Nummer 4: April 2010

OA_cover_april_2010_kln 


Prijs: €4,95 Bestel


 


Op het omslag: Papiernegatief van de Ronde Lutherse Kerk (1671) aan het Singel, nu Renaissance Koepelzaal. De Engelse fotograaf Benjamin Breckwell Turner koos in 1857 hetzelfde perspectief als de 17de-eeuwse schilder Abraham Stock en de 18de-eeuwse tekenaar Jan de Beijer. Stadsarchief Amsterdam.

- 100 jaar Draka

- Adembenemende stadsbeelden

- Onverwachte voorouders

- De wonderlijke Frederik van Eeden

- Achter de ruiten van peeskamers

- De barbier van Amsterdam




Eindeloos veel kabels


100 jaar Draka aan de oever van het IJ


Tekst: Marius van Melle


DrakaOp 20 april 1910 werden de handtekeningen gezet onder de oprichtingsacte van de N.V. Hollandsche Draad- en Kabelfabriek, beter bekend als Draka. Op de noordelijke IJoever verrees aan de Boorstraat een fabriekje dat eind december ging proefdraaien. De verwachtingen waren hoog gespannen: elektrisch licht verdrong de gasverlichting en de behoefte aan geleidingssnoeren en -kabels groeide snel. Die werden nog niet in Nederland gefabriceerd. Draka sprong in dit gat van de markt.


 


De Hollandsche Draad- en Kabelfabriek in Noord was een initiatief van Jan Teewis Duyvis (1884-1979), telg uit een Zaans ondernemersgeslacht. Zijn grootvader was een olieslager die de gelijknamige nootjesfabriek groot maakte, zijn grootmoeder een zus van de oprichter van koekjesproducent Verkade. Jan Duyvis behaalde in Delft zijn ingenieursexamen en specialiseerde zich in het buitenland in elektrotechniek. De koffiehandel van zijn vader trok hem niet. Werkzaam in een Duitse kabelfabriek sloot hij vriendschap met een collega, de Engelse ingenieur Francis Joseph Osborn Howe, en samen smeedden ze het plan om een fabriek te stichten. Het kapitaal werd verschaft door de familie Duyvis en hun connecties bij De Twentsche Bank: medeondertekenaars van de oprichtingsacte waren de directeur van die bank Adam Roelvink en zijn Zaanse president-commissaris Jan Adriaan Laan.


           Al in 1912 maakte Draka een behoorlijke winst. Niet genoeg om uit te breiden, maar Philips sprong bij en nam in 1913 een flink belang in de fabriek. Anton en Gerard Philips en hun president-commissaris Geert van Mesdag, directeur van cacaofabriek Van Houten, stapten in de Raad van Commissarissen. Een tegenvaller was de komst in hetzelfde jaar van een concurrent op de Nederlandse markt, de Delftse Nederlandse Kabel Fabriek (NKF). Maar met die nieuwkomer bleken zaken te doen. De markt werd verdeeld: NKF legde zich toe op zware hoogspanningskabels, Draka nam de fabricage van installatiedraad voor achter de meterkast en laagspanningskabels voor zijn rekening. In die marktverdeling kwam later een kink in de kabel toen Draka zich ook op zwaardere kabels ging richten.


           De Eerste Wereldoorlog verstoorde de groei van het bedrijf niet, hoewel het moeilijk was om aan koper te komen. De schaarste aan olie gaf een stimulans aan de elektrificatie van Nederland en in steeds meer huizen hingen Philips-peertjes. Ze waren niet aan te slepen, de Draka-draden met de beschermende omhulling van getwijnde katoendraad in de Amsterdamse kleuren rood en zwart. Het personeel profiteerde mee: in 1916 werd zoveel grond in erfpacht verkregen dat er naast nieuwbouw nog ruimte was voor gratis groentetuintjes.


 


Betere producten, harder werken


De aandeelhouders sponnen garen bij de groei, die zich nog even voortzette. In 1919 werd zelfs een dividend van 68% uitgekeerd; de nettowinst was dat jaar opgestuwd tot ƒ2 miljoen. Dat gaf ruimte om de personeelsvoorzieningen te verbeteren. Er kwam een kantine en harmonie De Eendracht werd opgericht, waarin ook de nieuwe technisch directeur H.A.M. van Hoffen lustig meetoeterde. Een gekozen fabrieksraad (de Kern, aanvankelijk Contact-Commissie geheten) was de eerste stap in medezeggenschap. Al duldde directeur Duyvis weinig tegenspraak. Toen in 1922 een staking uitbrak onder het jeugdig personeel, omdat acht meisjes om een onbenullige reden op staande voet ontslagen waren, konden de 40 meisjes die het werk daarop neerlegden en de twintig jongens die zich met hen solidariseerden, meteen vertrekken. “De bewaarschool is er niks bij!”, schreef een jongen een paar jaar later in het bedrijfskrantje van de communistische jeugdbond De Zaaier. “Gedragboekjes voor arbeiders, oud & jong! Heb een baas de pest op je in, lage cijfers, en als gevolg daarvan lager loon.”


          De conjuncturele inzinking in de eerste helft van de jaren twintig werd aangegrepen om de productie te rationaliseren en de arbeidsproductiviteit te verhogen. In het eigen laboratorium werkte men hard aan verbetering van de producten, die de goedkeuring kregen van de in 1927 door de elektriciteitsbedrijven opgerichte Keuringsdienst voor Electrotechnische Materialen (de KEMA-keur). Het assortiment werd uitgebreid met telefoonkabels en de productie van zwaardere loodkabels nam toe. Na vijf dividendloze jaren ging het weer goed. Draka was tijdens de Edison Lichtweek in 1929 prominent aanwezig met een lichtende draak in de Amstel. Koninklijk bezoek aan het bedrijf in 1930 gaf nog meer positieve publiciteit, evenals de geste van de directie om een Ondersteuningsfonds voor het personeel op te richten.


            Maar de crisisjaren brachten zwaar weer. In 1932 daalde de omzet naar 44% ten opzichte van 1930. De regeringsmaatregel om de invoer van geïsoleerd koperdraad te beperken, hielp Draka uit het dal. De arbeidsproductiviteit werd opgeschroefd door invoering van het Amerikaanse Bedaux-systeem. Een jaagsysteem, vonden de vakbonden, maar directeur Duyvis zag dat anders. “Voor mij ligt de grootste waarde van een loonstelsel, dat de arbeider belang geeft bij hogere productie, daarin, dat door het parallel schakelen van eigen belang en gemeenschapsbelang door de man zelf bereikt wordt, waartoe hij anders steeds opgedreven moet worden.”


 


Draka-draak spuwt leidingen


In een nieuw fabrieksgebouw werd de tekst gebeiteld: “Durf Dingen Doen in Donkere Dagen”. Innoverend was het bedrijf zeker. Zo ging het ook kabels voor röntgenapparaten fabriceren. Op het fabrieksterrein verschenen enorme haspels voor hoogspanningskabels in een eigen geoctrooieerde variant om de NKF een loer te draaien. De spoeling op de binnenlandse markt was dun geworden, mede omdat zich in Twente een nieuwe concurrent had aangediend. Maar na de devaluatie van de gulden in 1936 steeg de export en werden de verliezen uit de crisisjaren meer dan goed gemaakt. Een flinke bijdrage in de winst kwam van een Duitse kabelfabriek waarin Draka zo’n tien jaar eerder een belang had genomen.


         De Tweede Wereldoorlog maakte aan de optimistische verwachtingen een eind. Gebrek aan grondstoffen deed de productie krimpen. Arbeidstijd werd bekort (met wachtgeldregeling) en rubber maakte plaats voor een door de Staatsmijnen geleverde kunststof – ‘Stamikol’ – die bij verwerking ogen, neus en keel irriteerde. De eerste oorlogsslachtoffers vielen al in 1941. Boekhouder Arie Addicks, betrokken bij Het Parool, werd op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd en zijn joodse collega Izak Mogendorff stierf in Mauthausen. Hij was opgepakt bij de razzia die de aanleiding vormde tot de Februaristaking. Op beide dagen van deze proteststaking tegen de jodenvervolging lag Draka plat. Een derde werknemer, Alfons Westra, werd opgepakt tijdens de repressie die hierop volgde en in Duitsland gefusilleerd. In de oorlogsjaren zouden nog veertien werknemers worden omgebracht of door oorlogshandelingen om het leven komen. De productie lag stil gedurende de oorlogswinter, maar het loon werd doorbetaald en het bedrijf werkte actief mee om aan voedsel en brandstof te komen.


           Na de bevrijding kwam de productie weer snel op gang. Er ontstond zelfs een tekort aan personeel, dat de directie wilde oplossen door gedetineerde NSB-vrouwen aan het werk te zetten. Geen handige zet: een proteststaking legde het bedrijf maar liefst 36 dagen plat. Schoorvoetend gaf Duyvis toe. In 1950 ging hij met pensioen, al bleef hij tot zijn 84ste commissaris. Tweede man ir. L.L. Boonstra volgde hem op bij het 40-jarig jubileum, dat groots gevierd werd. Er verscheen een gedenkboek – met een bedrijfsreportage van fotograaf Cas Oorthuys – dat jubelend eindigde: “Tot in alle uithoeken van de wereld heeft de Draka-draak zijn leidingen gespuwd, de eindeloos vertakte aderen van het moderne leven. (...) Licht en warmte en allerlei comfort brengen zij in de huizen, overal waar mensen wonen. Een samenleving zonder electrische leidingen is nauwelijks meer denkbaar.”


 


Kunststof vervangt rubber


In de nadagen Duyvis’ bewind was met succes geëxperimenteerd met kunststoffen om rubber als isolatiemateriaal te vervangen. Het sap van de heveaboom vloeide immers niet zo gemakkelijk meer van Sumatra naar Amsterdam. De plasticfabricage nam een hoge vlucht. In nieuwe of overgenomen fabrieken buiten Amsterdam werd van alles geproduceerd: van pvc-buizen, tuinslangen en reddingsboeien van vinyl tot handgrepen voor de tram. Met de ‘core business’ van Draka had het weinig meer te maken.


         Grootaandeelhouder Philips zag het met lede ogen aan. De positie van directeur Boonstra kwam onder druk te staan, mede omdat in 1954 een loonconflict over de positie van tijdwerkers had geleid tot een 24-uursstaking in de Amsterdamse fabriek. Een paar maanden na deze ‘verloren’ staking werden de eisen ingewilligd. Boonstra moest in 1956 opstappen. Een waarnemend directeur nam het roer over en daarna ging het snel. Eind 1957 werd de draad met Philips doorgeknipt en een fusie aangekondigd met de aloude Delftse concurrent de Nederlandse Kabelfabriek (NKF). In feite was het een overname, wat ook blijkt uit de nieuwe naam: NKF (Nederlandse Kabelfabrieken). Door bundeling zou men beter opgewassen zijn tegen de concurrentiestrijd die zou losbarsten na het in werking treden van het EEG-Verdrag in 1958, aldus het persbericht.


          Draka was nu een werkmaatschappij. In 1960 werkten er 1400 mensen in de Amsterdamse fabriek. Drie miljoen kilometer draad en kabel rolde er jaarlijks uit de fabriek, in 5000 variëteiten. Maar de kosten waren hoog, personeel was moeilijk te krijgen en het rendement viel tegen. Met kunststof werd meer verdiend. Met de leus: “U slaapt wel op Drakacel” werd de schuimplastic matras gepromoot. “Stofvrij, licht in gewicht.” Maar ook brandbaar: de matrassenfabriek in Noordwijkerhout ging in 1963 een half jaar na de start in walmende vlammen op. De vervangende fabriek kwam in Emmen.


         In 1970 nam verrassenderwijs Philips het moeizaam draaiende NKF over. De verkoop van de Draka-aandelen twaalf jaar eerder was kennelijk toch niet zo gelukkig geweest. Met Frits Philips aan de spits zouden de zaken weer op rolletjes gaan lopen, was de verwachting. Dat viel tegen. De reorganisaties volgden elkaar op, directies kwamen en gingen en de kunststofsector werd afgestoten, maar het was vechten tegen de bierkaai in een krimpende conjunctuur. Eind 1985 had Philips er genoeg van en kwamen Draka en de Delftse NKF weer op eigen benen te staan. Een andere Frits werd grootaandeelhouder van Draka: mr. F.H. Fentener van Vlissingen.


 


Eigen baas


De wind ging uit een andere hoek waaien. Het Amsterdamse bedrijf – nu Draka Kabel geheten als werkmaatschappij van Draka Holding – werd geheel gerenoveerd. In 1990 mocht burgemeester Van Thijn het nieuwe complex openen. Onder leiding van de nieuwe sterke man ir. S.J. van Kesteren werd omzetgroei gevonden door buitenlandse bedrijven over te nemen. Een grote vis was het belang van bijna 40% in een Chinese glaskabelfabriek dat in 1993 werd overgenomen van Philips. In 1997 was de winst boven de ƒ100 miljoen gestegen. Draka kon nu de NKF overnemen en doorverkopen aan Pirelli. Weg kwelgeest uit het verleden.


         Bestuursvoorzitter Van Kesteren nam in 2005 afscheid. “Het nadeel van kabels is dat je ze niet ziet”, zei hij tegen NRC Handelsblad. “Ze zijn immers altijd weggewerkt.” En dat is jammer, want: “Kabels zijn de haarvaten van de samenleving. Ze zitten overal en we kunnen niet zonder.” Zijn topjaar was 2001 geweest, met een omzet €1,9 miljard. Maar na de internethype was het feest over. Rigoureuze bezuinigingen en personeelsinkrimpingen volgden én opnieuw een koerswijziging: samenwerken met concurrenten, geen overnames. Zo werd in 2003 een joint venture gesloten met het Franse Alcatel. Maar vier jaar later werden de Fransen alweer  uitgekocht. Draka wil graag eigen baas zijn. Dat streven werd in 2009 nog even in de waagschaal gesteld toen het veel grotere Italiaanse concern Prysmian het bedrijf dreigde over te nemen. Die bui dreef over.


         De huidige hoogste baas van het bedrijf, Frank Dorjee, zetelt niet meer aan het IJ maar in Buitenveldert. Medebestuurders zijn voornamelijk buitenlanders, want Draka is in meer dan dertig landen actief. De snelst groeiende omzet behaalt het bedrijf nu in kabels voor windturbines. Net als honderd jaar geleden is Draka op zoek naar het gat in de markt. 


 





Engelse landschapsfotograaf in het Amsterdam van 1857


Gevoelige stadsportretten van Benjamin Brecknell Turner 


Tekst: Anneke van Veen


Inhoud_042010_StadsbeeldenEen van de eerste fotografen van Amsterdam was de Engelsman Benjamin Brecknell Turner (1815-1894). Zestien her en der bewaarde papiernegatieven en enkele oude afdrukken van foto’s die hij in 1857 in Amsterdam maakte, zijn nu voor het eerst bij elkaar gebracht. Het Stadsarchief wijdt een spectaculaire tentoonstelling aan hem en andere vroege fotografen.


 


In 1858 hield de Vereeniging voor Volksvlijt een tweede Tentoonstelling van Photographie en Heliographie, ditmaal in het eigen lokaal aan de Bloemmarkt dat ‘slechts’ ruimte bood aan 230 foto’s. In een voorbeschouwing in De Volksvlijt “bejammerde” amateurfotograaf en jurist Jan Adriaan van Eijk het dat Nederlandse fotografen voornamelijk portretten maakten en zo weinig belangstelling toonden voor de vele “heerlijke gezigten, zoowel van land als stad”, die ons land de kunstenaar te bieden had.


Misschien werd Van Eijks jammerklacht ingegeven door de acht Amsterdamse stadsgezichten van een “Engelsch kunstenaar”, ingezonden door W.H. Kirberger, boekhandelaar aan het Rokin. Hoewel nergens bij naam genoemd, weten we dat het om werk ging van de Victoriaanse landschapsfotograaf Benjamin Brecknell Turner. De faam van Amsterdams schilderachtigheid en wellicht een aansporing van Kirberger lokten de Engelsman voor een ‘photographic tour’ naar Amsterdam. Turner was waskaarsenfabrikant, maar de zaken lieten hem voldoende tijd en middelen om vanaf 1849 intensief de fotografie te beoefenen. Zijn Engelse landschapsfoto’s behoorden tot het beste in dit genre. Op 17 mei 1857 ging hij in gezelschap van zijn zwager met zijn fotografische uitrusting aan boord van het moderne stoomschip De Batavier voor de overtocht naar Rotterdam. De reis duurde ruim een etmaal en vanaf Rotterdam was het nog bijna drie uur met de trein naar Amsterdam.


Turner zou op zijn fotografische expedities een tweewielig karretje hebben gebruikt om zijn grote camera voor negatieven van 30x40 cm, het statief en verder toebehoren te vervoeren. De uitrusting zal niet al te zwaar zijn geweest, want hij werkte met het papieren procedé, de calotypie. Zijn voorkeur voor het papier was ingegeven door artistieke overwegingen. De brede kleurnuanceringen, verfijnde detaillering en zachte contouren pasten beter bij zijn favoriete onderwerpen – oude boerenhoeves en schuren, verweerde ruïnes, knoestige eiken – dan de collodiumplaat met zijn niets verhullende scherpte.


Hoewel Turner niet van de fotografie hoefde te leven, waren zijn grote foto’s wel bestemd voor de tentoonstellingswand en de portefeuille van de kunstliefhebber. In catalogi stond de verkoopprijs vermeld en nabestellingen liet hij afwerken door een professionele fotograaf. Hij kwam naar Amsterdam om aan een samenhangende reeks te werken waarmee hij zich kon presenteren op fotografietentoonstellingen in Engeland en Schotland.


 


Weerspiegeling in water


In het lokaal aan de Bloemmarkt hingen volgens de Amsterdamsche Courant van 27 juli 1858 sommige foto’s “wat te gedrongen opeen”. Over Turners foto’s schreef de recensent minzaam dat “eenige goed gelukt” waren. Kirberger daarentegen verwachtte goede zaken te kunnen doen en kocht er maar liefst negentien in. Nu resteert van Turners eigen afdrukken vrijwel niets meer. Dat we ons toch een beeld kunnen vormen van zijn Amsterdamse avontuur is vooral te danken aan het feit dat de familie zijn papieren negatieven aan de Royal Photographic Society heeft geschonken.


Tussen de meer dan 230 Engelse landschaps- en architectuurfoto’s bevinden zich dertien Amsterdamse stadsgezichten; drie andere zijn veel later terechtgekomen in collecties in Nederland en de Verenigde Staten. Slechts van vijf van de zestien opnamen zijn goede afdrukken bekend. Dat is minder erg dan het lijkt, want voor fotografen als Turner waren negatief en afdruk twee aparte, maar gelijkwaardige artistieke momenten, waarbij de keuze van het papier een grote rol speelde. Papieren negatieven werden door tijdgenoten evenzeer gewaardeerd als de afdruk ervan. Ze werden ook tentoongesteld en besproken in recensies.


Na de gebruikelijke handelingen van ontwikkelen, fixeren, spoelen, drogen en met was bestrijken, bewerkte Turner zijn negatieven intensief met zilverstift om de contouren van de onderwerpen scherper te doen uitkomen, en met penseel en zwarte inkt om op zijn afdrukken effen, blanke luchten te krijgen. Ieder negatief is als het ware ook half tekening en aquarel. Voor de afdruk ging Turners voorkeur uit naar het toen net in zwang geraakte albuminepapier: dat heeft een gesloten, glad oppervlak en geeft een scherper beeld dan het traditionele zoutpapier. Zo kon hij de verfijnde detaillering van zijn negatieven volledig tot hun recht laten komen.


Turners Amsterdamse foto’s tonen een grote variëteit: hoofdgrachten met stille, statige huizen wisselen oude burgwallen af met hun pakhuizen en bedrijfjes of de wijde bocht van de Amstel tussen de Kloveniersburgwal en het Rokin. Maar er is een belangrijk vast element in zijn beelden en dat is het water. Turner fotografeerde Amsterdam als een aan het water ontstegen stad waar het beeld zich verdubbelt in de stille grachten. Het feit dat 19de-eeuwse fotografen de wereld op hun matglas ondersteboven zagen, maakte hen gevoeliger voor het effect van weerspiegelingen op de compositie. De foto van de Amstel bij de Halvemaansbrug is bijvoorbeeld helemaal rond de weerkaatsing van het stadsbeeld in de rivier opgebouwd. Door het gezichtspunt recht tegenover de Kloveniersburgwal wordt het oog van de kijker langs de brug en het spiegelbeeld van de brug de diepte ingetrokken. De boom die zich tegen de lucht aftekent staat bijna in het centrum van het beeld, dat geflankeerd wordt door de vormen van de ophaalbrug en de middeleeuwse verdedigingstoren Swygh Utrecht.


 


Tand des tijds


In een opname van de Westerhal aan de Keizersgracht herkennen we een onderwerp dat tweeënhalf eeuw eerder ook door schilder/uitvinder Jan van der Heyden is gekozen. Bij Turner gaat alle aandacht uit naar het markante ensemble van de Westerhal en de hoge kerk er pal achter, dat door de omringende leegte aan monumentaliteit wint en zwaar en indrukwekkend uittorent boven de nietige huisjes rechts. De bovenrand van de foto doorsnijdt de kerktoren en de gevels lopen via hun spiegelbeeld door tot de onderrand, waardoor de compositie stevig is verankerd in het kader. Zag Turner hier wat Van der Heyden vóór hem had gezien of zou hij ingefluisterd hebben gekregen dat de 17de-eeuwse hal met sloop werd bedreigd? De voorgenomen afbraak werd door velen zeer betreurd en burgers hadden zelfs een verzoekschrift ingediend om de hal te behouden.


Anders dan de gangbare prentenreeksen is Turners Amsterdamse serie geen verzameling monumenten, al ontbreken de kapitale gevel van Felix Meritis en de koepel van de Ronde Lutherse Kerk (op de cover van dit blad) niet. Om de kerk in beeld te brengen waren er twee modellen, beide uit de 17de eeuw. Gerrit Berckheyde schilderde zijn gezicht op het Singel in 1697 vanaf de Haarlemmersluis, een van de toegangen tot de stad vanuit de haven. Dit beeld is vele malen herhaald, omdat het zo goed samenvat wat de Hollandse stad kenmerkt.


Maar Turner koos voor het andere model. Omstreeks 1690 schilderde Jacobus Storck (1641-ca. 1693) de zware koepel vanuit het zuiden. Ook dit grachtenstuk kreeg veel navolging en verscheen als ets in de Atlas van Fouquet naar een tekening van Jan de Beijer (1703-1780). Mogelijk kende Turner het schilderij uit Bankes's new system of geography published by Royal Authority (1787-1790). Hij trof een minder lommerrijke gracht aan dan zijn schilderende voorgangers. De felle zon schijnt onbarmhartig op de gevels, nergens wordt het beeld verzacht door schaduwpartijen. Het contrast tussen de strenge classicistische vorm van de koepel en de onregelmatige vormen van de woonhuisgevels springt hierdoor meer in het oog. Misschien was dat het wat hem trof in dit stadsbeeld.


Andere beelden in de serie vertonen meer verwantschap met zijn Engelse werk door de  aandacht voor onregelmatige vormen en voor het ruwe oppervlak van gebouwen en voorwerpen waarop de tand des tijds zijn sporen heeft nagelaten. In zijn Amsterdamse stadsgezichten zijn de stenen van de huizen en de walkanten, de pannen van de daken en het hout van schepen, tonnen, masten en palen bijna tastbaar. Bij de opname van de Nieuwezijds Kapel aan het Rokin vult de materiële wereld bijna het hele beeldvlak. Onder een bedekte hemel fotografeerde Turner de middeleeuwse kapel met de gotische ramen en hoge schoorstenen half verscholen achter de Hollandse gevels, terwijl wij op de voorgrond veerschuiten, kranen, tonnen, planken en verweerde palen in het water zien.


 


Stad in beweging


Een andere dag plantte hij zijn camera op de brug voor de Korte Kolksteeg om een oerbeeld vast te leggen van de oude handelsstad met zijn stapelfunctie. De Nieuwezijds Achterburgwal – een smalle stinksloot die tien jaar later zou worden gedempt en omgedoopt in Spuistraat – vormde letterlijk de achterkant van het welvarende Amsterdam. Veel van de pakhuizen hoorden bij panden waarvan het front naar de brede Nieuwezijds Voorburgwal was gekeerd. Op de kade liggen stapels wilgentenen en staan de tonnen en het gereedschap van de kuiperij in het onderhuis rechts. De luiken van het pakhuis staan open, de late middagzon gunt ons een blik naar binnen. Op adembenemende wijze is het wezen van een compacte, traditionele stad voelbaar. De twee wipbruggen en de huizen aan het Hekelveld die in de verte het beeld afsluiten, verhogen de intimiteit van dit stadsbeeld. De fotograaf – en wij met hem – is aanwezig in de scène, een gevoel dat wordt versterkt door de twee mannen met hun voorschoten (of is het een en dezelfde?) die zich net niet lang genoeg van hun werk hebben laten afhouden om even scherp te worden afgebeeld als de muurvoegen.


In de fotografie is het toevallige element groter dan bij andere kunstvormen en Turner wist hoe er zijn voordeel mee te doen. Een stadsbeeld is uiteraard beweeglijker dan een dorpsgezicht, zelfs in het wat slaperige Amsterdam van 1857. Er verdween niet alleen af en toe wat, er werd ook wel eens iets gebouwd of opgeknapt. Turner ging daar niet aan voorbij, Hij maakte een onorthodox stadsgezicht, waar de ene helft rust en onveranderlijkheid ademt en de andere helft op hetzelfde moment in staat van ontwrichting verkeert door bouwwerkzaamheden aan brug, kade en woonhuis.


Op één van zijn foto’s kunnen we rechts onze blik en gedachten laten wegdwalen naar de Grimburgwal en Zuidertoren, maar stuiten wij links op verwarrend veel elementen – steigers, een heistelling, een brug die nog lang geen oeververbinding is. Een dergelijke interesse voor het stadsbeeld in beweging konden commerciële fotografen zich niet veroorloven, maar amateurs als Jacob Olie en Turner hoefden zich niet te laten beperken door de smaak van het publiek. Pas aan het eind van de eeuw zien we kunstenaars als George Hendrik Breitner het tijdelijke stadsbeeld weer tot onderwerp kiezen.


Volgens de familieoverlevering moest Turner zijn ‘photographic tour’ voortijdig afbreken, omdat hij met zijn grote camera zoveel bekijks trok dat in het tumult een deel van de apparatuur in het water belandde. Maar voor die anekdote is geen bewijs gevonden. Er resten nu zestien calotypieën van een verblijf van ruim twee weken. Maar die mogen er dan ook zijn. Zijn Amsterdamse foto’s imponeren door hun grote maat, het materiaalgebruik en de intense kleurschakeringen. Maar ze vallen ook op omdat hij de vertrouwde conventies soms liet voor wat ze waren en originele beelden maakte met een ongebruikelijke compositie. 


 




Vroege vestiging vanuit Suriname
Genealogische achtergronden van een straatmuzikant
Tekst: Jean Jacques Vrij

WijnoordHet kan niemand ontgaan dat veel Amsterdammers voorzaten van buiten Europa hebben. Dat is bepaald geen nieuw verschijnsel. Al vanaf de 17de eeuw vestigden zich in de stad talloze mensen uit de door Nederland gekoloniseerde gebieden in Oost en West. Dankzij die vroege immigratie blijken heel wat Amsterdammers bij nader onderzoek onverwachte ‘voorouders van verre’ te bezitten. Zoals een weleer bekende straatviolist met bijzondere Afro-Surinaamse wortels.

De straatviolist met de krullende naar achteren gekamde haarbos, keurig in het pak gestoken, de kist van het instrument gesloten op de grond naast hem. De beeldbank van het Stadsarchief bevat verschillende afbeeldingen van deze man. Vanaf eind jaren twintig, totdat hij in 1957 om gezondheidsredenen definitief stopte, was Jan Wijnoord (1887-1958) dan ook vrijwel dagelijks, weer of geen weer, met zijn viool te vinden op de brug bij het Centraal Station of bij het Leidsebosje.
Rond 1950 vertelde Wijnoord zijn levensverhaal aan journalisten van het Handelsblad en het Vrije Volk. Hij groeide op in de Jordaan. Zijn ouders bekommerden zich nauwelijks om hem. Als zij niet samen op de groentemarkt werkten, zaten zij samen in de kroeg. Op zijn twaalfde ging hij  werken in de fabriek, maar moest daarmee stoppen vanwege zijn zwak gestel. Hij meldde zich vervolgens aan bij de marine als muzikant en bracht het tot hoornblazer en tamboer. Toen hij na een mislukte medische operatie in Nederlands-Indië niet meer tot hoornblazen in staat bleek, werd hij tot marinier tweede klas gebombardeerd. Dat beviel hem zo slecht dat hij in een Engelse havenplaats deserteerde. Na veel omzwervingen keerde hij in Nederland terug en wist te bewerkstelligen dat hij uit de dienst ontslagen werd. Vervolgens nam hij allerlei werk aan, als kruier, spoor- en havenarbeider, tot een longontsteking hem in het sanatorium bracht. Daar leerde hij zichzelf viool spelen. Zijn carrière als straatmuzikant leverde hem net een bestaansminimum op. Maar ook inzicht in de mensheid. Onder collega-straatmuzikanten stond Wijnoord bekend als ‘de denker’. Hij filosofeerde: “Het zijn de armsten die naar verhouding het meeste geven. Zij weten wat het is om kou en honger te lijden. De mensen met de goede kleren lopen voorbij en hebben altijd haast, maar ach, je kunt het ze eigenlijk niet kwalijk nemen, wat weten zij van  armoede?”
Jan Wijnoord heette exact naar een van zijn overgrootvaders. Niet de overgrootvader in mannelijke lijn, want Wijnoord dankte zijn familienaam aan het feit dat zijn moeder zowel als haar moeder hun kinderen kregen zonder wettig gehuwd te zijn. De bewuste overgrootvader was ook een geval apart.    

Naar Nederland
In de Surinaamse slaventijd (1650-1863) bevochten enkele duizenden mensen de vrijheid door de plantages te ontvluchten. Deze zogenoemde bosnegers of marrons stichtten autonome samenlevingen in het Surinaamse binnenland die op voet van oorlog stonden met de plantagekolonie. Althans tot circa 1760, toen de grootste groeperingen, de Aucaners en de Saramaccaners, vrede sloten met de koloniale overheid.
De overheid liet zich sedertdien bij hen vertegenwoordigen door ‘posthouders’, vaak gerekruteerd uit de onderofficieren van het garnizoen. In Awara aan de bovenloop van de Surinamerivier, op zeven tot negen dagreizen van Paramaribo, schuin tegenover het dorp van de Saramaccaanse Granman (grootopperhoofd) Kwakoe Etja, woonde in die hoedanigheid vanaf 1777 Christiaan Godlieb Weinhold, geassisteerd en in 1782 opgevolgd door Court Lambert de Vries. Uit de relatie van laatstgenoemde met Bossie, een jonge vrouw uit de familie van Etja, werd omstreeks 1782 een ‘mulatte jongen’ genaamd Jan geboren.
Tien jaar later deed zich een crisis voor in de relatie tussen de Saramaccaners en de koloniale overheid, waarbij de familie van Jan de overheid steunde. Uit erkentelijkheid daarvoor werd de jongen in 1792 naar Amsterdam gezonden om hem daar op overheidskosten een ambacht te laten leren of op te leiden voor de zeevaart. Als gevolg van een zeer waarschijnlijk verkeerde gevolgtrekking omtrent het vaderschap, werd hij op de passagierslijst vermeld als Jan van Weinholdt. Volgens een getuigenis van zijn moeder, dertig jaar later, was De Vries beslist zijn vader.
Jan werd in Amsterdam in de leer gedaan bij de timmerman van het werfhuis van de Sociëteit van Suriname, toen nog de formele eigenaar van de kolonie, op het Roeterseiland. Luttele jaren later raakten de verbindingen tussen Nederland en Suriname door de internationale oorlogssituatie zo goed als verbroken. Daaraan kwam pas werkelijk een eind na de Slag bij Waterloo in juni 1815. Jan was ondertussen in 1808 in de Amstelkerk gedoopt en noemde zich nu Jan Wijnoord. Het jaar daarop trouwde hij met de zes jaar jongere in Amsterdam geboren Maria van den Hurk. In 1817 hadden zij drie kinderen – een vierde zou spoedig volgen – en woonde het gezin even buiten de stad, aan het Zaagmolen Achterpad tussen de Utrechtse poort en herberg De Berebijt aan de Amstel.

Remigratiepoging
In dat jaar ondernam Jan Wijnoord een poging om met zijn gezin naar Suriname te verhuizen. Dat was naar zijn zeggen ook altijd zijn bedoeling geweest. Hij stelde zich in een rekest aan het departement van Koophandel en Koloniën voor als “van beroep timmerman en de architecture hier te lande geleerd hebbende, met oogmerk om volleerd zijnde, naar zijn geboorteland terug te keeren.” Vanwege Wijnoords bijzondere afstamming vroeg beantwoording van zijn verzoek om nader onderzoek in Suriname. De relatie tot de marrons was nog altijd ambivalent. Een raadsheer uit het hof van politie was bovendien beducht dat Wijnoord, gevormd als hij was in Europa in een revolutionaire periode, “aan zeekere principes was toegedaan.” Maar gouverneur C.R.Vaillant meende dat Wijnoord, met zijn blanke vrouw en kinderen, die bovendien “zijne superioriteit boven zijne landslieden en magen van moederlijke zijde aan de Hollandsche regeering te danken heeft, en die eindelijk tog een blanken vader had”, juist een brugfunctie zou kunnen vervullen.
Om niet helemaal duidelijke redenen had Wijnoord zelf echter inmiddels de belangstelling voor een terugkeer naar Suriname verloren. Hij verhuisde met zijn gezin naar de Amsterdamse binnenstad, waar hij, steeds werkzaam als timmerman, tot aan zijn dood in 1853 woonde – in stegen en sloppen als de Bakkengang aan de Bloemstraat en de Bloempottensteeg aan de Elandstraat.
Bossie, zijn moeder, meende het wel te begrijpen. Kort nadat haar zoon in 1792 was vertrokken, was zij in Paramaribo komen wonen. Daar woonde ze in 1822 nog, met twee dochters, ondersteund door een toelage van het gouvernement. Dat jaar verzocht ze om verhoging van die toelage, waarbij ze het vertrek van haar zoon memoreerde. “De opperhoofden der Saramaccaanders”, zei ze, hadden daarin met moeite bewilligd en bij het gouvernement vaak op zijn terugkeer aangedrongen. Maar nu stond het vast: haar “oudste zoon in Europa zijnde en zo als gezegd word gehuwd is, en alnu vader zijnde, zal zeekerlijk niet weeder in deeze colonie retourneeren.”

Kindermigranten
Hoewel het levensverhaal van Jan Wijnoord senior in veel opzichten uniek is, staat het toch niet volstrekt op zichzelf. Een significant gedeelte van de migranten uit Suriname die voor hun vorming en scholing naar Nederland waren gestuurd, bestond in zijn tijd uit zonen en dochters van Afro-Surinaamse moeders en Europese vaders. De meesten van hen waren – anders dan Wijnoord – als slaaf ter wereld gekomen, omdat hun moeder ten tijde van hun geboorte de slavenstatus bezat. Eind 18de eeuw verkeerde van de Surinaamse bevolking van in totaal circa 60.000 zielen meer dan 90% in die positie.
Veelal ging het zo: een blanke man kreeg op de plantage waarover hij de leiding had een kind bij een Afro-Surinaamse slavin, moeder en kind werden gemanumitteerd (=vrijgemaakt) en het kind overzee gestuurd. Zo richtte Cornelis van Velsen, administrateur van plantage Houttuin in het district Para, zich in 1761 in de volgende bewoordingen tot de Surinaamse overheid. Op de plantage was “zig in slavernij bevindende zeekere Neegerinne genaamt Bettie, hebbende deselve onlangs overgewonnen een Mulatte kind, zijnde een jonge”, welke de eigenaren van de plantage bereid waren aan hem af te staan. Hij zag beiden nu gaarne uit de slavernij ontheven “geconsidereert veele trouwe diensten door deselve Neegerinne aan hem bij ziekte en andere omstandigheeden betoont en beweesen.”
Een van de hier bedoelde ‘diensten’ was ongetwijfeld dat zij hem, een al wat oudere man, een zoon had geschonken. In november 1767, vier maanden voor zijn dood, maakte Van Velsen in Paramaribo zijn testament. Aan Bettie vermaakte hij twee slaven, een klein geldbedrag en zijn beddengoed. Zijn enige en algehele erfgenaam was: “mijne vreijgemaakte Mulatte Jongen, genaamt Cornelis.” De jongen bevond zich op dat moment al in Amsterdam. Hij zou er worden opgeleid voor de handel en in 1829 in zijn woning aan de Oudezijds Achterburgwal overlijden, 69 jaar oud. Volgens de overlijdensakte, opgesteld op aangifte van zijn schoonzoon Bernardus Braskamp, zelf koopman van beroep, was Van Velsen junior bij zijn dood commies der in- en uitgaande rechten van de stad.

Afrikaanse wortels
Een ander voorbeeld is dat van de drie kinderen van Johannes Veenendaal, een Amsterdammer die van circa 1750 tot 1792 in Suriname werkzaam was. Zij kwamen voort uit twee opeenvolgende relaties met plantageslavinnen. Johannes jr., die blijkens een testament van zijn vader in 1769 al in Amsterdam woonde, monsterde in 1777 aan als ondertimmerman op een VOC-schip en overleed in Azië. Anna trouwde in 1802 in Amsterdam met Johan Diederich Schreyer, een Duitser uit Worms die haar al spoedig met twee kinderen liet zitten. Ze overleed in 1849 op 72-jarige leeftijd in het ‘Besjeshuis’ aan de Amstel. Jan Willem diende vanaf 1795 – hij was toen zestien – ruim twintig jaar bij de marine en het korps mariniers. Frauduleus handelen als foerier leidde tot een veroordeling en zijn ontslag uit de dienst, waarna hij als enige terugkeerde naar het land dat hij in zijn vroege jeugd verlaten had. Hij stierf er in 1833.
Veel van de ‘mulatte kinderen’ die in de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw naar Amsterdam of andere plaatsen in Nederland gestuurd werden, keerden direct na hun scholing naar Suriname terug. Maar lang niet allemaal. Het gebeurt dan ook meer dan eens dat een ‘autochtoon’ die zijn of haar familiegeschiedenis napluist, ontdekt dat een deel van de wortels – net als in het geval van de straatmuzikant Jan Wijnoord – in Suriname ligt. En, via Suriname, in Afrika.


 




Frederik van Eeden en Amsterdam
Een wonderlijke kerel
Tekst: Jan Fontijn

Van_EedenSchrijver, psychiater, mysticus en wereldverbeteraar Frederik van Eeden (1860-1932) werd 150 jaar geleden geboren – in Haarlem. Amsterdam, waar hij studeerde, De Nieuwe Gids hielp oprichten en een psychiatrische praktijk begon, werd nooit zijn grote liefde. Anderzijds liet de stad hem nooit meer los.

In de lente van 1918 werd tijdens een spiritistische seance in de Gooise kolonie Walden van Frederik van Eeden een begin gemaakt met het ontwerpen van een wereldstad. Architect Jaap London had ontwerptekeningen meegenomen. Van Eeden (58) zou voor de tekst zorgen. Hij moest, vond men, in dit werk al zijn levenswijsheid en gevoel voor schoonheid concentreren. Van Eedens wereldstad, door hem ook Lichtstad genoemd, zou de ideale stad moeten worden. Ze zou bestaan uit drie delen: de Ziel, het centrum waar de Dom is gevestigd, daarbuiten de Geest, waar de theaters, bibliotheken en universiteiten waren en ten slotte de buitenstad of het Lijf, waar het geldverkeer is, met  hotels en restaurants. Het plan was de stad ergens op een eiland in Zuid-Europa te bouwen. Alles wat in Van Eedens ogen de grote steden aan verwerpelijks hadden, werd uit het project geweerd. Hij had al heel wat grote steden gezien: Londen, Parijs, Berlijn, New York, Chicago, Wenen, Rome en niet te vergeten Amsterdam.
Van Eeden, in 1860 in Haarlem geboren, leerde Amsterdam pas goed kennen toen hij als veertienjarige regelmatig op ziekenbezoek kwam bij zijn vriend Andries Beuninck, die aan tuberculose leed en tot zijn grote verdriet eind 1875 overleed. Toen al zal hij gemerkt hebben hoe een grote stad als Amsterdam verschilde van zijn geboortestad Haarlem, die met 27.000 inwoners de geborgenheid had van een provinciestad. Maar de werkelijke confrontatie met Amsterdam vond plaats vanaf eind september 1878, toen Van Eeden daar medicijnen ging studeren.
Een jaar eerder was met veel feestelijkheden de omzetting van het Athenaeum Illustre tot universiteit gevierd. Amsterdam was in de jaren zeventig economisch en cultureel tot bloei gekomen. Van Eeden kwam in een stad waar voortdurend werd gebouwd: de haven moest uitbreiden en de cityvorming nam snel toe. Nieuwe woonwijken zoals de Pijp kwamen er, vol smalle, hoge, troosteloze huizen. De overgang van het provincialistische Haarlem met zijn prachtige omgeving van duinen en bossen naar het grote Amsterdam was voor de jonge Frederik groot. In Amsterdam deed hij nieuwe ervaringen op, maar toch won Haarlem het vaak bij hem. In zijn dagboek schrijft hij: “’t Is of ik twee hoofden heb, een Haarlemsch en een Amsterdamsch.” Haarlem trok ook aan omdat hij daar een meisje kende op wie hij verliefd was.


Toespraken en turndemonstraties
In de eerste studiemaanden gedroeg hij zich als provinciaal. Hij deed zijn uiterste best ver van de grotestadsverlokkingen te blijven. En toen zich ten slotte toch in het nachtleven stortte, schaamde hij zich: de chanteuses vond hij “ellendige terugstootende wezens”. Hoe negatief zal hij in De kleine Johannes, het boek dat hij tijdens zijn studententijd schreef, de stad beschrijven! De jeugd van de kleine Johannes eindigt pas goed, als hij samen met Pluizer de stad binnentreedt.
Van Eeden woonde aanvankelijk in de Vondelstraat op kamers, later verhuisde hij naar Jacob van Campenstraat 36 in de Pijp. Daar leerde hij de sociale ellende van de stad goed kennen. De nieuwe wijk vond hij een “voos en ziekelijk uitwas”; de buurt was als een groot mensenpakhuis. In zijn kosthuis heerste kleinburgerlijkheid, stil verdriet en bittere armoede. Troosteloos waren ook de ziekenhuizen in Amsterdam waar Van Eeden als student moest zijn. In de uitgewoonde gebouwen van het Binnengasthuis werd hij geconfronteerd met de altijd aanwezige dood. Woedend kon hij zijn over de botte manier waarop zijn medestudenten met de patiënten omgingen.
Van Eeden was zeer actief in het studentenleven, organisatorisch, sportief, literair en wetenschappelijk. Op 20 oktober 1882 werd hij rector van het Amsterdamsch Studenten Corps, waar hij om zijn welsprekendheid zeer gewaardeerd werd, al uitte hij felle kritiek op de losbandigheid van de corpsleden. Geprezen werden ook zijn bijdragen in het landelijke studentenblad Minerva, waarvan hij de Amsterdamse redacteur was. Hij had daarin geen goed woord over voor de oprichting van de Vrije Universiteit in 1880 en evenmin voor Abraham Kuyper, die voor de doodstraf was en zich in verband met de vaccinatiedwang op de bijbel beriep. Ook was hij op 9 februari 1880 redacteur van de corpsalmanak geworden, waarin hij vele literaire bijdragen publiceerde, zoals een lang gedicht over het standbeeld van Vondel in het Vondelpark. Hij was lid van de studentengymnastiekvereniging Thor en nam deel aan een turndemonstratie op het Amstelveld, waar ook Amsterdamse volksjongens hun krachten mochten beproeven.

Mooie kamer aan de Amstel
Op 14 juni 1881 bezocht Van Eeden de oprichtingsvergadering van de letterkundige vereniging Flanor in gebouw Eensgezindheid aan het Spui. Hier maakte hij kennis met belangrijke jonge schrijvers als Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel, Willem Paap, Arnold (‘Sam’) Aletrino, Albert Verwey  en Frank van der Goes. Eens in de drie weken ontmoetten zij elkaar in De Karseboom in de Kalverstraat. Flanor stimuleerde het schrijven van toneelstukken, debatten over literaire, filosofische en sociale vraagstukken. Op 3 april 1883 werd Van Eeden voorzitter; hij bleef dit tot de opheffing in juni 1886. De oud-Flanorleden ontmoetten elkaar ook in stamcafé Willemsen op de Heiligeweg, waar ook de schilders Jacobus van Looy, Jan Veth en Isaac Israëls kwamen. Van Eeden, ondertussen verloofd met Martha van Vloten, hield zich een beetje afzijdig.
Al die informele contacten resulteerden ten slotte in de oprichting van De Nieuwe Gids. De eerste aflevering opende op 1 oktober 1885 met het begin van De Kleine Johannes, het sprookje dat hij in zijn nieuwe kamer aan de Amstel geschreven had. Van Eedens vriend Sam Aletrino was in huilen uitgebarsten, toen Frederik de passage voorlas waarin Johannes als slachtoffer van Pluizer naar de stad, “het grote monster”, gaat.
Die mooie kamer aan de Amstel moest hij verlaten toen hij op 15 april 1886 met Martha van Vloten trouwde. Het echtpaar vestigde zich in het rustige Bussum waar Van Eeden huisarts werd.
In juli 1886 promoveerde Van Eeden in Amsterdam op zijn onderzoek naar de voeding van tuberculosepatiënten. Dat onderzoek verrichtte hij najaar 1885 in Parijs, waar hij door de colleges van de arts Jean-Martin Charcot – een van de grondleggers van de neurologie – zich ook voor psychiatrie en hypnose was gaan interesseren. Die belangstelling groeide toen hij in juli 1887 Albert Willem van Renterghem leerde kennen, een arts in Goes die zijn patiënten met hypnose behandelde. Met hem begon Van Eeden op 15 augustus 1887 een in hypnose gespecialiseerde psychiatrische praktijk in Amsterdam, Singel 183. Kleermaker Van Ancum verhuurde aan Van Eeden daar twee kamers op de bel-etage voor ƒ40,- per maand. De praktijk was een succes, dus huurde het tweetal een grotere ruimte in Hotel du Passage op de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station. Voordeel was dat patiënten van buiten de stad in het hotel konden overnachten.

Fel tegen sociale misstanden
Op 15 november 1889 verhuisden Van Eeden en Van Renterghem naar het achterhuis van Keizersgracht 258. Hun praktijken waren gescheiden. Laatstgenoemde woonde in het voorhuis, met daarbij een pension voor patiënten. Al snel logeerden er twaalf patiënten, waardoor het geheel iets van een psychiatrische inrichting had. Er werden ook psychologische experimenten gedaan, zoals met een vrouw van wie beweerd werd dat zij in een donkere kamer gezeten, voorwerpen kon bewegen zonder ze aan te raken. Van Eeden was meer geconcentreerd op zijn literaire werk en vanaf 1891 werd steeds duidelijker dat hij zijn praktijk niet zag zitten. Hij kwam niet meer op tijd, er ontstonden problemen tussen beiden. Op 1 juli 1893 hield hij ermee op.
Nu kon hij zich geheel wijden aan de literatuur, waarin een revolutionaire ontwikkeling gaande was. Een aantal Nieuwe Gids-auteurs, onder wie Herman Gorter en Van Eeden, koos in de jaren negentig partij voor de onderdrukten. Van Eedens engagement liep in  in 1898 uit op de stichting van de kolonie Walden ten zuiden van Bussum, proeftuin voor een nieuwe samenleving. Ook hield hij felle toespraken tegen sociale misstanden. In d’Geelvinck aan het Singel sprak hij 14 maart 1899 een rede uit met de titel ‘Waarvoor werkt gij?’, waarbij ook de jonge Nescio aanwezig was. Van Eeden overtuigde hem dat er veel onrecht was en dat de coöperatiegedachte hier iets aan kon doen. Nescio zou Van Eeden vereeuwigen in de beroemde beginzin van De uitvreter: “Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.” In de winter van 1901-1902 hield Van Eeden nog meer lezingen in Amsterdam, waar telkens zo’n 500 toehoorders van de meest verschillende godsdienstige en politieke richtingen aanwezig waren. Vooral sociaaldemocraten leverden felle kritiek op zijn utopische ideeën.

Wereldbond van intellectuelen
Gedenkwaardig waren voor hem de Spoorwegstakingen van 1903, die uitmondden in een poging tot een algemene staking. Anarchisten, sociaaldemocraten en syndicalisten werkten aanvankelijk samen. De toestand in Amsterdam werd zo gevaarlijk dat burgemeester W.F. van Leeuwen de hulp van het leger inriep. De staking sloeg over naar andere steden. Van Eeden zag op 30 januari 1903 de eerste rellen vanuit café-restaurant Concordia van Abraham  Reens, Rembrandtplein 8, waar hij een voordracht had gehouden. Aanvankelijk werden de arbeiderseisen ingewilligd en Van Eeden was opgetogen. Het waren volgens hem historische dagen “waarvan men met gewicht tot zijn kleinkinderen spreekt.” Maar het door het kabinet-Kuyper voorgestelde stakingsverbod riep nieuw massaverzet op. Toen stakers werden ontslagen, wierp hij zich op als hun woordvoerder. Met een bevlogen pleidooi overhandigde hij de directie van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij een petitie. Het mocht niet baten. Nog tot 1907 zette hij zich in voor de Amsterdamse stakingsslachtoffers.
In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog was hij veel in het buitenland, vooral in Duitsland, Engeland en Amerika. Om te trachten de vrede te waarborgen, initieerde Van Eeden een wereldbond van intellectuelen. Van 1915 tot 1922 was hij redacteur van De Amsterdammer, beter bekend als De Groene. Door zijn eruditie, journalistieke ervaring en buitenlandse contacten was hij daarvoor geknipt. Bijna iedere dinsdag  kwam hij naar Amsterdam voor de redactievergaderingen. Het liep mis toen hij vanaf 1920 steeds meer zijn fascinatie voor het katholicisme bekende. Die werd vooral gevoed in spiritistische kringen, waarin hij na zijn 50-ste jaar vaak verkeerde, onder andere bij mevrouw E. Welters-de Guasco, bewoonster van een bescheiden bovenhuis op de Nassaukade.
Eind 1919 gonsde het van geruchten dat Van Eeden katholiek zou worden. Vooraanstaande Amsterdamse katholieken als de dominicaan pater J. de Groot, de jezuïet pater A. Slijpen van het Sint-Ignatiuscollege en diens pupil de advocaat J.H. Fahrensbach bestookten hem. Op zaterdag 18 februari 1922 werd Van Eeden in de abdij van Oosterhout gedoopt. Over die abdij had hij enthousiast in De Amsterdammer geschreven. Dit blad vond het nu wel genoeg en ontsloeg hem. Het katholieke tijdschrift De Nieuwe Eeuw bood hem een nieuw podium. Hoofdredacteur Jac. van Ginneken S.J. dicteerde hem voortaan de onderwerpen en Van Eeden liet dit zich gezeggen. Hij schreef een lang gedicht voor het Eucharistisch Congres dat in juli 1924 in Amsterdam werd gehouden. Lichamelijk en geestelijk ging hij steeds meer achteruit. Hij stierf op 16 juni 1932 en werd begraven in Bussum. Zijn grafsteen is er nog steeds te zien – een kwartier treinen van Amsterdam.


 




Rood behang of witte tegels
Interieurs van Amsterdamse raambordelen
Tekst: Annemarie de Wildt

PeeskamersThe Hoerengracht is een wel heel bijzonder kunstwerk: het verbeeldt de Amsterdamse rosse buurt. Het Amerikaanse kunstenaarsechtpaar Edward Kienholz en Nancy Reddin Kienholz maakte het in de jaren tachtig. Inmiddels is The Hoerengracht – tot 29 augustus in het Amsterdams Historisch Museum – ook een monument voor de Wallen geworden. Want de weelderige peeskamers van toen bestaan niet meer. Hoe ontwikkelde het interieur van het Amsterdamse raambordeel zich in de laatste halve eeuw? (Foto Cor Jaring)

Al eeuwen lang lokten prostituees vanaf de stoep mannen naar binnen in hun bordeel of een hotelkamer. In de jaren dertig verschenen her en der verspreid over de Oudezijds Voor- en Achterburgwal en zijstegen vrouwen die achter het raam zaten, al dan niet voorzien van een gordijn of vitrine. Vaak deelden twee vrouwen een raam. Inpandig waren een of meer kamertjes met een bed. Jaap Doeser fotografeerde aan het einde van de jaren veertig twee raamprostituees terwijl hij binnen in hun kamer stond. Ze zitten elk achter hun eigen raam met tussen hen in twee theekopjes en een schemerlamp. Alleen hun bovenlichaam komt boven de vensterbank uit en ze zijn keurig gekleed met de knoopjes dicht tot bovenin. Beide vrouwen roken. Ze kijken naar buiten, maar tegenover een passerende agent zouden ze zo vol kunnen houden dat ze bij elkaar op theevisite zijn. Door de ramen heen is een doodstille gracht te zien.
Na Doeser kwam in de jaren vijftig en zestig de fotograaf Cor Jaring regelmatig in de cafés op de Wallen, waar hij de de temeiers en hun pooiers ontmoette. De meesten woonden in de buurt, hoewel er ook een grote mobiliteit was (en is) onder prostituees. Vrouwen die om wat voor reden dan ook besloten hebben om met hun lichaam geld te verdienen, gaan liever in een andere stad achter het raam zitten dan in hun woonplaats, als daar al een hoerenbuurt zou zijn. In deze tijd kwamen de meeste Amsterdamse prostituees uit Nederland. Een van hen was Parijse Leen, een ras Amsterdamse, die zo heette omdat ze wel eens een reisje naar Parijs had gemaakt. Jaring fotografeerde haar van binnen de peeskamer naar buiten en daardoor is het verhoginkje achter het raam zichtbaar. Daarop stond Leens stoel, zodat de passerende mannen haar benen konden zien. Zij had nog geen rode of ultraviolette tl-lichten langs haar raam. Die zouden pas later arriveren, eind jaren zestig, zoals te zien is op een andere foto van Cor Jaring, die een jonge vrouw vastlegde achter haar raam in een bikini met kwastjes ter hoogte van haar tepels. Ze zit met haar blote benen bevallig naar het raam gekeerd, waarschijnlijk op net zo’n verhoginkje als Leen.

Lange gesprekken
Tussen 1983 en 1987 verkenden de pop-artkunstenaars Edward en Nancy Kienholz de Wallen. Ed had al eerder een bordeel als onderwerp voor een kunstwerk gekozen: Roxy’s uit 1961 naar voorbeeld van een bordeel in Nevada. Kienholz – in Amsterdam vooral bekend door The Beanery, zijn enscenering van een bar in het Stedelijk Museum – was een van de grondleggers van assemblagekunst. Regelmatig kwamen hij en zijn vrouw, de kunstenares en fotografe Nancy Reddin, naar Amsterdam vanuit Berlijn, waar ze een deel van het jaar woonden en werkten. Zij deden uitgebreid onderzoek op de Wallen om The Hoerengracht te kunnen maken.
De meeste prostituees reageerden wat wantrouwend op die enorme Amerikaan en zijn roodharige vrouw, die alleen maar wilden kijken en wat snapshots maken. Maar het geld dat ze ervoor kregen was makkelijk verdiend en met sommigen zaten de twee lang te praten. De jonge Amsterdamse kunstenaar O.C. Hooymeijer hielp hen met het verzamelen van materiaal. Ramen en interieurstukken, zoals telefoons, schilderijtjes en stoelen komen van Amsterdamse sloperijen of het Waterlooplein.
The Hoerengracht is een uitsnede en een verbeelding met een ‘touch of surrealism’ van Mokums rosse buurt. Als het ware de Wallen samengebald in één straat. De kamers zijn behangen met rood behang, er hangen erotische schilderijtje aan de muur en er staan snuisterijen op kastjes. Alles is bedekt met een grof aangebrachte laag kunsthars. In het vier bij veertien meter grote assemblagekunstwerk is ook een foto van een bordeelinterieur gemaakt door Nancy Kienholz verwerkt: een ingenieuze suggestie van een bordeel in een souterrain.

Bouw- en Woningtoezicht op controle
Aan de vooravond van de legalisatie van prostitutie eind jaren negentig, werden eisen opgesteld waaraan een raambordeel diende te voldoen, zoals: makkelijk schoon te houden, maatregelen tegen brandgevaar en voorzieningen voor de veiligheid van prostituees. Witte of donkerrode tegels vervingen de gecapitonneerde wanden. Sommige kleine verhuurders van ramen, niet zelden vrouwen die met het zelf in de prostitutie verdiende geld een of meer pandjes hadden gekocht, verkochten hun huizen. Teveel gedoe, al die eisen van ‘de gemeente’. De legalisering van de prostitutie ging ook gepaard met schaalvergroting. Er werd in die jaren flink verbouwd op de Wallen. Bouw- en Woningtoezicht kwam bij heel wat bordeelverbouwingen kijken. “Some tiler must have earned a lot of money”, merkte Nancy Kienholz op toen ze de voormalige bordelen in de Korsjespoortsteeg bezocht waar in 2009 tijdens het project Redlight Art kunstenaars tijdelijk een studio hadden.
Ook alle 51 ‘ramen’ van Charles Geerts waren voorzien van geheel identieke beige wandtegels. De aankoop van deze raambordelen door NV Stadsgoed was een van de eerste stappen in wat Coalitieproject 1012 is gaan heten: de aanpak van vrouwenhandel en witwassen in het postcodegebied 1012 door vermindering van het aantal bordelen en coffeeshops. Achter de Geerts’ ramen zitten nu tijdelijk modeontwerpers en -fotografen.
“Bij sommige bordelen gaan ze er ’s ochtend met de brandspuit door”, vertelt Willy van der Sloot, die een paar ramen op het Singel exploiteert. “Maar dat moet ook wel als een verhuurder twintig, dertig ramen heeft.” Willy is een van de weinigen die ‘ouderwets gezellige’ kamers verhuurt met losse bedden met rode lakens, veel frutsels en lampjes. Aanvankelijk moesten haar ramen op het Singel verdwijnen. Ze voerde actie, betoogde dat er bij haar sprake was van sociale seks – oudere mannen die gebruik maakten van de diensten van oudere prostituees – en uiteindelijk mocht ze blijven.

Keukentje met magnetron
In het FNV Magazine van oktober 1994 stond een opmerkelijk artikel in de serie Cocon. “Net een tienerkamer”, is de titel. Prostituee Rico vertelt  over haar werkruimte, op dezelfde plek als waar nu Willy’s huursters zitten. Rico’s kamer heeft veel spiegels die de kleine kamer groter doen lijken, maar ook handig zijn om de klant in de gaten te houden. En bovendien: “hoeren zijn nogal ijdel.” Het interieur is bruin met “mooie rode kleuren” en kussentjes en pluche beren die het “lieflijk” maken.
Rood (de kleur van passie en van liefde) is van oudsher de kleur van de prostitutie. De verlichting in de meeste raambordelen bestaat uit rode tl, die laat huid mooi uitkomen, en ultraviolette licht, dat witte lingerie doet oplichten. Veel huursters van Willy van der Sloot zijn oudere vrouwen, de oudste is een Spaanse van maar liefst 63 jaar. Die geven vaak de voorkeur aan alleen een schemerlampje. Sommige oudere vrouwen zitten ook niet pal voor het raam, maar een eindje naar achteren. Ze hebben soms een herkenningsteken voor hun raam staan: een schoen of een poppetje, zodat hun vaste klanten weten dat ze er zijn.
Van der Sloot: “Ik ben natuurlijk erg romantisch, ik houd van gezellig, niet van die betegelde afwerkplekken. Ik denk dat mannen minder agressief zijn als het er leuk en lief uitziet. Ik moet afkloppen, maar bij mij is nooit iets ergs gebeurd. Er is nog maar één keer een alarm afgegaan en dat was omdat een klant zijn armen uitstrekte –‘Oh, wat was dat lekker’ – en toen ging het alarm af. Ik koop vaak nieuwe dingen, IKEA heeft een goede klant aan mij. De kamers hebben een keukentje met een magnetron, zodat ze eten klaar kunnen maken, een espressoapparaat en een stereo. Er gaat nooit iets stuk.”

Showtje opvoeren
Voor de meeste ondernemers is hufterproof een belangrijke vereiste van een bordeelinterieur. Daarom zijn de bedden verankerd aan de muur, de spots ingebouwd en de wastafels van onverwoestbaar staal. De matrassen zijn bekleed met rubber, en meestal ligt er geen laken op. Voor elke nieuwe klant wordt een nieuwe handdoek op het bed uitgespreid. De matrassen zijn een van de grootste kostenposten. Leon de Weerd, die het kamerverhuurbedrijf in de Oude Nieuwstraat heeft overgenomen van zijn vader Klaas, vertelt: “Er gebeurt nogal eens een bedrijfsongevalletje als een meisje er met haar hoge hakken doorheen gaat.”
De Weerd is al een tijdje bezig met een grootscheepse renovatie van de interieurs. “Hygiëne is heel wat belangrijker dan vroeger”, zegt hij. “In het bordeel dat nu verbouwd wordt, lagen er gebruikte condooms onder het bed en sprongen de vlooien je in je ogen vanuit de vaste vloerbedekking.” Hij gebruikt duurzaam hout en er hangen designradiatoren. Overal installeert De Weerd led-lampen: die zijn veel energiezuiniger en bovendien kan het meisje dan nog eens een showtje opvoeren met verschillende kleuren licht.
Als huisstijl heeft hij gekozen voor een moderne versie van het klassieke bordeelinterieur met donkerrood en zwart fluwelen behang met gestileerde bloemmotieven.  De tijd van onder tot boven tegels is passé. “Buiten dat ik het niet mooi vind, de meiden vinden het ook niets.” Zijn werken graag in de nieuwe kamers. “Some clients like the beautiful rooms, others don’t care.” zegt een van hen, die een ingenieus pakje draagt van doorzichtige stof. De vrouwen zelf zijn het belangrijkst, maar in een mooie kamer kunnen ze hun klant misschien verleiden wat langer te blijven.


 




De barbier van Amsterdam
Kapperszaak annex theater in de binnenstad
Tekst: Ko van Geemert

PasqualeWie de kapperszaak van Pasquale bezoekt, heeft er een ervaring bij die hij zijn leven lang niet meer vergeet. Pasquale knipt haren van heren, zeker. Maar meer dan kapper is hij entertainer. De vraag is: hoe lang nog? Want de 75-jarige Italiaanse Amsterdammer wil stoppen.

Bij binnenkomst in de kleine zaak in de Begijnensteeg weet je direct dat je niet bij een gewone kapper binnenstapt: de hele zaak hangt en staat vol met foto’s, schilderijtjes, krantenknipsels, grote borden waarop provocerende leuzen zijn geschreven, overvolle vitrines met tientallen, uitgesproken Amsterdamse snuisterijen, boekjes, beeldjes, een heus borstbeeld van de kapper zelf. We lopen een museum in.
Maar wat waarschijnlijk nog meer opvalt: dit is een theater, met kapper Pasquale als stralend en luidruchtig middelpunt. Figaro Pasquale moeten we zeggen. De in Italië geboren kapper noemt zich graag zo, naar de barbier Figaro uit Beaumarchais’ opera De barbier van Sevilla. Zijn klanten, bezoekers, toeschouwers, sympathisanten, kortom de Pasqualisten, bepalen zelf wat ze voor de voorstelling en het knippen betalen. “Ik laat iedereen naar de kassa lopen. Dat is psychologisch een interessant moment. Ze kiezen dan zelf wat het bezoek waard is.”
Maar nu zit mijn eigen herinnering me toch een beetje in de weg. Het zal eind jaren tachtig van de vorige eeuw zijn geweest. Mijn buurtkapper blijkt op vakantie en ik zoek een ander. Ik kom bij Pasquale terecht en word met open armen ontvangen. Mijn vraag wat het kost, wuift hij met grootse gebaren weg. Ik moet gaan zitten, krijg een kopje thee en een aantal tijdschriften vol mannen met moderne kapsels. Ik heb daar eigenlijk weinig zin in, maar wil ook niet onbeleefd zijn. Toch vraag ik al snel weer naar de kosten en nóg wel een paar keer. Uiteindelijk wordt het Pasquale te veel. “Honderd gulden”, zegt hij. Ik zit wat knippen betreft nog in het ‘zevenvijftig-stadium’ en maak me snel uit de voeten.

Ferrari met lekke band
Hij zal me niet gemist hebben. Pasquale heeft een forse klantenkring van voornamelijk BA’ers – Beroemde Amsterdammers –, als ik hem goed begrijp. Van Piet Römer tot Martin Simek, die hem “een verlicht dictator” noemde: “Bij jou heb ik de vrijheid gevonden. Maar niet de vrijheid van het woord, want jij laat me nooit aan het woord.” En niet te vergeten Drs. P, die ter gelegenheid van Pasquales 50-jarig jubileum dichtte over het woord ‘barbier’:

[…] Het heeft geschiedenis, cachet en zwier
En waar het dus bij past is zonneklaar
Niet bij een disco of een kerncentrale
Maar bij een man die jubileert dit jaar

Wie, vrienden, is die topfiguur? Ziehier –
Ik stel u voor aan Figaro Pasquale
En heden vieren wij zijn jubeljaar

Johnny van Doorn schreef in 1988: “Het werd de hoogste tijd om bij de barbier Pasquale, gevestigd in een steeg nabij het Begijnenhofje, een nieuw flacon haarwater aan te schaffen. Zo gezegd zo gedaan. Dokter Dralle’s Berkenwater hetwelk, royaal over je hoofd gesprenkeld en dan stevig ingemasseerd, hét middel is om een kleine inzinking tegen te gaan. De heilzame verfrissende lotion gebruik ik ook weleens vlak voor een optreden. Ik zweer daarbij. Effectiever dan een snuifje coke.”
Onlangs bereikte Pasquale de respectabele leeftijd van 75 jaar. Een paar jaar geleden werd bij hem long- en lymfekanker geconstateerd. “Ik ben nog steeds een Ferrari, de motor is in orde, ik heb alleen een lekke band”, was zijn commentaar destijds. Zo te zien lijkt de band met succes geplakt.
Pasquale Capone werd op 25 februari 1935 geboren in Sorianello, een dorpje in Calabrië, Zuid-Italië. Zijn vader was metselaar. Toen hij een jaar of tien was verhuisde het gezin naar Rome. Voorbestemd om priester te worden zat hij twee jaar op het seminarium. Maar dat was niks voor Pasquale. Hij ging eraf en moest werk zoeken. Aan knippen had hij nooit gedacht, maar toevalligerwijs kwam hij terecht bij de befaamde meester-coiffeur Armido. Het eerste wat deze vroeg, was: “Mag ik jouw handen en polsen zien?” Vervolgens moest hij een bezem pakken. “Het wapen van de zaak! Het gaat niet om schoonmaken, maar om schoonhouden!”

Man van het ambacht
Armido was een strenge leermeester, urenlang moest Pasquale oefenen met kam en schaar, waarbij een fles dienst deed als hoofd. Maar zo leerde hij wel het vak. Een van de stokpaardjes van Figaro is de waarde van het ambacht: “Het ambacht zit tegenwoordig op het niveau van de braderie.” Grote bewondering heeft hij voor vakmensen als Joop Braakhekke, Aad Veldhoen, Paul Huf. Hij vreest dat de schoenmaker, de goudsmid en de meubelmaker uit het straatbeeld zullen verdwijnen. Elk jaar organiseert hij De Dag van het Ambacht. Pasquale: “Ik zou graag twee jonge stagiaires willen hebben die ik het vak kan leren. We moeten de klassieke oude ambachten in ere herstellen! Het vak dreigt te veel eenheidsworst te worden. Het kappersambacht is opgeofferd aan het à la minute-kapsel, we zijn fast food-kappers geworden.”
In 1960 leerde Pasquale in Rome een Nederlandse vrouw kennen – “een kopie van de actrice Jeanne Moreau” – op wie hij verliefd werd. Hij ging haar achterna en trok bij haar in, in de Gerrit van der Veenstraat. Zeven jaar woonden zij samen. Al snel had hij werk als kapper gevonden. Aanvankelijk bij Willem Hähnen op het Singel en vanaf 1965 in de Begijnensteeg. In “de huiskamer van de buurt”, geheel gerestyled door de bekende binnenhuisarchitect Edo Spier, “pro deo, want ik had geen cent!”
Eerst werkte hij nog samen met compagnon Henk Laduc en heette de zaak Kapsalon Witvoet. Maar al spoedig had Pasquale het rijk alleen en kon hij uitgroeien tot “de barbier van haren en ziel”, zoals hij zichzelf graag noemt. “Ik ben verzorger. Ik verzorg niet alleen de haren, maar ook de ziel van de mensen. Iemand die goed verzorgd is, voelt zich prettiger en gelukkiger. Haren zijn de antennes van de ziel. Een echte barbier is in het leven belangrijker dan een pastoor of een commissaris van politie. Ik ben geen haptonoom, maar een kaptonoom.”
Zo nu en dan knijpt hij zijn ogen dicht van het lachen.  

Opvolger gezocht
Pasquale knipt uitsluitend mannen: “Een herenkapper is altijd zeer individueel bezig, terwijl de dameskapper met tien dames tegelijk bezig kan zijn.” Hij trekt er een getroffen gezicht bij. “Het verbaast me dat er in verzorgende instellingen wel dameskappers zijn te vinden, maar vrijwel geen herenkappers. Alsof zieke of bejaarde mannen geen behoefte zouden hebben aan verzorging!”
Pasquale: “God schiep de mens, maar wie maakte van het mannelijk schepsel een heer? Precies: de barbier. En wie is de barbier van Amsterdam? Opnieuw goed: Pasquale!”    
De liefde voor de lookalike van Jeanne Moreau mag dan over zijn gegaan (later trouwde Pasquale met een andere vrouw, van wie hij in 1988 scheidde, ze kregen twee kinderen), de liefde voor Amsterdam is springlevend gebleven. Pasquale kan in vervoering raken als het over ‘zijn stad’ gaat, vooral als er iets mis is: “Die Noord/Zuidlijn! Een schande! Laten ze er zo snel mogelijk parkeergarages van maken!” Over het stadsbestuur en de bazen van allerlei Amsterdamse ondernemingen kan hij zich mateloos opwinden: “Dat zijn helemaal geen Amsterdammers! Ze doen helemaal niets voor Amsterdam!” Opmerkelijke woorden uit de mond van een echte Italiaan die weliswaar al een halve eeuw in Amsterdam woont, maar nog altijd Nederlands spreekt met een allesoverheersend Italiaans accent. En bovendien in Abcoude woont… “Ja, ik kon Amsterdam niet meer betalen.”
Pasquales kapsalon is een ontmoetingsplaats. Hij voorziet iedereen van thee, koekjes, wijn, hapjes. “Ik ben als een broer voor mijn klanten. Ze nemen me in vertrouwen en ik bescherm hun privacy. Ik zou het liefst willen dat mijn zaak een trefpunt van socialisatie wordt, een plek waar jongeren en ouderen elkaar ontmoeten.” Dat zou je hem gunnen en ook dat hij nog vijfentwintig jaar zo door kan gaan. Maar Pasquale wil stoppen, zegt hij. En al heel lang. “Pasquale legt de schaar neer” kopte KappersNieuws in september 1997 boven  een artikel over zijn komende vertrek: “Pasquale wil met pensioen en zoekt een geschikte opvolger.” Maar die is nooit gevonden; zijn kinderen willen niet. “Ik heb van alles geprobeerd om iemand te vinden, ik heb de gemeente ingeschakeld, ik bied de zaak voor niets aan!” Hij heft de armen.



Delen: