Nummer 5: Mei 2018

 

CoverMei2018 145x205
Op de omslag: Mensen
zwaaien een cruiseschip
uit bij de voormalige
havenpiet Het Stenen
Hoofd, 17 mei 2007.

Inhoud:

- Het Stenen Hoofd

- De Gooische Moordenaar

- Bomenstad Amsterdam

- Rondje om de Amstelhoven

- Bloemengodin Agneta Block

En verder:

- Vaste route van Meester Bart

- Stem uit het verleden: Alida de Jong

- Amsterdamse Uitvindingen (2): de Spyker 60HP

 

Over een wankele plank naar de kade Inhoud-1-molina

Over tien jaar landt hier misschien een brug naar Noord. Nu is het zomers is het een vrolijk stadsstrandje aan het IJ, en 's winters weinig meer dan een plek om de hond uit te laten. Niets aan het Stenen Hoofd herinnert nog aan de woeste oorlogsbodems die hier aanmeerden. Geen spoor meer ook van de Holland-Amerika Lijn en de drukke goederenoverslag.

Langzaam naderde het escorte-vliegdekschip Hr. Ms. Karel Doorman het Stenen Hoofd, de pier bij de Westerdoksdijk. Op 18 februari 1947 keerde de oorlogsbodem terug na een verblijf van enkele maanden in de Indische wateren. "Honderden verdrongen zich aan het begin van het Steenen Hoofd toen de Doorman het IJ binnenvoer. Van de masten der schepen en van de daken wapperden de nationale driekleur", meldde een ooggetuige.
Onder de 450 bemanningsleden waren ruim 200 repatriërende marinemannen, van wie velen ex-krijgsgevangenen. Hun geduld werd flink op de proef gesteld. In een bijna hopeloze strijd tegen het ijs probeerden twee sleepboten urenlang het gevaarte van 17.000 ton tegen de wal te drukken. De "Indische koperen ploert" zou korte metten hebben gemaakt met Koning Winter, grapten de opvarenden. Uiteindelijk lag er dan toch een wankele plank naar de kade.
Toen de Marinierskapel het Wilhelmus inzette, verbraken tientallen geestdriftige familieleden en vrienden het politiekordon. Met behulp van de militaire politie werd de menigte teruggeduwd. "De Karel Doorman was weer behouden thuisgevaren", schreef een verslaggever van de Heerenveensche Courant. "In deze goede stemming kwamen de verhalen los." Onder meer over de havenstad Casablanca, "waar Arabieren wonen, die kans zien je een gouden ring te verkopen, die bij thuiskomst een kroonsluiting van een bierflesje blijkt te zijn."
Tegenwoordig is het Stenen Hoofd in de zomermaanden een intiem stadsstrand plus bar, met 's avonds filmvoorstellingen van het festival Pluk de nacht, en in de wintermaanden een kale, winderige uitlaatplaats voor honden en hun baasjes. De kans bestaat dat de op- en afrit van een tweede brug over het IJ op het Stenen Hoofd komt (de eerste brug over het water komt bij het Java-eiland), die beslissing valt begin jaren twintig. Hoeveel fietsers en wandelaars zullen er dan bij stilstaan dat deze tweede sprong over het IJ is gebouwd op een plek vol geschiedenis? Ooit bloeide op het Stenen Hoofd de goederenoverslag: van glucose tot haring, van vlees tot Chinese klei en graan. Ook was de pier vele jaren een decor van spanningen en conflicten in de wereld.

Holland-Amerika Lijn
Met de aanleg van het Stenen Hoofd in 1901 hoopte Amsterdam de Rotterdamse Holland-Amerika Lijn te kunnen verleiden tot meer investeringen in de Amsterdamse haven. Eerder vertrokken landverhuizers en handelsreizigers vanaf de twee houten Suezsteigers aan de Westerdoksdijk, onder meer met schepen van de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM). De wrakke steigers lagen haaks op de dijk, waardoor ze lastig per spoor bereikbaar waren.
De nieuwe pier, ontworpen door ir. Constant Lambrechtsen van Ritthem en Johan van Hasselt van Publieke Werken, was liefst 200 meter lang en 50 meter breed. Zo'n 11.000 houten palen vormden de fundering van de met beton en basaltstenen versterkte steiger, die schuin in het IJ stak. Met een flauwe bocht eindigden twee spoorbanen aan weerzijden van een reusachtige loods. Goederen konden zo rechtstreeks van schip in treinwagon of vrachtauto worden geladen.
De Holland-Amerika Lijn, opgericht in 1896 als opvolger van de NASM, kreeg ook een eigen kantoor op de pier, deze keer ontworpen door Jan Bernard Springer, hoofd van de afdeling Gebouwen van Publieke Werken. Blikvanger aan de kant van de Westerdoksdijk was een sierlijk torentje. Het complex oogde als een bescheiden replica van de HAL-zetel aan de Wilheminakade in Rotterdam, het tegenwoordige Hotel New York.
Na de opening in 1906 bleek de investering van de gemeente in het Stenen Hoofd een misrekening. De cijfers vertellen het verhaal. In het eerste jaar meerden er slechts veertien schepen af. In 1912 bleef de kade zelfs helemaal leeg. De Holland-Amerika Lijn was in financieel zwaar weer beland en koos definitief voor Rotterdam als thuishaven.
Buitenlandse marines ontdekten vervolgens de ligplaats op de hoek van Westerdoksdijk en Barentszplein naast graansilo Korthals Altes. In een opname uit 1926, te vinden in de collectie van EYE Film Instituut, tuffen motorbootjes met matrozen af en aan naar de 150 meter lange Amerikaanse kruiser USS Pittsburgh aan het Stenen Hoofd. De honderden Amerikaanse matrozen kauwen met een brede glimlach op Hollandse broodjes. Later paradeerden ze met muziekkorps over het Damrak en luisterden ze een herdenkingsbijeenkomst op voor zeeheld Michiel Adriaansz. de Ruijter in de Nieuwe Kerk.

Vlagvertoon
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was er veel vlagvertoon aan het Stenen Hoofd. De gloednieuwe Amerikaanse torpedojager USS Winslow meerde er in juni 1937 af. Kranten schreven vol ontzag over de bewapening van de oorlogsbodem: acht kanonnen, vier mitrailleurs en acht torpedolanceerbuizen. Nog geen jaar later stuurde Duitsland de lichte kruiser Emden naar het Stenen Hoofd. Een bezoek niet zonder symboliek: de Emden was het eerste oorlogsschip dat na de Eerste Wereldoorlog in Duitsland was gebouwd. Sommige politici zagen er zelfs een politieke boodschap in. Weer een dik jaar later schreef het schip opnieuw geschiedenis. Een door luchtafweer getroffen bommenwerper van de Royal Air Force stortte neer op het voorschip. Negen Duitse opvarenden kwamen om het leven. Het waren de eerste verliezen van de Kriegsmarine in de Tweede Wereldoorlog.
Ook de pier zelf was het decor van de naderende oorlog. Een verslaggever van het Zaans Volksblad zag op 17 juli 1939 bij het Stenen Hoofd de lichtjes passeren van de nauwelijks zeewaardige Panamese kolenboot Dora van 1600 ton. Onder bescherming van de duisternis hadden 300 Joodse emigranten zich ingescheept bij het Lloyd Hotel - bestemming 'onbekend'.
De verlaten kantoren van de HAL waren vanaf 1930 in gebruik bij de Phoenix Line, die met onder meer de kustvaarder Westerdok een tweewekelijkse lijndienst onderhield tussen Amsterdam en Londen. In 1938 vestigde scheepvaartbedrijf Gruno zich op Westerdoksdijk 44. De Phoenix Line huurde vanaf dat moment alleen een deel van de loodsen. Gruno richtte zich op het bevrachten van motorschepen in de grootte van 100 tot 600 ton laadvermogen naar en van Europese havens.

Glorietijd
Na de oorlog begon de glorietijd van de kleine handelsvaart. Gruno voerde als slagzin: Whatever the cargo, wherever the port, one of our coasters is bound to be the right sort. Tientallen kustvaarders van allerlei eigenaren verschenen aan het Stenen Hoofd. De reparaties aan de schepen werden veelal uitgevoerd bij Machinefabriek Westerdok, aan de overkant van de Westerdoksdijk.
Kruisers, mijnenvegers, onderzeeboten en torpedobootjagers uit vooral bevriende NATO-landen kozen ook veelvuldig het Stenen Hoofd als bestemming. Al een maand na de bevrijding meerde de Britse kruiser H.M.S. Sirius aan. Het schip was betrokken geweest bij de geallieerde landingen in Normandië. Op 14 februari 1946 stapte koningin Wilhelmina er aan boord van de Nederlandse torpedobootjager Hr. Ms. Evertsen. Het schip, in december 1945 overgenomen van de Engelse marine, had een heldenrol gespeeld bij het escorteren van konvooien naar Moermansk en werd nu in gereedheid gebracht voor vertrek naar Oost-Indië. Want Nederland was intussen in een nieuwe oorlog verwikkeld geraakt.
Ook de 'vijand' dook in de Koude Oorlog op bij het Stenen Hoofd. Liefst zeventien Russische walvisjagers legden er in juni 1965 aan, om er een "indrukwekkende delegatie van de Russische walvisvloot te vormen".
Bij sommige bezoeken van squadrons en eskaders werden de burgemeester, hoge ambtenaren en het bedrijfsleven aan boord uitgenodigd. Of op een schepelingenbal in Krasnapolsky verwacht. Op het dek van het Braziliaanse opleidingsschip Custodio de Melo waagden de adelborsten zich in oktober 1962 aan een dansje met Nederlandse blondines. "Hoog in de donkere avondlucht hingen aan de masten lijnen met gloeilampjes, die het beeld van het grijze schip aan het Stenen Hoofd in de verte al een feestelijk effect schonken." De jonge Amsterdamse meisjes die in 1967 dansten met cadetten van de Franse konvooibegeleider Chevalier Paul konden zich laven aan gekonfijte vruchtjes en "walnoten in een zoete omhelzing". De lekkernijen werden weggespoeld met flessen punch.

Slaapzakken
Maar een nieuwe tijdgeest schoof over het Stenen Hoofd. Door de komst van containerschepen kreeg Gruno kreeg het steeds moeilijker om ladingen voor zijn kustvaarders te vinden. Het vervoer per vrachtauto groeide ook razendsnel. Vooral bij jongeren raakten vlootbezoeken uit de mode. Ze waren niet trots op de oorlogsindustrie, verzetten zich tegen autoriteiten, de overheid. Een honderdtal demonstranten belaagde eind mei 1966 het Duitse fregat Scharnhorst. Ze werden uiteengedreven door de politie. Bij een bezoek van een opleidingsschip van de Amerikaanse koopvaardij in augustus 1967 deelden Amsterdammers pamfletten uit, protest tegen de oorlog in Vietnam. De bemanning werd aangespoord te deserteren.
De mooie plek aan het IJ trok ook de belangstelling uit heel andere hoek. Het studentenweekblad Propria Cures pleitte in mei 1967 voor verplaatsing van het roemruchte studentenschip Caledonia van de Hornhaven in het westelijk havengebied naar het Stenen Hoofd. De huisvesting voor 335 studenten verdient een hogere prioriteit dan een ligplaats voor oorlogsbodems, schreven de studenten. Hun klachten over de beroerde ligplaats werden gehoord. Onder het zingen van de Internationale tijdens de tocht over het IJ werd de Caledonia in december 1967 naar het Stenen Hoofd versleept - "vijf minuten fietsen van het Centraal Station" slechts. Op de nieuwe locatie konden ook meisjes zich laten inschepen, wat leidde tot weer andere problemen. In de zomer van 1968 kregen de bewoners te horen dat aan boord "geslachtsziekte heerst".
In de zomer van 1969 lagen de lounges en dekken bezaaid met slaapzakken van hippies. Tientallen Damslapers trokken bij regen naar het Stenen Hoofd. Ook drugs overspoelden de gangboorden van het schip. De Dienst Studenten Huisvesting besloot de Caledonia af te stoten. Begin 1970 begon de ontruiming; de studentenflat Kattenburg was net gereedgekomen. De Caledonia ging in 1971 naar de Duitse sloper Eckhardt & Co.

Afvalputje
Meer en meer werd het Stenen Hoofd een afvalputje voor schepen. Het Duitse motorschip Norwald lag er aan de ketting in juni 1963 omdat de rederij de schulden niet betaalde. De Nederlandse kustvaarder Clito meerde er in juni 1969 aan. De bekende actievoerder Abi Nathan probeerde het schip te kopen voor radio-uitzendingen met vredesboodschappen in het Midden-Oosten. Hij riep sympathisanten op te helpen bij het wit schilderen van het schip.
Vijf jaar later lag er een ander zendschip: de Mi Amigo van Radio Caroline. Na een vechtpartij met de Engelse diskjockeys had de Nederlandse bemanning bewapend met pistolen en ijzeren staven het schip gekaapt. Inzet was de betaling van achterstallig loon. Maar volgens de Engelse programmaleider van Radio Caroline zaten de concurrenten Radio Noordzee en Radio Veronica achter de zeeroverij. Een sleepboot bracht het zendschip voor politieonderzoek naar het Stenen Hoofd. Op de avond van nieuwjaarsdag 1973 maakten twee sleepboten van Goedkoop zich vast aan de Mi Amigo. Stiekem trokken ze het zendschip richting Noordzee. Vergeefs: kort voor middernacht werd het schip in IJmuiden aan de ketting gelegd.
Het verval van het Stenen Hoofd was toen allang onomkeerbaar. Het kantoorgebouw met het torentje en de loods werden in april 1978 afgebroken. Een enkele keer haalde de pier nog de krant. Zo ruziede het Havenbedrijf in 1980 met kunstenaar Hans Hamers. De gemeente wilde op het Stenen Hoofd gehandicapten laten genieten van (de tweede) Sail. Hun uitzicht werd verpest door een schip dat Hamers op de pier gebruikte als decor voor filmopnamen.
Een investeringsmaatschappij legde in 1984 een provisorische helihaven aan. De directeur mikte op zakelijke vluchten naar Schiphol, Den Haag en Rotterdam en toeristische vluchten naar Marken en Volendam. Een gehuurde Franse helikopter vloog enkele uren rond om de Rijksluchtvaartdienst het geluid op het Stenen Hoofd te laten meten. In juni 1989 versleepte de politie tien woonwagens van het Stenen Hoofd naar een terrein aan de Seineweg nabij de Moezelhaven in West. De door woningbouw van het KNSM-eiland verdreven bewoners hadden er twintig dagen gestaan.

Niemandsland
De geschiedenis van het Stenen Hoofd telt ook vele persoonlijke drama's. In oktober 1949 sloeg de 27-jarige stoker Unto Avio, opvarende van het Finse stoomschip Innamo, er in beschonken toestand overboord. Hij kwam met zijn hoofd op een schutbalk terecht en verdronk. In de oudejaarsnacht van 1964 was er een ruzie aan boord van de Groningse kustvaarder Margriet-L, waarbij de 19-jarige Spaanse matroos Francisco Blanco uit La Coruña verdronk. De Amsterdamse graanwerker B. B. (27 jaar) had "de tengere zuiderling met een formidabele vuistslag over de reling geslagen". De rijkspolitie te water kon de "zwaar beschonken" dader arresteren "juist toen om klokslag 12 uur het eerste Nieuwjaarsvuurwerk in de hoofdstad werd afgestoken".
De wereldpolitiek komt al lang niet meer langs bij het Stenen Hoofd. Geen afgemeerde oorlogsschepen, het is stil op de pier. Alleen de pontjes van de Westerdoksdijk naar de Distelweg en de NDSM-werf in Noord drukken hun klep nu tegen de steiger. En dat is maar tijdelijk. Het fundament van de voormalige loods van Gruno en Phoenix trekt een grijs spoor in het gras. De ooit robuuste houten balken van de kades zijn geknapt. De kop van de pier staat onder water. Verderop schiet een fotograaf modefoto's. Een stel dertigers in windjacks leunt op de stalen roeiboot op de pier. Ze maken ruzie. Ineens beent hij met opgetrokken schouders richting Westerdoksdijk. Een roep klinkt: "André, blijf staan!"
Niemandsland, dat is het Stenen Hoofd nu. Tot de bouw van de brug.

HARRY HOSMAN IS JOURNALIST. HIJ WERKT AAN HET PROJECT AMSTERDAM IN FILM EN TV-SERIE.

 

Fatale botsing: 7 augustus 1927: Gooische Stoomtram maakt dodenrit Inhoud-2-tram

Een diamantbewerker uit de Transvaalbuurt neemt zijn gezin op een zomerse zondag in 1927 mee naar het Gooi. Het tochtje eindigt rampzalig. Heel Nederland is begaan met het lot van de achtjarige Nico Lisser.

De stoomtram naar het Gooi had die zondag 7 augustus 1927 enig oponthoud op de Middenweg. Het gaf niet. Ondanks de matige weersvoorspelling scheen de zon. Vast en zeker wisselden de passagiers enkele woorden met elkaar over het mooie vooruitzicht.
Emmanuel Lisser, zijn vrouw Jeannette Vischschraper en hun kinderen Nico en Greta zaten in het open rijtuig achter de locomotief nummer 13. Net als Pieter Schreuder, employé van de Incasso-Bank met zijn vrouw Thea Durin - ze waren een jaar eerder getrouwd -, een Duitse dienstbode genaamd Anna Keybeck en mevrouw Wevers met haar veertienjarige dochter. Zij gingen op bezoek bij meneer Wevers, die in het sanatorium te Laren werd verpleegd. Naderhand stelde men vast dat in het zomerrijtuig tussen de zeventien en twintig passagiers hadden gezeten.
Voor het gezin Lisser was het slechts een korte wandeling naar de halte van de G.S., de Gooische Stoomtram, vanuit de Transvaalbuurt, waar Emmanuel en Jeannette in februari 1921 met de tweejarige Nico naartoe verhuisden. In de splinternieuwe wijk, grotendeels volgens het stratenplan van H.P. Berlage ontworpen, betrokken ze een flat op de eerste etage van Laing's Nekstraat 9, met uitzicht op het plantsoen aan de Tugelaweg langs het spoor, dat toen nog op straatniveau lag. Greta was op 21 oktober 1922 op dit adres geboren. In de straat en de wijde omgeving streken in de jaren twintig talloze Joodse gezinnen en neringdoenden neer, maatschappelijk opgeklommen en vaak politiek strijdbaar.

Diamantbewerker
Emanuel Lisser was diamantbewerker bij de firma Stodel en Natkiel in de Uilenburgerstraat en net als de vader van Jeannette en zijn eigen vader Nathan lid van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB). Nathan Lisser, die even over het spoor woonde in de Vrolikstraat, kwam oorspronkelijk uit de oude Jodenbuurt, uit een groot gezin van een eenvoudige werkman. Hij had zich opgewerkt. Dat gold ook voor zijn jongere broer, diamantwerker Alexander Lisser, die achter voorman David Wijnkoop de tweede in de gemeenteraad was voor de Communistische Partij Holland. Met zijn vrouw Vogeltje Cohen en hun vijf kinderen woonde hij op de Tugelaweg 20 (om de hoek bij neef Emanuel), en hij roerde zich, driftig, ook in de buurt.
Emanuel liet wel eens iets van zich horen in de ANDB. Nog in april in het bondsweekblad over de loopknechten, die door de diamantwerkers verplicht moesten worden gehonoreerd. "Toen onze levenstandaard hooger was, hinderde dat zoo erg niet. Men gooide wel eens meer een gulden over den balk. Maar nu is dat uit! Sinds lang kunnen wij al niet meer de dingen die wij ons vroeger konden permitteeren, veroorloven. Tot deze dingen behoort ook het betalen van een loopknecht." Hij maande de bond tot actie.
Kocht Emanuel retourbiljetten voor het zondagse uitje naar het Gooi met zijn gezin? Het scheelde 2 1/2 cent per persoon. Allicht zouden ze in een uitspanning een versnapering nemen, maar op de Naarderstraatweg in Laren ter hoogte van de villa Groenendaal waar het enkelspoor een bocht omheen maakte, is het verschrikkelijk misgegaan.

Geraas
"Ik zag het als het ware, zooals men zooiets op een film ziet." De arts Constant Thomassen zat in de tuin van de villa, het huis van zijn schoonouders Van Ommen van Guijlik. Zijn vrouw Johanna had juist in een opwelling hun spelende kinderen bij de heg weggehaald toen het gebeurde. Door oponthoud in de Watergraafsmeer en door een muziekconcours in Diemen had de tram uit Amsterdam vertraging. De bedoeling was dat ze elkaar kruisten op de wisselplaats bij de Gooische Boer op de Hakkelaarsweg, er waren echter tegenstrijdige orders gegeven.
Op het allerlaatst is er nog uit alle macht geremd, door beide machinisten. Thomassen hoorde niets, herinnerde hij zich, hoewel het geraas van de inslag tot op twintig minuten van de plek des onheils te horen was. Ook andere getuigen - het was druk op de zomerse middag - gewaagden van de sinistere stilte die intrad na een onheilspellend kabaal "toen de zwarte monsters op elkander stieten".
Locomotief 13 was door de botsing teruggeworpen bovenop het chassis van het open rijtuig, alles en iedereen die er niet door de klap was uitgevallen vermorzelend. Nadat met veel moeite de locomotief van het rijtuig opgevijzeld en weg gekanteld was, troffen toegesnelde omstanders, onder wie trampersoneel en artsen, een tafereel aan dat ze nimmer zouden vergeten. Emanuels gezicht was ingedrukt, de hersenen uit de schedel geperst. Jeannette en Greta "waren letterlijk vaneengereten". Het meisje heeft nog kort geleefd, ze stierf in het ziekenhuis.
Bankemployee Schreuder werd binnengebracht in de villa en bleef nog even bij bewustzijn. Hij leek van de schrik gestorven, maar autopsie wees ernstig inwendig letsel uit. Zijn wanhopige vrouw was ongedeerd.

Amputatie
Vrijwel alle artsen in Laren en Blaricum, ook zij die er de vakantie doorbrachten, kwamen naar het Sint Jan Ziekenhuis om te helpen met de opvang van de zwaargewonden, onder wie moeder en dochter Wever en Annie Keybeck en de twintig passagiers met lichte kwetsuren.
"In mijn herinnering heb ik alleen het beeld bewaard van het arme jongetje, dat onder de locomotief was bekneld geraakt." Samen met zijn zwager, die ijlings gereedschap uit de schuur haalde, probeerde Thomassen de erbarmelijk schreiende en om zijn ouders roepende Nico te bevrijden. Er was zwaarder materiaal voor nodig en de arts begreep wat hem dadelijk in het ziekenhuis te doen stond. Diezelfde zondag nog amputeerde hij het verbrijzelde linkerbeen van Nico. De arts - een pionier op het gebied van been- en gewrichtstuberculose - was een expert op het gebied van trauma's als deze. Eerder dat jaar hield hij een radiorede (Lijders, die wij vergeten) en hij was bezig met de oprichting van een sanatorium speciaal voor deze patiënten. Het Juliana-oord ging in 1929 in Laren open.
Enige tijd verdreef de ramp te Laren zelfs het nieuws over de aanstaande executie van Sacco en Vanzetti in de Verenigde Staten. Alex Lisser had nog in de gemeenteraad aangedrongen bij B&W om de gouverneur van Massachusetts te verzoeken de twee anarchisten in vrijheid te stellen. Nu moest hij de familie vertegenwoordigen op de begrafenis.
Vele honderden omstuwden op 10 augustus de stoet met de drie kisten en volgauto's met kransen en palmen van de bewoners van de Laing's Nekstraat, de buurt- en de speeltuinvereniging, Lissers werkgever, het dagblad Het Volk, de A.N.D.B. en de familie. Vanaf het metaarhuis in de Nieuwe Kerkstraat ging het onder politiebegeleiding over de Amstel naar de Portugese synagoge en vandaar over de Plantage Middenlaan en de Linnaeusstraat naar Diemen.

Kunstbeen
De lijkrede werd gehouden door de historicus Akiba Frank. Na de gebeden en de ter aardebestelling sprak de burgemeester van Laren, jhr. Hubert van Nispen tot Sevenaer. Hij bezocht die ochtend "de kleine Nico", zonder met hem te durven praten over zijn dode ouders en zusje, maar had beloofd de groeten aan hen over te brengen: "Ouders, die groeten van uw kleinen Nico breng ik hier." Ook namens de vakbond werd gesproken. Emanuel Lisser was geen gewoon lid geweest, "maar een waarop de bond zoo nodig kon bouwen".
Een "ernstigen, bescheiden werker", zo beschreef het vakbondsblad hem. "Naast zijn gezin, waarvoor hij een voorbeeldig echtgenoot en vader was, had de Bond en de arbeidersbeweging zijn groote liefde. Op den stralenden zomerschen dag, dat hij met blijheid de stad ontvliedde om zich met de zijnen eenige levensvreugde te verschaffen in de vrije natuur, ging hij met vrouw en kind, die hij innig liefhad, den dood tegemoet."
Van alle kant stroomden bloemen, snoep en andere blijken van medeleven naar het ziekenhuis. Er werden collectes gehouden, tot in de treinen die het getroffen dorp aandeden. De vorstin, op dat moment in Denemarken, stuurde een telegram naar de burgemeester. De koningin-moeder belde met hem en bezocht op 11 augustus de gewonden. Er ontstond in de pers enige verwarring. Zij had gevraagd of Nico een kunstbeen zou krijgen, waarna het verhaal rondging dat zij had aangeboden het kunstbeen te betalen "voor het ongelukkige ventje". Volgens het ziekenhuis kon de familie de kosten dragen. Wel kreeg de jongen een prentenboek "met eenige fraaie platen" van haar en net als de andere patiënten versnaperingen.

Schadevergoeding
In de weken en maanden nadien volgde de pers het wel en wee van de slachtoffers, vooral het "arm, arm kereltje". De een na de ander kon het ziekenhuis verlaten. Nico leerde in de ziekenhuistuin met een driepoot lopen in afwachting van zijn kunstbeen en tegen oktober stuurden de families Lisser en Vischschraper via de krant een dankbetuiging aan de vorstin, de Larnse bevolking en de gemeenteraad, het ziekenhuispersoneel en "allen die hulp hebben verleend". Nico werd in oktober ingeschreven bij zijn grootouders Nathan en Sipora Lisser-Neter in de Vrolikstraat 136-II. Het grafmonument voor zijn ouders en zusje werd eind die maand onthuld. Op de steen, gemaakt door Anton Kleinkramer, staan drie jonge bomen die door een bliksemstraal worden vernietigd.
Uiteraard benoemde de minister van Waterstaat een commissie om de oorzaak te onderzoeken. Ook de dagenlange verhoren werden verslagen, soms woord voor woord. Na enige tijd zakte de belangstelling voor het ongeluk weg. De opwinding over de aanstaande Olympische Spelen kwam ervoor in de plaats. Maar ruim een jaar later keerde het verhaal even terug, toen Nico's grootouders een proces voerden om de hoogte van de schadevergoeding en de toelage. De NV Gooische Stoomtram had alle schuld toegegeven.
Over de f 500,- voor het reserve-kunstbeen noteerde De Telegraaf schamper: "Aannemende dat het jongetje nog een jaar of zeventig leeft, wordt dat per jaar zeven gulden. Ik vermoed dat de rechtbank in aanmerking genomen zal hebben, dat het jongetje voortaan maar één zool en één hak zal slijten en dit voordeeltje in mindering der vordering heeft gebracht." De redenering van de rechtbank omtrent de toelage oogstte alom verontwaardiging. De wet ondersteunde geen eis voor "een academische of andere kostbare opleiding" aangezien de vader slechts diamantbewerker was, "gelijk zijn beide grootvaders het nog zijn en derhalve de stand en het fortuin van N. Lisser een dergelijken eisch niet kunnen motiveeren". Tot zijn twaalfde ontving hij daarom jaarlijks f 600,-, tot zijn achttiende f 900,- en daarna f 1200,-. De trammaatschappij diende een kapitaal van f 40.000,- te reserveren.

Bijles
B&W van Amsterdam namen de motie over die Nico's oudoom Alex indiende om voor de veiligheid de opheffing te bevorderen van de Gooische Stoomtram, dit "ouderwetsche verkeersmiddel". Het zou nog jaren duren.
Uit de ondertekening van de annonce voor het vijftigste huwelijksfeest van zijn grootouders blijkt dat Nico Lisser zich in 1939 verloofde. In oktober dat jaar opende de minister van Waterstaat de twee nieuwe Amsterdamse stations Muiderpoort en Amstel met de woorden: "dat de vruchten van den arbeid die hier is volbracht worden genoten door een vrij volk in een vrij land". Daverend applaus. Op 13 februari 1940 volgde dan eindelijk de opheffing van 'de Gooische Moordenaar' - de tramverbinding had in 66 jaar 117 levens geëist. Nog geen drie maanden later vielen de Duitsers Nederland binnen.
Elisabeth Springer, ateliernaaister bij Stork in de Jodenbreestraat, geboren en getogen in de Transvaalbuurt, trouwde op 1 april 1942, een dag voor haar 21ste verjaardag, met Nico Lisser. Getuige enkele advertenties gaf hij onderricht aan huis: "Heeft uw kind last met Fransch? Laat het dan door mij bijwerken. Clubles ƒ 0,50 per uur - Succes verzekerd." Het jonge paar woonde in bij haar ouders in de Louis Bothastraat, vlak bij het Krugerplein.
Steeds stiller werd het om hen heen. Nathan Lisser en Sipora Lisser-Neter werden op 2 april 1943 in Sobibor vergast. Op 21 mei gebeurde hetzelfde met haar ouders en op 4 juni met Nico's andere grootvader Leendert Vischschraper, die werd weggehaald uit de Lepelstraat. Haar broers en enige zuster waren al dood. Van zijn familie overleefde alleen de oudste dochter van zijn oudoom Alex Lisser en een broer van zijn moeder de oorlog. Nico Lisser was 24 en zijn vrouw 22 toen zij op 16 juli 1943 omkwamen in Sobibor. De datum doet vermoeden dat ze bij de grote razzia van 21 juni 1943 zijn opgepakt. Nico bereikte de leeftijd van zeventig dus niet. Het kapitaal van de Gooische Moordenaar hoefde niet te worden aangesproken.

JESSICA VOETEN IS JOURNALIST.

 

lepenhoofdstad Amsterdam
Bomen-1-straatbeeld
Dagelijks sneuvelen er bomen in Amsterdam. De stad verdicht zich, het groen staat onder druk. Duizenden bomen verdwijnen voor de bouw van het Zuidasdok en de verbreding van de spoorwegen. Gelukkig worden er ook weer ruim 6000 herplant. De stad heeft een reputatie hoog te houden: al eeuwenlang neem het aantal bomen toe. Maar waar is nog ruimte?

Amsterdam telt meer bomen dan inwoners. Naar schatting 1 miljoen, waarvan ongeveer een derde door de gemeente wordt beheerd. Amsterdam is groen, een van de groenste steden ter wereld. De afgelopen eeuwen heeft de stad de bomen dan ook zorgvuldig gecultiveerd en geplant. In 2017 publiceerde de gemeente een digitale kaart met bijna alle door de stad beheerde bomen in Amsterdam (maps.amsterdam.nl/bomen). Zo is bijvoorbeeld te zien dat langs de Heimansweg in Noord zes smalbladige essen staan, acht meelbessen, één appelboom en twee vogelkersen.
Amsterdammers zijn opvallend gehecht aan 'hun' iep, 'hun' platanenbosje of 'hun' park en zijn graag bereid om in actie te komen als bomen worden bedreigd. Vorig jaar nog verzetten buurtbewoners aan de zuidoostkant van de Sloterplas zich tegen de kap van 341 bomen. Het verzet had resultaat: er worden minder bomen gekapt, er komen minder nieuwe paden en steigers en de herinrichting gaat meer stapsgewijs.

Herplantfonds
Hans Kaljee weet alles over boomonderhoud. Hij is 'bomenconsulent' van de gemeente Amsterdam, de 'bomenburgemeester' zogezegd. "Het verzet verschilt per buurt. In de Pijp gaan de bewoners bij wijze van spreken voor elke boom liggen. De herinrichting van het Sarphatipark heeft daardoor decennia geduurd. Bij het bouwproject Zuidasdok, waarvoor niet minder dan 14.400 bomen moeten wijken, denken met name de Vrienden van het Beatrixpark kritisch mee. Maar tegen de soms zeer rigoureuze kap in Noord komen slechts weinig mensen in opstand."
De bomen gaan hem aan het hart, altijd. "Soms kan het alleen niet anders. De stad is nu eenmaal altijd in beweging. Neem de Zuidas. Slechts de helft van de bomen kan worden teruggeplant, maar de waarde van de andere helft wordt wel gecompenseerd. Bijvoorbeeld op daken. Er is een 'groenvisie Zuidas' opgesteld. Het groen mag niet 'zomaar' verdwijnen, daar hebben we regels voor."
Sinds 1 oktober 2016 heeft Amsterdam een strikte aanpak als het gaat om kappen, snoeien en herplanten van bomen. Bomen worden altijd één op één herplant. Is dit niet mogelijk, zoals bij de Zuidasdok, dan gaat de geldwaarde van de boom in een gemeentelijk fonds voor de aanplant van nieuwe bomen op een ander moment, op een andere plek. Zo krijgt het Martin Luther Kingpark er de komende tijd 82 bij, het westelijk havengebied 150 en de entree van het Amsterdamse Bos 43. Die strikte regels gelden ook voor bomen in achtertuinen en andere private plekken. Eigenaren zijn verplicht om een kapvergunning aan te vragen als de stam op 1,30 meter hoogte een omtrek heeft van minimaal 31 centimeter. Na de kap moet er een nieuwe boom komen of een bedrag in het fonds worden gestort.

Vleugelnoot
Voor het behoud van monumentale bomen wil de gemeente ver gaan. De twee platanen in het Leidsebosje uit 1865 - de dikste bomen van de stad - werden al eens in 1925 enkele tientallen meters verplaatst vanwege de verbreding van de brug. Houten vlonders onder de kluiten en lieren kwamen er bij te pas. Boomonderhoud is in Amsterdam niet gemakkelijk, zegt Kaljee. "De wortels groeien hier heel ondiep en breed uit. Om ervoor te zorgen dat ze niet onder klinkers gaan en straten vernielen, hebben we allerlei slimme technieken bedacht. In het Vondelpark staan zelfs heipalen onder bijna honderd bomen, zodat ze niet meer wegzakken. Goedkoop is het allemaal niet. Aan een boom van € 200,- aanschaf zijn we het tienvoudige onder de grond kwijt."
Bijzondere, zeldzame exemplaren probeert de gemeente te sparen. "Als we er op tijd bij zijn, kunnen ze soms blijven staan, maar soms moeten we ze verplaatsen. Een gigantische operatie, die tussen de € 50.000,- en € 100.000,- kost." In Osdorp is in 2007 een 60-jarige oude vleugelnoot, met een kluit van tien bij tien meter, driehonderd meter verschoven van Meer en Vaart naar het hoge, ronde flatgebouw aan het Oeverpad. En voorjaar 2016 zijn twee enorme trompetbomen verplaatst die voor het Amstelstation stonden. "De eerste voorbereidingen waren al zeven jaar eerder. De wortels zijn toen afgestoken in een vak van zes bij zes meter."

Iepen
Al die aandacht voor bomen past in een traditie die Amsterdam eind 16de eeuw heeft ingezet. Tot dan lijkt de openbare ruimte min of meer boomloos te zijn geweest. Op de kaart van Pieter Bast uit 1597 is voor het eerst een lange rij bomen te zien, langs het grachtje binnen de nieuwe stadswal aan de westkant van de stad. "We denken dat ze bedoeld waren om de kademuren te verstevigen", zegt Kaljee. Bij de aanleg van de grachtengordel werden vanaf 1613 lange rijen bomen langs de nieuwe grachten geplant, "tot cieraat van de stad ende het schutten van de son". Eerst vooral lindes, in de loop van de 17de eeuw steeds vaker iepen. Die waren sterker, hadden een langere levensduur en zorgden voor meer schaduw. Veel Amsterdammers vonden ze ook mooier. Anno 21ste eeuw is Amsterdam (nog steeds?) de iepenhoofdstad van de wereld. De 31.606 iepen vormen de grootste groep van de 270.359 door de stad beheerde bomen, op de voet gevolgd door 25.690 lindes en evenzovele esdoorns, dan komen essen, platanen, populieren en eiken. Iepen staan opvallend vaak in de grachtengordel, essen en esdoorns in parken, de snelgroeiende populieren in de nieuwere wijken.
Kaljee is een iepenliefhebber. Hij schreef in Iep of olm. Karakterboom van de lage landen (2009): "De iep vind ik persoonlijk niet alleen het mooist, ze is ook de taaiste onder de stadsbomen. Het wortelgestel is van een soort elastiek, dat krijg je niet zomaar kapot. Mijn favoriete boom is de olifants-iep op de hoek van de Panamalaan en de Cruquiusweg. Een iep van meer dan honderd jaar oud met een olifantenslurf. Daar is ooit een vrachtwagen tegenaan geknald. Er is een stellage gebouwd om hem te redden. Met succes, zelfs de afgelopen januaristorm heeft hij goed doorstaan."
Iep, linde, populier, plataan, kastanje, es en wilg: de keus was lang beperkt. De onverbiddelijke stedelijke omgeving stelde zo haar eisen en slechts weinig boomsoorten zijn daar tegen bestand. Maar ook het aanbod hield niet over: boomkwekers begonnen pas eind 20ste eeuw te experimenteren met nieuwe soorten, ook met exoten, 'bomen van buiten'.

Watercipres
"We gingen van alles uitproberen. In de Van der Pekstraat en de Karel du Jardinstraat de watercipres, maar die bleek niet bestand tegen strooizout en drukte de fietspaden omhoog. In de herfst lieten ze in één keer hun naalden vallen, tot gruwel van de bewoners. De palm redde het evenmin. Ooit plantten we er een paar op het schoolplein langs de Leeuwendalersweg in Bos en Lommer. Eentje stond al snel in de fik, ze bleken heel brandbaar. En ze waren niet bestand tegen het veranderende klimaat."
Ook de traditionele stadsbomen hebben het soms zwaar. De iepziekte heeft vanaf 1925 voor veel problemen gezorgd. Pas in de jaren zeventig is de remedie gevonden. Kaljee: "Sinds een jaar of twee hebben we veel last van essentaksterfte. Jonge takken worden aangetast door een schimmel uit Polen. Er is nog geen remedie tegen. In het Amsterdamse Bos zijn al honderden essen noodgedwongen gekapt. Op de Kalfjeslaan ook. Hoewel we proberen het historische karakter van deze plekken te respecteren, plantten we daar voorlopig maar geen essen meer terug."
Hoe ziet 'bomenburgemeester' Hans Kaljee de toekomst van de Amsterdamse boom? "Het weer wordt extremer. Bomen moeten bestand zijn tegen hitte en strenge vorst, tegen heftige regenbuien en stormen. Niet toevallig zijn de overlevers de bomen die in het verleden hun bestaansrecht al hebben bewezen, de iep, de linde, de plataan. Daar blijven we mee experimenteren. Van de iep alleen al staan in de stad zo'n zestig soorten uit alle werelddelen. Vijftien zeer bijzondere soorten langs de Plantage Middenlaan, voor de Hortus."
Alles goed en wel: tot 2025 komen er zo'n 50.000 woningen bij, hoe blijft Amsterdam groen? Kaljee: "Stadsarchitecten als Van Eesteren en Berlage hadden ideeën over hoe stad en natuur samengingen, over hoe de stad er vijftig jaar later uit moest zien. Het Amsterdam van nu moet op haar beurt een nieuw toekomstbestendig beeld zien te ontwikkelen."

EMMA LOS IS PUBLIEKSHISTORICUS.

 

De milde liefde der diakenen Inhoud-4-Amstel

Diaconie lijkt iets uit een ver verleden, maar de Diaconie van de Amsterdamse Hervormde Kerk is nog springlevend. En broodnodig, ook. Het centrum van het diaconale werk is Amstelhoven, het terrein tussen de Amstel en de Weesperstraat, de Nieuwe Herengracht en de Nieuwe Keizersgracht, waar een groep historische gebouwen bijeen staat. Een korte stadswandeling.

"Spijst de hongerige caken, / Drenckt se die van dorste blaken, / Troost die na den adem snaken, / Helpt de naeckte onder 't laken, / En de vremde onder daken. / Weest soo doende een diaken."
Zo omschreef de 17de-eeuwse dichter Jacob Revius de taak van de protestantse diakenen: de zorg voor armen, zieken en andere hulpbehoevenden. De Diaconie van Amsterdam, de instantie binnen de protestantse kerk die 'maatschappelijk werk' verricht, stamt uit 1578, de tijd van de reformatie, toen protestanten zich losmaakten uit de katholieke kerk en zelfstandig verder gingen. Het woord diaken komt al voor in de Bijbel en stamt van het Griekse diakonos, dat dienaar betekent.
De diakenen deden hun werk – aanvankelijk vooral armenzorg – met collectegeld, maar ook met geld van welgestelde Amsterdammers, die grote bedragen en soms ook gebouwen schonken aan de Diaconie.
Heden ten dage bestaat diaconale zorg uit het ondersteunen van daklozen en drugsverslaafden en de opvang van asielzoekers en migranten zonder verblijfsrecht. Er lopen projecten als de Sociale Kruidenier, waar mensen die afhankelijk zijn van de Voedselbank Amsterdam hun boodschappen kunnen doen. Bureau Straatjurist is een juridisch steunpunt voor Amsterdamse dak- en thuislozen, die vaak door instanties van het kastje naar de muur worden gestuurd. Een derde project is SocialStart, dat traineeships (leerplekken) biedt over sociaal ondernemerschap voor sociaal bewogen jonge mensen, die vaak moeilijk aan werk komen op hun vakgebied.

Heilige Timon
We beginnen in de Weesperstraat bij de ingang van de Hoftuin en het Monument van Joodse Erkentelijkheid van beeldhouwer Job Wertheim uit 1950 (1). Lang zal dit monument er niet meer staan: het verhuist naar het Van Overloopplantsoen in de naburige Plantage. Op deze plek komt het Holocaust Namenmonument.
De volgende stop is de Hodshonhof aan de Nieuwe Keizersgracht (2), gebouwd met de schenking van J.F.A.M. Witsen baron Straalman in 1876. Het pand, genoemd naar zijn moeder Magdalena Hodshon, was bestemd voor de huisvesting van tien echtparen vanaf 50 jaar. In 1970 verlieten de laatste bewoners het huis en gingen er verpleegsters wonen, werkzaam in het bejaardenhuis Amstelhof. Sinds 2008 bewoont een zogenoemde Timon Woongroep de Hodshonhof.
De heilige Timon (overleden ca. 70 na Chr.) was een van de zeven diakenen die door de apostelen werden aangesteld om te zorgen voor de armen in de eerste christengemeente in Jeruzalem. De woongroep bestaat uit 'kernbewoners' en 'meewoners'. De meewoners zijn 18+ jongeren die een sociaal netwerk en professionele begeleiding nodig hebben. De kernbewoners bieden deze jongeren vanuit hun christelijke levensvisie een luisterend oor, veiligheid en structuur. Ze treffen elkaar in de gezamenlijke woonruimte 'Tante Leen', niet genoemd naar de populaire Amsterdamse zangeres, maar naar Magdalena Hodson.
Naast de Hodsonhof bevindt zich een van de twee zijingangen van de Hoftuin, maar eerst is daar de Van Limmikhof uit 1895 (3). Het gebouw is geschonken door de diaken Nicolaas Jacobus van Limmik, ter herinnering aan zijn zoon Nicolaas Jacobus jr. (overleden in 1894) en zijn dochter Anna Maria – die nauw bij het reilen en zeilen betrokken was, en zelf de helft van de bewoners mocht aanwijzen. De Stichting bood onderdak aan twaalf bejaarde echtparen en minimaal vijftien bejaarde mannen of weduwnaars, ouder dan 55 jaar. De bewoners moesten een eigen inkomen van minstens f 2,50 per week hebben, en lid zijn van een begrafenisfonds.

Amstelhof
De voordelen waren groot: "Geplaatst zijnde, genieten zij behalve vrij wonen, de gehuwden eene maandelijkse toelage groot fl. 20,00 en de mannen voeding en verpleging. Dat eene plaats op deze Stichting door velen begeerd wordt, kan licht worden nagegaan, er zijn dan ook immer candidaten te over." In 1970 verhuisden de laatste bewoners naar het bejaardenhuis Osdorperhof en kregen directie en administratie van de Amstelhof hier hun kantoren. Inmiddels is er het Kerkelijk Bureau van de Protestantse Kerk Amsterdam gevestigd, evenals het Protestants Jeugdwerk Amsterdam, galerie Outsider Art en een vergadercentrum van zorginstelling Cordaan.
Terug op de Nieuwe Keizersgracht passeren we het oorlogsmonument De Schaduwkade uit 2013 (4). Uit de huizen aan de overkant werden in de Tweede Wereldoorlog 185 mensen weggehaald, van wie er slechts dertien de oorlog overleefden. Hun namen zijn aan deze zijde van de gracht aangebracht in de hardstenen band langs het water, gegroepeerd rond hun huisnummer tegenover het huis waarin ze woonden.
Voorbij de zijingang van de Hermitage Amsterdam slaan we bij de Amstel rechtsaf en komen zo bij de hoofdingang van het museum (5), voorheen de Amstelhof uit 1681, een tehuis voor hulpbehoevende bejaarden. Meer dan driehonderd jaar woonden hier oude Amsterdammers, aanvankelijk alleen vrouwen (daarom wel 'Besjeshuis' geheten), vanaf 1719 ook mannen. Stadstimmerman Hans Jansz. van Petersom en architect Elias Bouman waren waarschijnlijk verantwoordelijk voor het ontwerp van het monumentale pand, dat dankzij een legaat van koopman Barend Helleman en de schenking van de bouwgrond door het stadsbestuur kon worden gebouwd.

Bloeimaand
Er zijn mooie anekdotes te vertellen over de Amstelhof. Eén gaat over de Franse keizer Napoleon Bonaparte, die in 1811 naar Amsterdam kwam. De 'kleine korporaal' vond dat er ter ere van zijn bezoek een bal georganiseerd moest worden. Een plek had hij ook al: de kerkzaal van dit bejaardentehuis. Te druk voor de senioren, vond de Diaconie en zei nee.
Er was ook kritiek op de behandeling van de bewoners. Herman Heijermans liet zijn toneelstuk Bloeimaand (1905) gedeeltelijk in de Amstelhof afspelen. Grootmoeder Koosje legt uit waarom zij een klacht over de kou en het donker in het huis toch maar weer inslikt: "Dat heb 'k wel is wille zegge an regentesse-dag, maar as je je voet op de drempel heit, trek-ie 'm gauw weer terug, want als je wat zeit an de regentesse, mot de huismeester komme en dan kenne ze je zo pèste, zo pèste, dat je 't bezuurt tot je in je houte palletootje [kist] leit." Heijermans licht in een nawoord toe dat hij met dit stuk "de jammer van duizenden ouwetjes, mishandeld, weldadig gekooid" wilde verwoorden.
De laatste jaren deed het gebouw dienst als verpleeghuis, totdat rond 1990 definitief kwam vast te staan dat de Amstelhof niet langer voldeed aan de eisen van de tijd en zou moeten verhuizen. De Diaconie besloot dat het complex een brede, stedelijke sociaal-culturele bestemming diende te krijgen; in februari 1999 ging de gemeenteraad over tot aankoop. De laatste bewoners van het verpleeghuis vertrokken in maart 2007 naar twee nieuwbouwprojecten in Diemen en Nieuw-Vennep. Amstelhof en het aan de Nieuwe Herengracht gelegen gebouw Neerlandia werden tussen 2007 en 2009 naar een ontwerp van architect Hans van Heeswijk verbouwd tot museum de Hermitage Amsterdam, een dependance van de Hermitage in Sint-Petersburg. De overige gebouwen op het terrein bleven in bezit van de Diaconie.

Geschenk
Voor de brug die naar Walter Süskind is vernoemd (6) – als medewerker van de Hollandsche Schouwburg hielp hij 600 Joodse kinderen te ontsnappen – gaan we naar rechts de Nieuwe Herengracht op, lopen langs de ingang van gebouw Neerlandia (7) – de Hermitage voor kinderen – en komen bij de Corvershof, ontworpen door de architect Steven Vennecool (8). Boven de ingang staat op een gevelsteen te lezen: "Zoo weldoen dank verdiend, en Armen zorg belooning / Druipt Corvers naam, en Trips op yeders tong als honing; / Door wiens geschenk, en wil dit Godshuis is gebouwt, / Dat met haar Wapens pronkt, hun naam onsterfelijk houd."
Jan Corver en zijn vrouw Sara Maria Trip (hij was schepen en kolonel bij een regiment van de Amsterdamse schutterij, zij dochter van burgemeester Jan Trip) stierven jong en kinderloos. Jan in 1719 op z'n 31ste, Sara 1721, toen 27. Ze bestemden een deel van hun vermogen voor de bouw van een hofje voor de opvang van arme oudere stadgenoten. Ze wezen de Diaconie aan als erfgenaam en die liet in 1723 achter het oude mannen- en vrouwenhuis het Corvershof bouwen. In de gevel lieten de diakenen naast de familiewapens van de stichters drie 'korven' en drie 'trippen' (houten schoeisel) aanbrengen.
Eeuwenlang huisveste het Corvershof echtparen die niet meer voor zichzelf konden zorgen. De man moest ten minste 60 jaar zijn en de vrouw 55; bovendien moesten zij lid zijn van de Nederlands Hervormde Kerk. In 2006 verhuisde de Protestantse Diaconie Amsterdam van een kantoorpand bij het Vondelpark naar hier. Ook biedt de Corvershof ruimte aan sociale ondernemers en beginnende organisaties die zich herkennen in de kernwaarden van de Diaconie: barmhartigheid en gerechtigheid.

Krekelhuis
Vlak na de Corvershof vinden we de entree van een verborgen schat in Amsterdam Centrum: de Hoftuin, een sfeervolle binnentuin, oorspronkelijk een 'boomgaard' bij de Amstelhof (9). De tuin is in 2009 heringericht door Bureau Mien Ruys en overdag vrij toegankelijk. Er staan zeven kunstwerken van Tineke Smith uit 1998, die de zeven werken van barmhartigheid verbeelden: de hongerigen spijzen, de dorstigen laven, de naakten kleden, de vreemdelingen herbergen, de zieken verzorgen, de gevangenen bezoeken en de doden begraven. Het gebouwtje hier, waarvan de eerste steen werd gelegd in 1895, was lange tijd het mortuarium (knekelhuis) voor de tehuizen er omheen. Het heet nu Krekelhuis (10). Voor een glaasje of een hapje kan de bezoeker terecht bij Dignita, bij mooi weer op het terras. Voor we de tuin verlaten waar we binnenkwamen, gaan we eerst nog even naar de galerie voor 'outsider art' op het Neerlandiaplein, ietsje links (11). Weer op de Nieuwe Herengracht rechtsaf: het laatste pand van Amstelhoven (12).
De eerste steen werd in 1789 gelegd door Jan van Mekeren, weduwnaar van de vrouw die de bouw mogelijk maakte: Johanna van Mekeren-Bontekoning (1721-1789). Tijdens de bouw is een gevelsteen ingemetseld met de tekst: "De milde liefde van Johanna Bontekoning/ Gaf Jezus arme lién dit nuttig huis ter woning..." Twee jaar later arriveerden de eerste bewoners: vrouwen tussen de 21 en 50 jaar "die aan zoodanige ongeneeslijke kwalen lijden dat zij niet in staat zijn in hun eigen onderhoud te voorzien". Zij werden 'bestedelingen' genoemd, omdat ze tot dan toe aan particulieren waren 'uitbesteed'. Het Bestedelingenhuis was sober. De vrouwen moesten vaak uit ruimtegebrek het bed met elkaar delen.

Ambities
Sinds 1967 was de Amstelrank het verpleegstershuis van de Amstelhof, om in 2005 weer een diaconale bestemming te krijgen. Bovenin wonen de huismeesters en op de tweede verdieping is het Mission House gevestigd, waar jongeren uit heel Europa wonen die als vrijwilliger werken bij verschillende diaconale projecten in de stad. Op eenhoog vinden we Dokters van de Wereld, een organisatie die opkomt voor het universele recht op gezondheid, met als belangrijkste speerpunt toegang tot gezondheidszorg voor mensen die hiervan uitgesloten zijn, zoals migranten zonder verblijfspapieren. Beneden zit het Wereldhuis. Hier komt de hele wereld samen. Het is een centrum voor advies en scholing voor mensen zonder verblijfsvergunning.
Bij de Diaconie werken 27 mensen, naast een paar honderd vrijwilligers; hun werk wordt (nog altijd) mogelijk gemaakt door giften, collectes en bijdragen van fondsen. Arend Driessen is er sinds 1994 Coördinator Projecten: "De Diaconie is op allerlei manieren en op allerlei plaatsen in de stad aanwezig. We willen een schakel vormen tussen kerk en samenleving, arm en rijk, tussen mensen die meetellen en die niet meetellen. In deze tijd is het meer dan ooit nodig dat we opkomen voor mensen die buiten de boot dreigen te vallen. In dit centrum willen we mensen met elkaar verbinden en de komende tijd zien we het als een opdracht deze functie te versterken. Het zou mooi zijn als het zou uitgroeien tot een soort diaconale campus."

KO VAN GEEMERT IS JOURNALIST.
IN DIT ARTIKEL IS GEBRUIKGEMAAKT VAN WANDELEN DOOR DE HOF VAN (H)EDEN, KENNISMAKEN MET DE PROTESTANTSE KERK AMSTERDAM UIT 2009 EN EEN HUIS DER RUSTE EN EEN VOORPORTAAL VOOR EEN EEUWIG HUIS, DOOR AREND DRIESSEN (2011).

 

Bloemengodin van de Lage Landen Inhoud-5-tekening-bloemenhof

Agneta Block (1629-1704) bouwde aan de Vecht een klein paradijs voor haar grote passie: het kweken van exotische planten. Wat de heren geleerden in Leiden en Amsterdam konden, dat kon zij ook, daar op de Vijverhof - en beter. Ze werd er een nationale beroemdheid door. 

Joost van den Vondel schreef in 1648 een huwelijksgedicht voor de 19-jarige Agneta Block, die trouwde met zijn neef Hans de Wolff. Zij was aanvankelijk helemaal niet in de liefde geïnteresseerd. "Agnes' hart lagh hardt bevrozen", schreef Vondel. Zij ontweek het huwelijk "als Spinnen, en venijn". Zocht geen "wulpsch vermaeck", maar richtte zich "op lof, en deught" en "hielt gespreck met stomme boecke/ Stichters van haer stille jeught: Van de weerelt afgescheiden/ In haer kamer en vertreck". Agneta had een andere liefde: de botanie.
De jonggehuwde vrouw werd een uiterst serieuze studente van de botanie. Zij vulde haar dagen met studeren en had weinig op met verjaarspartijtjes. "AGNES, staek nu 't onderzoeken/ En gesprek met stomme boeken./Teken bloemperk noch prieel./ Besig potloot, noch penseel,/ Pen, noch in[k]t, noch waterverven/ 't Is nu tijt de kunst te derven." Aldus alweer Vondel, nu bij haar 39ste verjaardag in 1668.
Agneta (ook wel: Agnes) Block werd geboren in Emmerik, in een doopsgezinde familie. Vader Arend Block (inmiddels lakenhandelaar in Haarlem) en moeder Ida Rutgers overleden toen de kinderen nog jong waren, waarna Agneta met haar broers en zusjes werden ondergebracht in Amsterdam bij Ida's zuster, Suzanne de Flines. Daarmee kwam ze in een hecht netwerk van doopsgezinde families terecht.
Op haar negentiende trouwde Agneta met de zijdehandelaar Hans de Wolff, die al een zoon had. Vondel - ook een emigrant en destijds nog doopsgezind -kwam graag bij hen op bezoek in de Warmoesstraat 96. Hij had de gewoonte om "alle weken, des vrijdags 's middags, ter maaltijd te gaan, wel veertien of vijftien jaren lang: ook na [Wolffs] dood bij de weduwe", schreef zijn eerste biograaf Gerard Brandt. Hun huis grensde aan de achterzijde direct aan het water en had geen tuin. Agneta zal zich daar nog niet veel met botanische experimenten hebben kunnen bezighouden. Dat veranderde toen zij in 1668 verhuisden naar de Herengracht (162), een huis met een ruime groenten- annex siertuin.

Erfenis
Twee jaar later overleed Hans de Wolff en erfde Agneta Block een aanzienlijk bedrag, daarbij ook "den gehelen inboel ende huijsraad". Als weduwe had ze nu misschien wel meer sociaal-maatschappelijke zelfstandigheid dan al die jaren als echtgenote. Ook wanneer zij hertrouwde bleef de erfenis in haar bezit, die ging niet over op haar nieuwe man. Dankzij deze sociale status kon zij zich economisch ontplooien en werd zij zakelijk gelijkgesteld aan de man. Vrouwen in de Republiek onderscheidden zich hierin van vrouwen in andere landen.
De weduwe Block bezat nu de middelen om zich volledig aan de botanie te wijden. Die keuze was niet ongewoon. Al eerder hadden zich vrouwen gespecialiseerd in de plantkunde, een van de weinige 'wetenschappen' waarin vrouwen en mannen als gelijken aan konden werken. De botanie was een populaire bezigheid in doopsgezinde kringen. Waarschijnlijk kwam Agneta ermee in contact door haar schoonmoeder, Clementia van den Vondel (zus van de grote dichter), een ijverige kweker.
Zij had in 1635 een buitenhuis in de Purmer gekocht met een boerderij en boomgaard, en ook zij genoot veel sociale vrijheid na het overlijden van haar echtgenoot, Hans de Wolff sr. Ook Agneta's stiefzoon Pieter de Wolff was een kweker. Hij bouwde in de Purmer de buitenplaats Wolf en Hoeck, waar hij volgens de botanicus Jan Commelin in 1672 in zijn oranjerie een 'Calabrische Limoen' tot een rijpe vrucht wist op te kweken.
In 1674 trouwde Agneta opnieuw, nu met de zijdehandelaar Sybrand de Flines (1623-1697), een neef van haar pleegmoeder. Zijn jongere broer Philips was textielhandelaar en stond bekend om zijn grootse kunstcollectie, verzameling naturalia en uitgebreide bibliotheek met botanische werken. Ook Philips bezat een buitenhuis met oranjerie, in Haarlem, waar hij als eerste in Nederland een agave tot bloei bracht. Hij woonde in huis Messina (Herengracht 164), vlak naast Agneta Block en haar eerste echtgenoot Hans de Wolff.

Oranjerie
Van haar erfenis kocht Agneta in 1670 op de veiling een "hofsteede groot omtrent veertien en een halve morgen, leggende aan de Vecht in de jurisdictie van Loenen" en liet er de buitenplaats Vijverhof aanleggen, met uitgebreide bloemperken, een bloementuin en een moestuin. Alles was omgeven door een sloot met brug. Ook moeten er nog een 'oranjehuis' [oranjerie] met enkele broeikassen, een theekoepel, boomgaarden, koetshuizen en vijvers zijn geweest. Niets van dit exotische paradijs is meer te zien: begin 19de eeuw zijn het buitenhuis en de tuin gesloopt.
Agneta was zeer actief - en niet alleen als hobbyist. Ze kocht en verkocht land, handelde in vee, bouwde aan haar botanische tuinen. De oranjerie met de broeikassen was een belangrijk pluspunt: het cultiveren van exotische planten onder de koude omstandigheden in het noorden van Europa prikkelde al in de 16de eeuw het verlangen van veel botanici. De Hortus Botanicus in Leiden was in 1599 een van de eerste tuinen in Europa die een galerij bezat waarin de botanici een open vuur gebruikten om de ruimte te verwarmen en zo de gevoelige planten in de winter te kunnen onderhouden. Deze broeikassen waren alleen niet geschikt voor tropische planten. De Nederlandse botanici waren waarschijnlijk de eersten die begrepen dat tropische gewassen om goed te kunnen gedijen behalve warmte ook veel zonlicht nodig hadden.
Omstreeks 1684 introduceerde Jan Commelin een geavanceerde tropische broeikas in de Hortus Medicus van Amsterdam. De kachels die botanici voorheen gebruikten om een kas te verwarmen, produceerden een te droge warmte, waardoor de gevoelige planten konden uitdrogen. Zijn 'moderne' broeikas had vensters die van boven tot onder doorliepen, zodat meer zonlicht de planten kon bereiken. Aan de bovenzijde van de vensters waren vaak smalle 'daken' van hout of ander zonwerend materiaal bevestigd om het zonlicht te kunnen reguleren. Stenen rookkanalen in de vloeren en muren verwarmden de kas gelijkmatig. De temperatuur van de broeikas kon naar achttien graden Celsius, zonder de gewassen bloot te stellen aan open vuur. Welgestelde particulieren met een diepe beurs en een groot netwerk lieten zulke broeikassen bouwen om zelf te kunnen experimenteren met exotische gewassen. Zo ook Agneta. Zij richtte zich op de ananas.

Ananas
De ananas was al aan het eind van de 16de eeuw in de Republiek een bekende vrucht. In 1636 nam de hortus in Leiden voor het eerst de ananas op in een catalogus: het ging in dit geval om volgroeide vruchten die met de handelsschepen waren meegekomen. Nog geen halve eeuw later kwam vanuit Suriname de eerste ananasplant naar de Amsterdamse hortus, maar de techniek om de zaden in de vrucht te laten rijpen, ontbrak nog. Er ontstond een zekere competitie tussen de Leidse en de Amsterdamse hortus en ook tussen privékwekers.
Een belangrijke concurrent van Agneta Block was Pieter de la Court van der Voort (1664-1739), een lakenhandelaar uit Leiden. Op zijn landgoed Meerburg wist hij rond 1700 ook een rijpe ananas te kweken. Hij maakte vooral in het buitenland goede sier met zijn prestaties. In 1721 schreef hij een brief aan tsaar Peter de Grote waarin hij vermeldde dat hij hem een ananas zou sturen, een uitwisseling van geschenken zoals dat in aristocratische relaties gebruikelijk was. Maar: Agneta was hem voor geweest.
Het kweken van een ananas was voor Agneta als vrouw van buitengewoon groot belang. Vrouwen konden niet naar de universiteit en evenmin deelnemen aan officiële genootschappen. Zij was aangewezen op informele, persoonlijke contacten - en stond zich daar ook op voor. Ze beroemde zich er in 1687 op dat tweehonderd van de vier- à vijfhonderd planten in haar collectie afkomstig waren uit haar internationale netwerk. Ook wisselde zij zaden en wortels uit met Joseph Pitton de Tournefort, een hoogleraar in Parijs, en correspondeerde zij met de Italiaanse botanist Lelio Trionfetti, die haar belangrijkste contactpersoon in het buitenland werd.
Trionfetti was in Bologna voorzitter van het wetenschappelijk instituut. De correspondentie tussen hem en de Amsterdamse botaniste begon op 23 augustus 1686, een jaar voordat zij haar ananas wist op te kweken. Zelf sprak of schreef Agneta geen Italiaans; haar neef Anthonie Block wierp zich op als vertaler. In haar brieven profileerde ze zich terecht als een amateur die zich kon meten met professionele botanici.

Grande dame
Ze bezat planten die ook te vinden waren in de Hortus Botanicus van Leiden en claimde dat ze in één jaar tijd meer dan tweehonderd zaden tot rijpheid te had gekweekt. Ze was ze op de hoogte van de laatste wetenschappelijke botanische ontwikkelingen en bezat vakliteratuur in allerlei talen, ook al schreef ze aan Trionfetti dat ze haar boeken in het Latijn, Italiaans en Frans niet kon lezen, maar alleen gebruikte voor afbeeldingen en namen. In 1686 stuurde ze hem 52 verschillende Indische planten die ze ontvangen had.
Het ging Agneta in de wedloop naar de ananas om het wetenschappelijk succes, natuurlijk, maar bovenal om het aanzien dat ze zou verwerven als ze de eerste was. Toen ze haar doel bereikt had, maakte ze dat op grootse schaal bekend. De Amsterdamse schilderes Alida Withoos kreeg in 1687 de opdracht de fameuze ananas te tekenen. Het bijschrift luidde: "Ananas Linscotti, bijna rijpe vrugt, in wat minder als levens groote, van Alida Withoos na 't leven, anno 1687". De tekening is inmiddels verdwenen.
Op een groot portret uit 1694 van zichzelf en haar man en twee kinderen, door Jan Weenix, toont ze zich als een grande dame van de wetenschap. Op de achtergrond ligt Vijverhof, in het midden een volière, links naast het jongetje de fameuze ananas en voor zijn voeten een zeldzame cactus, verder schelpen, opgezette vlinders, beelden, een tekening van een vogel, boeken en een schilderij.
De eerste ananas zou ze hebben opgedragen aan de Staten van Utrecht, met de opdracht er een gedenkpenning van te maken. Die werd in 1700 ook gemaakt, door Jan Boskamp. Aan de voorzijde staan haar portret en naam, en de vermelding 'Flora Batava'. De keerzijde toont de godin Flora, de Vijverhof, een ananas en een Latijns opschrift dat vertaald luidt: "Kunst en arbeid vermogen waar de natuur in gebreke blijft". Ofwel: dankzij mensen als Agneta krijgt de natuur een duwtje in de goede richting.

Bloemenboeken
Haar verzameling liet Agneta nauwkeurig documenteren. Wetenschappers waren in die tijd voor hun onderzoek afhankelijk van natuurgetrouwe afbeeldingen 'ad vivum' ('naer het leven'). Er bestond nog geen consequente manier om planten namen te geven en afbeeldingen in catalogi waren vaak niet voldoende gedetailleerd. De behoefte aan werkelijkheidsgetrouwe illustraties was groot. Amateurs bedreven in de schilderkunst maakten die voor zichzelf; welgestelden als Block namen professionele kunstenaars in dienst. Zij liet van haar collectie planten ongeveer 400 aquarellen maken door een twintigtal kunstenaars, specialisten in het afbeelden van botanische en zoölogische objecten. De afbeeldingen verzamelde ze in 'konstboeken', drie bloemenboeken en één vogelboek.
Herman Saftleven had voordat zij zich op Vijverhof vestigde al meer dan honderd bloemen voor haar geschilderd. Tussen 1695 en 1697 gaf Agneta Block opdracht aan Maria Sibylla Merian en haar dochter om een aantal van haar gewassen na te schilderen. Twee jaar later reisde Merian naar Suriname om tropische insecten en gewassen met eigen ogen te gaan aanschouwen. Het Rijksmuseum bezit een van de bloemenboeken van Agneta Block, een groot in leer gebonden album, 193 foliobladen dik en met een sierlijke handgeschreven index. Op de rug van het album is de titel Bloemen nae 't leven Gedaen te lezen.

Agneta Block overleefde ook haar tweede echtgenoot en stierf op 20 april 1704, in het huis van haar nichtje Ida de Neufville en haar man aan de Keizersgracht, 74 jaar oud. Ze had lang geworsteld met de vraag wie haar erfgenaam zou worden. Haar testament bepaalde dat wie Vijverhof verwierf de "kunst van vogeltjes, planten, kruiden ende andere gewassen, met waterverf gedaan of geschilderd" in de hofstede moest bewaren. Het liep anders. Geen van haar neven en nichten wilde de buitenplaats uit de erfenis kopen. De Vijverhof werd verkocht en haar verzameling tekeningen en aquarellen raakte verspreid.

CARLIJN VAN DER BAAN SCHREEF HAAR BACHELORSCRIPTIE OVER AGNETA BLOCK, DIE IN 2017 WERD ONDERSCHEIDEN MET DE SKRIPTIEPRIJS VAN HET HISTORISCH TIJDSCHRIFT SKRIPT.
INMIDDELS HEEFT ZIJ HAAR MASTER GESCHIEDENIS BEHAALD AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM.

 

Spykers snelheidsmonster 

4WD en 4x4. Vierwielaandrijving? Dat is zo'n robuust en hoekig werkpaard met grote banden van Jeep of Land Rover. Toch? Wie denkt er dan aan Amsterdam en aan Spyker? Aan de Spyker 60HP uit 1903, die bijna veertig jaar eerder uit de fabriek rolde dan de eerste Jeep!

Ze hebben grote ambities, Hendrik-Jan en Jacob Spijker, rijtuigenmakers sinds 1880 en vanaf 1900 ook autobouwers. Hun bedrijf groeit in rap tempo, de internationale markt lonkt. De broers veranderen de 'ij' in een 'y' en construeren de revolutionaire Spyker 60HP Four-Wheel Drive Racing Car 1903. Het Amsterdamse Spyker aan de Stadhouderskade heeft een wereldprimeur: de eerste benzineauto met permanente vierwielaandrijving, een zescilinder motor en een vierwielremsysteem. Een waar snelheidsmonster in die tijd, met een 8.8 literblok en een top van 110 kilometer per uur, dat dankzij het vierwielremsysteem ook nog eens veel sneller stil staat dan de concurrenten. Achterop de auto is zelfs een bordje gemonteerd met de tekst: 'Pas op 4!'. Afstand houden is de boodschap, je knalt er zo op.
Twintig jaar eerder rollen nog slechts koetsen uit de eerste werkplaats, aan het Stationsplein in Hilversum, die al snel te weinig ruimte biedt. De overstap naar Amsterdam wordt in 1886 gemaakt: Stadhouderskade 114 is het nieuwe adres van de Rijtuigenfabriek v/h Gebr. Spijker. Ruim tien jaar later mag Spijker de Gouden Koets bouwen voor de inhuldiging van koningin Wilhelmina. Onder de naam Industriële Maatschappij Trompenburg krijgt de fabriek nu ook een autoafdeling. Met een licentie van de Duitse firma Benz worden als Spijker-Benz de eerste auto's geassembleerd. Tegelijkertijd verrijst op de plek van de voormalige hofstede Trompenburg aan de Amstel een nieuwe fabriek om eigen ontwerpen te produceren. In 1900 rijdt de eerste Spijker naar buiten, een tweecilinder van twee of vijf pk. Op de allereerste tentoonstelling van de Rijwiel- en Automobiel Industrie (RAI) in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam toont de kersverse autofabrikant maar liefst nog zeven exemplaren.

Opschudding
De 60HP is gebouwd voor de race Parijs-Madrid, die in 1903 voor het eerst wordt gehouden. Jammer genoeg is de auto niet op tijd klaar. Wel staat hij in december 1903 op de Salon de l'automobile de Paris, waar de beweerde topsnelheid van 110 kilometer voor veel opschudding zorgt. De 60HP zal nooit in productie komen, maar wordt wel met een geknepen motor van 50 pk verkocht aan particulieren. Niet lang, want de prijs is hoog en de verkoopcijfers vallen tegen.
De introductie van de 60HP komt op een moment dat de meeste auto's nog twee aangedreven wielen hebben. De vierwielaandrijving - dankzij een extra as die ook de andere twee wielen met de motor verbindt - zorgt voor meer grip en dus een betere acceleratie. Het bewijs wordt geleverd tijdens de Birmingham Heuvelklim in 1906. De regen valt met bakken uit de lucht en terwijl de concurrentie beneden blijft steken, klimt de Spyker gemakkelijk omhoog.
De vierwielaandrijving heeft ook een groot minpunt. Scherpe bochten zijn lastiger te maken, omdat de voor- en achterwielen met elkaar in verbinding staan en dus even snel draaien. Om snel door de bocht te kunnen is het juist van belang dat voor sneller gaat dan de achter. Als de 60HP snel de bocht neemt, kan de druk op het systeem zo groot worden dat het breekt - dat gebeurt dan ook meer dan eens. Latere modellen van Spyker hebben dan ook geen vierwielaandrijving.
Maar de vierwielaandrijving maakt wel iets los in de autowereld. Zo legt Daimler Motoren Gesellschaft (later gefuseerd met Benz & Cie tot Mercedes-Benz) in 1904 de basis voor een vierwiel aangedreven militair voertuig. Regelmatige toepassing laat nog even op zich wachten, maar met name na de Eerste Wereldoorlog worden auto's met vierwielaandrijving geproduceerd voor bijvoorbeeld het leger, de bouw en het sneeuwvrij maken van wegen. Later komt er ook inschakelbare vierwielaandrijving en tegenwoordig is er zelfs een variabele variant, dat wil zeggen aandrijving van de wielen afzonderlijk.

Imago
In Engeland oogst Spyker veel lof en krijgt de bijnaam Rolls-Royce van het continent. Maar hoe vooruitstrevend het imago ook is, de verkoopresultaten vallen zwaar tegen. En 1907 en 1908 zijn rampjaren: eerst overlijdt Hendrik-Jan bij een scheepsramp, dan gaat het bedrijf failliet. Ook na een doorstart blijft zakelijk succes uit. Ronald Kooyman, directeur van het Louwman Museum, waar de 60HP staat, weet waarom. "Een Spyker was brandduur, vijf keer het jaarinkomen van een arbeider. De fabriek richtte zich echt op de happy few. Koningin Wilhelmina bestelde in 1911 haar eerste Spyker, met vloerverwarming. Dat luxe imago zie je af aan de schitterende affiches."
Vlieger Henri Wijnmalen neemt in 1915 het bedrijf over. Door de Eerste Wereldoorlog stort de vraag naar personenauto's in elkaar. Wel bouwt hij in die jaren honderd gevechtsvliegtuigen en tweehonderd vliegtuigmotoren. Na de oorlog maakt Spyker nog personenauto's, bussen, vrachtwagens en racewagens, maar een faillissement dreigt voortdurend en op 26 mei 1926 valt het doek definitief. In totaal heeft Spyker dan ruim 1500 auto's geproduceerd, waarvan er naar schatting nog vijftien zijn overgebleven. Sinds 1999 bestaat Spyker Cars - ook dit bedrijf richt zich op (nu Amerikaanse) welgestelden en verkeert voortdurend in zwaar financieel weer.

DANIËL SCHINKEL IS JOURNALIST EN TEKSTSCHRIJVER.

Header: Een foto van badgasten op het Stenen Hoofd in het Afgesloten IJ, ook wel Westerdoksdijk 44 met strand Amsterdam Plage (2006). Foto afkomstig uit het Stadsarchief van Amsterdam.

Delen:

Editie:
Mei
Jaargang:
2018 70
Rubriek:
Inhoud
Tijdperk:
Vanaf 2000