Nummer 3: Maart 2002

032002_Cover




Op het omslag: De Amstel ter hoogte van de Omval met links de Rembrandttoren en rechts de Breitnertoren. Foto februari 2002. Hand van de Bogaard.

- Arcadië aan de Amstel
- De Yab Yum van 1900
- Theater Tuschinski als tweede huis
- Aanmonsteren bij de VOC
- Brutale Coba en Blonde Beckie







Arcadië aan de Amstel



Plezier en nut van een rivier


Tekst: Roelof van Gelder


032002_AmstelVoor Amsterdammers is de Amstel tegenwoordig de rivier waarlangs ze op een zonnige zondag gaan fietsen. Voor je het weet ben je de stad uit en de natuur in: een slingerende rivier door vlak polderland met hier en daar wat dorpen, bruggen en molens. Maar vonden de Amsterdammers hun rivier in vroeger tijden ook zo mooi?



Dat de stadsbewoners eeuwen geleden al plezier beleefden aan hun rivier, kunnen we onder andere lezen in de Wegwyzer door Amsterdam, een gids uit 1713. Daarin wordt de Amstel aangeprezen als “eene der vermaaklykste stroomen welke men in Holland vind, zoo ten aanzien van haare beplantinge van heerlyke hofsteeden, lusthooven en graazige weilanden, langs haare oevers, als van derzelver schiprykheit, daar ze, uitgenoomen de wintertyd als ze toegevroozen is, nooit van ontleedigd is”. Maar hoe lovend deze woorden ook klinken, de vroegste bewoners vonden hun rivier helemaal niet zo vermakelijk, zij het wel nuttig. Voor de middeleeuwse Amsterdammers was de Amstel in de eerste plaats een middel tot vervoer, een rivier waarin vis werd gevangen en die modder opleverde, of, zoals een keur (overheidsbesluit) uit 1631 het noemde, “vette ende bequame materie ende stoffe van modder, slyck, cleye ende andere vulnisse”, waarmee omliggend land vruchtbaar gemaakt kon worden. Anderzijds kon de Amstel ook voor veel last zorgen. Bij hoog water bedreigde zij de dijken en dijkjes waaraan de Amsterdammers woonden, en wanneer de rivier bevroor, werd het waterverkeer gestremd.


IJspret en wandelingen


Pas vanaf het midden van de 16de eeuw is het een en ander vastgelegd over het plezier dat de Amsterdammers beleefden hun rivier. Allereerst aan het schaatsen en sleetjerijden op de Amstel, en natuurlijk ook op de grachten en als het stevig vroor ook op het IJ. Een Engelsman die ons land in de winter van 1592-1593 bezocht, beschreef hoe de jeugd in vrolijke gezelschappen ging schaatsen en tot diep in de nacht bleef doorfeesten. Ze reden met zijn honderden over de ijsvlakten, paarsgewijs: “A man and a woman, holding a handcherker betweene them, slyde together, and sometymes many Couples in like sort holding handkerchees slyde together a breast as many as the bredt of the yce will beare.”1 Op het ijs was het altijd druk, het wemelde er van de mensen, er werd behalve geschaatst en gesleed ook gekolfd en er stonden koek-en-zopie-tentjes. IJspret was bij uitstek een bezigheid waar standsverschillen wegvielen en waar jong en oud, arm en rijk zich gelijkelijk vermaakte.


Op zomerse dagen wemelde het er van de plezierjachten. Eenmaal per jaar, in de zomer, kwamen die bijeen voor het ‘admiraalzeilen’. Voorzien van vlaggen en wimpels, groetten ze elkaar met trommels en trompetten en vuurden met hun sierkanonnetjes saluutschoten af. Na de begroeting voer de ‘Amstelvloot’ (terwijl duizenden toeschouwers aan de oevers toekeken) de Amstel op, naar herberg Het Molentje op de oostoever, waar men het op een brassen zette.


Een rustiger genoegen bood de wandeling, hoewel de waardering voor het landschap rond Amsterdam pas laat ontstond. Amsterdam was op zo’n onaantrekkelijke plaats ontstaan, dat het begrip ‘natuurschoon’ er ver te zoeken was. In de eerste stadsbeschrijving van Amsterdam (1614) schrijft Isaac Pontanus: “Het gantsche aertrijck is hier voornamelick broeckigh [moerasachtig] ende altijt vochtig.” Hooguit waardeerde men het land omdat het economisch aantrekkelijk was, namelijk als gebied voor turfwinning.


Voor de Amsterdammer kon alleen al een wandeling over de stadswallen een plezierig uitstapje zijn, met mooie uitzichten over het IJ met de vele schepen, of, aan de landzijde, over de omringende landerijen. Op de landelijke oevers van de Amstel waagden wandelaars zich aanvankelijk weinig. Ze waren weliswaar dichtbij, maar de dijkwegen (vooral die aan de oostzijde) waren tot het begin van de 17de eeuw slecht begaanbaar. In 1631 werd op de oostelijke oever een wandelweg aangelegd, van de stadswallen tot aan de twee jaar tevoren drooggelegde Diemermeer of Watergraafsmeer. Ook toen al werd het nuttige met het aangename verenigd: het moest, zo staat in het besluit uit 1631, “een bequame Toeganck ende Wandelwegh” worden die diende “tot nut ende vermaeck der Inwoonderen ende naer gelegen landen”.


De Omval, de Diemermeer en andere plekken buiten de stadspoorten waren plaatsen voor ontspannen wandelingen, voor bezoek aan herbergen, maar ook voor amoureuze uitstapjes. Dit laatste wordt bezongen in liedboekjes met titels als Amsteldamsc Minne-Beekje uit 1637 en de Amsterdamsche Vreughde-Stroom uit 1654.


De westelijke oever, de Utrechtsezijde, bood de mogelijkheid voor een veel langere wandeling. De weg bestond uit verschillende banen. Aan de waterkant lag het jaagpad, waarover de paarden liepen die de trekschuiten voorttrokken. Daarnaast was een veel breder pad voor ruiters en wagens. Daarvan afgescheiden door een hek, was een smaller en hoger voetgangerspad. In 1656 werd besloten de hele dijk te verbreden tot elf meter. Dat de Amsteldijk gewaardeerd werd om zijn schoonheid, blijkt ook uit de toestemming die de omwonenden toen kregen om bomen langs het voetpad te planten “om de voornoemde Amsteldyk te vercieren tot vermakelyke wandelinge”. Uitstapjes konden zich beperken tot vlak buiten de stadswallen. Daar deed men dan herbergen aan, zoals de Berebijt, de Pauwentuin (vermaard om zijn lommerrijke tuin en zijn kolfbaan in de openlucht) of die in de Bergenvaarderskamer, het gildehuis van de kooplieden die stokvis importeerden uit Bergen in Noorwegen. Daar werden ook toneelvoorstellingen gegeven.


Wie verder wilde, tot Ouderkerk, liep tot in de 17de eeuw door een verlaten landschap. De nog niet ingepolderde weilanden buiten de stad kwamen ieder jaar onder water te staan. Vaak bleef het staan tot in mei, de maand waarin het waterpeil zakte en, zoals de dichter Hendrik Laurensz Spiegel (1549-1612) het beschreef:



“...’t gras dat onder ’t ys in d’herrefst was gheweken,


Begon zyn spichtich hoofd door ’t water op te steken ...”



Hooguit zal zich hier en daar een boer hebben opgehouden, een visser, een turfsteker of een vinkenvanger; er werd gejaagd op ganzen, maar vaker nog op eenden. Toen in het begin van de 17de eeuw werd begonnen met het inpolderen van de gebieden aan weerszijden van de rivier, verminderde de drassigheid en werden de gebieden toegankelijker. Zo ontstonden aan de westzijde de Buitenveldertsepolder, de Amstelveense polder, de Middelpolder en de Bovenkerkerpolder. Het landschap veranderde nu in een streek met weilanden en molens, met aan de oevers bebouwing: boerderijen, herbergen en later ook buitenhuizen. Van die herbergen werd Het Kalfje – bij de Kalfjeslaan – de beroemdste. Nog verder lag het oudste, wat grotere huis aan de rivier, het huis Kostverloren, dat al in 1525 wordt vermeld. Dit stenen kasteeltje ontleent zijn naam aan het feit dat het langzaam wegzakte in de slappe bodem, waarmee ook al het geld dat erin was gestopt teloor ging. In Ouderkerk lagen ook een paar populaire herbergen, zoals Paardenburg, het Tolhuis en De Oude Prins. Maar een echte bezienswaardigheid was hier de Portugees-joodse begraafplaats Beth Haïm.


De buitenplaatsen


Zagen de wandelaars in het begin van de 17de eeuw ter weerszijden van de Amstel voornamelijk water, drassig weiland en ver uiteenliggende boerderijen, in de tweede helft van die eeuw kwam daar een bezienswaardigheid bij: het buitenhuis. Na omstreeks 1650 begon men bij de buitens uitgestrekte siertuinen aan te leggen en een halve eeuw later was dat een ware rage geworden. Dergelijke buitenplaatsen konden uitgroeien tot omvangrijke complexen. In de siertuinen lag de nadruk op orde en regelmaat; ze werden aangelegd volgens geometrische patronen en met compartimenten, die afgegrensd werden door geschoren heggen. Waterpartijen, grotten, beelden en vazen vormden markante punten. Ook werden er boomgaarden en moestuinen aangelegd; er kon een oranjerie zijn waar men tropische planten en vruchten kweekte. Soms had men een volière met vogels, of een menagerie met merkwaardige beesten. In de 18de eeuw werd het ook mode om gebouwtjes neer te zetten in Chinese of Turkse stijl en, nadat het theedrinken in Nederland populair was geworden, theekoepels.


De buitens vormden idealiter een eenheid van huis, tuin en de bijbehorende landerijen. Hier kon de stedeling verpozen, vrienden ontvangen, lezen, de vorderingen van de hoveniers aanschouwen en zich onderhouden met de landlieden die de grond bewerkten. Het was een gezonde aangelegenheid omdat – aldus Jan van der Groen, auteur van Den Nederlandtschen Hovenier – “de versche lucht met geen vuyle stinckende dampen, gelijk in de steden, besmet is, waer door ’t verteeren der spijsen in de maegh belet wordt”. Ook in moreel opzicht vergelijkt hij het buitenleven met het leven in de stad. Het is er goed voor de eigenaar, wanneer hij zich daarvoor tenminste openstelt. “Want dit is seker: dat buyten op ’t landt, soo veel valsheyt en Goddeloosheydt niet om gaet, als in de Steden.” Het genoegen van dergelijke huizen kan men al afleiden uit de namen: Mynlust, Vreugdenhof, Bella Vista, Vredenhoff, Weltevreden en Zonnestein; in andere is de naam van de rivier gebruikt: Amstelhoek, Amstelrust, Over-Amstel. Over de lucht werd in het midden van de 17de eeuw geschreven dat die er “eenigszins zwaar en dampachtig” was en hinderlijk “voor zommige teedere en zwakke lichamen, en die kort van aassem, en benauwt van borst zijn”. Daar kwam nog bij dat men er ’s zomers geplaagd werd door muggen “inzonderheid in de Veenen, en ook op alle plaatzen, daar veel Rietlant omtrent is”.


In Hollands Arcadia, of de vermaarde Rivier Den Amstel uit 1730 staat een lang lofdicht op de buitenhuizen en de bewoners langs de Amstel tot aan Ouderkerk, langs de Holendrecht tot Abcoude en langs de Kromme Mijdrecht tot Baambrugge en Loenersloot en bovendien nog langs de Wetering bij Amsterdam. Elk van de honderd bezongen buitenhuizen staat afgebeeld. Op een kaart van de westelijke Amsteloever, waarvoor de landmeter Evert Florijn in de zomer van 1778 de opmetingen verrichtte, zien we een lange reeks buitens. Vanaf de plek waar nu de Ceintuurbaan ligt tot aan Ouderkerk passeerde men 41 buitenplaatsen, waarvan er nu nog maar drie over zijn: Amstelrust, Wester-Amstel en Oostermeer.


In beeld en tekst


Vaak zijn de Amstel en haar oevers getekend. Omstreeks 1610 maakte de Amsterdamse uitgever Claes Jansz Visscher een reeks van vier etsjes van uitvalswegen van Amsterdam. Een daarvan stelt de Amsteldijk voor bij het huis Kostverloren. Zonder twijfel is Rembrandt de beroemdste Amstelwandelaar. Vaak heeft hij met pen en schetsboek wandelingen gemaakt; over de wallen, naar Haarlem, over de Diemerdijk naar Diemen en ook langs de Amstel, zowel aan de Utrechtse als aan de Weesperzijde. In de inventaris van zijn boedel uit 1656 wordt dan ook onder veel meer “een parckement boeck vol lantschappen nae ’t leven” genoemd. Een bezienswaardigheid van de eerste orde was het al eerder vermelde huis Kostverloren: het werd geregeld getekend en geschilderd door onder anderen Rembrandt, Meindert Hobbema, Jan van Goyen en Jacob van Ruysdael. Nog iets verder lag Tulpenburg. Daar was een brug met een sluis, die Rembrandt vereeuwigd heeft in zijn ets Het bruggetje van Six. In een groot aantal tekeningen en etsen heeft Rembrandt op sublieme wijze en met een minimum aan middelen andere lokaties aan de Amstel onvergetelijk gemaakt, zoals de Omval, de rietbedekte boerderijen, of gewoon het water van de Amstel, de oevers, de wilgen en de lucht daarboven. Ook de joodse begraafplaats te Ouderkerk heeft een aantal schilders geïnspireerd. Met name van Jacob van Ruysdael zijn tekeningen en schilderijen met dit kerkhof bewaard gebleven.


Dat de natuur buiten de stad gewaardeerd werd, blijkt ook uit literaire teksten. Men maakte als het ware thuis in de leunstoel grote wandelingen, waarbij men het buitenleven, de rust en de schoonheid van de natuur in poëtische vorm kreeg opgediend. Hendrick Laurensz Spiegel, die het huis Meerhuizen aan de Amstel bezat, is de eerste dichter die, al is het nog maar in enkele regels, de schoonheid van de Amstel en van Amstelland op deze wijze bezong. In 1614 werd zijn Hertspieghel gepubliceerd. Minder bekend is het tussen 1625 en 1630 uitgegeven De Roemster van den Aemstel off: Poëtische beschrijvinghe van de Riviere Aemstel.


Dit literaire, idealiserende genre vol stichtelijke opmerkingen bleef populair tot ver in de 18de eeuw. Het is al rust, vruchtbaarheid en voorspoed. Een woord over de barre omstandigheden waaronder de boeren en de turfstekers moesten werken komt men er niet in tegen.


“Gods tweede boek”


Er is geen vorm van vertier of er heeft wel iemand tegen gewaarschuwd. Schaatsen had zijn gevaarlijke kanten en moraaldichters lieten niet na daarvoor te waarschuwen. De weg langs de oostzijde van de Amstel werd niet zomaar aangelegd, nee, die was er tot “nut ende vermaeck”. Wandelen was misschien ontspannend en heilzaam, de predikanten zagen daar toch bezwaren in, zeker op zondag wanneer er gepreekt werd. Een dominee verwoordde dat in 1687 aldus: “Dan zoekt men wereldsche verlustigingh, de stoepen zijn vol, en de straaten, ende markten krielen van menschen, de thuynen en hovens hebben noyt meer besoeks, en de cingels, wandel- en uytloop-plaatsen zijn zwart, men loopt te lanterfanten, als ledig-gangers, pronken, en pralen”. Een collega-predikant vond “het wandelen in ’t veldt ofte gaen in thuynen” op zondag minder erg, wanneer men dat tenminste deed “om de werken van God te aenschouwen, en hem daer in te verheerlyken, om sig na siele ende lichaam te verquikken”. Een tuin is niet alleen aangenaam, en kan niet alleen economisch een gunstige investering zijn, maar het buitenleven, aldus de tuinexpert Van der Groen, heeft ook een morele functie en doet de eigenaar de wonderen van de Schepping aanschouwen. Dezelfde tendens lezen we in de hofdichten. Ook die sporen de eigenaren aan tot een deugdzaam, ingetogen leven waar men omringd is door “Gods tweede boek”, dat wil zeggen door de natuur.


En ook nu, eeuwen later, is en blijft wandelen en fietsen langs de Amstel een goddelijke ervaring. Wie onder de Utrechtsebrug is doorgegaan en voorttrapt, komt door gebieden waar men zich nog kan voorstellen wat de dichter Gerard Tysens bedoelde toen hij in 1730 in Hollands Arcadia opmerkte hoe leeg het landschap rond Het Kalfje was en waar hij “met verwond’ring” zag



“ .... hoe de landman eenzaam leefd,


Daar hy geen nagebuur genoegzaam by hem heeft,


En nogtans door zyn vlyt zyn nooddruft weet te winnen.”


Drs. R. van Gelder is historicus en redacteur van NRC Handelsblad.



Noot


1. “Een man en een vrouw, die twee uiteinden van een zakdoek vasthouden, schaatsen samen, en soms rijden vele paartjes die op soortgelijke wijze zakdoeken vasthouden, naast elkaar over de hele breedte van het ijs.”


Dit artikel is een door de auteur bekorte voorpublicatie van een hoofdstuk uit het boek De Amstel, dat op 20 maart 2002 verschijnt bij uitgeverij Bas Lubberhuizen, ISBN 9076314888 (ISBN Engelse editie 9076314780). Het boek verschijnt t.g.v. de opening van de Breitnertoren, het nieuwe hoofdkantoor van Philips.




De Yab Yum van 1900


De bewogen geschiedenis van Maison Weinthal


Tekst: Annemarie de Wildt


032002_WeinthalEen eeuw geleden was het duurste en beroemdste bordeel van Amsterdam te vinden op een steenworp afstand van het koninklijk paleis. Het was Maison Weinthal op de Nieuwezijds, volgens de politie een poel des verderfs, maar volgens de eigenaar een zaak met allure.


In 1827 stichtte de Duitser Bernhard Weinthal (1804-1855) een bordeel op de Pijpenmarkt – volgens de huidige nummering Nieuwezijds Voorburgwal 227-229. Het huis (op de plaats waar later het gebouw van De Telegraaf zou verrijzen) zou tot 1902 zijn naam blijven dragen. Maison Weinthal was “het grootste der Amsterdamse bordelen”, oordeelde de commissie-Voûte in een rapport uit 1897, dat uiteindelijk tot de ondergang van de grote Amsterdamse ‘maisons de tolérance’ zou leiden.


Over de beginjaren van Weinthal is niet veel bekend. Maison Weinthal wordt genoemd in een Staat van Huizen van Ontucht, die in 1852 door de Amsterdamse politie werd opgemaakt. Er stonden toen zes vrouwen vermeld op dit adres. In 1852 waren er bij de Amsterdamse politie 93 bordelen en 38 rendez-vous-huizen ingeschreven, met in totaal 316 vrouwen en 240 zelfstandige publieke vrouwen. De clandestiene prostitutie in de stad (prostituees die niet ingeschreven stonden bij de politie) blijft onvermeld op deze politielijst. Amsterdam had, in tegenstelling tot veel andere Nederlandse gemeenten, geen prostitutiereglement dat inschrijving afdwong. Belangrijkste doel van zo’n reglement was de gedwongen controle op (en zo nodig behandeling van) geslachtsziekten. De meisjes van Weinthal werden waarschijnlijk regelmatig gecontroleerd; in de Staat van Huizen van Ontucht stond in ieder geval achter de naam van dit bordeel een geneeskundige vermeld: dokter Tombrink. Bij het merendeel van de bordelen was dit vakje leeg. Geneeskundige controle bood overigens slechts schijnzekerheid: effectieve geneesmiddelen tegen gonorroe en syfilis bestonden niet en veel meisjes namen als ze besmet bleken de benen naar een andere stad. Maar ook zonder wettelijke basis wist de Amsterdamse politie bordeelhouders te verplichten de vrouwen te registreren.


Maîtresse van Willem III?


Toevallig ontmoette ik in het Gemeentearchief Marijke Valkenburg, die onderzoek deed naar haar betovergrootmoeder Jurrentje Rauwerda. Die naam kende ik: zij kwam op de Staat uit 1852 voor als de Madam van Maison Weinthal! Over Jurrentje deden al de wildste verhalen de ronde in de familie, vertelde Valkenburg. Ze zou de maîtresse zijn geweest van een Franse porseleinfabrikant én van Koning Willem III en nog een derde kind hebben bij een Duitser. Tijdens een familiebijeenkomst baarde Marijke Valkenburg enig opzien met haar onthulling dat betovergrootmoeder Rauwerda ook nog de Madam van een Amsterdams bordeel bleek te zijn geweest. Jurrentje runde het bordeel na de dood van Bernhard Weinthal tot zij in 1877 overleed. De naam van de stichter blijft ook daarna nog verbonden aan het bordeel. “Ancienne Maison Weinthal” staat op laat-19de-eeuwse visitekaartjes. En simpelweg ‘W.’ heet het bordeel in de rapporten van politie-inspecteur Jaap Balkestein, die omstreeks 1900 onderzoek doet naar vrouwenhandel.


Een uitgebreide beschrijving van het bordeel danken we aan de commissie van vijf heren die in december 1895 benoemd werd door de Amsterdamse gemeenteraad. Met de arts A. Voûte als voorzitter gaat de commissie “omvang en aard” van de prostitutie in Amsterdam onderzoeken. De commissie klopte om te beginnen aan bij de politie. Die rapporteerde negentien bordelen met elf Nederlandse en 99 buitenlandse vrouwen, alsmede zeventien rendez-vous-huizen. Verder zouden er 139 “verdachte percelen” zijn. De politie verdoezelde de werkelijkheid, meende de commissie: er moesten er veel meer zijn. Maar de burgemeester verdedigde de politie: “De politie is niet gerechtigd wetenschap omtrent het ‘privaatleven’ van personen aan anderen mee te delen, tenzij dit ter handhaving van de wet wordt gevorderd”, meldde hij aan de commissie. Vergeleken met 1852 is het aantal ‘legale’ – bij de politie ingeschreven – bordelen en rendez-vous-huizen blijkens het onderzoek in 1895 afgenomen van 302 tot 36 en het aantal publieke vrouwen gedaald van 565 tot 110. Dat die cijfers klopten, is zeer onwaarschijnlijk. De Amsterdamse bevolking was enorm gegroeid in die jaren, van zo’n 240.000 omstreeks 1850 tot bijna 495.000 in 1895, en het ging de Amsterdammers meer voor de wind dan halverwege de 19de eeuw. Waarschijnlijker is het dat veel bordelen en prostituees zich niet meldden bij de politie. Het Bevolkingsregister was toeschietelijker met informatie. Aangezien het beroep niet verboden was, stonden prostituees als publieke vrouw ingeschreven. Het archief van de commissie bevat lijsten met 228 huizen van ontucht en in totaal 1030 publieke vrouwen in het centrum en in de Pijp, waar veel zelfstandig werkende prostituees woonden.


Weelderig gemeubileerde ‘werkkamers’


De commissie had vooral aandacht voor de grote bordelen waar veel buitenlandse meisjes woonden en werkten. Een delegatie (Voûte was bijna altijd zelf van de partij) ging hoogstpersoonlijk op onderzoek uit. Ze troffen gemiddeld zes prostituees per bordeel aan. In de grote bordelen, zoals Maison Weinthal, woonden gemiddeld zo’n twaalf meisjes. Wellicht hadden de minderjarige meisjes juist de avond van de ‘inspectie’ het pand op de Nieuwezijds verlaten, want bij de politie stonden er daar indertijd achttien ingeschreven. Het is niet onwaarschijnlijk dat de politie van tevoren de bordeelhouders had verwittigd. “Het trof onze aandacht dat in geen van de bordelen, waarheen wij ons begaven op met de inspecteur van politie overeengekomen uren bezoekers aanwezig waren.” Over de inrichting van Maison Weinthal heeft de commissie-Voûte niets dan lof: “Het bordeel bevat een wintertuin, een groote salon en verschillende kleinere met een reeks min of meer weelderig gemeubileerde ‘werkkamers’; een badkamer en eindelijk de reeds straks vermelde ‘bazaar’ (slaapzalen). Het huis is den ganschen nacht open en wordt ook zoowel ’s morgens en ’s middags vrij druk bezocht: er komen ook vele vreemdelingen.”


Ook in het steeds wereldser Amsterdam van eind 19de eeuw interesseerden de schilders en schrijvers zich levendig voor de ontucht – zij het niet zo enthousiast als in bijvoorbeeld Parijs. Schrijver en journalist Herman Heijermans gaf in zijn geruchtmakende roman Kamertjeszonde (1898) een treurige beschrijving van de seks in Weinthal: “-en dan trok je je goed uit en je zat jezelf aan te kijken in de voetspiegel, met zulleke schapige ogen en geeuwde eens en ging languit liggen op de canapé met niks geen idee, zo moe en zo down... En dan kwam ze in een zijen hemd... en kwam bij je zitten en draaide an je snor en begon nog is te zaniken om ’n fles - dat ze zo’n dorst had - dat ze ’t anders niet twee maal dee - en dan vertikte je ’t en dan ging ze op het bed - alles vreugdeloos, ellendig, en dan dacht je terwijl an andere vrouwe - kneep je je ogen dicht - met je ogen open zou je het niet gekund hebben (…) En als het dan gebeurd was, zelfs nog terwijl het gebeurde, kroop ’n triestigheid in je op dat je iets ellendigs, iets onnoembaar vuils had gedaan… en je bleef op haar liggen, leeg aan leven (…) tot zij ’t eerst zei: willen we ons gaan wassen… Dan ging zij de deur uit, bleef je liggen, slaperig vermoeid, met droge ogen kijken in de gasvlam, luisterend naar de pianoaanrinkelingen van benee… Maar dan stond je op en begon je te wassen, goed te wassen met zeep, bang om iets op te lopen. - God, wat ene schrikkelijke dingen - spoelde je mond met wat wijn na… en dan kwam ze weer binnen, met de kouwe kilheid van de gangen an d’r lijf, kroop weer in bed en zei: nou mot je ’t is langzaam doen da’k ’r ook wat an heb - of zo iets - en lei je stil naast ’r zonder verlangen, levenszat, vroeg hoe ’t met d’r zuster of d’r moeder ging - de verhalen van die stumpers! - en of de dokter nog altijd geregeld kwam voor de keuring - en dan kwam de gouvernante nijdig op de deur bonzen - of we nog niet klaar waren - dat ’r ’n heer beneden zat te wachten - of zo iets - en dan zei de kleine blonde: haast je wat! (…) en dan kwam zij klaar en begon te huilen, te snikken - zulke vreemde gevallen van hysterie - en dan lagen we, lagen we als twee klompen vlees naast elkaar, met de ogen gesloten op ’t kussen… Kwam de gouvernante nog eens kloppen - dat ze d’r beboeten zou, dat meneer beneje ongeduldig werd - en dan ging de kleine zich wassen, boven, op de Bazar, kleedde je je an, twee-, drie-, viermaal je mond spoelend - en dan gaf je ’r ’n riks fooi voor haar, die ze in d’r kous liet glijen en betaalde je de gouvernante vijf gulden voor de kamer en vijf voor de wijn en dan nog ’n fooi voor haar…”


‘Wasvrouwen en kamermeisjes’


En daar lag Emma Blanche Châtelet, of Marie Helene Servais of Palagie Rose Lescure, wachtend op de volgende klant. In het Woningboek van 1902 staan op de pagina’s over de Nieuwezijds Voorburgwal 229 hun namen: het zijn bijna allemaal Françaises, en ‘toevallig’ waren ze net allemaal 21 jaar toen ze in het huis kwamen.


Ook politie-inspecteur Jaap Balkestein, die onderzoek deed op verzoek van het Nationaal Comite tegen Vrouwenhandel, trof in Weinthal voornamelijk Franse meisjes. Door de taal konden ze het huis moeilijk verlaten, als ze dat wilden. Contact met de buitenwereld hadden ze nauwelijks; ze mochten alleen uit in gezelschap van een gouvernante. Nadat in 1897 de gemeenteraad naar aanleiding van het rapport van de commissie-Voûte het houden van huizen van ontucht had verboden, noemde Maison Weinthal zich hotel: de meisjes werden ingeschreven als kamermeisje of wasvrouw.


Vier rijtuigen brachten de achttien pensionaires van Hôtel Weinthal naar de rechtbank in november 1897, tijdens de eerste zaak tegen het verbod. Zij bevolkten de getuigenbanken, “sterk riekend naar de patchouli” met “grote hoeden met wuivende veren, rood, lila in allerlei kleuren”. Ook de arts die de meisjes controleerde moest getuigen. In verschillende inrichtingen werd dit onderzoek gestopt omdat dit een duidelijk kenmerk was van de “waren aard” van de zaken. Eigenaar Lamberts werd veroordeeld tot drie dagen hechtenis.


In 1902 werd een nieuwe, strengere politieverordening aangenomen, die het bezoek aan verdachte huizen verbood. De Fransman Guillaume Rigal, de toenmalige uitbater van het bordeel, was ziedend en hij liet ansichtkaarten drukken met het portret van een lieftallig meisje, omgeven door heren met stijve boorden. De tekst luidde: “De nieuwe politie-verordening: Je mag er naar kijken, maar inkomen niet.” Niet meer in de meisjes, en zelfs niet meer in het huis.


Er werd een plakkaat aangeplakt en er stonden twee agenten te posten, om klanten te beletten binnen te gaan. De kranten smulden: “Belegering van het Fort Weinthal”. “De bewoners van het perceel zijn afgesneden van de Maatschappij gelijk melaatsen. Hoogstens mogen bakker of slager op de stoep komen parlementeeren over brood- of vleeschzaken.” De hoofdcommissaris van politie informeerde bij de burgemeester hoe deze zaak strafrechtelijk nu eigenlijk in elkaar zat. Was er voldoende bewijs om de rechter te overtuigen dat hier gelegenheid gegeven werd? Rigal lokte een rechtszaak uit door ’s nachts vanuit het raam met een teerkwast het plakkaat te besmeuren. De gemeente stond niet erg stevig in de schoenen, meende het kritische blad Asmodée. Het was in strijd met de grondwet om bezoekers toegang tot een huis te verbieden, ook tot een publiek huis.


De Telegraaf plaatste op 13 augustus 1902 en spraakmakend interview met de houder van het publieke huis op de Nieuwezijds Voorburgwal, afgenomen in zijn appartement in Parijs. Enige verontschuldigende woorden leken De Telegraaf op hun plaats. De directeur van de “niet nader aan te duiden inrichting” wordt een “philosoof” genoemd, een man, “die zich beweegt in de wereld waar men niet huichelt en zich gewoonlijk niet verveelt”. De directeur steekt de lof van Nederland (“Uw land is een prachtig land”) en van de Nederlandse politie (“Zij is intègre, onomkoopbaar”). En hij spreekt openhartig over zichzelf: “Monsieur, ik ben bordeelhouder en ik ken mijn positie. Wanneer ik cliënten van mijn huis op straat of in het café ontmoet, groet ik ze niet wanneer ze mij niet ’t eerst groeten.” Maar Rigal is niet zómaar een bordeelhouder; met minachting spreekt hij over de onderkant van de markt. Rigal heeft geen “hol van ontucht” waar men de argeloze bezoekers leegschudt of waar de vrouwen zich “in negligé voor het raam vertonen”. De reputatie van zijn huis gelast decorum. En de heren komen vaak alleen voor een fles wijn of champagne “tegen fl. 5 de flesch”. Zijn employees verdienen 30 gulden per maand, met vrije kost en inwoning, een percentage van de drankomzet en geld en cadeautjes van de klanten. Ze kunnen kleding en lijfgoed kopen bij “groote modehuizen”.


Het blad De Middernachtzending, van de militantste prostitutiebestrijders, wees in een reactie op dit “zonderlinge interview” op de “feitelijken toestand”. De meisjes hadden geen geld maar schuld, moesten vijf of tien gulden betalen als ze uitgingen, en hun fooien waren afhankelijk van “hare geneigdheid om aan de vaak buitensporige en tegennatuurlijke wenschen van de bezoekers te voldoen”. Rigal verloor de rechtszaak, en verliet het huis in april 1903. “O Weinthal etablissement / Gij staat thans droef en ledig: / Geen Prins, geen Graaf, zelfs geen Baron / Zal meer in u verblijven.” dichtte een anonymus in de Asmodée. Een nieuwe huurder was kennelijk niet makkelijk te vinden. Nog geen jaar later werd het pand gesloopt.



A. de Wildt is conservator van het Amsterdams Historisch Museum.


Dit artikel is een bewerking van een fragment uit Liefde te koop, 400 jaar prostitutie in Amsterdam van Annemarie de Wildt en Paul Arnoldussen.




Theater Tuschinski als tweede huis


Werken voor “de kleine man”


Tekst: Jesse Goossens


032002_TuschinskiAnderhalf jaar lang is er in de Reguliersbreestraat gewerkt aan een grootscheepse renovatie van filmtheater Tuschinski, dat op 8 april officieel heropent. Zowel de gevel als het interieur zijn in oude luister hersteld. In het ruim 80 jaar oude theater werkte aanvankelijk liefst 120 medewerkers, voor wie Tuschinski een soort tweede huis werd. Ouvreuse Nellie Bijl had er zelfs “de pest in dat we een vrije dag hadden”.


Op 28 oktober 1921 opende in de Reguliersbreestraat Theater Tuschinski zijn bronzen deuren. Daarmee ging voor veel Amsterdammers een sprookjeswereld open. Bezoekers van iedere rang of stand kregen in dit ongekend luxe uitgaanspaleis een uitgebreid programma van film, muziek en variété voorgeschoteld. Er was zelfs een op Franse leest geschoeid cabaret waar ook gedanst kon worden: iedereen kon gratis naar binnen, maar de drankjes waren stevig aan de prijs.


Er was honderdtwintig man personeel in dienst om de gasten te behagen: portiers, obers, orkestleden, werksters, piccolo’s, cabaretpersoneel, garderobemedewerkers, ouvreuses en zaalcontroleurs. Daarnaast had je nog een legertje medewerkers voor het onderhoudswerk, het licht en de techniek. Voor al deze mensen werd Tuschinski een tweede thuis.


Aria Cornelia Kurtze-Bijl kwam in 1926 op veertienjarige leeftijd in het theater werken. Via het uitzendbureau kreeg ze een briefje dat ze zich kon melden bij Theater Tuschinski als Norico-verkoopster, Norico’s waren blokjes ijs met chocolade eromheen. “Ik ging daar natuurlijk met een rotvaart naartoe, maar daar stónd me toch een rij meiden. Ik stond helemaal achterin de rij en dacht: dat wordt weer niets. Opeens kwam er een klein piccolootje naar me toe. Hij vroeg aan me of ik even met hem mee wilde gaan. Alle meiden in de rij hadden er natuurlijk zwaar de schurft in dat ik uit die rij werd gehaald. Ik werd naar de Japanse kamer gebracht. Blom, de chef, zat daar en vroeg: ‘Hoe oud ben je?’ Toen heb ik gelogen. Ik heb gezegd dat ik vijftien was. ‘Je hebt dit werk nog nooit gedaan, hè?’ zei hij. Nou ja, antwoordde ik, je leert toch gemakkelijk genoeg om met zo’n doos te lopen? Toen zei meneer Blom: ‘Laten we het maar proberen. Ze is niet op d’r mondje gevallen.’


We hadden een hele grote diepvrieskast en we moesten af en toe een duik nemen om helemaal onderin een doos Norico’s te pakken. We verdienden één cent per verkocht stukje. Als we er vijfhonderd verkocht hadden, kregen we vijf gulden. Dat was prima, want wij wisten het wel aan de man te brengen.”


Later werd Nellie ouvreuse: “Met mijn zuster stond ik op de loge. Als de mensen in de grote zaal binnenkwamen, pakten wij de kaartjes aan. We brachten ze naar hun plek. De klant bleef koning. Ook al gaven ze je niks, je moest ze proberen te winnen. We wisten precies wie er op welke dag kwam. Voor alle vaste klanten reserveerden wij de plaatsen. En het was allemaal even keurig, de kleine baas wilde dat niet anders. We stonden op de fooien. Ik had niet eens salaris willen hebben, want aan de fooien verdiende ik veel meer. Ik heb er een zalige tijd gehad.”


Alfons Doorson werd als veertienjarige piccolo door Tuschinski weggehaald bij het Carlton Hotel: “Voor mij was Tuschinski natuurlijk een paleis, een sprookje. Ik had alleen op de lagere school gezeten en toen kwam ik ineens in dat uitgaansleven. Dat was betoverend. Tuschinski bruiste. Muziek, artiesten, voorstellingen, films, het publiek wat binnenstroomde. Dat leefde! In het Carlton Hotel moest ik maar afwachten of er toeristen kwamen. In de hal ontving ik de mensen. Aan het begin van de voorstelling stond ik vooraan de trap en alle mensen stonden in een rij te wachten tot de eerste voorstelling was afgelopen. Dan riep ik: ‘Parket, fauteuil, stalles beneden, royal loge hier de trap op en balkon links de trap op.’ Op het laatst werd dat gewoon een liedje. En ik moest vragen of er mensen waren die met de lift wilden gaan. Ik was de liftboy. Het was een hele ouderwetse lift, met een hendel nog.”


Een voor allen


Jan Bonneveld was timmerman in Tuschinski. Hij kwam al als dertienjarige in het theater terecht: “Een vak leren, dat deed je hier goed. Vonk, de timmermansbaas, gaf een opdracht en als je zogenaamd klaar was, vroeg hij: ‘Kun je het beter?’ Tja, wat moest je dan zeggen? ‘Ja.’ Dan kreeg je een klap met de duimstok en kon je overnieuw beginnen.


We hadden een keer zo’n veertig uur achter elkaar gewerkt en we zeiden: ‘We maken het niet meer, we komen morgenochtend wel.’ Maar toen kwam meneer Tuschinski en die zei, op zijn manier: ‘Ik wil het graag klaar hebben.’ Als je hoorde hoe hij sprak, een heel zwaar Pools dialect; dat vergeet je nooit meer. Hij vroeg: ‘Als ik hier blijf, blijf jij dan ook?’


Wij hebben het werk afgemaakt en meneer Tuschinski bracht koffie en broodjes achter ons aan. Daar waren we echt trots op, dat we door meneer Tuschinski zelf bediend werden.


Meneer Tuschinski kwam alleen dinsdag en vrijdag. En als er één lampje niet brandde, nou, dan kon je hem horen ketteren. Als je nu in de zaal zit, zie je altijd wel een stuk of vier, vijf stukke lampjes. Dat zijn we nooit gewend geweest.”


Iedere employee had naast zijn werk een eigen schoonmaaktaak. Zo was Alfons Doorson verantwoordelijk voor het schoonmaken van de koperen asbakken: “Een keer in de week moesten ze allemaal gepoetst worden en ik moest ze iedere dag leeghalen. Om de twee stoelen in de gangen was één asbak. Ik drukte mezelf wel eens, maar dan riep Nellie Bijl of haar zuster van boven: ‘Alfons! Poetsen!’ Die dingen vergeet je nooit meer.”


Ook Nellie Bijl poetste zich een ongeluk: “Wij moesten mastiek maken beneden in de zaal en in de loges. Iedere week moesten we tweehonderd schotten tussen de stoelen uithalen en uit de zaal sjouwen. Die moesten gewreven worden en er daarna weer in. De werksters deden de vloeren: dweilen en wrijven. Wij moesten de hele binnenboel wrijven, stoffen en ramen lappen. Tweeëndertig ramen, iedere week. De deuren en de spiegels. Ik heb me rot gewerkt daar, maar ik genoot van alles in het theater. Ik had er de pest in dat we een vrije dag hadden. Echt waar.”


Iedere Tuschinski-medewerker ging met plezier naar zijn werk. Alfons Doorson: “Het personeel was één grote club. Er waren nooit problemen. Het was één grote familie. Dezelfde mensen bleven er ook altijd werken. We hadden een voetbalvereniging en een atletiekvereniging. Ik was keeper van het tweede elftal. Ik heb ook wel eens meegespeeld in het eerste. Omdat ik niet kon voetballen, ging ik maar in het doel staan. We speelden onder elkaar: bioscopen en cafés. We hadden een eigen veld aan de Kruislaan in onderhuur. Daar gingen we ’s zondagsmorgens voetballen. De ouvreuses kwamen aanmoedigen en gingen hardlopen.”


De saamhorigheid onder het personeel ging ver; Nellie Bijl weet nog dat iedereen voor een portier zelfs zijn baan op het spel zette: “Portier Cupido was vijfentwintig jaar in dienst. Hij werd naar boven, naar kantoor, geroepen. Wij stonden allemaal gekleed klaar voor de voorstelling die zou beginnen. Ik zei nog tegen hem: ‘Cuup, jij krijgt een envelop.’ Maar even later kwam hij beneden met een lang gezicht. Ik zei: ‘Wat krijgen we nou?’ ‘Ik heb ontslag,’ zei hij. ‘Op de dag dat je vijfentwintig jaar bij Tuschinski zit?’ vroeg ik. ‘Dat gaat niet door!’ Ik riep: ‘Jongens! Cuup heb ontslag gekregen.’ ‘Dat gaat niet door,’ zei Mosch, een controleur. ‘Dan staken we.’ En toen hebben we het werk erbij neergegooid. Een uur later is Cupido weer aangenomen. Ze konden niet anders, want de voorstelling moest toch draaien. We hebben toen met z’n allen gelapt en een grote fruitschaal voor hem gekocht.”


Tranen in het projectiekamertje


Bovenin het gebouw had Abraham Tuschinski zijn eigen projectiekamertje waar films werden proefgedraaid. Nel Kurtze-Bijl herinnert zich dat zij en haar collega’s soms naar boven werden gedirigeerd om een aankoop te bekijken: “Wij moesten die film gaan zien en de kleine baas kwam dan kijken. Als wij er jankend uitkwamen zei hij: ‘Die film wordt gedraaid.’


Het publiek huilde ook om de films. En hoe! We hebben het heel wat meegemaakt dat de hele zaal zat te snikken. Wij wisten natuurlijk als geen ander welke film zou lopen. Zo was er een film: Moeder. Een hele mooie film, maar niet voor dit theater. We zagen dat direct. ‘Dit wordt niks,’ zeiden we. Maar de chef hield vol: ‘Toch wordt hij gedraaid.’ De film heeft twee dagen gelopen. Toen ging hij eruit.”


Medewerkers van het theater mochten gratis naar de film en kregen een kortingspasje om naar andere bioscopen te kunnen gaan. Dat had enorme voordelen. Jan Bonneveld: “Ik had een joodse schoonvader. Toen ik pas verkering had met zijn dochter, zei ik: ‘Als u soms zin heeft om een bioscoopje te maken?’ Maar ik vertelde er niet bij dat ik in Tuschinski werkte. Ik nam ze mee en daar zaten ze stalles: nou, dat was iets geweldigs. Mijn schoonvader dacht dat ik schatrijk was: met vier man naar Tuschinski! Maar het kostte mij niets. Film was toch anders in die dagen. Ik weet nog dat er een film was waarin een vrouw uit het water werd gered door een man. Die legde haar op bed en kleedde haar uit, zodat ze alleen haar broekje nog maar aan had. Toen zag je hem denken... Hij keek rond, pakte een stoel en zette die voor de vrouw neer, zodat je niets kon zien toen hij haar broekje uittrok. Er zijn mannen geweest die wel drie of vijf keer naar die film gingen, in de hoop dat die vent een keer die stoel vergat. Maar dat kan natuurlijk niet.”


De leeftijdsgrenzen golden natuurlijk ook voor het personeel, maar Alfons Doorson wist zelfs langs de strengste controles te glippen: “Een film voor boven de achttien mocht ik natuurlijk niet zien ondanks dat ik daar werkte. Er was zware controle. Meneer Zeldenthuis kwam dan onverwachts midden in de film in het donker binnen. Hij had een grote lantaarn waarmee hij langs de rijen scheen om te zien of er geen jongeren zaten. Maar wat deden wij? We gingen in de orkestbak zitten, dan keken we naar boven. We kregen wel een stijve nek, maar daar keek meneer Zeldenthuis nooit.”


Tivoli: Tuschinski Is Verkocht Of Liever Ingepikt


Op 31 augustus 1940 wapperden een Nederlandse en een Engelse vlag aan de nok van het theater. De bezetters sloten Theater Tuschinski en het grootste deel van het personeel werd op staande voet ontslagen. Toen het theater na enige tijd onder de naam Tivoli (die de Amsterdammers al snel verbasterden tot Tuschinski Is Verkocht Of Liever Ingepikt) heropend werd, was Nellie Bijl nog van de partij: “Het was heel vreemd. Er kwamen allemaal militairen, daar waren ook Amsterdammers bij. We verdienden toen geen moer, want de Duitsers gaven geen fooien. We werkten toen bijna voor niets, maar ja, we wilden er niet uit. We werden verder wel goed behandeld, dat viel best mee. Maar we hebben daar heel wat leed meegemaakt. In het theater hoorden we in september 1942 dat de kleine man was weggehaald. Wat konden we doen? We stonden machteloos. In 1943 kwamen we op een ochtend bij het theater, maar we mochten er niet meer in. Keizer stond daar, van kantoor. ‘Ik geloof dat jullie allemaal ontslag hebben,’ zei hij. Van de ene op de andere dag was het gedaan. Het theater was gesloten. Tuschinski was een moordtheater. Het was een schoonheid. Ik gaf twintig jaar van mijn leven als ik er nog eens werken kon met die hele oude ploeg.”


J. Goossens is betrokken bij de renovatie van Tuschinski en auteur van Tuschinski. Droom, legende en werkelijkheid, dat wordt gepresenteerd bij de opening (uitgeverij Bzztôh, € 20).




Aanmonsteren bij de VOC


Belevenissen van een Duitse matroos


Tekst: Roelof van Gelder


032002_VOC“Zielverkopers” die in Amsterdam armoedzaaiers, vreemdelingen en dronkelappen ronselden voor de VOC waren ver buiten de landsgrenzen berucht. Als de Compagnie weer een vloot liet vertrekken naar de Oost, stonden honderden mannen in de Oude Hoogstraat bij het VOC-kantoor in de rij voor een plekje aan boord. Zo ook Georg Naporra uit Oost-Pruisen.


In De Amsterdamse Courant van 10 juni 1752 kon men bij de scheepvaartberichten lezen dat “aen deeze stad” waren aangekomen “Marten Duyf en Haye Tades van Dantzik”. En zij waren niet de enige passagiers aan boord van de galjoot, die een lading rogge en vurenhouten planken in Amsterdam afleverde. In totaal zes passagiers stapten hier van de loopplank: jongemannen uit Koningsbergen en Dantzig die met één doel voor ogen naar Amsterdam waren gekomen: aanmonsteren bij de VOC. Een van hen heette Georg Naporra (1731-1793). Hij zou volslagen vergeten zijn, zoals die honderdduizenden andere VOC-matrozen en -soldaten als hij niet zijn levensherinneringen had opgeschreven. Naporra beschrijft in zijn notities uitvoerig zijn jeugd als boerenzoon in Oost-Pruisen, zijn schooltijd, zijn baantjes als koopmansknecht en ook hoe hij tot het besluit was gekomen om samen met een kameraad naar Amsterdam te reizen om dienst te nemen bij de VOC. Er bleken nog enkele andere jongens met hetzelfde plan rond te lopen en die sloten zich bij hen aan. Op 6 juni 1752, na een reis van drie weken, kwamen zij in Amsterdam aan. Naporra is dan 20 jaar oud. Zijn bezittingen bestonden uit niet veel meer dan wat kleren, een pijp, een tabaksdoos en ongeveer 46 gulden.


Onmiddellijk na het afmeren van de Dantziger galjoot waren allerlei mannen aan boord geklommen, die de nieuw aangekomen buitenlanders vroegen waar ze vandaan kwamen en of ze al onderdak hadden. Deze “runners” spraken goed Duits en boden zelfs gratis slaapplaatsen aan, maar de schipper joeg hen met harde hand van dek. Wie als vreemdeling geen geld en geen aanbevelingsbrieven bezat, liep grote kans in de handen te vallen van dergelijke “runners” en vervolgens te worden ondergebracht bij louche herbergiers, die vaak als ronselaars voor de VOC werkten. Bij deze volkhouders kregen de nieuwelingen dan kost en inwoning – tot het tijd was om aan te monsteren. De slaapbaas voorzag hem dan van een kist en een uitrusting en schoot hem op deze wijze dus geld voor. In ruil daarvoor moest de nieuwbakken matroos of soldaat een deel van zijn handgeld afstaan, als ook de schuldbrief die hij van de Compagnie had gekregen, doorgaans ter waarde van 150 gulden. Deze lieden werden “zielverkopers” genoemd, een verbastering van het woord ‘cedeel’ of ‘ceel’ dat schuldbrief betekent.


Gelukkig hadden Georg Naporra en zijn kameraden in Dantzig een aanbevelingsbrief gekregen en wel voor een zekere Claas van den Bergh, die op de Nieuwendijk woonde tussen de Martelaarsgracht en het Singel. Van den Bergh blijkt een behulpzame man, die de vreemdelingen met raad en daad bijstaat. Hij vindt al snel logies op de zolder van een Zweedse kleermaker in de Engelse Steeg en wel voor zeven stuivers per persoon per week, zonder kost.


Later vindt Van den Bergh een ander logement in de buurt, de Burcht van Emden in de Hasselaerssteeg. Van den Bergh gaat zelfs mee om te kijken of de waard, Jan Dirksen, geen zielverkoper is en bij dat bezoek stelt hij vast dat deze Jan een “eerlijke burger” is. Bij hem was het logies ook goedkoper, maar de afspraak daarbij was wel, dat zijn logés, wanneer ze zouden worden aangenomen bij de VOC, hem een maand gage zouden betalen. Bij Jan Dirksen was het goed toeven. De slaapzaal en de bedden bevielen. Als ontbijt kregen de jongens wittebrood met boter en kaas, zoveel ze wilden, en verder koffie al was die zonder suiker. ’s Middags krijgen ze twee “goede gerechten” met bier en in de namiddag nog eens thee. ’s Avonds was er “zoals in heel Amsterdam gebruikelijk was”, koude of warme zoetemelk met wittebrood en salade. Daarbij werden gekookte eieren of gebakken vis geserveerd.


Het verblijf bij Jan Dirksen werd nog aangenamer toen er enkele koopmansknechten uit dezelfde streek aankwamen; ook zij waren van plan naar Azië te varen. De kameraden brachten veel tijd door met kaartspelen en met het maken van lange wandelingen door de stad. Bij mooi weer lopen de vrienden ’s middags naar de Plantage en roken daar een pijp en drinken er een glas bier. Georg bewondert de huizen, de grachten, de bruggen, sluizen en pakhuizen. En zoals de doorsnee toerist van die dagen bezoekt hij het stadhuis, en andere openbare gebouwen. Zijn vriend Claas van den Bergh laat hem bovendien de duistere cafés, speelhuizen en bordelen zien en zegt hem dat hij ze mijden moet. Toch bezoekt Georg een paar weken later, vlak voor zijn vertrek, een van deze gelegenheden. Hij schrijft daar een aantal bladzijden over vol, maar helaas zijn die met inkt onleesbaar gemaakt.


Het graf der Amsterdammers


Het is de vraag wat dit soort jongemannen, waarvan er jaarlijks elk jaar duizenden in de stad arriveerden, nu eigenlijk voor ideeën over Azië hadden. Tallozen moeten zonder het geringste benul van Azië bij de VOC hebben getekend. Naporra schrijft dat hij een zonnig beeld van de Oost had en dat hij van plan was er zeven jaar te blijven. Thuis, in Oost-Pruisen, had hij er over horen vertellen en hij schreef dat hij er ook boeken over gelezen had. Maar in Amsterdam moet hij in die weken toch ook nog eens de voor- en nadelen hebben afgewogen, zeker toen zijn vriend Van den Bergh hem de reis ten sterkste afraadde. Het inwinnen van informatie over het leven aan boord en in Azië moet in Amsterdam niet moeilijk zijn geweest. In de Burcht van Emden of anders in de onmiddellijke omgeving logeerden tal van teruggekeerde matrozen en soldaten. In mei en begin juni bijvoorbeeld, waren vier retourschepen van de Kamer Amsterdam op de rede van Texel aangekomen, waarop tezamen honderden soldaten en matrozen hadden gediend. Zij hebben ongetwijfeld lopen opscheppen over het vele geld dat ze hadden verdiend en over de vrouwen met wie ze avonturen hadden beleefd. Maar toch zullen er ook matrozen zijn geweest die niets dan spijt hadden. Een mogelijke schipbreuk en het toenemende aantal ziekte- en sterfgevallen op de schepen naar Azië zal besproken zijn. Daar kwam bij dat in Batavia in 1733 een malaria-epidemie uitbrak die onnoemelijk veel slachtoffers maakte. Niet voor niets had Batavia inmiddels de bijnaam gekregen ‘het kerkhof der Europeanen’, of ‘het graf der Duitsers’, en zelfs ‘het graf der Amsterdammers’. Bovendien hadden de Oost-Indiëvaarders een slechte reputatie. Regelmatig duiken in de gerechtelijke archieven van Amsterdam matrozen en soldaten van de VOC op die betrokken waren geweest bij vechtpartijen. Het recht kwam er ook aan te pas in gevallen van desertie, waarbij soldaten of matrozen na hun aanmonstering er met hun handgeld ter hoogte van twee maanden gage en hun transportbrief vandoor waren gegaan. In de maanden juli tot oktober van 1752 zijn zes van dergelijke deserteurs opgepakt, verhoord en veroordeeld. Andere strafbare feiten, met veel grotere consequenties, waren de gevallen van sodomie aan boord, die (voor zover de daders niet op zee waren berecht) aan land afgehandeld moesten worden. Op deze “gruwelijk zonde” stond de doodstraf.


Een blauwe rok en bont vestje


Georg en zijn vrienden bleven ook in Amsterdam vastbesloten naar Azië te gaan. Georg wilde als matroos, hoewel hij geen enkele zeemanservaring had. Jan Dirksen geeft hem een paar fundamentele lessen in de zeemanskunde en hij gaat al echte matrozenkleren dragen. Wanneer de dagen van aanmonstering aanbreken, drukt Dirksen de jongens op het hart zijn lessen nog eens goed te oefenen en de elfde juli, na het ontbijt, schenkt hij hen een royale portie jenever in. Naporra’s kameraden hebben hun beste kleren aangetrokken, maar zelf gaat hij in zijn gewone matrozengoed en zo lopen zij ’s ochtends om tien uur over de Nieuwendijk, via de Dam, naar het Oost-Indisch Huis in de Oude Hoogstraat. Daar bleek zich al een enorme menigte verzameld te hebben, meer dan duizend man, schrijft Naporra. Dit kan juist zijn ingeschat, want de VOC had immers zeer veel personeel in dienst: in Nederland, in Azië en op de schepen. Op de tientallen vestigingen waren duizenden mensen nodig voor bestuur, beheer, defensie, het bouwen van woonhuizen, kerken en pakhuizen, het repareren van schepen voor onderwijs enzovoorts. Het aantal personeelsleden in Azië bedroeg in 1753, het jaar dat Georg in Azië kwam 25.000, meer dan er ooit daarvoor of daarna zijn geweest. Twee- of driemaal per jaar zeilde een vloot uit Nederland naar Azië en ruwweg voeren in de 18de eeuw daarop 7000 man naar de Oost. De Kamer Amsterdam wilde voor de najaarsvloot van 1752 vijf schepen uitrusten. Daarop zijn tussen de 1400 en 1500 man uitgevaren. In totaal is bijna een miljoen personen in dienst van de Compagnie uit Nederland naar Azië vertrokken.


Het aannemen van de bemanning was altijd een grote operatie. De Compagnie nam het niet zo nauw met de kwaliteit van soldaten. En door handig gesjoemel en door zwakke, kreupele of lamme mannen op te lappen en in oude uniformen te steken, te kappen en te poederen wist menig zielverkoper toch zijn ondermaatse cliëntèle aan boord te krijgen. Officieren en matrozen werden beter aan de tand gevoeld.


De menigte was op die elfde juni 1752 zo omvangrijk dat op de binnenplaats van het Oost-Indisch Huis twee dienaren van de Compagnie de mannen met ijzeren staven weg moesten houden van de trap en de deur die toegang gaven tot het trappenhuis en de daarachter gelegen vergaderzaal. In kleine groepjes worden de mannen toegelaten. Wanneer Naporra de zaal inkomt, ziet hij achter een balustrade vier schippers staan, die de matrozen moesten examineren. Achter hen stond een lange tafel met lessenaars en een enorme papierboel daarop, waaraan enkele klerken zitten. Twee bewindhebbers houden toezicht op de rekrutering. Na enige minuten roept een oude kapitein hem naar voren en vraagt of hij wel eens gevaren heeft. De man spreekt zo hard dat Naporra er door van zijn stuk raakt. Hij antwoordt zo goed en zo kwaad als hij kan dat hij wel gevaren heeft, maar alleen maar op de Oostzee. Daarna vraagt de schipper verscheidene zaken over het scheepswerk, maar Naporra moest hierop het antwoord schuldig blijven en de kapitein sprak dan ook: “mijn vriend ga uws weegs, dergelijke lui heeft de Compagnie niet nodig”.


Deze mislukking toont aan dat de Compagnie voorzover het om matrozen ging, ook weer niet iedereen aannam. Naporra is zwaar teleurgesteld, maar beproeft de volgende dag nogmaals zijn geluk. Hij kleedt zich nu als ‘Oost-Indiëvaarder’, dat wil zeggen dat hij een blauwe rok aantrekt en een bont vestje. Het gedrang was even hevig als de vorige dag. Eenmaal in de zaal ziet hij tot zijn opluchting dat de oude schipper niet aanwezig is. Hij wordt ondervraagd door een jongere man. Ook deze informeert of hij wel eens gevaren heeft. Hij geeft hetzelfde antwoord als de dag daarvoor en wordt opnieuw gevraagd naar de werking van het kompas en andere zeemanszaken. Dit keer heeft hij succes. Hij wordt aangenomen als matroos voor negen gulden in de maand. Opgewekt loopt naar de Hasselaerssteeg terug. Maar, zo schrijft hij later in zijn herinneringen, wanneer ik de toekomst had gekend, dan had ik veeleer reden gehad om bedroefd te zijn.


Drs. R. van Gelder is historicus en redacteur van NRC Handelsblad. Hij werkt aan een biografie van Georg Naporra, die vier jaar in dienst was van de VOC. Het boek zal dit najaar verschijnen bij uitgeverij Atlas.




Brutale Coba en Blonde Beckie


De ‘Vissteeg’ in de jaren dertig


Tekst: Judy Schagen


032002_VissteegZou het kunnen dat we de uitdrukking “schelden als een viswijf” te danken hebben aan Brutale Coba? In veel verhalen over de oude Jodenbuurt alias Jodenhoek rondom het Waterlooplein komt zij voor, al dan niet samen met haar buurvrouw Blonde Beckie. Beide figuren blijken net zo echt als de buurt waarin zij woonden.


In de jaren dertig van de 20ste eeuw leefde meer dan de helft van de ruim 100.000 Nederlandse joden in Amsterdam, terwijl slechts tien procent van de totale bevolking van Nederland in de hoofdstad woonde. Hoewel vele joden in de voorafgaande decennia al naar andere stadsdelen waren vertrokken, woonde een groot deel nog steeds in de buurt rond de Jodenbreestraat, het Waterlooplein en de Uilenburgerstraat. Tot op de dag van vandaag spreekt de zogenaamde jodenbuurt met haar kleurrijke bewoners tot de verbeelding. In de verschillende anekdotes die de ronde doen, worden regelmatig de visverkoopster Brutale Coba en haar overbuurvrouw Blonde Beckie genoemd. Ze woonden beiden in de ‘Vissteeg’ – de gangbare bijnaam van de Houtkopersdwarsstraat. Nu is dat een korte maar vrij brede verbindingsstraat vol nieuwbouw tussen het Waterlooplein en de Jodenbreestraat, maar destijds was het nog een smal en armoedig steegje, dat tot 1878 Vlooienburgsteeg had geheten. De verhalen over die twee joodse vrouwen passen in de vaak geromantiseerde beeldvorming over de oude Jodenbuurt. Juist doordat na de Duitse bezetting zo veel buurtbewoners er niet meer waren en hele straatgedeelten waren uitgesloopt, werden de verhalen over de levendige vooroorlogse buurt uit nostalgie vaak stevig aangedikt, bijvoorbeeld door een schrijver als Meyer Sluyser. Een kritische geschiedvorser zou daarom zelfs aan het hele bestaan van Brutale Coba en Blonde Beckie kunnen gaan twijfelen. Waren zij misschien niet meer dan symbolen voor het joodse straatleven van weleer?


Maar voor zo’n twijfel is in dit geval geen grond. Met behulp van officiële documenten en herinneringen van nazaten kon ik achterhalen hoe deze vrouwen werkelijk heetten en hoe hun leven verliep. De resultaten van dat onderzoek roepen tegelijk een beeld op van het leven in de jaren dertig in die Vissteeg en de Jodenbuurt als geheel. Hoe zag de economische en sociale situatie van de bewoners eruit? Hoe religieus waren zij? En wat bleef er over van de oorspronkelijke sfeer van de buurt, toen veel mensen eruit wegtrokken?


De armsten bleven


Brutale Coba heette eigenlijk Rachel Moffie, kreeg ik al gauw te horen. In het bevolkingsregister was zij eenvoudig te traceren. Op 8 oktober 1874 om zeven uur ’s avonds werd Rachel geboren op het adres Uilenburgersteeg 25. Die steeg lag in het verlengde van de Houtkopersdwarsstraat, tussen de Jodenbreestraat en de Joden Houttuinen. Die Joden Houttuinen, ten noorden van de Jodenbreestraat en evenwijdig eraan, verdwenen in de jaren zestig door de drastische verbreding van die straat. “Wegens de sabbath” was Rachels geboorteakte niet ondertekend. Zij was het eerste kind van Vogeltje Keijl (1854-1918) en koopman Emanuel Moffie (1850-1929). Negen kinderen zouden volgen, waarvan twee op jonge leeftijd overleden. Het gezin verhuisde van het ene adres naar het andere. Dit was op zich niet opmerkelijk. Aan het eind van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw was verhuizen aan de orde van de dag, want het was gebruik dat voor de eerste dagen of soms zelfs weken geen huur hoefde te worden betaald.


Het eerstvolgende document waarin Rachels naam voorkomt, dateert van 11 mei 1892. Op die dag trouwde Rachel, 17 jaar oud, met de vier jaar oudere Mozes Groenteman (1871-1915), sjouwer en koopman. Al drie maanden later, in augustus, beviel zij van hun eerste dochter Sophia. Daarna kregen zij nog tien kinderen, waarvan Sophia en waarschijnlijk ook Salomon jong stierven. In 1909 verhuisden Rachel en Mozes naar het hoekhuis Jodenbreestraat 30, eenhoog: dit huis grensde aan Houtkopersdwarsstraat 2. (Nog altijd wordt op deze plek eetbare waar verkocht: nu vindt men hier de maaltijdsoepen-snackbar Soep & Zo.)


Mozes stierf in 1915 op 44-jarige leeftijd. Na zijn dood hielp Rachels familie haar waarschijnlijk financieel. Er is in ieder geval van Rachel geen aanvraag voor gemeentelijke steun bekend – opvallend, want in die jaren heerste er schrijnende armoede heerste in de overvolle Jodenbuurt. Wie het zich een beetje kon permitteren, verliet de buurt. Dit proces raakte in een stroomversnelling toen onder leiding van S.R. de Miranda, wethouder tussen 1921 en 1939, een saneringsproject van de oude Jodenbuurt werd uitgevoerd. Duizenden inwoners verhuisden naar nieuwe wijken als de Oosterparkbuurt en de Transvaalbuurt, later ook de Pijp en de Rivierenbuurt. De allerarmsten, nog steeds zo’n 30% van de Amsterdams-joodse bevolking, bleven achter. De oude Jodenhoek verpauperde, vervuilde en verkrotte. Cijfers van voor de crisis van de jaren dertig wijzen al op grote problemen voor de straathandel waarin joden als venters, marktkooplieden en voddenhandelaren sterk oververtegenwoordigd waren. Tegen het eind van de jaren twintig vormden joden ongeveer 27% van de straathandelaren die aangewezen waren op financiële steun van het rijk. De regering ze laatste besloot rond 1930 overigens de – toch al extreem lage – werkloosheidsuitkering niet aan de straathandelaren toe te kennen, omdat hun inkomens oncontroleerbaar zouden zijn.


Ook Rachel Moffie bleef in de oude Jodenbuurt wonen. Zeven jaar lang redde zij het daar in haar eentje. In 1922 hertrouwde Rachel met Mozes Piller (1866-1943), een 56-jarige weduwnaar met vijf kinderen. Piller (soms bakker, dan weer havenarbeider) trok met zijn kroost bij Rachel in.


Café tegenover viskraam


Een van de mensen die nog uit eigen ervaring kan vertellen over de voororlogse Jodenbuurt is Esther Pinto-Waterman. Zij woonde vanaf haar geboorte in 1919 boven de visstal van haar vader op de hoek van de Houtkopersdwarsstraat en het Waterlooplein. Zij vertelt bijvoorbeeld over de voetbalvereniging AED. Eigenlijk was dat een afkorting van Allen Eén Doel, maar de buurtbewoners zeiden liever: Adenoj (= ojee) Een Doelpunt! En elke vrijdag kwam de orgelman en werd er gedanst. Ook herinnert zij zich dat er bussen met toeristen naar de Jodenbuurt kwamen en dat de Houtkopersdwarsstraat regelmatig gefilmd werd. De spoorwegen zetten zelfs speciale markttreinen in: vooral op zondag was de Waterloopleinmarkt een geliefd uitje voor provincialen. Veel joodse koopmannen die vanwege de sjabbat niet op zaterdag werkten, konden op zondag met hun koopwaar en mooie verhalen op de markt terecht.


Aan Brutale Coba heeft Esther Pinto nog levendige herinneringen. Ze weet nog dat zij bij het verkopen van de vis vaak terzijde werd gestaan door haar tweede man, Mozes Piller. Een hele rustige man, volgens Pinto. Ook de ruzies tussen Brutale Coba en Blonde Beckie hebben grote indruk op haar gemaakt. Waar ze over gingen (áls ze al ergens over gingen), weet ze niet meer,maar wel dat Coba en Beckie altijd uit het raam hingen en naar elkaar gilden.


Een andere mondelinge bron is Abraham (Appie) Mof, zoon van Hartog Mof en Duifje Moffie, de jongste zus Rachel alias Coba. Behalve zijn tante heeft Appie heeft ook haar rivale Blonde Beckie goed gekend. Volgens hem deed bovendien Maurits, Beckies, dapper mee aan de ruzies. Mof herinnert zich Blonde Beckie als een knappe vrouw met (zoals haar bijnaam al doet vermoeden) blond haar. Samen met haar man, ene Schellevis heette, had zij een café, weet hij nog.


Maar wie was Blonde Beckie nu precies? Het antwoord bleek te vinden in de woningkaarten van de Houtkopersdwarsstraat in het Amsterdamse Gemeentearchief en de gezinskaarten van de bewoners. De steeg telde meerdere families Schellevis, maar alleen het echtpaar Salomon Schellevis en Rebecca Canes had zowel een café in deze steeg als een zoon die Maurits heette! Beckies echte naam was dus Rebecca Schellevis-Canes. Op 28 februari 1884 werd zij in Amsterdam geboren. In 1903, toen Rebecca 19 jaar oud was, trouwde zij met Salomon, even oud als zij en ook Amsterdammer. Schellevis stond in het bevolkingsregister eerst als koopman te boek en later als koffiehuishouder. Na negen eerdere verhuizingen, ging het gezin in 1922 in de Houtkopersdwarsstraat wonen, op nummer 4, halverwege het straatje. In 1935, toen Beckie en Salomon al zeven kinderen hadden, verhuisden zij naar het hoekpand schuin aan de overkant: Jodenbreestraat 32, naast Houtkopersdwarsstraat 1. Dat was dus pal tegenover het huis van Rachel Moffie alias Brutale Coba. Hier nam de familie Schellevis een al bestaand café over. Weer drie jaar later (1938) volgde een nieuwe verhuizing: de Schellevissen gingen nu op nummer 30 boven Rachel en haar familie wonen.


Vishandel


In de Vissteeg (de bijnaam zegt het al) behoorde Blonde Beckie behoorde tot de weinige bewoners die niets met visverkoop of straathandel te maken hadden. Visverkoopster Brutale Coba daarentegen was een van de vele joodse venters in Amsterdam. Tussen beide wereldoorlogen was niet minder dan één op de drie Amsterdamse handelaren in fruit, vis, bloemen en groenten joods. Wanneer Rachel Moffie vis ging verkopen is niet precies te zeggen. Op 10 maart 1935 kreeg zij een vergunning van de Dienst Marktwezen. Maar gezien haar leeftijd (toen 60 jaar) is het aannemelijk dat zij al veel eerder met vis heeft gestaan. Pas in 1934 vaardigde Amsterdam als eerste gemeente in Nederland een verordening uit voor de straathandel. Venters en opkopers moesten voortaan een vergunning aanvragen; tot dan toe was dat facultatief. In principe is het mogelijk dat Rachel al vóór 1935 een marktvergunning kreeg, maar die is in ieder geval niet terug te vinden.


Haar bijnaam Brutale Coba had Rachel Moffie dik verdiend, meent haar kleinzoon Piet Groenteman. Ze kon prachtig schelden en had weinig geduld met weifelende klanten. Maar dat zij (zoals de overlevering wil) lucht blies in de vissen op haar kraam, zodat die groter en verser leken, is volgens hem toch een fabeltje. De kleine Piet ging vaak bij zijn grootmoeder langs in de Vissteeg: “Ze was een kleine vrouw, met een sloof voor en een rok eronder, waar haar knip in zat. ’s Winters stond zij met een stoof met briketten, en een grote muts en wanten.” De visstal van Brutale Coba stond schuin voor haar huis, half voor het buurhuis Houtkopersdwarsstraat 2 – vanuit de Jodenbreestraat aan de rechterkant van de steeg. (In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, is Brutale Coba dus niet de visverkoopster die op sommige oude foto’s voor Houtkoperdwarsstraat 1 staat. )


Het lijkt wel of de héle familie van Brutale Coba in de vis zat. Zoon Manus, de vader van Piet Groenteman, stond op het Waterlooplein. Als Groenteman bij zijn vader op het Waterlooplein was, kon hij zijn grootmoeder helemaal in de Vissteeg horen roepen: “Héérlijke kabeljauw!!! Próeven moet je het!!!” Manus liet reclamebrochures maken met voorop de tekst: ‘‘Zee- en riviervishandel: Manus Groenteman”. Links daarvan stond AMSTERDAM geschreven en rechts IJMUIDEN, wat de indruk wekte dat Manus een filiaal in IJmuiden had. In werkelijkheid was IJmuiden alleen maar de plaats waar hij en zijn broer Barend, ook vishandelaar, de vis voor zichzelf en voor Rachel inkochten. Ook oom Barend kon volgens Piet Groenteman heel goed venten. Hij zou een keer boven op de auto zijn gaan staan en “ze leven nog!” hebben geroepen. De succesvolste van de familie was Salomon Moffie, een broer van Rachel. Hij was een van de belangrijkste visverkopers bij de Rijksvisafslag in IJmuiden. Met het grootste deel van de familie in de vishandel is het niet zo verwonderlijk dat bij de ‘bar mitswa’ van Piet Groenteman (de ceremonie waarmee dertienjarige joodse jongens in de geloofsgemeenschap worden opgenomen) Piets vader alle kinderen op schol trakteerde.


Traditie en verandering


Ook eerdergenoemde Appie Mof, de zoon van Rachels jongeste zus Duifje, deed in 1931 als dertienjarige zijn bar mitswa. Dit sprak voor zich, al deed de familie Moffie verder nog maar weinig aan het geloof. De religieuze traditie was behoorlijk tanende onder de Amsterdamse joden tussen beide wereldoorlogen. Dat blijkt wel uit het feit dat het aantal zitplaatsen in de Amsterdamse synagogen in totaal niet meer dan 5000 bedroeg, terwijl formeel eind jaren dertig nog 1000.000 Amsterdammers in het bevolkingsregister als joods te boek stonden. En bovendien: alleen op de hoge feestdagen waren die synagogen vol. Ook de familie Moffie was niet vroom. Toch betekende dat voor de meeste Amsterdamse joden niet dat zij hun banden met het jodendom totaal verbraken. Vooral bij belangrijke gebeurtenissen in het leven, zoals geboorte, bar mitswa, huwelijk en dood, bleven zij de behoefte aan de oude tradities voelen. In de jaren dertig werd meer dan 90% van de joodse huwelijken kerkelijk ingezegend, en hetzelfde percentage van de joodse jongetjes besneden. Vrijwel alle voor 1940 overleden joden werden op een joodse begraafplaats begraven.


De bar mitswa van Appie Mof vond plaats in de sjoel (synagoge) in de Muiderstraat tegenover het Oudenliedengesticht, met aansluitend de receptie in het gebouw van de Handwerkers Vriendenkring in de Roetersstraat. Er waren wel 400 mensen aanwezig. Direct na de dienst werden bij studio Prinses in de Kalverstraat foto’s gemaakt. Maar Brutale Coba was daarbij niet aanwezig. Het lijkt erop dat zij niet alleen met vreemden ruzie maakte, maar ook meer dan eens met familie, zoals met haar zus Duifje. Rachel was namelijk evenmin van de partij bij het huwelijk in 1937 van Rosa Mof, Duifjes dochter, met Joseph Flessedrager. Het bioscoopjournaal van Polygoon maakte een reportage: zo’n ouderwetse joodse bruiloft gold toen kennelijk al als bezienswaardigheid! Door de familie-onmin hebben we nu dus helaas geen bewegende beelden van Brutale Coba… Maar of alle heibel nu alleen aan Rachels explosieve karakter lag, is zeer de vraag. Op de vraag wat voor iemand zijn moeder Duifje was, antwoordt Appie Mof: “Ze was familie van Brutale Coba en dan weet je het wel!”


Het einde van een tijdperk


De foto van de bruiloft uit 1937 is een stille getuige van het leven in een buurt die langzaam aan het veranderen is. Schilderachtig was ze altijd alleen in de ogen van de buitenwacht geweest. De bewoners vonden haar vooral vol en vies. Maar levendig was de buurt steeds onmiskenbaar geweest, niet zo zeer door een speciale ‘joodse mentaliteit’ als wel doordat zo veel bewoners bij gebrek aan alternatieven in de kleinhandel zaten: en venters en marktkooplieden staan nu eenmaal beroepshalve bekend om hun grootse gebaren en prachtige verhalen. Maar de gedeelde ellende leidde onmiskenbaar behalve tot veel ruzies ook tot veel saamhorigheid. Daarbij speelden de wijdvertakte familienetwerken natuurlijk een grote rol.


Maar eind jaren dertig, toen velen waren weggetrokken, was de oude Jodenhoek al lang niet meer zo overbevolkt als rond 1900 en dus ook heel wat minder smerig en rumoerig. Veel krotten waren gesloopt. Het buurtleven werd wat anoniemer, want in de synagoge zag men elkaar ook steeds minder. Zo’n bruiloft als die in 1937 kreeg daarmee extra betekenis: dan voelde men weer even de oude saamhorigheid. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwam er abrupt en voorgoed een einde aan. Slechts in verhalen leven de buurt en haar bewoners voort. Rachel Moffie stierf op 13 maart en Rebecca Schellevis op 4 juni 1943 – allebei in het vernietigingskamp Sobibor.


Drs. J. Schagen is historica. Eerder schreef zij over dit onderwerp twee artikelen in Hakehillot, Magazine voor Joods Nederland: ‘Brutale Coba, een vermaarde visvrouw’(dec. 2000) en ‘En hoe zit het dan met Blonde Beckie?’ (dec. 2001). Met dank aan: P. Groenteman, A. Mof, D. Moffie, mevrouw E. Pinto-Waterman en D. Verdoner.





Delen: