikelen. Perry bracht ook de Chante clair puzzles uit, waarin een dier in silhouet gezaagd was uit blank triplex. Bij dit soort puzzels geeft alleen de houtnerf een aanwijzing en ontbreken vaak stukjes met rechte kanten. Omdat er geen opgeplakte afbeelding is, kan men niet meteen zien wat de voor- en achterzijde van stukjes is. Zo doet een goede puzzelaar over een puzzel van 100 stukjes algauw een uur.

Kaartende hondjes
In 1931 en 1932 kende Amerika – alweer gidsland in dit opzicht – een rage in kartonnen puzzels. De bevlieging stopte vrij plotseling, waarna de soms grote voorraden hun weg vonden naar Europa. Daardoor kwamen er Jig of the week puzzels in de handel, series waar iedere week een nieuwe puzzel van 400 kartonnen stukjes van uitkwam. Ze sloegen algauw aan, misschien ook doordat er een tijd op vermeld stond waarbinnen je de puzzel moest kunnen maken.
De periode vlak voor en in de oorlog was – vreemd of niet – een goede tijd voor puzzelproducenten. Onder de naam Ons land in mobilisatietijd gaf het Amsterdamse reclamebureau Philips Reclamehandel een serie van minstens 24 puzzels uit, door Marten Toonder ontworpen. De geestige puzzels met afbeeldingen van militairen werden in een envelop geleverd en konden de opdruk van winkeliers of winkelketens hebben. De winkeliers kochten de puzzels in grote hoeveelheden in met een eigen opdruk. Ze gaven ze meestal met een spaarsysteem aan de klanten. Van de opbrengst van de puzzels ging 2% naar de ontspanning van ‘onze jongens’.
Rond de oorlog produceerde de Nederlandsche Legpuzzle Industrie in de Bilderdijkstraat de Nationaal puzzle of Kampioen puzzle. Zelfs in de oorlog gaf deze uitgever een Juliana puzzel uit met een afbeelding van het huwelijk in 1936. Het oranje doosje was voorzien van de opdruk ‘Optimist’.
Drukkerij Presisto in de Laurierstraat drukte al heel lang een plaat met zeven kaartende hondjes. Hij hing in veel bruine kroegen aan de muur. De prent was rond 1900 getekend door de Amerikaan A. Coolidge, maar hij kreeg in de oorlog een bijzondere betekenis. Men verzon er van alles bij. De buldog met sigaar in de mond deed natuurlijk aan Churchill denken, dan moest die hond met de drie azen in zijn poot wel Roosevelt zijn en de hond die de zware pijp rookte en geen fiches meer had, was Hitler. Een Oranje-zonnetje scheen boven de winnaars. Er kwamen gedichten op rijm en de plaat werd zeer populair. Presisto verkocht er heel wat puzzels van. Een deel van de opbrengst ging naar onderduikers. Lang is gedacht dat de productie van deze puzzels illegaal was, maar Presisto drukte er gewoon haar kenmerk (K-nummer) op. Er verscheen zelfs in het blad van de NSB een artikeltje over Nederlanders die door het dragen van een lucifer in hun knoopsgat of het maken van een puzzel de oorlog dachten te winnen, terwijl zij hun leven gaven aan het Oostfront.

Diabolo en Jumbo
Vlak na de oorlog was er een explosie van nieuwe puzzelseries. Zo gaf Variété rond 1945 de Pictura legpuzzle uit, waarop volgens het doosje de “meesterwerken der Hollandse schilderkunst, in de prachtige originele kleuren” waren afgedrukt. Vergeleken met het drukwerk van nu waren het echter bedroevend grauwe en vage afbeeldingen. Men werd zo kort na de oorlog bepaald niet verwend met goed kleurendrukwerk. Geen wonder dat de uit Engeland geïmporteerde kleurige puzzels van Tower Press zo goed verkochten.
Het radioprogramma Het klokje van zeven uur was rond 1950 een groot succes. Kinderen mochten naar Henk de Wolf luisteren en dan… naar bed! Daarvan is door Variété een prachtige puzzel uitgebracht, De reuzen Belfloor en Bonnevu in het land van koning Kaskoeskilewan. Op de doos stond een kleuterverhaaltje, geschreven in 1941 door A.D. Hildebrand, maar de 225 kleine puzzelstukjes waren voor kleuters beslist te veel. De plaat voor deze puzzel komt uit de studio’s van Joop Geesink.
Hausemann & Hötte, tot 1940 een Amsterdams warenhuis waar veel speelgoed werd verkocht, ging na de Duitse inval noodgedwongen meer producten uit eigen land betrekken. Zo was er een particulier die in een schuurtje in zijn achtertuin puzzels zaagde uit dik strokarton. Die werden door H&H verkocht onder het merk Jumbo. Ook kartonnen gestanste puzzels werden onder dat merk in de handel gebracht. Direct na de oorlog kwam het bedrijf met een serie Oranje puzzles met foto’s van de koninklijke familie die uit Canada terugkwam. In 1949 nam men de kartonnagefabriek Best Ever NV uit de Zwanenburgstraat over. Daar werden puzzels onder het merk NSF gemaakt (Nederlandse Spellen Fabriek). H&H produceerde daar eerst onder het merk Diabolo puzzels en spellen. Toen men de kwaliteit goed had, werd het merk Jumbo langzamerhand uitgebouwd. Daarmee werd de goedkope Engelse import die snel na de oorlog onder de merken Tower Press en Philmar te koop was, uit de markt gedrukt.

Naakte Phil Bloom
In 1954 gaf de Volkskrant samen met het Katholiek Vizier een Pastei puzzle uit. Een pastei is gevallen zetsel, wat weer doet denken aan puzzelstukjes. Wie een abonnement nam, kreeg de puzzel gratis. Op de dubbelzijdige puzzel staat een krantenpagina waarop auto’s, een televisie, het Deltaplan en de economie een duidelijk tijdsbeeld geven. De puzzel is gemaakt door het Amsterdamse bedrijf Mopawa. Tien jaar later gaf de Volkskrant een puzzel uit in een koker, waarop in een tekening van Eugène Winter een man zijn toast bij het ontbijt laat verbranden omdat de Volkskrant zo boeiend is.
Deze laatste puzzel geeft duidelijk aan dat vanaf de jaren zestig Nederlandse volwassenen weer massaal gingen puzzelen. Ook Amerika kende die trend. De Duitse firma Ravensburger speelde daar rond 1965 op in en liet zijn eerste puzzels bij Jumbo maken. Daarna ging het hard. Er brak een ware rage uit met puzzels voor volwassenen, waarbij de firma’s streden om het record van de grootste puzzels en de meeste stukjes. Jumbo en Ravensburger boden op tegen MB en vele andere firma’s die op de hype inhaakten. In deze sfeer konden er ook veel bijzondere puzzels geproduceerd worden waarmee de bedrijven zich onderscheidden, want de landschapjes en de ‘oude meesters’ vonden toch wel massaal aftrek waarmee ieder bedrijf een kurk had waarop het dreef. Geometrische puzzels werden nu uitgeprobeerd, cartoons, soft-porno, fantasy en driedimensionale exemplaren. De puzzels die Jumbo uitgeeft met cartoons van Jan van Haasteren zijn nog steeds een groot succes.
In 1967 verscheen Phil Bloom als eerste vrouw naakt op de vaderlandse tv in het VPRO-programma Hoepla. Ze werd daarmee een levend icoon van progressief Nederland. Geen wonder dat Fun Publications in Beverwijk haar bij het Lieverdje fotografeerde en als Pleasure puzzle for men uitgaf. In dezelfde tijd werden in Amsterdam door Cleo-puzzles op de Lijnbaansgracht Porno puzzels uitgegeven, die we anno 2007 beslist ‘soft’ zouden noemen. Voor de kopers van dit soort puzzels in de jaren zeventig was het echter duidelijk dat Amsterdam wel heel erg vrijgevochten was.
In 1969 maakte Paul Huf bij het 25-jarig bestaan van De Bezige Bij een foto van 162 schrijvers en dichters van wie werk gepubliceerd was door deze uitgever. Hiervan werd een grote Super lees-legpuzzel gemaakt. Achterop de puzzel van 999 stukjes stond een keuze uit het werk van de auteurs. Hoewel hun namen op de rand zijn gedrukt, is een doorzichtig vel met genummerde hoofden meegeleverd.
Ook in de 21ste eeuw worden geweldig fraaie en uitdagende puzzels gemaakt in Amsterdam. Hans van Marle houdt in zijn legpuzzelkabinet De Zaag op Tweede van der Helststraat 75 de traditie levend. U kunt daar een groot aantal zeer creatief gezaagde puzzels vinden of er een puzzel van eigen foto of ontwerp laten zagen.







‘Een gentleman met een roode broek’
P.L. Tak, hervormer van de gemeentepolitiek
Tekst: Niels Wisman

062007_TakBehalve als de man naar wie een van de mooiste straten van Amsterdam is genoemd, staat Pieter Lodewijk Tak vooral bekend als de grondlegger van de socialistische gemeentepolitiek. 100 jaar geleden – op 24 augustus 1907 – overleed deze begaafde journalist en politicus, die onder zijn vrienden ook bekendstond als groot bierkenner.

De statige Pieter Lodewijk Takstraat is met zijn glooiende gevelwanden één van de pronkjuwelen van de woningbouw in de stijl van de Amsterdamse School. Op de hoek met de Burgemeester Tellegenstraat vinden we in de gevel een gedenkteken voor P.L. Tak. Het werd op 29 maart 1924 onthuld door F.M. Wibaut, de socialistische wethouder die toen al zo’n tien jaar zijn stempel drukte op het bestuur van de stad. In zijn toespraak herdacht hij zijn overleden vriend als de man die het voorwerk had verricht voor wat de socialisten nadien voor Amsterdam en zijn bewoners tot stand hadden gebracht. De indrukwekkende volkswoningbouw in en rond de P.L. Takstraat onderstreept tot op de dag van vandaag wat Wibaut bedoelde.
“Hij heeft mij doen beseffen hoeveel een gemeentebestuur kan doen voor de belangen van de plaatselijke bevolking, waarbij het zoveel dichter staat dan de regering.” Dat schreef voormalig premier Willem Drees in 1973 in een ‘Woord vooraf’ op de biografie Pieter Lodewijk Tak (1848-1907). Journalist en politicus van Gilles W.B. Borrie (een herziene druk verscheen in 2006). Drees maakte de eerbiedwaardige Tak als jong stenografisch medewerker op gepaste afstand mee in de Amsterdamse gemeenteraad. Als we ons verplaatsen naar het Amsterdam van rond 1900, zijn de lovende woorden van Drees goed te begrijpen. De nood en bestaansonzekerheid van een groot deel van de bevolking was onvoorstelbaar en het sprak helemaal niet vanzelf dat het een taak voor het gemeentebestuur was om daar iets aan te doen. Het waren progressieve liberalen (‘radicalen’) en socialisten die daar wél voor pleitten en in die kringen bewoog zich Pieter Lodewijk Tak.
“Tak is een gentleman, al draagt hij een roode broek,” schreef zijn goede vriend de schrijver en kunstschilder Jan Veth in het voorjaar van 1895 aan een kennis en dat was een rake typering. Geboren in een deftige familie in Middelburg, studeerde hij enige tijd rechten in Leiden en belandde in 1883 als liberaal journalist in Amsterdam. Hij ging wonen op het Damrak en vestigde zich later op de Weesperzijde. Afgezien van een onderbreking van drie jaar in Bussum, woonde Tak de rest van zijn leven in Amsterdam.
Zijn Amsterdamse carrière begon hij bij het radicale dagblad De Amsterdammer, dat juist was opgericht door J. de Koo. Hij mengde zich voorzichtig in de plaatselijke politiek en genoot met volle teugen van het bruisende caféleven. Tak was één van de gangmakers van de befaamde Breëero-club die bijeenkwam in wisselende bierlokalen rond de Dam en onder haar leden befaamde Amsterdammers telde als de letterkundige Lodewijk van Deyssel, de dichter Albert Verwey en radicaal politicus Willem Treub. Laatstgenoemde schreef in zijn herinneringen over zijn clubgenoten: “Er waren (…) een paar bierkenners onder, Piet Tak onder andere, die ongeveer met de regelmatigheid van het instinct van een trekvogel, telkens na een zeker aantal maanden tot de ontdekking kwamen, dat het bier in een andere kneip lekkerder was en dat er dus moest worden verhuisd.”
In 1890 trad Tak toe tot de redactie van het toonaangevende tijdschrift van de Tachtigers De Nieuwe Gids. Bovendien ging hij vanaf de oprichting in 1893 schrijven voor het – toen als progressief bekendstaande - dagblad De Telegraaf en sinds 1895 was hij hoofdredacteur van zijn eigen en veelgeprezen weekblad De Kroniek. Tak was in zijn ruime vriendenkring én bij de bladen waar hij werkte meestal een bindende figuur. Hij discussieerde en schreef veel: over kunst en cultuur en over de meest uiteenlopende onderwerpen op het gebied van binnen- en buitenlandse politiek. Intussen ontwikkelde hij ook een speciale belangstelling en deskundigheid op het gebied van de gemeentepolitiek.
Vermaard werden de verslagen van de zittingen van de Amsterdamse gemeenteraad die Tak tien jaar lang wekelijks schreef voor De Telegraaf. Van de gemeentelijke exploitatie van nutsbedrijven en de beloning van gemeente-werklieden tot de dreigende aantasting van Amsterdams stedeschoon en het verontrustend oprukken van rijwiel en automobiel: P.L. Tak liet er zijn licht over schijnen en zijn stukken werden gretig gelezen. Steeds meer rijpte bij hem de overtuiging dat de moderne gemeente - anders dan de heersende behoudend-liberale doctrine voorschreef - door actief ingrijpen een einde moest proberen te maken aan allerlei misstanden, met name aan de erbarmelijke leefomstandigheden van veel Amsterdammers.

‘Spitten en zaaien’
Van huis uit was Tak liberaal en gedurende korte tijd was hij ook lid van de radicale kiesvereniging ‘Amsterdam’, maar langzaam maar zeker ontwikkelde hij zich tot socialist. Pas in 1899 – hij was inmiddels de 50 gepasseerd - werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Tijdens zijn actieve jaren in de socialistische politiek vervulde hij talloze functies. Zo trad hij in 1903 aan als hoofdredacteur van het socialistische dagblad Het Volk. In 1904 werd hij zowel raadslid in Amsterdam als afgevaardigde voor de partij in de Provinciale Staten van Noord-Holland en in 1905 volgde het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Volgens biograaf Borrie was Tak in de jaren rond 1900 na Pieter Jelles Troelstra de belangrijkste man in de partij. Ondanks de bindende rol van Tak in de partij, raakten de twee mannen overigens ook gebrouilleerd.
“Er is in de gemeente veel rustig en gestadig werk te doen maar voorlopig geen werk dat zal verrassen door nieuwheid,” stelde Tak in 1899 in het theoretisch socialistisch maandblad De Nieuwe Tijd. “Socialistische raadsleden van dezen tijd zullen zich moeten vergenoegen met het stille werk van spitten en zaaien.” Zelf had hij zich toen al in de discussie gestort over de vraag hoe raadsleden van de SDAP zich in de gemeenten moesten opstellen. Vanaf 1901 was hij de drijvende kracht achter de Vereeniging van Sociaal-Democratische Raadsleden.
Juist op gemeentelijk niveau leek de jonge SDAP in deze beginjaren iets tot stand te kunnen brengen en het debat over de vraag hoe dat precies moest was urgent. Tak kon met kennis van zaken aangeven hoe de gemeenteraad niet alleen gebruikt kon worden als forum voor propaganda voor het socialisme maar ook als de plaats waar concrete hervormingen en verbeteringen voor de arbeiders gerealiseerd konden worden. Gemeente-werklieden zouden op voorstel van de SDAP bijvoorbeeld een betere beloning kunnen krijgen en winsten van gemeentebedrijven zouden zolang andere middelen ontbraken kunnen worden aangewend voor betaalbare volkshuisvesting. Om de gemeente effectief voor zulke doeleinden te gebruiken moest je weten waar de mogelijkheden en bevoegdheden lagen. Tak wees de weg en stond ieder nieuw SDAP-raadslid zo nodig terzijde met advies op maat.
Zo was Tak het inspirerend voorbeeld voor de eerste generaties SDAP-raadsleden en legde hij de grondslag voor het vaak succesvolle optreden van de partij in Amsterdam en andere grote gemeenten in de jaren twintig en dertig. “Dankzij Tak, wiens verschijning in SDAP-kring iets weg had van een gracieuze zwaan temidden van rumoerige eendjes, koos de SDAP in de gemeenten direct voor constructieve arbeid zonder veel revolutionaire bombast,” schreef parlementair historicus P.F. Maas in 1985 in zijn Sociaal-Democratische Gemeentepolitiek 1894-1929.
De sporen van zijn socialistische gemeentepolitiek – later uitgebouwd door Wibaut - zijn op veel plaatsen in de stad nog terug te vinden in de vorm van degelijke en esthetisch verantwoorde volkswoningbouw. De invloed van Amsterdamse SDAP-wethouders als Wibaut en De Miranda tijdens het Interbellum had bovendien uitstraling naar andere grote steden. Hun ‘wethouders-socialisme’ was uiteindelijk ook de leerschool voor de regeringsverantwoordelijkheid die Nederlandse socialisten later gingen dragen. Het is in dit verband veelzeggend dat Willem Drees als de eerste socialistische minister-president ook wel ‘wethouder van Nederland’ is genoemd. Zoals we al zagen verklaarde zelfs Drees zich in zijn ‘Woord vooraf’ in Tak’s biografie schatplichtig aan diens voorbeeld: “Tak was een wijs man, in wien sociale bewogenheid, beginselvastheid en strijdvaardigheid gepaard gingen met evenwichtigheid, redelijkheid en werkelijkheidszin.”

Een onmaatschappelijke daad
Over het rijke sociale leven van Tak hebben tijdgenoten vooral opgetekend hoe dat zich tot vroeg in de ochtend afspeelde in nachtgelegenheden. Daar verkeerde hij met kunstschilders, dichters, schrijvers, vooruitstrevende politici en ander vrienden. “In die tijd was het sluitingsuur in Amsterdam voor de cafés om twee uur. Het werd later vervroegd tot één uur. Maar dat was voor Tak een onmaatschappelijke daad. Waar moest je om één uur naar toe?” De latere wethouder Wibaut herinnert zich in Levensbouw (1936) nog goed hoe hij in zijn jonge jaren vaak doorhaalde met de onvermoeibare Tak. “Geen minuut te vroeg, doch direct na het sluitingsuur begonnen de kellners stoelen op de tafels te zetten. Zeer begrijpelijk, ze wilden naar huis. Ik wilde dan opstaan, maar Tak zei: ‘Waarom heb je zo’n haast? Je hebt toch je stoel nog?’”
In het café ontstond met name ook het plan voor de oprichting van Taks eigen weekblad De Kroniek. Het verscheen van 1895 tot Taks overlijden in 1907 en was een toonaangevend forum voor de vooruitstrevende elite van Amsterdam in de jaren negentig van de 19de eeuw. Mede in verband met het sluitingsuur van de cafés werden de bijeenkomsten met journalisten en schrijvers vaak voortgezet bij Tak thuis op de Weesperzijde. Dan toonde de gastheer zich - afhankelijk van de leeftijd van de bezoeker - vaak ook een vaderlijk of broederlijk raadgever in persoonlijk zaken.
Op het blazoen van Pieter Lodewijk Tak rust één smet en dat is dat hij in 1904 als hoofdredacteur van Het Volk de jonge schrijver Jacob Israël de Haan ontsloeg als medewerker aan de jeugdrubriek van de krant na het verschijnen van diens roman Pijpelijntjes. De openlijke bespreking van homoseksualiteit in het boek kon voor Tak niet door de beugel en hoewel hij zich in de privésfeer verzoenend opstelde tegenover De Haan groeide het ontslag uit tot de ‘Pijpelijntjes-affaire’. De Haan verweet Tak dat hij hem om het (verkiezings)belang van de SDAP had laten vallen. In de jaren zeventig van de 20ste eeuw is wel gesuggereerd dat (verdrongen) homoseksualiteit van de levenslange vrijgezel Tak zelf hem in deze zaak extra voorzichtig heeft gemaakt.
“Men voelde in hem een man, die zichzelf in de hand had en men voelde ook, tenminste ik meende het te voelen, dat dit niet maar zoo van zelf gekomen was en hier wel degelijk iets te bedwingen was geweest, iets tegenstrevigs van temperament en lichamelijkheid, dat, al scheen ook de groote strijd lang gestreden, toch immer met krachtigen wil onderdrukt moest blijven.” Deze zinnen over Tak van vriend en schrijver Frans Coenen kunnen geïnterpreteerd worden als een verwijzing naar verdrongen homoseksualiteit en het feit dat zo weinig bekend is over het privéleven van deze sociaal zo vaardige celibatair heeft speculaties in de hand gewerkt. Verder dan gissingen is niemand gekomen, want concrete aanknopingspunten ontbreken.
Vanwege de ‘Pijpelijntjes-affaire’ hebben verontwaardigde Amsterdammers niet zo heel lang geleden nog wel geprobeerd de Pieter Lodewijk Takstraat te laten omdopen tot Jacob Israël de Haanstraat, maar daar is het gelukkig niet van gekomen. De auteur van Pijpelijntjes heeft trouwens inmiddels zijn eigen straat in de buurt. Op de hoek van de P.L. Takstraat en de Burgemeester Tellegenstraat is voor de doorzetter de tekst te ontcijferen die in stemmig rode baksteen ter herdenking aan Tak kunstig in de gevel is gemetseld: “Veelzijdig begaafd, alzijdig vertrouwd, diende hij de arbeidersbeweging lang voor hij in 1899 toetrad tot de SDAP. Sedert was hij onder haar voorsten. Die hem kenden herdenken hem als een harer besten.”

Delen: