Nummer 5: Mei 2008

052008_Cover



Op het omslag: Toegestroomde fans zwaaien op 6 juni 1964 op de Kloveniersburgwal naar de Beatles. Wim van der Linden / MAI.

- Kunstenaars in ballingschap
- Jaren zestig in zwart-wit
- De dag dat Sally verdween
- Admiraal De Ruijterweg
- Rusten of ruimen




Kunstenaars in ballingschap
Duitse vluchtelingen vestigden zich in Amsterdam
Tekst: Marcella van der Weg

052008_ExilVeel artiesten, kunstenaars, filmmakers en schrijvers vertrokken in 1933 uit Duitsland en Oostenrijk. Verscheidene vluchtelingen en vrijen van geest vestigden zich in Amsterdam. Van schrijver Klaus Mann tot zangeres Dora Gerson en van schilder Max Beckmann tot theatermaker Rudolf Nelson: allen woonden en werkten hier.
Na Hitlers machtsovername, begin 1933, pakte de populaire joodse zanger Joseph Schmidt zijn biezen en vluchtte uit Berlijn. Hij toerde door Europa en ook in Nederland was ‘de dwerg met de reuzenstem’ een graag geziene gast. In de Amsterdamse jodenbuurt, zo meldt zijn biograaf Carl Ritter met enige pathos, werd Schmidt zich pas echt bewust van zijn identiteit. Uit een gevoel van dankbaarheid en sympathie ten opzichte van allen die zich in Nederland het lot van de ontheemden en vervolgden aantrokken, zette hij ‘Ik hou van Holland’ op de plaat. Het lied werd een groot succes, maar Schmidt en zijn lotgenoten werden niet altijd met open armen ontvangen in dat “landje aan de Zuiderzee.”
Met Schmidt vertrokken er in 1933 en in de jaren die daarop volgden, duizenden artiesten, kunstenaars, filmmakers en schrijvers uit Duitsland en Oostenrijk. Joden konden er geen werk meer krijgen, politieke tegenstanders werd het te heet onder de voeten en de vrijen van geest voelden zich beknot door de Kulturpolitik van de nazi’s. De schilder Max Beckmann zei na zijn vlucht naar Amsterdam dat hij nooit met politiek bezig was geweest. “Ik heb alleen gepoogd mijn wereldbeeld zo intensief als het mij mogelijk was te realiseren.” Dat was voor de nazi’s al erg genoeg. De auteur Klaus Mann (zoon van Thomas) vertrok uit principe, uit diepe weerzin tegen de ‘barbarij’. Toch zag hij zichzelf niet als een ‘vrijwillige’ emigrant. Want “wij konden niet terug (...) In ons vaderland dreigde de dood door verstikking.” In steden als Parijs en Amsterdam konden Mann en zijn lotgenoten voorlopig nog vrijuit ademen.

Zelden berooid
Emigranten uit de creatieve beroepen kwamen zelden berooid of uitgeput aan in Amsterdam. Dikwijls bestonden er al contacten met bijvoorbeeld Nederlandse uitgevers of collega’s, die het (vaak tijdelijke) verblijf in de stad vergemakkelijkten. Wel gold óók voor deze vluchtelingen dat ze moesten bewijzen over voldoende middelen te beschikken om niet ‘tot last van de staat’ te vervallen. Maar daar kon een mouw aan worden gepast. Zo gingen joodse leden van het Ping-Pongcabaret om beurten met dezelfde drie geleende briefjes van honderd bij de vreemdelingenpolitie langs.
Sommigen kregen een ronduit groots onthaal. Theatermaker Rudolf Nelson werd door een menigte journalisten in het Centraal Station opgewacht en betrok een grote suite in het Schillerhotel. Regisseur Max Ophüls maakte het zichzelf geriefelijk in het Amstel-hotel. Hij was door Will Tuschinski naar Amsterdam gehaald voor de regie van ‘Komedie om geld’, maar hij maakte weinig haast met de film. Tot woede van Tuschinski, want dat kostte hem handen vol geld. Maar dat interesseerde de regiseur niet; hem interesseerde slechts de kwaliteit van de film.
Journalist en schrijver Joseph Roth interesseerde zich wel voor geld – hij had er dan ook voortdurend gebrek aan. Want de meeste exil-kunstenaars wachtte niet zo’n vorstelijke ontvangst als Nelson en Ophüls. Roth reisde de eerste keer met geleend geld naar Amsterdam en verbleef drie dagen zonder te eten in het American hotel. Zijn afspraak met Emanuel Querido – van wie hij een voorschot verwachtte – was niet doorgegaan. Bij volgende verblijven logeerde hij in het bescheidener hotel Eden.
Amsterdam bereidde uitgeweken schrijvers een warm welkom – of die schrijvers nu in de stad neerstreken of niet. De vriendschappelijk rivaliserende Amsterdamse uitgevershuizen Querido en Allert de Lange wierpen zich zo’n beetje op als de redders van de Duitstalige literatuur in ballingschap. Ze gaven niet alleen boeken uit van gearriveerde schrijvers als Lion Feuchtwanger, Arnold Zweig en Erich Maria Remarque, maar waagden zich ook aan uitgeweken debutanten als Konrad Merz (pseudoniem van Kurt Lehmann). Zijn eersteling droeg de veelzeggende titel Ein mensch fällt aus Deutschland, over het ellendige bestaan van een vluchteling uit Berlijn, die het, met heimwee in zijn hart, maar zonder paspoort en werkvergunning in Amsterdam moet zien te rooien.
Ook andere auteurs schreven over (de zin van) het exil, zoals Klaus Mann in Der Vulkan. Tijdens de eerste jaren van zijn ballingschap verbleef Mann in diverse landen, maar Amsterdam was zijn ‘hoofdkwartier’. Hij bivakkeerde onder meer in pension Hirsch in de Van Eeghenstraat waar hij een “bescheiden maar niet oncomfortabel” onderkomen had gevonden. Het viel hem om op dat veel schrijvers juist in ballingschap hun beste werk leverden. “De literaire oogst van het exil werd door zijn rijkdom tot een zeer indrukwekkend protest tegen het barbarenregime,” zo noteerde hij.
Volgens Mann had de schrijver in ballingschap een duidelijke, tweeledige taak: hij moest het ‘betere’ Duitsland, het Duitsland van Goethe en Schiller en van het verzet, levend houden in den vreemde én hij moest de wereld waarschuwen voor het ware gezicht van het nazisme. Daartoe gaf hij bij Querido het exiltijdschrift Die Sammlung uit, dat wegens geldgebrek slechts een kort leven was beschoren.

Gevaar nazisme
In Amsterdam werd kritiek op het bewind in Duitsland niet altijd gewaardeerd of begrepen. Toen Roth een persconferentie hield in hotel Eden, kwamen journalisten die over literatuur wilden praten bedrogen uit. Roth orakelde met grote vasthoudenheid over de vooruitgang en over de politieke situatie in Europa en het gevaar waarin ook Nederland verkeerde. Vol verwondering hoorde het journaille zijn waarschuwingen over het Duitse bewind aan. Volgens Mann hadden de Nederlanders nog geen idee met welk soort beweging ze eigenlijk te maken hadden met de nazi’s.
De leden van het Ping-Pong cabaret - onder wie de befaamde joodse zangeres Dora Gerson, die een lied niet speelde maar doorleefde - werden zelfs op de vingers getikt door de pers. Op 6 mei 1933 maakte het Amsterdamse publiek in het Rika Hoppertheater (nu Desmet) kennis met dit eerste emigrantencabaret. De cabaretiers hekelden de Duitse politiek in scherpe bewoordingen en volgens De Telegraaf gaf dat geen pas. De krant sprak de hoop uit dat de dames en heren snedigheden over een naburig regime in het vervolg achterwege zouden laten. Het Algemeen Handelsblad vond dat het cabaret misbruik maakte van de Nederlandse gastvrijheid. Ping-Pong bond uiteindelijk in. De meeste artiesten wilden het publiek niet van zich afstoten door ‘de politiek’. Bovendien waren ze ook bang dat ze bij de politie verantwoording moesten afleggen wegens belediging van een bevriend staatshoofd.
Een uitgeweken artiest als Ernst Busch voelde de gevolgen van deze neutraliteitspolitiek. Net als zovele collega’s pendelde Busch (samen met zijn vrouw Eva) tussen een aantal Europese steden. Als ‘bard van het solidariteitslied’ zong hij regelmatig voor de VARA-radio. Zijn (anti-fascistische) strijdliederen wekten echter de ergernis op van de Radio Omroep Commissie.
Op straffe van uitwijzing was het hem, en andere buitenlanders, verboden op te treden op ‘politieke bijeenkomsten’. En dat bleek volgens de Amsterdamse politie een rekkelijk begrip, zo fulmineerde een ingezonden brievenschrijver in De Groene Amsterdammer. De politie verbood Busch op te treden tijdens een avond om geld op te halen voor slachtoffers van het nazi-regime. Vanwege het woord ‘nazi’ merkte de politie de bijeenkomst als ‘politiek’ aan. De aanwezigen mochten wel zijn gramofoonplaten draaien.
Het Duitse amusementscabaret met zijn frivole schlagers, mondaine dansen en spitsvondigheden vond in Amsterdam aardig wat liefhebbers. Ook onder Berlijnse emigranten, die bijvoorbeeld met de revues van Rudolf Nelson een stukje ‘Heimat’ voorgeschoteld kregen. Nelson was op uitnodiging van zijn Nederlandse collega Louis Davids naar Amsterdam gekomen. In zijn zes jaren van ballingschap bracht hij zo’n honderd bruisende revues op de planken van theater La Gaîté (boven Tuschinski), met optredens van exilartiesten als Eva Busch en Dora Paulsen. Maar achter de schijnbaar ongedwongen vrolijkheid van publiekstrekkers als ‘Man lebt nur einmal’ en ‘Champs Elysées’ klonk steeds luider de politieke satire.

Prinz von Lügenland
Een politiek cabaretgezelschap stak kwalitatief met kop en schouders boven alle andere uit: Die Pfeffermühle. Onder de bezielende leiding van Erika Mann (zus van Klaus) trok het gezelschap door Europa en deed ook regelmatig Amsterdam aan. Onder het mom van literair cabaret protesteerde Die Pfeffermühle hartstochtelijk tegen het “bruine schandaal”. Namen werden niet genoemd, maar iedereen wist wie “der Prinz von Lügenland” was. Roth bezocht een van de voorstellingen in Amsterdam en schreef Erika na afloop een briefje: “U doet tien keer meer tegen de barbarij dan wij schrijvers bijelkaar.”
Erika kon zich wel wat veroorloven. Zij had haar blik al op Amerika gericht en hoefde geen plek in de Amsterdamse samenleving te veroveren. Voor andere artiesten was dat een stuk lastiger; die hadden ook te maken met Nederlandse collega’s, van wie sommigen zich beklaagden over de buitenlandse concurrentie op de arbeidsmarkt. En daar was het ministerie van arbeid niet ongevoelig voor.
De Nederlandse filmindustrie daarentegen zat te springen om goede vaklui voor achter de schermen, zoals cameramannen, cutters, en regisseurs. Daarvan stonden er sinds Hitlers machtsovername heel wat op straat - want joods – en de Nederlandse Bioscoopbond zette zich dan ook stevig in voor het verkrijgen van werkvergunningen voor deze mensen. Een moeilijke opgave, want volgens de regering waren er in Nederland vakmensen genoeg. De Bioscoopbond bestreed dat.
Onbewust illustreerde de grote Duitse regisseur Ludwig Berger hoe bedroevend de Nederlandse film ervoor stond. Rudy Meyer, met wie hij nog bij de befaamde UFA-studio’s in Berlijn had gewerkt, vroeg de joodse regisseur naar Amsterdam te komen om Pygmalion te verfilmen. Meyer vertrouwde dit geraffineerde stuk van Bernard Shaw niet toe aan een Nederlandse regisseur. Berger antwoordde dat hij helemaal niet wist dat er in Holland films werden gemaakt. Maar hij kwam wel, al was het bij aankomst in Amsterdam even slikken dat hij voor de productie niet meer dan 60.000 gulden mocht uitgeven – zijn laatste film in Duitsland had een budget van zo’n 900.000 mark.
Berger en Meyer oefenden grote invloed uit op de vooroorlogse Nederlandse cinema, maar ze waren niet de enigen. Achter ‘oer-Hollandse’, (en zelfs rasechte Jordanese) films als Bleeke Bet (Richard Oswald) en Merijntje Gijzen’s jeugd (Kurt Gerron) schuilen vele Duitse en Oostenrijkse namen. Dankzij de emigranten bloeide de Nederlandse filmindustrie op.

Vriendenkring
Tijdens het begin van hun ballingschap gedroegen veel artiesten, schrijvers en filmmakers zich alsof ze voor werk in het buitenland waren – niets nieuws onder de zon dus. Ze pendelden tussen Europese hoofdsteden en, zo schreef Mann, “of je nu aan het Leidseplein in Amsterdam je glaasje jenever dronk of je obligate ‘Kaffee-Kirsch’ aan het Bellevue in Zürich” je kwam altijd wel bekenden tegen. De vriendenkring beperkte zich niet tot het emigrantenmilieu. Klaus en Erika Mann sloten bijvoorbeeld een warme vriendschap met essayist Menno ter Braak en Ludwig Berger raakte goed bevriend met de acteur Eduard Verkade en de (aankomend) schrijver Jan de Hartog, die hij als een zoon beschouwde.
Maar het was vooral toch ook behelpen. Zo bood Amsterdam Roth niet de atmosfeer waarnaar hij zo verlangde. Dat begon al bij zijn lotgenoten: Roth sprak in café’s als Reijnders en Scheltema over god, de keizer en Oostenrijk – de meeste emigranten in Amsterdam waren van linksere signatuur.
Ronduit geïsoleerd voelden ‘entartete’ schilders als Max Beckmann zich. Beckmann pakte zijn koffers na de opening van de nazi-tentoonstelling over Entartete Kunst (München, 1937). Zowel de tentoonstelling als Beckmanns komst maakte weinig indruk in Amsterdam. De Nederlandse schilderkunst oriënteerde zich erg op Frankrijk en er bestonden met Duitse vakbroeders niet het soort contacten zoals die bijvoorbeeld wel in de literaire wereld bestonden. Een echt ‘tehuis’ vonden deze kunstenaars dan ook niet in Amsterdam.
Op den duur trok het exil een zware wissel. Het vluchtelingenbeleid van de Nederlandse overheid werd strenger en emigranten maakten zich vaak zorgen over verblijfs- en werkvergunningen. Ze verkeerden in een geestelijk of maatschappelijk vacuüm, hadden heimwee of leden aan psychologische spanningen. Ludwig Berger kwam onder meer tot het inzicht dat “een leven zonder moedertaal geen leven is” - en dat terwijl hij al snel het Nederlands machtig was. Veel emigranten waren verslaafd aan kranten lezen, dorstig naar nieuws van thuis.
Een Nederlandse bekende van Roth herinnerde zich later dat de spanning onder de emigranten in Amsterdam toenam naarmate de tijd verstreek. Er bestond zoiets als ‘emigrantenangst’: ze voelden zich steeds vaker onveilig te midden van onbekenden. Het gevaar kon ten slotte overal zijn en kwam, gezien de internationale politieke situatie, steeds dichterbij. Ook de journalist Johan Winkler voelde de malaise. “In de laatste tijd voor het uitbreken van de oorlog heerste er een duistere stemming in Amsterdam. Emigranten overspoelden Amsterdam en men had het als omen kunnen opvatten dat velen van hen zich bezatten.”
Dat gold zeker voor Roth; hij ging in exil ten onder en dronk zich dood. Mann voelde zich in Europa “als op een vulkaan” en besloot, zoals vele anderen, zijn geluk in Amerika te beproeven. Andere emigranten bleven achter en vielen alsnog ten prooi aan de nazi’s. Nelson dook onder en overleefde de oorlog. Berger bracht de oorlog door onder een valse naam in zijn als “Biedermaier villa” ingerichte herenhuis aan de Vondelstraat 99. Hij organiseerde er toneelvoorstellingen, waaraan zowel beroepsacteurs als dilletanten meededen. Ingegeven door Shakespeares Hamlet deed hij tijdens een inval van de Gestapo alsof hij waanzinnig was. Ze namen hem niet mee.




Klaus Mann: Pofessor Abel in exil
Professor Abel kende niemand in Amsterdam. Annette Lehmann had hem een brief meegegeven voor een grote kunsthandelaar, maar Benjamin besloot om geen gebruik te maken van die aanbevelingsbrief. De mensen worden waarschijnlijk al meer door Duitse emigranten lastiggevallen dan hun lief is, was de ontmoedigende gedachte van de professor. Diezelfde gedachte bracht hem ertoe om voorlopig geen contact op te nemen met een collega in Leiden, die hij uit Heidelberg, en met een andere in Den Haag die hij uit Bonn kende.
Benjamin Abel was helemaal alleen.
Hij liep rond als in een boze droom, en hij dacht voortdurend: Wat moet ik hier? Waarom ben ik eigenlijk in deze vreemde stad? Helaas ben ik helemaal geen Hollander – wat wandel ik hier dan in de straten van Amsterdam? Natuurlijk, natuurlijk – herinnerde hij zich, verward en somber – ze hebben me Duitsland uit gegooid, daar mocht ik niet langer blijven, geheimraad von Besenkolb heeft me gebrandmerkt als een ‘geestelijke landverrader’, als een ‘parasiet van de Duitse cultuur’...
Hij zat buiten, voor een café op het Leidseplein. Hij vond het prettig om buiten te zitten; na een junidag met zomerse temperaturen schonk de avond gelukkig weer wat koelte. Vanaf de plaats waar hij zat kon Abel voor de Stadsschouwburg de zware limousines zien stoppen, waarna de dames in avondmantel en de heren met hun gesteven borsthemden zich voor de ingang verdrongen. Er was die avond een feestelijke operavoorstelling, Mozart, Abel had zin gehad om ook te gaan. Het zou leuk geweest zijn om de Figaro weer eens te horen, waarom heb ik eigenlijk geen kaartje gekocht – dacht hij. Maar daarna: Nee, ik moet sparen, ik kan me absoluut niet veroorloven om regelmatig naar gala-avonden te gaan. Hij wilde zichzelf graag wijsmaken dat hij alleen uit economische overwegingen van Mozart had afgezien. In werkelijkheid waren het andere gevoelens die maakten dat hij niet naar het theater ging of aan enige andere sociale activiteit deelnam. Hij durfde zich niet onder de mensen te begeven. Hij vond het een verschrikkelijk idee zich onder de feestelijk uitgedoste mensen te bewegen. Ik pas niet in deze rijke, vrolijke en zorgeloze samenleving, voelde hij vol verdriet. Ik ben een getekende, ik draag het teken. Ze wilden me niet meer hebben in mijn vaderland, ze hebben me daat tot een paria gedegradeerd. Ik ben niet voor mijn plezier op reis, ik ben een vluchteling. Het zou tactloos, verschrikkelijk tactloos zijn om in mijn sitduatie deel te nemen aan de feestelijkheden van de vreemden. Het was stil geworden voor de Stadsschouwburg: binnen was waarschijnlijk de oeverture begonnen. Hoe graag zou Abel daarbij zijn geweest. Figaro was zijn lievelinsopera...
De eenzame professor bestelde nog een Bols – eerst had hij de klare, scherpe Hollandse jenvever afschuwelijk geveonden; maar nu vond hij hem eigenlijk al wel te drinken, vooral als hij werd gekruid met een paar druppels van een bruine essence. Heel even zat Benjamin zelfs te denken of hij niet een paar bloemen zou kopen van het meisje dat met bonte tulpen tussen de tafeltjes door liep, een rode, een gele en een witte tulp; die zou hij dan voor zich in zijn waterglas kunnen zetten, waar de kleuren mooi zouden opllichten in het milde schemerlicht van de vroege avond. Maar meteen vond hij ddat dat vast veel te extravagant en overmoedig zou zijn. Hij besloot om na dit tweede glaasje Bols af te rekenen en het Leidseplein over te steken. Tegenover het hotel waar hij op het terrasje zat was een bloemenwinkel met in de etalage altijd opvallend mooie orchideeën, zacht gekleurde, lieflijke en verrassend gevormde bloemen, en de prachtigste rozen, anjers en tulpen. Abel stond vaak minutenlang genietend voor die etalage naar de bizarre, bijna wulpse vormen van de kostbare kasplanten te kijken. Hij vond het merkwaardig en heel opvallend welk een luxe aan bloemen deze ernstige en gedegen stad Amsterdam zich veroorloofde. Vaak gebeurde het dat er ’s nachts, in een kroeeg, orchideeën werden angeboden zoals in andere steden viooltjes en lelietjes-van –dalen. En de bleomenwinkels moesten dus wel zulke buitengewone dingen aanbieden om de aandacht van het publiek te trekken.
Over het Leidseplein krioelden de fietsers: jonge meisjes, ouder mannen, fluitende jongens, allemaal door elkaar, driftig op de pedalen trappend. Elke dag opnieuw stond Abel verbaasd hoeveel fiesen deze stad telde; het openbare en het persoonlijke leven scheen zich hier voor het grootste deel op de tweewieler af te spelen. Vaak verdacht Benjamin jonge stelletjes ervan dat ze ook hun tederheden op deze wendbare kleine voortbewegingsmachines uitwisselden. Overigens had professor Abel een heilig ontzag voor deze ‘fietsers’, zoals ze hier heetten; door hun massale aanwezigheid veranderde elk oversteken van een straat in een riskant avontuur.
Nu hadden ze al hun kleine lantaarns aan het stuur aangedaan, hoewel de glazig groenblauwe hemel nog een beetje licht verspreidde.
Op de brug over de Singelgracht stapte een groepje jongeren van de fiets om over de leuning in het trage, staande water te kijken en naar hartelust sentimenteel te zijn. Ze zetten hun fietsen tegen de stenen borstwering waar ze ook zelf tegenaan leunden; ze sloegen hun armen om elkaars schouder en begonnen te zingen. Het was iets heel weemoedig slepends, teder was het en tegelijk ruw; Abel vond het mooi en ontroerend klinken. Waarschijnlijk waren ze in het Vondelpark gaan fietsen en daar zo in de stemming geraakt dat ze zich nu gewoon niet meer konden beheersen en alleen nog maar wilden zingen en in het water staren.
Boven het water vormde zich een lichte nevel. Geleidelijk werd het koeler.
Aan een tafeltje niet ver van Benjamin vandaan spraken twee lijvige heren Duits met elkaar. Abel kon niet goed meer tegen de klank van de Duitse taal, steeds weer kromp hij een beetje in elkaar als hij naast zich opeens Duits hoorde praten.
Het meisje met de tulpen had zich teruggetrokken; ze zou nu vast aan de overkant voor café ‘Trianon’ of voor het ‘Lido’ lopen met haar bonte mandje. Haar plaats was nu ingenomen door een man met een draaiorgel; twee mannen eigenlijk: de een bediende het grote, witte instrument met gouden tierelantijnen dat op wielen werd voortbewogen; de ander ging met de pet langs de tafeltjes om geld op te halen. Hij nam grote passen, hij rende haast, want hij moest een kleine Maleier voor zien te blijven die pinda’s aanbood en die ook graag kleingeld wilde hebben. De Maleier, een oud mannetje, zag er zo meelijwekkend uit dat menigeen hém geld gaf in plaats van de afgezant van het prachtige draaiorgel. Het kleine jammerlijke mannetje uit warmer oorden leek het erbarmelijk koud te hebben. Zijn veel te grote hoed had hij diep over zijn voorhoofd getrokken en de kraag van zijn lelijk bruinzwarte overjas had hij tot aan zijn oren opgeslagen. Zijn gezicht met de brede jjukbeenderen en de smalle verdrietige ogen was net zo bruinachtig zwart als zijn paletot en verdween bijna tussen kraag en hoed; maar wat er van dit arme menselijke gezicht te zien was, was voldoende om een inndruk op te roepen van oneindige ellende en troosteloze verlatenheid.
Professor Abel viste een van die speelgoedachtige kleine munten van tien cent uit zijn zak en stak het hem toe. Een ontheemde, ook hij, dacht hij, op zijn beurt nu ook sentimenteel. Ergens anders thuis dan hier, door God mag weten welk toeval in deze stad verzeild geraakt. Zijn gezicht schijnt uitsluitned uit rimpels te bestaan. Hij is verdroogd, ineengeschrompeld – als een plant die uit de aarde isr gerukt waarin ze thuishoort. Een ontheemde, ook hij...
Een van de Duitse heren aan het andere tafeltje liet, keihard, zijn stem horen, die even vet als hard was: ‘Mogelijkheden voor een transfer van rijksmarken zijn er altijd wel. Waarom neemt u niet eens contact op met Kohn uit Elberfeld.’
Abel had er genoeg van. Hij stond op.


Pofessor Abel in exil, fragment uit Der Vulkan, vertaald door Gerrit Bussink voor het boek Een land om bij te huilen, onder redactie van René Stripiaan.





Vergeten fotograaf van de sixties
Wim van der Linden maakte meer dan televisiegeschiedenis
Tekst: Wanda Nikkels

052008_LindenWim van der Linden schreef televisiegeschiedenis. Hij was medebedenker van legendarische televisieprogramma’s als Hoepla en de Barend Servet show. Als fotograaf is hij veel minder bekend. Ten onrechte. Het Stadsarchief eert hem met een expositie.

De fotograaf Wim van der Linden verwierf minder naam dan tijdgenoten zoals Ed van der Elsken. Toch zal zijn werk in meer huishoudens te vinden zijn dan dat van zijn fotograferende tijdgenoten. Zijn portret van schrijver Jan Cremer in nozem-outfit op de motorfiets is alom bekend. De omslag van de ongekende bestseller Ik, Jan Cremer behoort tot de canon van de jaren zestig.
Van der Linden werd in 1941 geboren in de Watergraafsmeer als zoon van een verzekeringsagent. Als puber gold Van der Linden als ‘moeilijk’. Hij ging met foute vriendjes om, vriendjes die eindigden in een kindergesticht en het was wellicht aan zijn middenklasse-achtergrond te danken dat hem die gang bespaard bleef. Op school wilde het niet vlotten, en op 16-jarige leeftijd verruilde Van der Linden de mulo voor de Kunstnijverheidschool (nu de Rietveld Academie). Daar ontdekte hij zijn passie voor fotografie.
Met een gekregen camera, een Leica, fotografeerde hij straat- en cafétaferelen en scènes thuis, waaronder ontklede meisjes op zijn kamer in het ouderlijk huis aan het Rafaelplein. Volgens Guus Luijters, auteur van de catalogus die bij de tentoonstelling zal verschijnen, zijn die laatste foto’s heel interessant. Niet vanwege de meisjes, maar omdat de inrichting van de jongenskamer zoveel informatie verschaft: “Op de foto’s zijn veel platenhoezen te zien van jazzmusici. Het gekke is dat Van der Linden nooit jazzmuzikanten heeft gefotografeerd. Die liefde voor jazz kwam op een andere manier naar voren, hij had een jazzy manier van fotograferen. Uit de losse hand, grofkorrelig.”

Onopgemerkt Amsterdam
Hoewel het talent van Van der Linden op de Kunstnijverheidschool zeker niet onopgemerkt bleef, kwamen zijn kwaliteiten als fotograaf pas echt tot volle wasdom met zijn reeks De Puinen. Als student fietste Van der Linden wel eens van zijn school in de Gabriel Metsustraat naar Artis om daar dieren te tekenen. Onderweg zag hij een deel van Amsterdam dat tot dan toe eigenlijk niet was opgemerkt. Buurten als Rapenburg, het Waterlooplein en de oostelijke eilanden, die de jaren van de oorlog nauwelijks te boven waren gekomen en waren veranderd in een stedelijke woestenij.
Van der Linden fotografeerde de kleine kinderen die gekleed in lompen tussen die puinhopen en krotten speelden. Journalist Hans van Straten wijdde er in 1959 een stukje aan in het Vrije Volk en noteerde over de foto’s dat “er platen bij zijn die eerder doen denken aan Napels. Zo slecht kent de Amsterdammer zijn stad. De afgrond is vlak voor uw voeten”. Van Straten beschrijft in het zelfde stukje dat Van der Linden al snel een bekende verschijning werd in die buurten. Zodra hij verscheen, riepen moeders hun kinderen binnen omdat “je met ongekamd haar toch niet op de foto kon”.
Van der Linden bracht de foto’s bijeen in een boek met de titel De stad is kinderspel, dat werd voorzien van een voorwoord van de dichter Jan Elburg, een van zijn leraren aan de Kunstnijverheidschool. Het boek is echter nooit uitgegeven. Wel werden de foto’s in 1960 geëxposeerd in de Kav, een restaurantje op de hoek van het Thorbeckeplein en het Rembrandtplein, waar eerder de serie Wij zijn 17 van Johan van der Keuken was tentoongesteld. Na De Puinen bleef Van der Linden krotten fotograferen.
Ook maakte hij een serie van de Albert Cuypmarkt waar hij contacten had door zijn voorliefde voor wielrennen, een typische volkssport in die tijd. Luijters: “Wim van der Linden opereerde altijd in een grensgebied, in twee verschillende milieu’s. Hij wou proleet zijn, met laarzen en een vetkuif, maar hij had natuurlijk ook een middenklasse-achtergrond. Hij fotografeerde altijd dingen die een aflopende zaak waren. Het Parijs en Napels dat hij fotografeerde, liep op z’n einde. In feite fotografeerde hij het einde van zijn eigen jeugd.”

Kunstenaarskringen
Ondertussen verkeerde Van der Linden in kringen rond Remco Campert en Simon Vinkenoog. De laatste was getrouwd met Van der Linden’s zusje Reineke. Zij was het die Van der Linden aan Jan Cremer voorstelde toen die laatste op zoek was naar iemand die kapotte geluidsapparatuur kon repareren. De ontmoeting met Jan Cremer was het begin van een zeer intensieve vriendschap. Samen trokken ze de oude verkrotte Jodenbuurt in waar Cremer eindeloos poseerde voor de camera van Van der Linden. De omslagfoto voor Ik, Jan Cremer ontstond in het voorjaar van 1964 op het Rafaelplein in de Watergraafsmeer. Luijters: “Ze hingen een laken met wasknijpers op aan de kapperszaak die daar was en zo is die foto gemaakt.” Het zou zijn beroemdste foto worden.
Van der Linden en Cremer richtten in datzelfde jaar een persbureau op, Dodgers Press Association. Het bureau was gevestigd in één kamer, maar bordjes op deuren met teksten als ‘vergaderkamer’ en ‘directie’ en een geluidsbandje van ratelende typemachines suggereerden een veel groter geheel. Dat betekende niet dat Dodgers namaak was. Van der Linden en Cremer maakten samen reportages voor de Haagse Post. Ook maakte van der Linden hier zijn eerste filmpje in de – nooit voltooide - serie sad movies: een roerloos beeld van een vaas tulpen waarvan een blaadje dreigt af te vallen.
Midden jaren zestig waren Cremer en Van der Linden zeer bekende sleutelfiguren geworden in Amsterdamse kunstenaarskringen. Van der Linden leerde Wim T. Schippers kennen met wie hij eind jaren zestig het roemruchte televisieprogramma Hoepla zou maken. Hij bleef fotograferen, maar zijn werk werd steeds poppier, gladder en in kleur, in plaats van de jazzy zwart-witfoto’s die hij eerder maakte. Zijn objecten waren ook niet langer aan de zelfkant te vinden maar onder popmuzikanten en bekende Nederlanders.
Begin jaren zeventig was het ineens afgelopen met fotografie. Van der Linden, altijd al geïnteresseerd in techniek, ontwikkelde een filmcamera die op de schouder gedragen kon worden en blijkbaar trok dat nu al zijn aandacht. Tijdens een reis met Jan Cremer naar Lapland maakte hij al geen enkele foto meer. Luijters: ”Van der Linden heeft lange tijd ontkend dat ie fotograaf was geweest. Zelfs zijn eigen dochters zijn daar pas jaren later achtergekomen. En dat is jammer, want ik denk dat Wim van der Linden in wezen een fotograaf was. ’t Is net als bij A.A. Milne. Die heeft z’n hele leven lang romans geschreven, en wilde niet weten dat zijn kinderboek Winnie Pooh uiteindelijk zijn meesterwerk was.”
Van der Linden ging zich volledig toeleggen op het maken van televisieprogramma’s, met name muziekprogramma’s voor verschillende omroepen. Na een conflict bij de Tros in 1980 begon Van der Linden een eigen elektronicabedrijf en in 1996 maakte hij de overstap naar Amerika. Daar ontwikkelde hij de Scriptboy, een soort elektronische filmklapper, die nog steeds bij veel televisieprogramma’s wordt gebruikt. In 2001 overleed Wim van der Linden op 60-jarige leeftijd in Miami.





Sally van de Albert Cuyp
Het vriendje dat van de ene op de andere dag verdween
Tekst: Boudewijn Drechsler

052008_SallyOp 4 mei denkt Boudewijn Drechsler aan Sally. Het jongetje verdween van de ene op de andere dag van de Albert Cuyp. Drechsler onderzocht de geschiedenis van Sally: wie was dat jochie en wat is er met hem gebeurd?

Het is nu zo’n twintig jaar geleden. Mijn vader Albert Wouter Drechsler zit aan het hoofd van de tafel en vertelt over de Albert Cuyp. Daar was hij geboren en getogen. Mijn opa had er een aardappelhandel. Mijn vader speelde er altijd tussen de karren met zijn vriendje Sally. De twee jongens waren op de dag af even oud. Mijn vader vertelt hoe hij op een middag ontdekt dat het huis leeg is als hij Sally wil ophalen om te spelen. Als hij dit vertelt, is hij al geruime tijd erg ziek. Niet veel later overlijdt mijn vader op 58 jarige leeftijd.
Met alleen de voornaam Sally en de geboortedatum 30 juni 1930 ben ik onlangs op zoek gegaan. Uit de marktgegevens en gezinskaarten in het archief van Amsterdam komen al gauw enkele namen tevoorschijn. Ene Salomon uit 1930, zoon van een marktkoopman, ook in juni geboren maar niet op dezelfde dag. Ik zoek verder en kom met een omweg terecht bij het herdenkingscentrum Yad Vashem in Jeruzalem. Op de site van Yad Vashem vul ik het weinige in dat ik weet: Sally, 30 juni 1930, Amsterdam. Enter. Het resultaat volgt snel:

Last Name: Linda van
First Name: Salomon
Date of Birth: 30/6/1930
Place of Birth: Amsterdam, The Netherlands
Place of Death: Sobibor, camp
Date of Death: 4-6-1943
Type of material: List of victims from the Netherlands
Language: Dutch

Een confronterende ontdekking. Maar ook een met mogelijkheden: een achternaam biedt immers aanknopingspunten. Via de archieven van de gemeente Amsterdam komt de gezinskaart boven water. Sally was enig kind. En ook vind ik de marktkaart van de Albert Cuyp met de foto’s van vader David en moeder Jansje. Een foto van Sally is echter nergens te vinden. Stopt het verhaal hier? Of valt er nog meer te achterhalen? In het telefoonboek staan twee families met dezelfde achternaam. Ik schrijf ze een brief.

Grote familie
Enkele dagen later belt hij op: “Met Van Linda. Heb je brief gehad. Wat wil je weten? Ik weet alles. Vraag maar.” Ik sta met mijn mond vol tanden en in mijn hand de hoorn: de hotline met het verleden. Het is Abraham, of Appie, van Linda, de vijftien jaar oudere neef van Sally. Hij heeft samen met nog twee ooms als enige van zijn familie de oorlog overleefd. “Ik kan mijn hele familie met één euro bellen en dan krijg ik ook nog wat terug.”
Bijna drie uur hebben we zitten praten aan de eettafel in zijn appartement in Zuid. Abraham is nu 93, maar weet alles nog tot in detail: “We hadden een grote familie hoor. Zo’n 100 mensen zeker.” De hele familie Van Linda zat in de handel. Opa Salomo, of Slomie, was een van de oprichters van de Albert Cuypmarkt. Hij en enkele van zijn zoons, waaronder Sally’s vader David, hadden er een kraam. “David was in de groente en die stond twee of drie kramen verder dan jouw opa. Links van je opa stond mijn oom Simon, met bloemkolen. David en Simon spraken nooit met elkaar. Die konden niet met elkaar. Simon was een brombeer. Grootvader Slomie stond aan de overkant met groenten. Klein kereltje, nog kleiner dan ik.”
Abraham vertelt nu aan een stuk. “We verdienden allemaal goed brood maar we waren geen van allen rijk. Maar David was heel bijdehand, hoor. Een hele goeie koopman. Hij was getrouwd met Jansje Kopernoot. Haar ouders hadden een groentezaak in de Kerkstraat.” En wat Sally betreft: “Die leek precies op zijn oma, op grootmoeder Kopernoot. Niet een Van Linda. Nee, hij was blond.” Veel meer dan dat weet Abraham ook niet van zijn kleinere neefje. “Ik was vijftien jaar ouder en ging niet zo met hem om. Maar ik weet nog dat wel het een klein, levendig, blond jongetje was.”

NSB-vlaggen
Abraham van Linda schetst beetje bij beetje het decor waarin Sally ook geleefd moet hebben. Op de Albert Cuyp woonde en werkte iedereen door elkaar. Van jodenhaat was volgens Van Linda niets te merken. “De sfeer was er heerlijk. De verhoudingen waren goed. Achter de hand werd wel eens wat gezegd maar uitgesproken haat of dat soort dingen waren er niet. Echt niet. Ik bedoel, er was soms wel eens haat en nijd, maar dat ging dan over de handel.”
Toch leefden joden en niet-joden wel in gescheiden werelden, vertelt Van Linda. “Ook al waren ze liberaal en niet gelovig, een gemengd huwelijk kon bijvoorbeeld niet. Opa Slomie was ook zo, hoor. Ik had een oom die gemengd gehuwd was en dat vonden ze verschrikkelijk. Wat er nou verschrikkelijk aan is, weet ik niet. Maar dat vonden ze echt.”
Het goede leven en ook het goede samenleven veranderden toen de oorlog uitbrak. “Ik schrok erg toen ik op 15 mei 1940 wakker werd en al die NSB-vlaggen in de Hoendiepstraat zag. Mijn buurman was er een van. Dat wist ik helemaal niet. Ik dacht juist dat het steeds beter ging met het samenleven van joden en niet-joden. De emancipatie ging net goed, onder andere door goede woningen. Maar toen brak de oorlog uit.”
De familie Van Linda is in mei 1943 opgepakt door de Duitsers. “Het was volgens mij de voorlaatste razzia in Zuid. Dat weet ik niet meer zo goed. Het was een hele grote razzia. Toen werd er omgeroepen dat we ons moesten melden. Op het Daniël Willinkplein. Zo heette dat toen. Nu heet dat Victorieplein. Ik ben dus niet via de schouwbrug gegaan. Via de Rietlanden gingen we naar Westerbork. Daar ben ik acht maanden gebleven.” Op de Rietlanden, nu een wijk tussen de binnenstad en de eilanden, was het locomotievendepot van de NS.
Het is aannemelijk dat ook Sally eind mei 1943 bij de grote ‘Oproeping’ is opgepakt. Omdat hij in de Albert Cuypstraat woonde, is het ook aannemelijk dat hij zich met zijn ouders heeft moeten melden op het Daniël Meijerplein. Met de tram zullen zij dan naar station Muiderpoort zijn gebracht en daarvandaan met de trein naar Westerbork. Van de familie Van Linda wordt iedereen, behalve Abraham, al na een paar dagen in kamp Westerbork op 1 juni 1943 op vervolgtransport gesteld.
Het transport uit Westerbork bestond uit 3006 personen: 1147 mannen, 1354 vrouwen en 505 kinderen. Zij kwamen op 4 juni aan in Sobibor en zijn vrijwel direct naar de gaskamers vervoerd. Meestal werden er van elk transport nog zo’n 80 sterke mannen gespaard; om te werken en later alsnog van uitputting te sterven of te worden vermoord. Van het bewuste transport is maar één overlevende teruggekomen: Jules Schelvis. Hij heeft alles opgeschreven in zijn boek Binnen de poorten.
Abraham, die met zijn vrouw en schoonfamilie naar Bergen-Belsen werd gedeporteerd, kan zich het afscheid van zijn familieleden in Westerbork nog goed herinneren: “Ze kwamen me gedag zeggen. We zaten bij elkaar en ze waren boos op me, of niet boos maar teleurgesteld. Dat zij doorgingen en ik blijven mocht. En dat kan ik me ook voorstellen. Want instinctief voelde je dat het niet goed was. Ik krijg dat beeld weer voor me dat die familie in een club bij elkaar zat, de hele handel. Simon en David spraken nooit met elkaar, maar toen wel. Dat heb ik altijd onthouden.” Hij raakt geëmotioneerd: “Ik heb ze allemaal zien weggaan.”

Na de bevrijding
Het liefst was Van Linda na de bevrijding direct naar Israël gegaan. “Ik wilde daar dolgraag wonen, maar mijn vrouw wilde niet. Zij had één statement: ik heb oorlog genoeg gehad.” Annie is negen jaar geleden overleden. “Ik ben geen zionist, maar het kan altijd weer gebeuren. Dan is er tenminste een plek om heen te kunnen vluchten. Ik ben niet bang, hoor. Oh nee. Dan heb je geen leven meer. Maar wie had kunnen denken dat het gewoon in Nederland zou kunnen gebeuren?”
“Alle professoren en andere intelligente mensen zijn er ingetippeld. Dus dat ik het ook niet wist, heb ik mezelf kunnen vergeven.” Hij schudt zijn hoofd. Toch snapt hij het niet. “Mijn grootouders zijn op de dag dat ze 55 jaar getrouwd waren, opgepikt. Die konden toch niet meer werken? En mijn twee zusters met hun baby: die konden toch ook niet meer werken? En dan kochten de mensen nog werkschoenen en werkgoed. Maar ze gingen helemaal niet werken. Wij wisten het niet. Men dacht dat men ging douchen.”
Zo goed en kwaad als het gaat probeert Abraham na de oorlog in Amsterdam de draad weer op te pakken. “Woningen regelen en winkels opzetten. We waren maar bezig om overnieuw te beginnen. Er werd bijna niet over gepraat. Ik begrijp uiteindelijk niet hoe we het allemaal verwerken konden. Ik zal je vertellen dat ik het nooit begrepen heb. Ik ben er altijd mee bezig. Het is altijd in mijn gedachten. Ik heb zo’n lieve familie gehad. Ik heb lange tijd gehoopt dat ik nog iemand tegen zou komen.”
Op de Albert Cuyp breken de marktkoopmannen hun kramen weer af voor vandaag. Op nummer 126 waar Sally ooit woonde, hangt een ijzeren rolgordijn met lelijke graffiti voor de pui. Op 122 en 122a waar opa Drechsler zijn winkel en opslag had, zit koffiehuis De Markt en daarnaast een juwelier. Op de plek van de aardappelkraam staat een marktman zijn spullen op te ruimen. Iets van sieraden. Ik laat hem de oude foto zien van de plaats waar hij nu staat.
De marktkoopman heet Rik. “Deze marktplaats is van mijn moeder. M. M. Westbroek. Maria Magdalena.” Hij geeft een knipoog. “Mijn moeder is joods. Dus dan ben ik ook jood. Nog vijf tot tien procent is joods hier op de markt.” Hij begint te vertellen wat zijn familie in de oorlog heeft moeten doorstaan: “Ik zal je één ding vertellen. Als je er te diep induikt, word je alleen maar verdrietig. Het is hetzelfde als dat ik nu naar Rwanda zou gaan en daar zou uitzoeken wat er is gebeurd. Dezelfde verhalen. Wat word je er beter van?” Hij geeft me de foto terug. “Maar succes ermee. Mazzel.”




Abraham naar Bergen-Belsen

Dat Abraham van Linda met zijn vrouw langer in Westerbork mocht blijven en niet naar Sobibor moest, heeft hij te danken aan zijn rijke schoonvader. Veel geld en juwelen zorgden er voor dat ze uiteindelijk naar Bergen-Belsen konden. Men vermoedde dat dat beter was.
Het was dan wel geen vernietigingskamp, maar het was evengoed een hel, vertelt Van Linda: “Vrachtwagens met lijken waar nog levende mensen tussen lagen. Dan zag je ze nog bewegen of kreunen. Die werden gewoon weggegooid. Geen enkele menselijke waardigheid. Dat is me altijd bijgebleven.” Ook Abrahams schoonvader overleeft het kamp niet. “De laatste dagen in het kamp stierven er door vlektyfus, uitputting en verwaarlozing zo’n 1500 per dag.”
Als de Russen naderen, worden de gevangenen dieper landinwaarts gebracht. Abraham en zijn familie worden per trein verplaatst. Uiteindelijk komen ze ergens in de frontlinie tot stilstand en worden bevrijd. “Door een kier in de wagon zag ik zo’n kozak met zo’n afhangende snor op zo’n klein paardje zonder zadel.”
Direct na de bevrijding krijgt ook Abraham vlektyfus, én trombose. Zijn gehoor wordt aangetast en hij blijft rest van zijn leven slecht ter been. Na een lang ziekbed in Luik, komt hij weer terug in Amsterdam. “Ik was verbitterd over hoe we ontvangen werden. Onvriendelijk. Aan de achterkant van het Centraal Station stonden ze van het Rode Kruis. Vroeg zo’n juffrouw of ik mijn woning nog had. Ik zeg: ‘Hoe moet ik dat weten? Jij was hier. Als je vader het niet gestolen heeft, zal het er nog wel zijn.’ Ik was kwaad op iedereen.”
Zijn huis was er niet meer. “Alle woningen waren bezet en ik heb mijn eigen kleren zien lopen op straat.” Maar hij heeft het overleefd. “Ik geloof niet in God maar vanaf de razzia moet iemand een hand op mijn schouder hebben gelegd.”




De Admiraal De Ruijterweg wordt 100
Tram reed jarenlang langs kale velden
Tekst: Peter-Paul de Baar

052008_RuijterDe jubilerende Admiraal De Ruijterweg telde lang meer tuinders dan stedelingen. De tram naar Haarlem-Zandvoort passeerde vooral veel kale velden en Onze Lieve Heer tussen de Koeien. Het duurde nog tot omstreeks 1930 voordat de straat vol huizen kwam te staan.

De Admiraal De Ruijterweg is jarig. Op 15 mei 1908 werd de verkeersweg met deze naam officieel geopend. Maar we geven ruiterlijk toe dat deze jubileumdatum wel een beetje arbitrair is. Met een tentoonstelling en een rit van historische trams werd al in december 1997 gevierd dat 100 jaar eerder de gemeenteraad van Sloten een plan goedkeurde van de Amsterdammers F. Anderheggen (ingenieur) en J.J. Neumeijer (architect) om een tramlijn aan te leggen dwars door het tuinbouwgebied ten zuiden van Sloterdijk. Daar begon het allemaal mee.
Die trambaan zou moeten lopen van de Kostverlorenvaart (toen de grens met Amsterdam) tot Sloterdiik – eerst enkele honderden meters westwaarts, en dan rechtsaf naar het noorden, evenwijdig aan het romantische Slatuinenpad. Het plan omvatte meteen al opgenomen woningbouw langs de trambaan.
Maar de goedkeuring door Sloten was niet voldoende. De initiatiefnemers droomden immers van een vertrekhalte op het Amsterdamse Spui. De gemeenteraad van Amsterdam ging in 1900 akkoord, maar eiste wel dat aanvragers zelf zorgden voor een nieuwe, bredere brug over de Kostverlorenvaart. Dat werd de Wiegbrug, opvolger van de eeuwenoude Tolbrug.
In de allereerste jaren van de nieuwe eeuw werd een kilometerslange strook van 280.000 m2 zand gestort op het veen, ter ondersteuning van de tramlijn en de te bouwen huizen. Intussen riepen de initiatiefnemers in 1902 de Elektrische Spoorweg Maatschappij (ESM) in het leven. Op 4 oktober 1904 opende commissaris der koningin Van Tienhoven officieel de nieuwe tramlijn. Die liep toen nog tot Haarlem, maar werd in 1905 doorgetrokken naar de zich snel ontwikkelende badplaats Zandvoort, die al sinds 1882 per trein bereikbaar was.

Heer tussen koeien
In 1907 werd vaart gemaakt met de bouw van huizen langs de trambaan, allereerst in het deel dat het dichtste bij de stad lag. (Begonnen werd met de hoekhuizen.) En een jaar later werd de weg als woonstraat geopend. Dicht bij Sloterdijk bleef de weg nog lang onbebouwd. Eenzaam torende hier sinds 1911 de kerk van Sint Franciscus van Assisi alias ’t Boompje omhoog – opvolger van de gelijknamige schuilkerk in de Kalverstraat, die plaatsmaakte voor warenhuis V&D. De kerk droeg dan ook jarenlang een tweede bijnaam: Onze Lieve Heer tussen de Koeien. In de voor Amsterdamse begrippen hoge rijtjeshuizen woonden vooral forenzen, ambtenaren en middenstanders. Het duurde nog tot omstreeks 1930 voordat ook het noordelijk deel van de weg bebouwd was. Aan weerszijden van de weg bleef het polderland nog een jaar of tien ongerept: de meeste zijstraten liepen dood in een weiland en de achtertuinen (nog op polderpeil) stonden vaak boven water.
In het begin werd de tram gezien als een gevaarlijk monster. Tot 1927 stonden aan weerszijden van de trambaan hoge hekken, die het oversteken niet echt gemakkelijk maakten. Toen hier ook tram 13 ging rijden, werd de baan verbreed en verdwenen de hekken. In 1957 maakte de roemruchte Zandvoortse tram haar laatste rit.
Pas in 1982 keerde (op het noordelijk deel van) de weg het tramverkeer terug, toen de lijnen 12 en 14 hier gingen rijden. Omstreeks 1960 verdween ook een van de laatste restanten van het oorspronkelijke polderlandschap: de Krommerd ofwel Krommert, een stukje poldersloot tussen de Admiraal De Ruijterweg en de Maarten Harpertsz. Trompstraat. Maar de naam bleef in het geheugen: menig Amsterdammer denkt nu dat met de Krommerd de kenmerkende knik in de weg aldaar wordt bedoeld.
De Admiraal de Ruiterweg geldt tegenwoordig zeker niet als een straat met veel allure. Maar dat dat wel eens anders was, is alleen al af te zien aan de prachtige mozaïeken in de portieken tegenover de Chasséstraat.





Hoe eeuwig is eeuwige rust?
Begraafplaatsen tobben over al dan niet ruimen
Tekst: Liesbeth Vermeulen

052008_GravenBegraafplaatsen zijn niet langer plekken waar stervelingen alleen noodgedwongen komen. Steeds meer wordt hun cultuurhistorische en landschappelijke waarde ontdekt. Toch dreigen belangwekkende graven soms te verdwijnen. Door onverschilligheid, onoplettendheid of onwetendheid. Ons Amsterdam vroeg enkele begraafplaatsbeheerders hoe zij het Amsterdamse funeraire erfgoed bewaken.

Enigszins schoorvoetend komen de beheerders desgevraagd met verhalen over missers – onder het bewind van hun voorgangers, natuurlijk. Het is nog maar een jaar of tien geleden, dat men op Zorgvlied het familiegraf ruimde van schrijfster Elisabeth Zernike (1891 – 1982) en haar broer Frits Zernike (1888 – 1966), in 1953 winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde. Een zoon van Frits, die in Amerika woont, had de rechten teruggeven. Elisabeth Zernike komt nog wel voor op de lijst van ‘bekende literaire Nederlanders’ van Zorgvlied, maar haar graf is dus ‘geschud’, net als dat van haar geleerde broer. Dat wil zeggen dat het grafmonument is weggehaald en dat boven de diep onder de grond liggende beenderen weer nieuwe grafkisten zijn geplaatst. Beheerder Arpad Nesvadba: “Toen waren de beheerders minder goed doordrongen van de culturele betekenis van graven, had toevallig niemand hier van de Zernikes gehoord en werd er nog niet ‘gegoogeld’ op mogelijke bekendheid.”
Nobelprijswinnaars hebben het kennelijk moeilijk op begraafplaatsen, constateert Marie-Louise Meuris, directeur van De Nieuwe Ooster. Hier ruimde men bijna het familiegraf van de wereldberoemde natuurkundige prof. J.D. van der Waals (1837-1923; Nobelprijs 1910), samen met dat van zijn te vroeg gestorven dochter Jacqueline (1868-1922), een zwaarmoedige maar geliefde dichteres. In 1984 is afstand gedaan van het graf en werd de grafbedekking verwijderd. Begin jaren negentig heeft de Universiteit van Amsterdam de verantwoordelijkheid voor het graf overgenomen en een nieuwe steen laten plaatsen. Gelukkig waren de stoffelijke resten er nog.
Ook het grafmonument van Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1819-1889) is verdwenen. De naam van deze 19-eeuwse dichter-dominee is nu nog slechts bekend door de Ten Katestraat en de daar gehouden markt. Maar bij leven was hij beroemd door zijn gedicht De Schepping, dat door Richard Hol op muziek is gezet, en nog lang nadien door de spotverzen van Cornelis Paradijs oftewel Frederik van Eeden: “Dankt den Heer met snarenspel/Voor Ten Kate, J.J.L.” In 1985 deden de nabestaanden afstand van de grafrechten. De bedekking werd verwijderd maar het stoffelijke overschot is niet geruimd. De Nieuwe Ooster is nu van plan om de graflocatie opnieuw te markeren.

Onwetendheid en nonchalance
Onverschilligheid en/of geldgebrek van nabestaanden is de eerste oorzaak van het verdwijnen van bovengemiddeld interessante graven. De tweede is onwetendheid of nonchalance van beheerders – en soms ruimtegebrek. Maar anderzijds tonen beheerders soms meer cultureel besef dan de nabestaanden lief is. Dat ondervond Karel de Beurs van de Noorderbegraafplaats: “Ik wilde graag het graf van Fietje Peuk voor het nageslacht bewaren. Zij was een bekend fenomeen in Amsterdam Noord, een vrouw die altijd op straat liep en peukjes opraapte. Maar haar familie gaf daar geen toestemming voor, die vond het geen pas geven dat Fietje als zodanig bekend zou blijven. Het graf is daarom helaas geruimd.
De Beurs draait al tientallen jaren mee in het gemeentelijke begrafeniscircuit. “Je bent een roepende in de woestijn als het gaat om het behoud van graven”, sombert hij. “Het hangt puur van de persoon op een begraafplaats af of een graf geruimd wordt of niet. Je moet er affiniteit mee hebben en bevlogen zijn. Een grote organisatie zal niet per definitie vakbekwaamheid uitstralen. Toen ik, weliswaar decennia geleden, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats werkte, heb ik me bijzonder ingespannen om de graven van bekende Nederlanders statuur te geven. Dat werd me toen niet in dank afgenomen.”
Op De Nieuwe Ooster (zoals de begraafplaats, uitgebreid met een crematorium, sinds 1992 heet) waait tegenwoordig een andere wind. Marie-Louise Meuris, die in 1997 aantrad als nieuwe directeur, werd zich pas echt bewust van het probleem, toen ze kort na haar benoeming hoorde dat ooit een van haar favoriete schrijvers, Theo Thijssen, op ‘haar’ begraafplaats had gelegen, maar dat dit graf in 1955, twaalf jaar na zijn dood, was geruimd. Kon dat zomaar, dan? Jazeker, werd haar verteld; dat was helemaal volgens de regels gegaan. Het was een ‘algemeen graf’, waarin drie wildvreemden boven elkaar liggen. In principe worden algemene graven na tien jaar geruimd, tenzij de familie stevig bijbetaalt – maar daarvan hadden de nazaten van Thijssen afgezien en een fanclub van de schrijver van Kees de jongen en De gelukkige klas was er toen nog lang niet. Tóch was het jammer, vond Meuris, en samen met het Theo Thijssen Museum zorgde zij ervoor dat burgemeester Cohen in 2005 op de plek van het verdwenen graf een abstract blauwglazen gedenkteken voor de schrijver kon onthullen, samen met ontwerper Jan Wolkers.
Voor Meuris was het geval-Thijssen een aanleiding om te bedenken hoe dit soort missers in de toekomst het beste voorkomen kon worden. Tot nu toe besliste alleen de directeur over al dan niet ruimen, aan de hand van lange namenlijsten en soms een inspectie ter plekke. Maar een directeur kan ook niet alles weten, vreesde Meuris in alle bescheidenheid. Soms gaat het om de unieke vormgeving of het materiaal van een graf (maar wat is uniek?), dan weer om de persoon die erin ligt. Maar wat wist zij van steensoorten en symboliek? En zou zij in haar eentje van al die duizenden personen spontaan de beroemdheid kunnen aflezen, niet alleen van schrijvers en musici, maar ook van sporthelden, wetenschappers, politici, ondernemers, architecten, modeontwerpers, acteurs en buurtcoryfeeën?
Daarom laat Meuris zich sinds twee jaar bij haar periodieke ‘stenenrondje’ bijstaan door enkele specialisten. Ze beoordeelt de graven waarvan de rechten onlangs zijn verlopen, samen met een materiaaldeskundige, expert op het terrein van ‘funeraire kunst’, een historicus/journalist en een inmiddels gepensioneerde archivaris van De Nieuwe Ooster. Ter plekke wordt een voorlopig oordeel aangetekend op een speciaal ontworpen formulier, met uiteenlopende criteria voor behoud, waaronder materiaal/beplanting monument, tijdsbeeld monument, de persoon, de locatie en de ontwerper. Vanachter de computer en soms in archieven wordt bovendien naar aanvullende informatie over personen gezocht. Prettig is dat de begraafplaatsarchivaris al decennia een ijverig Ons Amsterdam-lezer was en uit het blad geknipte maandelijkse lijstjes van prominente Amsterdamse doden uitknipte op de dossierkaarten plakte. Dat inmiddels de hele procedure behoorlijk tijdrovend is, geeft Meuris graag toe.
Karel de Beurs van de intieme Noorderbegraafplaats kan het nog heel goed alleen af, vindt hij. Het moet ook allemaal niet te bureaucratisch worden. Wat mooi is, dat weet hijzelf wel, en hij overziet zijn doelgroep uitstekend: “Ik ken hier in Noord veel mensen persoonlijk, uit het verenigingsleven bijvoorbeeld. Maar soms word ik ook getipt over een bekend persoon, zoals de kunstenaar Wim Oepts, die hier ligt. Als ik meer informatie nodig heb, ga ik naar het Historisch Centrum Amsterdam Noord. En in Ons Amsterdam worden lokale beroemdheden goed beschreven. Dit is een echte buurtbegraafplaats, waar bijvoorbeeld veel overleden voetballers liggen van een club als De Volewijckers.”
Arpad Nesvadba van Zorgvlied brandt zelf liever niet zijn vingers aan moeilijke keuzen. Hij heeft de gemeenteraad van Amstelveen (want díe gaat erover) gevraagd ‘objectieve criteria’ te handhaven en schort het ruimen intussen maar even op: voorlopig heeft hij nog geen ruimtegebrek. Het aantal graven waarvan de rechten verlopen zijn en die vanaf 2010 geruimd mogen worden is intussen opgelopen tot 1395 stuks. Daar staat een ‘attentiepin’ in de grond, met het dringende verzoek aan rechthebbenden zich te melden.

Beroemd of berucht
Voor eenieder blijft het lastig te bepalen wat het behouden waard is en wat niet. Kennis van de ‘kunstgeschiedenis des doods’ is best handig. De vormgeving van graven was en is onderhevig aan modes, veranderend in de tijd en verschillend naar religie en maatschappelijke groep. In de 19de eeuw werden graag wenende muzen op een tombe afgebeeld. Socialisten hielden van vuur-symboliek. En katholieken waren natuurlijk dol op kruizen. Kunsthistoricus Leon Bok, lid van het commissietje van De Nieuwe Ooster, let erop dat in ieder geval de typerendste voorbeelden bewaard blijven. Maar ook a-typische zerken. Op een katholieke begraafplaats kan er best eens een kruisje gemist worden . Maar als er op een algemene begraafplaats een groot kruis op een graf staat, is dat dáár bijzonder en dus wellicht het behouden waard. Het materiaal kan ook een argument voor behoud zijn, zoals een zeer bijzondere marmersoort of een grote kei.
Het subjectiefst is natuurlijk de vraag welke graven behouden moeten blijven vanwege de persoon die erin ligt. Over mensen die bij leven beroemd waren en dat bleven is natuurlijk weinig discussie, maar bovendien leveren die zelden een probleem op. Door hun roem werden ze vaak rijk (soms ook andersom) en ze kregen een particulier graf; de kapitaalkrachtige familie blijft grif betalen en anders het door hen opgerichte bedrijf wel. In Amsterdam geldt Zorgvlied als de begraafplaats met de meeste beroemdheden, op de voet gevolgd door De Nieuwe Ooster. Niet dat je het er altijd meteen aan afziet, zegt Zorgvlied-beheerder Arpad Nesvadba. “Er zijn heel bekende Nederlanders die onder een simpel keitje begraven liggen, en we hebben praalgraven waarvan de naam niemand meer wat zegt.” Roem kan ook heel toevallig ontstaan, zoals wanneer iemand postuum een romanfiguur wordt. “Zo willen de laatste tijd veel mensen het graf van de vrouw van de schrijver Kluun bezoeken”. Nesvadba haast zich overigens te zeggen dat op zijn begraafplaats aan de Amstel heus niet alleen grote kunstenaars of staatslieden liggen. “Iemand kan ook een heel bekende bakker zijn geweest of een grote naam uit de onderwereld”.
Op dat laatste terrein kan Johan Degenkamp, beheerder van de katholieke begraafplaats Sint Barbara, zeker meepraten. Daar liggen, zoals hij het fraai uitdrukt, naast bisschoppen en roomse schrijvers ook diverse “lieden uit het lagere echelon”, zoals de vermoorde crimineel Sam Klepper. Op Vredenhof aan de Haarlemmerweg heeft de eveneens vermoorde Cor van Hout in een opvallend praalgraf zijn laatste rustplaats gevonden. De boven- en onderwereld zijn hier andere begrippen geworden. Het is te verwachten dat als ooit deze grafrechten verlopen, er nog pittige discussies kunnen ontstaan over de wenselijkheid van behoud. En dat geldt bijvoorbeeld ook voor de zeer luxueuze tombe van de steenrijke oorlogsmisdadiger Pieter Menten op De Nieuwe Ooster. Eén redenatie is: wie evident niet deugde, kan maar beter snel vergeten worden. Maar anderen zullen aanvoeren dat historisch toch zeer interessant is dat dergelijke figuren in hun eigen tijd toch nog zo geëerd konden woorden.

Vergeten held
Soms is de begravene zelf al bijna een eeuw vergeten, maar kan hij symbolisch worden geacht voor een andere groep of maatschappelijk verschijnsel. Wie kent nu nog de naam van Evert Veldman, remisechef bij de Gemeentetram? Maar toen hij in 1929 werd begraven, eerde de Noord-Hollandsche Postduivenbond haar secretaris met een hoge marmeren steen, bekroond door een vijftal duiven. Het zegt veel over het onvoorstelbare belang van het verenigingsleven in die tijd, en ook nog eens over de populariteit van het duivenhouden in vooroorlogs Amsterdam. Dus ziet De Nieuwe Ooster dit graf graag op de monumentenlijst.
Niet dat zo’n monumentenaanvraag op dit moment erg kansrijk is. Het ministerie weigert voorlopig graven als monument te erkennen. Maar er komt altijd wel weer een nieuwe minister, die er anders tegenaan kijkt. Intussen draait de begraafplaats in kwestie wel op voor het onderhoud, en dat valt weleens tegen als het verval snel gaat. Nu en dan lukt het om dan een particuliere inzamelingsactie voor behoud op te zetten: zo werden in de jaren negentig op Zorgvlied bijvoorbeeld de graven van circusbouwer Oscar Carré en de beroemde acteur Louis Bouwmeester gered. Op Sint Barbara zou het graf van schrijver/boekhandelaar Joseph Alberdingk Thijm (1820-1889) wel een opknapbeurt kunnen gebruiken. Daarvoor is Degenkamp nu in gesprek met een stichting die dat hopelijk kan bekostigen.
Als een grafsteen mooi is, maar de persoon eronder vergeten, is er nóg een optie die de laatste jaren steeds populairder wordt: hergebruik. Op Sint Barbara gebeurt het al tijden. Wie dat wil, kan rusten onder of in een eerbiedwaardig monument waaronder ooit een notabel rustte, wiens naam niemand meer kent en die geen betalende nazaten heeft. Het scheelt een hoop steenhouwerswerk en tegelijk blijft erfgoed bewaard. De inscriptie wordt dan wel natuurlijk aangepast aan de nieuwe eigenaar. Op deze manier is het prachtige monument van mgr. Poppen gerestaureerd en behouden gebleven. Maar er is ook kritiek: voor sommigen ligt het op de rand van geschiedvervalsing.
Alle beheerders pleiten intussen voor meer discussie over behoudscriteria (liefst gemeentelijk of landelijk), maar daar komt nog weinig van terecht. Daarvoor spelen concurrentiedrift en angst voor verlies van zelfstandigheid nog een veel te grote rol. En ook de grote verschillen tussen de situaties van de begraafplaatsen (groot/klein, arm/rijk, gemeentelijk/particulier) maken een gezamenlijk beleid moeilijk. Duidelijk is wel dat elke beheerder, op zijn of haar eigen manier, het bijzondere funeraire erfgoed van de hoofdstad een warm hart toedraagt en er voor wil zorgen dat grafmonumenten niet in een onbewaakt ogenblik aan de vuilnisophaler worden meegegeven.




Grafrechten verlopen
In Nederland kent men twee soorten graven: eigen graven en algemene graven. In die laatste soort worden een of meerdere personen begraven die elkaar niet kennen. Zo’n graf mag na tien jaar worden geruimd, de minimale wettelijke termijn van grafrust. Een eigen graf neemt men vaak voor twintig of vijftig jaar en kan met telkens tien jaar worden verlengd. De rechthebbende bepaalt wie er in het graf komt te liggen. ‘Eeuwige graven’ worden eigenlijk niet meer uitgegeven. Als grafrechten verlopen, moeten houders van begraafplaatsen vaak flink speurwerk verrichten om eventuele rechthebbenden te achterhalen. Niet iedereen denkt er aan om de begraafplaats bij een verhuizing te verwittigen. “We gaan wel drie burgerlijke standen ver om nabestaanden te achterhalen”, aldus beheerder De Beurs van de Noorderbegraafplaats. Beheerders willen niet graag dat er een rechthebbend familielid op komt dagen en het graf geruimd blijkt te zijn. Aan de andere kant is het ook gewoon een zakelijke kwestie: voor de rechten moet wel betaald worden.
Delen: