Nummer 2: februari 2012

02_2012_OAM_02_2012-cover-145x212


Prijs € 6,- Bestel





Op het omslag: De Sint-Nicolaaskerk gezien vanaf de Oudezijds Achterburgwal, 2010.

-Frits Schiller, hotelhouder, kunstenaar en bon vivant
-De Sint Nicolaas Kerk
-Monument voor vermoorde Joodse kinderen
-Krakers redden Haarlemmerpoort
-Nora Salomons

En verder: de Vaste Route met Robbert Dijkgraaf






02_2012_Schiller

Aan het toen nog chique Rembrandtplein was Schiller vanaf eind 19de eeuw tot de Tweede Wereldoorlog hét trefpunt van artistiek Amsterdam.
Herman Heijermans woonde er, net als Breitner. Het levensluchtige middelpunt van de eigenaar zelf: Frits Schiller.

Al zo’n 100 jaar staat aan de stille kant van het Rembrandtplein het befaamde Schiller Hotel. Ernaast sinds 1921 de gelijknamige bar. Schiller was destijds een bruisend middelpunt van artistiek Amsterdam. En hotelier Frits Schiller hoorde er helemaal bij. Zijn colbertje verwisselde hij zó voor zijn schildersjas. “Dan weet ik niet eens meer dat ik een hotel heb!”

Van Frits Schiller (1886-1971) werd gezegd: nourri dans le serail, opgevoed in het vak. Het was zijn vader Georg Schiller (1854-1907) die voordat hij eind 19e eeuw neerstreek op het Rembrandtplein, in een kleine kelder op het Damrak (nu de plek van Hotel De Roode Leeuw) een bierzaak had. Vader Georg was een Beier. Hij schonk in zijn ‘kuil van Schiller’ goedkoop een goed glas bier en verstrekte er dankzij de vermaarde kookkunst van zijn vrouw, smakelijke maaltijden en “Hamburgsche buffetten”. Zijn klanten waren behalve zeelui en beurslieden, ook leden van de Wagner-Vereeniging. Tijdens uitvoeringen trof men er zangers, musici, decorschilders, studenten, journalisten en ook leden van het Duits consulaat.
Een krantenartikel uit 1917: “Georg Schiller zelf was de oorzaak, dat zo velen en zo’n aantal vogels van diverse pluimage in den kelder kwamen. Zijn vriendelijk gezicht, zijn welvarend en omvangrijk uiterlijk, zijn goedmoedigheid, zijn jovialiteit en voorkomendheid lokten. Men scheidde ’s middags nooit uit den kelder voor Schiller zijn guitaar genomen had en, daarop spelende, de schoonste Duitse liederen voortreffelijk zong.” Ook zat hij met de stamgasten om een reusachtig grote, ronde kletstafel en werd er over Schiller (naamgenoot, geen familie), Goethe, Shakespeare, Ibsen en andere beroemde schrijvers gesproken. Bier en cultuur gingen hand en hand.
In 1892 vestigde hij zich tevens op het Rembrandtplein. Het gemêleerde publiek uit de kelder verhuisde mee naar de caférijke buurt met talrijke amusementsgelegenheden, zoals theaters en dansants. In 1906 namen zoons Frits en Hein met zus Elsa het bedrijf van hun vader over. In de hotellobby toont een gipsen bronskleurige portretbuste nog altijd zijn volle gezicht.

Tijdelijk doof
In de jaren van het belle époque floreerden de zaken en nog voor de Eerste Wereldoorlog werd besloten de inmiddels uitgebreide en doorgebroken rij panden door nieuwbouw te vervangen. Het grote “cosmopolitische” gebouw, ontworpen door de architecten M.J.E. Lippits en N.H.W. Scholten, werd bierhuis, restaurant en hotel ineen. “Het trok kooplieden, advocaten, doctoren, artiesten, mensen uit de politiek, journalisten. We hebben er nooit iets bijzonders voor gedaan, ze voelden zich hier blijkbaar thuis. ’t Is altijd een centrum op het Plein geweest”, zei Frits Schiller er zelf over. Toen hij in 1911 trouwde met de actrice Corry Italiaander (1886-1971) hoorde hij eens te meer bij artistiek Amsterdam.
Vanwege de mobilisatie voor de Eerste Wereldoorlog moest Frits Schiller midden in de uitbreiding (van het hotel) in dienst. Maar hij werd afgekeurd wegens doofheid. “Later nooit meer last van gehad!”
Terwijl het hotel in de steigers stond, studeerde hij af aan de Rijksacademie aan de Stadhouderskade. Enkele jaren eerder was hij het toelatingsexamen nog bijna misgelopen. “Ze vragen me wel eens, wat ik nou eigenlijk ben, schilder of restaurateur? Ja, dat is zo’n beetje gelijk op gegaan. Ik heb het restaurantvak geleerd in Londen, Parijs en Brussel. Toen werd ik commis-saucier* bij de ouwe heer Krasnapolsky. Maar ik had me al opgegeven voor het toelatingsexamen voor de academie. Terwijl ik in de keuken stond te bakken en te braden, kreeg ik een telefoontje, waarom ik niet op dat examen kwam. Ik was ’t totaal vergeten! Maar ik liep zó weg van de biefstukken en de lapjes, en holde naar de Academie, waar de professoren Antoon Der Kinderen en Carel Dake Jr. examen afnamen. Van de vijfenveertig kandidaten slaagden er zestien, waaronder ik.”

Keeltjes en lipjes
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal. Beneden aan de tafeltjes dronken leden van het Duitse en Franse consulaat met internationale journalisten broederlijk en eendrachtelijk biertjes of moezelwijn. Boven in het hotel woonde de vermaarde toneelschrijver Herman Heijermans met zijn (eerste) vrouw en dochter. Ze zouden vier jaar bij Schiller zitten, hun meubels waren opgeslagen. Dochter Hermine: “Frits Schiller was zó waanzinnig verzot op de échte kunstbroeders, dat hij mijn vader zeer grote kredieten gaf. Toen in de oorlog is mijn moeder gaan hamsteren. Die heeft onder andere meel gekocht, en ging broden bakken, op die kamers, op het petroleumstel. Ik zal het nooit vergeten, dan kwam Frits Schiller aankloppen en dan zei ze: ‘Sssst!’, want dan stond het brood te rijzen, en als hij met de deur zou slaan zou het brood inzakken. Dan kwam hij binnen, met z’n hand met gespreide vingers voor z’n ogen.”
Destijds logeerde er geregeld het cabaretgezelschap The Timbertown Follies. Hun verblijf had met de oorlog te maken. Zij waren Engelse geïnterneerden, opvarenden van een Brits marineschip, “voor de duur van de vijandelijkheden” in het neutrale Nederland ondergebracht werden in Groningen (in houten barakken, het zogenoemde Engelse Kamp). Het in witte pierrotpakken geklede gezelschap gaf drukbezochte cabaretvoorstellingen in diverse steden waarbij de opbrengst altijd was bestemd voor goede doelen.
Ook de schilder George Breitner woonde gedurende enkele jaren in het hotel. Frits Schiller: “John Rädecker, Hildo Krop, Piet van der Hem, Wim Schuhmacher, Zadkine, de meest uiteenlopende naturen kwamen hier in hun gesjochte en betere dagen. Breitner had het goed. Hij was dol op homard à l’Américaine. Heijermans konden we altijd uit zijn schouwburg lokken als er keeltjes en lipjes** waren.”

Oerinoep
Als trefpunt voor allerhande artiesten was Schiller ook de aangewezen plek voor de vergaderingen van Oerinoep, een gezelligheidsvereniging voor artiesten. De even luimige als studentikoze naam was de afkorting van Onze Eenige Roeping Is Naar Onderlinge Eendracht Pogen. Ze werd in 1910 opgericht door komiek Johan Buziau en toneelspeler Cor Ruys. Het jaarlijks door Oerinoep georganiseerde grote Artiestenfestival werd gegeven op Goede Vrijdag, omdat alle publieke vermakelijkheden dan gesloten waren en de meeste leden dus niet hoefden te werken. Sommigen lazen daarom de zinspreuk als: “Onze Enige Rustavond Is Natuurlijk Onze Enige Pretavond”.
Oerinoepleden waren “toneelspelers, musici, zangers, schilders, beeldhouwers en letterkundigen, maar ook dansers, variétéartiesten, ‘specialiteiten’, costumiers en toneelkappers.” Op de feestavonden wisselden “berijmde redevoeringen, parodieën, kluchten, travesties en tableaus vivants” elkaar af, boordevol grappen voor ingewijden en nummers waar de meligheid duimendik bovenop lag. Met bal na afloop! De feestavonden in Theater Bellevue aan de Leidsekade vormden een jaarlijks hoogtepunt in het hoofdstedelijk uitgaansleven. ‘Tout Amsterdam’ was aanwezig. Zoals de Oerinoepmars het wilde: “Met de heele troep naar de Oerinoep!” Maar pret maken was niet het enige. Doel was tenslotte ook hulpbehoevende kunstenaars te steunen.***

Wijntjes en sherry’s
Een nazaat van Frits Schiller herinnert zich zijn oudoom nog goed. Paul Schiller (1951): “Hij was een grote, lange man. Hij had grijs, golvend haar achterover en een grote neus en was altijd gekleed in driedelig pak met das. Hij had een kraakstem. Zat de zaak vol met kletsende mensen, dan hoorde je hem erboven uit. Hij was aanwezig, heel sympathiek en nooit chagrijnig. ’t Was een leven van leuke wijntjes en sherry’s drinken, hij rookte en at heerlijk en is 85 geworden. Oom Frits trok gasten aan, daar deed hij niets voor. Hij was als een magneet. Hij kon schateren van het lachen, dan stonden de ramen te trillen.”
Volgens Frits Schiller was er elke dag wel wát: “Zo zaten twee armlastige stamgasten iedere avond aan de leestafel en aten dan twee frikadellen. Als bijvoeding dronken zij het flesje slaolie leeg. Op een keer kreeg een tafeltje verderop een meneer een grote pannenkoek op z’n bord. Een van de twee kunstbroeders pakte die er af, deed net of hij er z’n neus in snoot en stak de pannenkoek in z’n zak. De eigenaar was te verbouwereerd om iets te zeggen. Aan de leestafel aten ze de pannenkoek vervolgens kalmpjes op . . .”
Achter de schermen runde ondertussen broer Heinrich (1888-1967) de keuken en hield zus Elsa (1884-1960), samen met haar schoonzus Katharina Schiller-Seiler, het toezicht op het vrouwelijke personeel, de keuken en de linnenkamers. Paul Schiller: “Ze werkten heel hard. Was er een kamermeisje ziek, dan ging tante Elsa zelf de kamers doen, als directrice de wc-potten schoonmaken. Zo zaten de Schillers in elkaar.”

Nieuw publiek
In de Tweede Wereldoorlog werd het hotel gevorderd door de Duitsers. Er kwamen Luftnachrichten Helferinnen en leden van de Wehrmacht te wonen. Het hotel moest ontruimd en het meubilair werd in allerijl bij de Amstel Brouwerij opgeslagen. Frits Schiller bleef met vrouw en zoon wonen in het aparte deel boven de Schiller Bar, die geopend bleef. De doorgang tussen hotel en de naastgelegen bar werd afgesloten. De Duitsers vergoedden wel de logieskosten. Zo had het hotel een volledige bezetting – na de crisisjaren waarin er vaak slechts enkele gasten logeerden.
Na de bevrijding betrokken Canadezen en leden van de Binnenlandse Strijdkrachten het uitgewoonde hotel. Vijf jaar later volgde een ingrijpende modernisering, waarbij ook de doorgang naar de bar werd hersteld. Hotel Schiller was weer open. Maar de tijden van het interbellum met Schiller als middelpunt van artistiek Amsterdam waren voorgoed voorbij. “Het Plein heeft geleden. De verdelging van de Joden doet zich voelen”, zei Frits Schiller zelf. Als 70-jarige blikte hij weemoedig terug: “Glanspunten van het oude Rembrandtplein zijn ordinair geworden. De chic is aangetast. Het Rembrandttheater werd bioscoop, en is nu een gat, alsof er een kies werd uitgetrokken. Het Flora van Buziau en van Louis Davids brandde af. De Salon des Variétés, het Grand Théatre…weg… Oude, gerenommeerde zaken stierven met hun klanten. Het nieuwe publiek bevolkt de cafetaria’s en lebbert ijsjes…”
Toch bleef Schiller ook na de oorlog een bijzondere zaak met artistieke clientèle. Zo trof in 1955 journalist/cineast Jan Vrijman er bij toeval Karel Appel. Overgekomen uit Parijs logeerde hij doorgaans bij Schiller. Appel praatte zonder opscheppen of gewichtigdoenerij over zijn werk en internationale succes. De ontmoeting leidde vervolgens tot Vrijmans Vrij Nederland-artikel met de overbekend geworden uitspraak: “Ik rotzooi maar zo’n beetje an.” Tot aan het eind van zijn leven had Frits Schiller op zijn zolderatelier een portretfoto van Karel Appel aan de muur.

Potretten en stadsgezichten
In de hotellobby, het restaurant en ook in het naastgelegen Café Schiller (zoals de Schiller Bar tegenwoordig heet) hangen zijn doeken nog altijd zij aan zij. Amsterdamse stadsgezichten en impressies van lieux de plaisance als Parijs en Nice, stillevens en portretten. Ogen de stadsgezichten soms ietwat naïef, de portretten van deze zondagsschilder overtuigen meer. Naast familie- en zelfportretten schilderde hij vooral bekendheden uit de artiestenwereld. Maar ook Amsterdamse straattypes als ‘de Taaie’, de aapjeskoetsier van het Rembrandtplein, en de befaamde ‘Hadt-je-me-maar’, de zwerver en lijsttrekker van de Rapaillepartij. Op de hotelkamers hangen nauwelijks nog schilderijen, na diefstal door souvenirjagers bleek dat niet langer mogelijk.
Sinds 1970 is Schiller geen familiehotel meer. Het werd verkocht aan de N.V. Caransa en Co, ging over naar de Krasnapolsky Group en kwam uiteindelijk in handen van de Spaanse hotelketen NH Hoteles. Toen werd ook de huidige afsluiting tussen hotel en bar (café) definitief. Het hotel is nu bijzonder onder de gewone, maar gewoon onder de bijzondere hotels. Een plek van de artistieke ‘beau monde’ is het bij lange na niet meer.
Ook de naamsbekendheid van Schiller is niet meer wat het geweest is. In welke wereldhaven Paul Schiller (van 1970 tot 2006 zeevarende van professie) zijn familienaam ook noemde, steevast volgde een kreet van herkenning: “Aaah, Schiller! From Amsterdam!” Des te pijnlijker was een voorval enige tijd geleden. Met zijn vrouw in Amsterdam dacht hij weer eens bij Schiller te gaan eten. Naar binnen om een tafeltje te reserveren. Hij noemt zijn naam. De reactie van het personeel: “Schiller? Hoe schrijft men dat?”… “Weg waren we!”
Wat rest is het naastgelegen Café Schiller. Nóg fraaier dan in het hotelgedeelte is hier het unieke art-decointerieur behouden. En bovenal: als vanouds weet artistiek en creatief Amsterdam de zaak te vinden. Mede-eigenaresse Florien Kleine-Snuverink: “Het hotel is voor de toeristen, de bar voor de Amsterdammers.” Een eetcafé met een niet te versmaden keuken, gestreepte fluwelen stoelen en originele Schillers alom. Een kleinood aan het barre Rembrandtplein.

Tekst: Carolus van Doornen
Carolus van Doornen is historicus






02-2012_Sint_NicolaaskerkTrouwerij in de Sint-Nicolaaskerk in 1967.
Tachtig jaar eerder markeerde de wijding van de kerk de terugkeer van het katholicisme in het openbare leven van Amsterdam. Het rijke Roomse leven duurde tot halverwege de tweede helft van de 20ste eeuw.
De kerk verwaarloosde maar werd gered.

Al 125 jaar tekent het silhouet van de Sint-Nicolaaskerk het Amsterdamse stadsbeeld. Maar hoe vertrouwd de neobarokke koepel en de twee torens van architect Adriaan Bleys ook zijn, het zijn vaker toeristen die er binnen stappen dan Amsterdammers. Terwijl de kerk met haar geschiedenis en patroonheilige toch op en top Amsterdams is.

“Het was helemaal geweldig als Sinterklaas aankwam. Samen met mijn broertje en zusjes stonden we dan te wachten naast de pastoor buiten op de trappen voor de Sint-Nicolaaskerk. De brug ging open en de boot kwam aan. De Sint kwam ons eerst een handje geven, voordat hij op zijn paard de stad introk. Tot de zesde klas heb ik in Sinterklaas geloofd. Ik zag wel dat er meerdere Sinterklazen waren, maar er was er maar een de échte, die van de Sint-Nicolaas.” Emmy Louridtz-Hooghiemstra (70) is de oudste van zeven kinderen. Al vier generaties lang is haar katholieke familie verbonden met de Sint-Nicolaaskerk aan de Prins Hendrikkade.
Emmy groeide op in een statig herenhuis op de Geldersekade 53 dat in 1914 familie-eigendom werd toen haar opa Eduard Grünning het kocht en er samen met zijn Marie Cornet ging wonen. Hij had een florerend stucadoorsbedrijf in de Sint Annenstraat. Net als veel andere welvarende katholieken in de buurt was hij een actieve parochiaan in de bloeiende Nicolaasparochie. De in 1887 voltooide ‘H. Nicolaas binnen de Veste’ was het steengeworden symbool van de katholieke emancipatie in de binnenstad. De pompeuze kruisbasiliek van architect Adriaan Bleys stond voor het herwonnen katholieke zelfvertrouwen, voor zichtbaarheid na meer dan twee eeuwen van verborgen geloofsbelijdenis.
Na de Alteratie in 1578 (waarbij Amsterdam koos voor de kant van de prins van Oranje) namen de protestanten het roer over. Katholieken raakten hun kerkgebouwen kwijt en mochten niet langer hun geloof openlijk belijden. Ook de Oude Kerk aan de Oudezijds Voorburgwal, de eerste Nicolaaskerk van de stad, werd na de ‘zuiverende’ Beeldenstorm definitief in gebruik genomen door protestanten. De katholieken gingen noodgedwongen ondergronds. In de loop van de 17de eeuw ontstonden overal in de stad huiskerkjes op zolders en in pakhuizen, ook wel schuilkerken genoemd omdat ze vanaf de straat niet als kerk herkenbaar waren.

Eigenwijze bouwstijl
De Nicolaasparochie vond in 1663 een nieuw onderdak op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal en de Heintje Hoeksteeg. Precies: de plek waar nu het museum Ons’ Lieve Heer op Solder zit. De rijke katholieke koopman Jan Hartman verbouwde zijn grachtenpand ingrijpend om de eredienst in ere te houden. Hij maakte op de bovenste drie aan elkaar geschakelde zolderverdiepingen een huiskerk die dienst ging doen als schuilkerk Het Hart, de tweede Nicolaaskerk in Amsterdam. De protestante overheid wist overigens van het bestaan van de schuilkerk, maar gedoogde uiteenlopende geloofsrichtingen binnen haar stadsgrenzen.
De Bataafse Republiek in 1795 zorgde voor een nieuwe omwenteling. De scheiding van kerk en staat ging gepaard met vrijheid van godsdienstuitoefening en later met de gelijkstelling van protestanten en ‘roomsen’. Ook al werden katholieken nog lang als tweederangsburgers behandeld, hun zelfvertrouwen begon onmiskenbaar te groeien. ‘Sint-Nicolaas op Solder’ barstte in ieder geval steeds meer uit zijn voegen, waardoor net als bij andere schuilkerken de zolder plaatsmaakte voor een nieuw bouwwerk. Dankzij schenkingen van rijke katholieken kon in 1884 de eerste paal in de grond geslagen worden voor de derde Sint-Nicolaaskerk in Amsterdam.
Adriaan Bleys, die in dezelfde tijd ook het portaal voor het oudevrouwenhuis Vredenburgh bouwde, ontwierp voor katholieke begrippen een markante kerk. Als eigenwijze leerling van Pierre Cuypers besloot hij te breken met de neogotische traditie van kerkenbouw waarop zijn leermeester patent had. Die traditie verwees naar het katholieke bloeitijdperk in de Middeleeuwen. De jongere architect kon zich niet verenigen met de vanzelfsprekendheid van deze bouwstijl en zag de neogotiek als het ongeïnspireerd en ondoordacht kopiëren van een oude stijl. Hij gaf de voorkeur aan een combinatie van vormen en verbond de emancipatie van de Amsterdamse katholieken met neorenaissance en -barok.

Piekfijn naar de hoogmis
Niemand kon om zijn stoere bouwwerk heen. Niet in de laatste plaats door de strategische ligging tegenover het Centraal Station, dat rivaal Cuypers in 1889 tegenover de kerk liet verrijzen. Of je nou op zondag naar de hoogmis ging of met de trein aankwam, het opvallende, wat Oosters-orthodox aandoende silhouet van de nieuwe Nicolaas kon niemand ontgaan. De patroonheilige van schippers, lichtekooien, kinderen en niet te vergeten de stad Amsterdam, mocht voortaan wonen onder een 58 meter hoge achthoekige koepel en twee sierlijke minaretachtige torens.
Op 30 maart 1887 was de officiële inwijding. Een medewerker van het katholieke dagblad De Tijd was er getuige van hoe het Heilige Sacrament in een processie van het oude schuilkerkje naar de nieuwe kerk werd gebracht. “Door een steeds aangroeiende schare geloovigen gevolgd, bereikte het rijtuig eindelijk de nieuwe St. Nicolaaskerk, waar een talrijke menigte met de geestelijkheid de komst van het H. Sacrament afwachtte. Allen werpen zich op de knieën, de lichten worden onstoken, de schellen worden geroerd, en het blijde loflied op het zangkoor verkondigt de eer des Allerhoogsten.”
Een andere getuige van de inwijding was Emmy’s oma Marie Cornet die als bruidje in de processie meeliep. “Volgens mij liep ze vlak achter pastoor Johannes Henricus van Born.” De kleinkinderen van Marie waren ook trouwe kerkgangers en kind aan huis op de pastorie. Emmy herinnert zich de zondagse hoogmis als een wekelijks hoogtepunt. “We droegen hoedjes met strikken en jasjes met een fluwelen kraag. Mijn vader was meestersnijder. Dus we zagen er altijd piekfijn uit. Onze héle familie kwam naar de Nicolaas en na afloop gingen we naar ons huis aan de Gelderse Kade. De kleintjes zaten boven bij ons gezin en de ooms en tantes dronken een kopje koffie beneden bij oma in de mooie kamer. Later op de dag kwam de pastoor langs voor een glaasje en een sigaar. Mijn moeder zei altijd: ‘Dien de heer met een vrolijk hart.’”

Het tij keert
In de vooroorlogse Nieuwmarktbuurt kende iedereen zijn plek, weet Emmy nog. Zij mochten niet op straat spelen of de buurt aan de achterkant van de kade verkennen. Daar woonden de arbeiders en de armen. “Ik vroeg mijn moeder een keer wie die dames achter de ramen waren. ‘Huisvrouwen die geen zin hadden om te werken’, antwoordde zij. Niet dat we neerkeken op andere sociale lagen of religies. Onze buurvrouw maakte hoerenkastjes schoon en daar werd nooit negatief over gepraat.” De familie voelde zich verantwoordelijk voor de rafelranden van de buurt, benadrukt Emmy. “Met alleen voor in de kerk zitten, was je er niet, vond mijn moeder. Voor de Kerst pakten we samen met haar kerstpakketten in op de pastorie die zij langs bracht bij de stille armen in de buurt.”
Deze vorm van liefdadigheid is tekenend voor het particuliere initatief in de buurt. Uit parochiearchieven blijkt dat er voldoende middelen waren voor liefdadigheid. Rijke particulieren schonken geld voor voedsel, kleding en betere behuizing. Ook de zusters Augustinessen speelden volgens Emmy een grote rol in de liefdadigheid binnen de parochie. Dat het in de jaren zestig even kantje boord was voor de Nicolaaskerk, was voor Emmy moeilijk te geloven. “Ik dacht altijd: die kerk blijft bestaan, wat er ook gebeurt. Maar net als in een mensenleven kan het tij tijdelijk keren.”
Ontkerkelijking en ontvolking van de binnenstad waren in de roerige jaren zestig de belangrijkste oorzaken voor het sterk teruglopende kerkbezoek van de Nicolaas. Er moest dringend bezuinigd worden. Uit het Pastoraal plan binnenstad Amsterdam van 1969 bleek dat de kerk geen pastorale functie meer vervulde, maar ook dat het gebouw te monumentaal was en te bepalend voor het stadsbeeld om af te breken. Niet dat deze mening breed gedeeld werd. Veel Amsterdammers vonden het bouwwerk niet meer van deze tijd: te pompeus, te groot, te donker.

Vrijwilligers redden de kerk
In 1971 werden de parochies in de Amsterdamse binnenstad opgeheven om plaats te maken voor de R.K. Citykerk. De pastorale zorg werd toevertrouwd aan wijkpastoraten. Sommige kerken zouden open blijven voor omwonenden en bezoekers van de Amsterdamse ‘city’. Anderen, waaronder de Nicolaas, stonden op de sluitingslijst. Dat is voorkomen door het gebouw nog net op tijd tot monument te verklaren. De Nicolaas zou fors worden gerestaureerd zodat hij voor de eredienst op zondag behouden kon blijven. Maar toen het geld op was, stopte het opknapwerk en werd er gekozen voor minder elegante oplossingen, zoals het dichtmetselen van de glas-in-loodramen van de koepel.
Een wilde tijd was het, grijnst oud-vrijwilliger Jaap Vlaar (63) in de statige rode kamer van het parochiehuis. “De tijd van de seksuele revolutie. Veel priesters stapten eruit. Ik brak ook mijn seminarieopleiding af en leidde in Amsterdam op kerkelijk gebied een zwervend bestaan tot ik de Nicolaaskerk ontdekte. Het was vooral de abdijliturgie die me aansprak. Het kerkbestuur had een nieuwe vorm gevonden. Niet te politiek, niet te conservatief. De liturgie was omlijst met psalmen en iconen en de drie takken van het christendom kwamen erin samen. Ik voelde me geborgen. Net als veel andere kloosterlingen en alleenstaanden besloot ik te blijven als vrijwilliger.”
Het waren de vrijwilligers die de parochieloze kerk behoedden voor verder verval of leegstand. Zij vormden schoonmaakgroepjes, zongen in het koor, maakten een nieuwsbrief en zaten soms met hooguit 100 mensen op zondag bij elkaar in de kerk om de eredienst te vieren. Maar Jaap Vlaar was de enige vrijwilliger die in 1986 in het naburige, leegstaande parochiehuis trok om als een soort beveiliger over de kerk te kunnen waken. “Ik deed alles in mijn uppie. Schoonmaken van de pastorie, de telefoon opnemen, de post openen en raddraaiers verjagen.”

Grote opknapbeurt
Voordat hotel Barbizon kwam en de Zeedijk werd vernieuwd, was het een ruige boel rond de Nicolaas weet Jaap. “Veel drugsoverlast, inbraken. Ik herinner me dat op de eerste dag dat de kerk openging voor toeristen meteen een beeldje van Maria Sterre der Zee werd gestolen. Inmiddels zijn de kandelaren op het altaar aan de ketting gelegd.” Het bleek ook een inschattingsfout om de hekken voor de kerk weg te halen. “We wilden een open kerk zijn, maar het gevolg was dat ik de slapers onder het bordes had liggen. Ook achter mijn eigen raam was genoeg te zien. Junken zaten er te snuiven en lieten flesjes en etensresten voor me achter.”
De kerk zelf was ook in slechte staat. De ramen waren stuk, duiven vlogen rond, het regende naar binnen en op de bonte muurschilderingen – ook die waarop Jan Dunselman de Nicolaaslegendes verbeeldt – zat een dikke laag vuil. Een van de vrijwilligers beet zich vanaf 1983 vast in de nodige arbeidsintensieve restauratieklussen en hanteerde de goudkwast om Latijnse teksten op de muren te redden.
De echte grote opknapbeurt begon in 1997 onder leiding van architect Frans Boogers, nadat er flink actie was gevoerd voor het behoud van de Nicolaas. Monumentenzorg stak f 8,2 miljoen subsidie in het behoud, het bisdom lapte een paar miljoen bij en er werd een dringend beroep op Amsterdammers gedaan. Die konden leitjes kopen of voor f 25,- een meter voegwerk adopteren om de kerk te redden. Dat de stadsbewoners toch wel gehecht waren aan de kerk, bleek uit de opbrengst: uiteindelijk is er f 13 miljoen ingezameld voor de restauratie. In vier jaar tijd werd elke steen, schildering of vochtplek aangepakt. Een van de meest opvallende veranderingen was het openmaken van de blauwe gebrandschilderde ramen in de koepel, die sinds de jaren zeventig waren dichtgemetseld. Het zonlicht kon weer de kerk binnendringen.

Heidens karwei
Niet alleen fysiek won de kerk aan levenskracht. De kerkgemeenschap groeide ook. Toen Jaap Vlaar in 2006 de deur van het parochiehuis met enige weemoed achter zich dichtsloeg, telde de kerk maar liefst 600 leden. “Wij wisten niet hoe het zich zou ontwikkelen, maar merkten dat de belangstelling van buiten groeide, waardoor de vrijwilligerskerk steeds meer professionaliseerde. Er kwamen een betaalde koster, dirigent en secretaris.” De waardering bij het bisdom groeide ook. Met de aanstelling op 10 november 1996 van Bernard Zweers als de nieuwe pastoor erkende de bisschop dat de Sint-Nicolaas weer volop meedraaide in het katholieke religieuze leven.
Naast de eigen kerkleden met uiteenlopende sociale en culturele achtergronden, telt de hoofdkerk van de Amsterdamse binnenstad inmiddels honderdduizend bezoekers per jaar, waaronder busladingen toeristen. De experimentele abdijliturgie werd aangevuld met traditionele roomse elementen van liturgievieren. “Maar we zijn niet zonder meer traditioneel”, vertelt diaken Eugène Brussee. “We zijn loyaal aan het bisdom en de wereldkerk, maar ook aan de buurt om ons heen. Iedereen is welkom. Wij veroordelen mensen niet, maar verkondigen ook niet dat ze er maar op los moeten leven. Ik beschouw ons als ruimdenkend.”
Als een ware missionaris baande de nu gepensioneerde pastoor Joop Stam zich al een weg tussen de prostituees, daklozen en junks. Diaken Brussee introduceerde ondermeer de Sinterklaasactie. “We gooien niet zoals de mythische Sinterklaas een zak geld naar binnen bij de armen, waarmee de goedheiligman voorkwam dat een vader zijn dochters aan een bordeel verkocht. Wij geven de prostituees een aardigheidje, iets lekkers of een kaarsje, om ze aan te spreken op hun mens-zijn.”
Het motto: ‘Kerk-zijn in hartje Amsterdam: een heidens karwei’ is volgens de diaken met een knipoog bedoeld. “Ook al valt het niet altijd mee om voldoende aandacht te trekken in een stad waar geloof niet zondermeer op de agenda staat.” Hij voelt zich verbonden met de robuuste stijl en de eenvoud die architect Bleys het gebouw heeft gegeven. “Zo’n bouwwerk heeft een eeuwigheidswaarde. Er is hier ruimte om te bidden, te mediteren, naar gregoriaanse vespers te luisteren. Onder deze hoge koepel kom je los van jezelf. Zodra je de trappen opgaat, laat je de stad achter je en stap je een andere wereld binnen.”

Tekst: Katja Kreukels
Katja Kreukels is journalist






02_2012_Joodse_kinderen

In 1948 reed Guus Luijters bij zijn vader achterop de fiets door de verlaten Amsterdamse Jodenbuurt. Waar was iedereen?
Vader zweeg. Nu heeft Luijters alle uit Nederland weggevoerde en vermoorde Joodse kinderen een monument gegeven.
18.000 namen, 3000 foto's en tientallen persoonlijke verhalen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden meer dan 18.000 Joodse kinderen en ruim 100 ‘zigeuner’-kinderen (Sinti en Roma) uit Nederland weggevoerd en vermoord. Dankzij haar bijzondere dagboek en veel toeval werd Anne Frank postuum alsnog wereldberoemd. Maar bijna alle anderen verdwenen in de vergetelheid. Alsof ze nooit bestaan hebben. Onverteerbaar, vond schrijver/journalist Guus Luijters, Hij herdenkt ze nu met een monumentaal boek en een tentoonstelling in het Stadsarchief.

Guus Luijters werd geboren in 1943. De oorlog maakte hij dus niet bewust mee. Maar wel weet hij nog dat hij achterop de fiets van zijn vader in 1948 door de spookachtig verlaten oude Jodenbuurt reed. Waar waren alle mensen? Zijn vader wilde er niet over praten. Het beeld liet Luijters nooit los.
“In 1995 las ik in NRC Handelsblad een artikel over een grandioos project van de bekende Franse nazi-jager Serge Klarsfeld: Le mémorial des enfants juifs déportés de France. Alle uit Frankrijk weggevoerde Joodse kinderen werden daarin bij name genoemd, met foto’s en al. Ik vond dat heel aangrijpend. Zoiets zal nu ook wel voor Nederland gemaakt gaan worden, dacht ik; daar hebben de Nederlandse slachtoffers recht op.
“Maar jaar na jaar ging voorbij en het gebeurde niet. En vier jaar geleden dacht ik: ik ben nu ook alweer 64, laat ik het nu maar zelf doen. Ik wist eigenlijk niet goed waaraan ik begon. Al snel merkte ik dat de klus veel groter werd dan ik vermoedde. Ik dacht eerst dat het om zo’n 10.000 kinderen ging, maar al gauw bleken het er bijna twee keer zoveel te zijn.
“Ook werd me snel duidelijk hoe verschrikkelijk veel we nog niet weten over de organisatie van de Jodenvervolging, bijvoorbeeld over de dagelijkse samenwerking tussen de Duitsers en de Nederlandse politie. Vooral politiehistoricus Guus Meershoek heeft daarover de laatste jaren in zijn boeken wel steeds meer informatie gegeven. Maar zelfs hij komt er niet helemaal uit.
“Vaak ook gaat het om curieuze kleinigheden. De kenners weten dat de nazi’s niet alleen een grote J zetten op het persoonsbewijs van Joden, maar bovendien bij Joodse mannen aan de voornamen ‘Israël’ toevoegden en bij de vrouwen ‘Sara’. Maar ook dat blijkt weer niet altijd waar. Anne Frank werd zo inderdaad ‘Annelies Marie Sara Frank’, maar haar zus Margot kreeg die toevoeging niet. Waarom niet? Niemand weet het! En ik kwam veel meer van dat soort uitzonderingen tegen.”

Nog 3000 foto’s achterhaald
“Mijn boek gaat 1024 bladzijden tellen. Maar van verreweg het grootste deel ben ik goddank niet letterlijk de auteur. Hoofdmoot zijn de 102 lijsten waarop de kinderen staan die tussen 15 juli 1942 en 13 september 1944 zijn gedeporteerd. Ik heb van ieder kind vastgesteld wanneer het is gedeporteerd. Dat was heel veel werk, maar het belang van de transportdatum kan niet onderschat worden. Uit de sterfdatum kan niet met zekerheid worden afgeleid wanneer iemand is gedeporteerd. Die zegt dus ook niets over de vraag of iemand meteen na aankomst in een kamp is vermoord of nog een tijd heeft geleefd.”
Via de transportlijsten was de dodelijke systematiek van de razzia’s goed te volgen. “Je ziet onder meer precies op welke data de volksbuurten van Amsterdam werden leeggehaald, wanneer Rotterdam aan de beurt was, of de mediene in Drente.”
Bijzonder is dat van liefst 2900 kinderen foto’s zijn achterhaald. “Er wordt vaak gedacht dat kinderen uit arbeidersbuurten voor de oorlog nooit op de foto gingen, omdat hun ouders geen fototoestel hadden. Maar dan vergeten ze de schoolfotografen!”
Het inzamelen van de foto’s was vooral het werk van de 35 jaar jongere Aline Pennewaard, die eenzelfde fascinatie als Luijters bleek te hebben. Vooral oproepen in het Nieuw Israëlietisch Weekblad en Het Parool leverden veel reacties op. Van sommige kinderen is er nog net iets meer: een schoolrapport, een poesiealbumgedicht. En heel, heel soms zijn er herinneringen van overlevende familieleden of vriendjes. Zij het niet van hun ouders, ooms en tantes, juffen en meesters: als die niet zelf destijds werden vermoord, zouden die nu minstens een eeuw oud moeten zijn. Maar Luijters blijft hopen, natuurlijk: voor nieuw materiaal is in de expositie bewust een vitrine vrijgemaakt!

Tekst: Guus Luijters en Peter-Paul de Baar



02_2012_Haarlemmerpoort
Al sinds de opening in 1840 staat de Haarlemmerpoort ter discussie. Begin 20ste eeuw werd sloop ternauwernood afgewend, maar eind jaren zestig leek het doek toch te vallen.
Tot krakers de rechtervleugel betrokken.

De Haarlemmerpoort? “Lomp”, vond een waarnemer al in 1844, vlak na de bouw. De kritiek is nooit meer weggeweest. Een ratjetoe van bouwstijlen, onzorgvuldig neergezet, een naargeestig hekwerk dat de levendige Haarlemmerdijk afsluit. Maar sloopplannen werden nooit doorgezet. En nu is Amsterdams laatste stadspoort niet meer weg te denken. Het kan verkeren. Wel is er opnieuw gesteggel over de bestemming.

De foto’s liegen er niet om. Het zijn de jaren zeventig: een donkergrijze Haarlemmerpoort staat in de stutten, om de ronde uitbouwen zijn stalen kabels gespannen. Het gebouw is verwaarloosd, wordt bewoond door enkele oudere echtparen en een grote hoeveelheid duiven. De poort staat letterlijk weg te rotten. Als op 26 mei 1978 de rechtervleugel wordt gekraakt, komt er een ommekeer: het gebouw staat ineens op de politieke agenda. Dat is – naast woonruimte – ook precies de bedoeling van de krakers. Wijkcentrum Gouden Reael geeft steun en ook de buurt sympathiseert met de actie. Er is inmiddels verzet tegen de plannen van de gemeente met de destijds flink onttakelde buurt. De sloop van de Haarlemmerhouttuinen was in 1971 voltooid; wat daar restte was niets dan een kale vlakte.
Frans Rein Jurrema, een van de vier krakers van het eerste uur: “Met de kraakgroep Staatsliedenbuurt hadden we het tijdstip zo gepland, dat de grote fietsdemonstratie van ‘Amsterdam fietst’ langs zou komen als we de spandoeken uitrolden. Daarmee hadden we meteen veel publiciteit te pakken. Ik was als eerste binnen. Het was een grote hal, de vloeren waren eruit op een kleine rand na waar je net kon staan. Het zwevende deel was onbewoonbaar. Tegen de politie die poolshoogte kwam nemen zeiden we: ‘Hier wonen wij’. We moesten er uit. Maar toen zij vertrokken, zijn we opnieuw naar binnen gegaan en gebleven.” Daarna begon het grote opknappen: vloeren leggen, elektra en riool aanleggen, duivenpoep verwijderen en op de enorme zolder een aantal kamers inbouwen. De gemeente was officieel de eigenaar, maar liet de daaropvolgende jaren niets van zich horen.

Lappen en spiegels
Wie waren de bewoners en gebruikers? In de linkervleugel eenhoog woonde sinds begin jaren zestig het echtpaar Schmidt, dat voor de aanleg van de IJtunnel zijn huis op Rapenburg had moeten verlaten. Op de begane grond had kunstenares Jenny Hazenberg van de gemeente een werkruimte gekregen voor Stichting Para. De hieraan verbonden kunstenaars maakten deel uit van de alternatieve scene van de jaren zeventig. Met lappen, spiegels, licht en geluid schiepen zij ‘droomruimtes en sprookjespaleizen’. Ook de onderdoorgang van de poort werd door hen onderhanden genomen. Hazenberg en haar Mexicaanse vriend Chico waren destijds bekende verschijningen: zij liepen op hoge, zilverkleurige plateauzolen en in gewaden met engelenvleugels door de stad. De krakers woonden in het rechterdeel en op de zolder van het gebouw. In hun kielzog kregen een zeefdrukkerij, het woonspreekuur Haarlemmerbuurt en het kraakpandenoverleg er eveneens onderdak. En er was een oefenruimte voor groepjes.
In 1986 blikte de dan 80-jarige Leo Schmidt nog eens terug op zijn woongeschiedenis in de poort. “Toen we naar de Haarlemmerpoort verhuisden was het de naam woning niet waard. Maar het was groot en had een authentieke sfeer. (…) Ik vond het fantastisch dat die krakers erin kwamen. Eerst woonden ze niet aan mijn kant, maar later zijn ze via het dak naar mijn vleugel gekomen. Van twee woningen hebben ze er wel acht gemaakt en gedeeld met andere krakers. Het zijn hele fijne jongens waar je goed mee kon praten.”
De Haarlemmerpoort was slechts één van de vele gekraakte panden in de stad; naar schatting telde Amsterdam in 1981 zo’n 9.000 krakers. Begin jaren tachtig begon de gemeente kraakpanden aan te kopen en zo te legaliseren om er jongeren – vaak waren dat de oorspronkelijke krakers – te huisvesten. Een financiële stimulans hiervoor was dat de landelijke HAT-regeling voor jongerenhuisvesting vanaf 1980 ook van toepassing was op kraakpanden.* In totaal kocht de gemeente 200 kraakpanden aan.

Bijzondere woonplek
De Haarlemmerpoortbewoners werden om de tafel genood met monumentenzorg en de afdeling stadsvernieuwing volkshuisvesting. Zij hadden de eerste keus welke architect de restauratie zou uitvoeren. Het werd architectenbureau Hubers en De Boer. Maarten de Boer: “Ze vroegen ons ook omdat wij de kraakwereld kenden; zelf woonde ik in een kraakpand op de Nieuwmarkt. Ik was nog echt een jonkie, de Haarlemmerpoort was mijn tweede opdracht. We zijn er gaan kijken. Mijn eerste woorden tegen de bewoners waren: ‘De nieuwe woningen worden twee keer zo klein en twee keer zo duur als nu. Gaan jullie met ons door of niet?’ Dat wilden ze, dus konden we aan de slag. Ik zocht naar een oplossing waarin zowel de oorspronkelijke als de nieuwe bewoners zich konden vinden.”
De grootste ingreep werd de verplaatsing van het trappenhuis geweest. Andere ingrepen waren de extra schietgaten op zolder – “Dat kostte nog enige moeite, de muren zijn daar 1.10 meter dik” – extra ramen voor meer daglicht en driedubbeldik geluidswerend glas. Nieuw waren ook de twee dakterrassen, voor iedereen toegankelijk. De Boer: “Het mooie is dat het gebouw van binnen helemaal symmetrisch is, terwijl de woonvormen verschillend zijn.”
Na anderhalf jaar konden de bewoners terugkeren; de feestelijke opening vondplaats op 7 december 1985. Sindsdien bevat de poort een woningwetwoning en zestien HAT-eenheden, waaronder vijf groepswoningen voor twee en een groepswoning voor vier personen. Met de restauratie ging wel de sfeer van het oude pand verloren, vindt Jurrema. De balkenconstructie en de kap zijn nog authentiek, evenals op de begane de grond de steunzuilen voor de overkapping. Maar voor wie er woont, blijven de plek en het uitzicht zonder weerga.
De poort is een bijzondere woonplek, vinden ook Gertie Jaquet, Annemarie Vollebregt en Guido Egas (bewoners sinds resp. 21, 11 en 7 jaar). “Wij voelen ons verantwoordelijk voor dit historische gebouw en zijn er echt zuinig op. We hebben zelf bij Ymere aangekaart dat er onderhoud gepleegd moet worden. Die wil het pand grondig gaan renoveren, wat inhoudt dat we er uit moeten en waarschijnlijk niet kunnen terugkeren.”
Ymere zou graag de bestemming van het pand gewijzigd zien, maar is daarvoor afhankelijk van het stadsdeel. “Met normaal onderhoud los je de problemen niet op, vandaar de renovatie. Maar het is onmogelijk de Haarlemmerpoort te renoveren tot een woongebouw dat aan alle huidige eisen voldoet. Daarvoor moet je het monumentale karakter aantasten en dat wil Ymere niet, net zomin als de gemeente en Monumentenzorg dat zouden goedkeuren”, zegt woordvoerder André Bakker van Ymere.
Het laatste woord hierover is nog niet gesproken. Weer rommelt het rond de Haarlemmerpoort, zoals dat gedurende haar hele bestaan het geval is geweest. Maar sloopplannen voor dit karakteristieke gebouw zijn gelukkig al lange tijd en voorgoed van de baan.

*HAT staat voor Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens.

Van feestelijke opening (1840) naar feestelijke opening (1985)
1840: 29 november feestelijk opening ter ere van koning Willem II; bestemming: accijnsbureau
1866: accijnsheffing wordt afgeschaft; poortfunctie verdwijnt door verplaatsing brug
1877: rechtervleugel in gebruik genomen als brandweerkazerne
1889: gemeenteraad besluit tot sloop; er wordt geen onderhoud meer gepleegd
1900: gemeenteraad besluit dat de poort behouden blijft; tot 1961 is de linkervleugel in gebruik als politiepost met twee cellen
1966: in verband met een nieuwe radiaalweg langs de spoorlijn naar Haarlem moet de poort verplaatst naar de ingang van de Haarlemmerdijk; dit roept verzet op bij oudheidkundige verenigingen en blijkt bovendien te duur
1972: diverse gebruikers, zoals politie (opslagruimte), Grondbedrijf Publieke Werken en zeven bewoners, o.a. in de bedrijfswoning; de kelder is bestemd als schuilkelder (met BB-bordje)
1975: gemeenteraad besluit tot restauratie
1976-1977: getouwtrek over de financiën; B&W besluiten tot een ‘romprestauratie’; de poort staat dan al meer dan tien jaar in de stutten
1978: rechtervleugel van de poort wordt gekraakt
1982: op de gemeentebegroting voor 1983 wordt f 68.000,- gereserveerd voor herstel
1983: de plannen zijn rond, Rijk en gemeente (Monumentenzorg) zijn akkoord; wel moet er nog extra geld gezocht
1984: restauratie (f 2,5 miljoen, anderhalf jaar)
1985: 7 december feestelijke opening

De vijfde poort in successie
De officiële naam is Willemspoort, maar de Amsterdammers noemen de poort op het Haarlemmerplein sinds jaar en dag de Haarlemmerpoort. Het huidige poortgebouw is de vijfde poort die in de loop der eeuwen aan de Haarlemse kant van de stad gebouwd werd. Bij elke stadsuitbreiding schoof hij naar het westen op.
De eerste poort verrees bij de Martelaarsgracht en werd in 1506 afgebroken. De tweede, een hoger en steviger exemplaar met vier ronde torens, stond aan het einde van de Korte Nieuwendijk en werd door de stadsmuur met de Haringpakkerstoren verbonden. In 1593 werd om de Herengracht – de toenmalige stadsgracht – een aarden wal met houden stadspoorten gelegd. Waar nu de Herenmarkt is kwam de derde Haarlemmerpoort te staan, met twee ophaalbruggen en een hamei (voorpoort). In 1612 werd hij alweer gesloopt.
In 1615 kwam op ongeveer de plek van de huidige poort de vierde Haarlemmerpoort, naar een ontwerp van Hendrick de Keyser. Het was een fraai gebouw van blauwe arduinsteen, de laatste versie met een echte verdedigingsfunctie. Aan de veldzijde werd het gebouw beschermd door twee bolwerken en de Singelgracht. De brug over de Singelgracht en de doorgang vertoonden een bocht, zodat er van buitenaf niet de stad in kon worden geschoten. In 1837 werd dit poortgebouw wegens bouwvalligheid gesloopt.
Drie jaar later verrees naast de plaats van de oude poort het huidige gebouw, naar een ontwerp van Cornelis Alewijn, destijds hoofd van Stads Publieke Werken. Het kloeke neoclassicistische gebouw bestaat uit een “corinthische zuilengang, geflankeerd door gepleisterde vleugelspoortgebouwen die opzij elk een halfronde uitbouw hebben. Het fries is rijk gedecoreerd met een aan de keizerlijke Romeinse architectuur ontleend siermotief”, aldus d’Ailly in zijn Historische Gids van Amsterdam.

Een triomfboog
Op 29 november 1840 werd de Willemspoort ingewijd, als een “arc de triomphe” voor koning Willem II, die daags zijn inhuldiging zou beleven. Het Algemeen Handelsblad van die dag bericht: “Even buiten de Haarlemmerpoort, welker opening voor deze plegtige gelegenheid was voorbehouden, en die ter herinnering daaraan den naam van Willemspoort verkregen heeft, werd Z.M. door den Heer Burgemeester en Wethouders (…) hartelijk en roerend toegesproken.” Het muziekkorps van de Amsterdamse Schutterij heft het Wilhelmus aan en er wordt een lange stoet (“trein”) gevormd. “Ternauwernood had Z.M., met den nu samengestelde trein, den Haarlemmerdijk bereikt, of van alle zijden weergalmde de lucht van het: Leve de Koning! Leve Willem II.” Hoofdpersoon van de openingsdag was duidelijk de koning en niet de nieuwe poort; onderaan het artikel vermeldt de verslaggever nog even dat die een “prachtig aanzien” bood.
Het gebouw wordt accijnskantoor en huisvest de commiezen die de stedelijke belastingen moeten innen. In 1866 verdwijnt de accijns en daarmee deze bestemming. De brug wordt dan verplaatst naar de zuidzijde, waarmee de doorgang doodloopt op de Singelgracht en de poortfunctie verdwijnt. Het gebouw komt als het ware in een uithoek te staan. Vanaf die tijd is er regelmatig sprake van plannen om de Haarlemmerpoort te slopen. Dat gebeurt uiteindelijk niet dankzij een combinatie van bestuurlijke weifelmoedigheid, geldnood en verzet van heemschutverenigingen en burgers.

Tekst: Diet Scholten.
Diet Scholten is journalist.




02_2012_Nora_Salomons
Vijftien jaar geleden werd de strijdlustige Nora Salomons geïnstalleerd als ombudsman van Amsterdam. Haar 'moedercriterium' (behandel burgers zoasl u uw moeder zou behandelen) heeft school gemaakt.
Daar gingen talloze schermutselingen met gemeentediensten aan vooraf.

De ombudsman is een begrip. In heel Nederland en zeker ook in Amsterdam. 25 jaar geleden ging de gloednieuwe Gemeentelijke Ombudsman Nora Salomons voortvarend van start. Er is veel bereikt. Al was het alleen maar omdat haar ‘moedercriterium’ school heeft gemaakt: beste bestuurders en ambtenaren, behandel burgers zoals u uw moeder zou behandelen.

“Ik wacht. / Er gebeurt niets. / Ik wacht nog steeds. / Er gebeurt nog steeds niets. / Als ik maar lang genoeg blijf wachten / Zal er een eeuwigheid niets gebeuren.” Beter dan Gerrit Komrij (Modern gedicht, 1991) kon de Amsterdamse ombudsman Nora Salomons haar houding niet verwoorden. Ze gebruikte het dan ook als motto voor haar jaarverslag over 1998. Want toen ze ruim tien jaar eerder begon als Amsterdams ombudsman was één ding van meet af aan duidelijk: afwachten kwam niet in haar woordenboek voor – zeker niet met zoveel ambtelijke weerstand tegen het nieuwe instituut. Er viel een wereld te winnen.
Nora Salomons werd in 1945 in Voorburg geboren in een Joodse, sociaaldemocratische slagersfamilie. Ze ging in Den Haag naar school, studeerde in Amsterdam Nederlands recht, werd lid van de Socialistische Jeugd en de PvdA. Voor deze partij werd zij in 1972 Tweede-Kamerlid, waar ze fractiewoordvoerder midden- en kleinbedrijf en volkshuisvesting werd, met een bijzondere belangstelling voor Amsterdamse kwesties. Bij de verkiezingen in 1986 werd ze niet herkozen. Het jaar daarop begon ze als Ombudsman in Amsterdam. Haar werkgebied zou later uitgebreid worden met de gemeenten Almere, Zaanstad en Weesp.
Het ombudsmanidee was uit Zweden overgewaaid, hoewel het ontstaan vele jaren daarvoor in Turkije moet hebben gelegen. VARA-programmamaker Tom Pauka introduceerde het in ons land in 1969 na een vakantie in Zweden. De eerste televisieombudsman was Marcel van Dam, later zouden Johan van Minnen, Hans Ouwerkerk en Frits Bom volgen. Ze besteedden hoofdzakelijk aandacht aan consumentenzaken. De ombudsman werd een begrip en ook officieel ingevoerd ter controle en correctie van de overheid. Rotterdam beet het spits af (1976), de Nationale Ombudsman volgde (1982) en in Amsterdam werd Nora Salomons vanaf 1 januari 1987 de eerste Gemeentelijke Ombudsman.
Dat was niet zonder slag of stoot gegaan. Het college van B&W had Salomons voorgedragen uit 111 sollicitanten, op nummer twee en drie stonden advocaten uit het bestuur van de Vereniging Sociale Advocatuur Amsterdam. Op 15 oktober 1986 debatteerde de gemeenteraad langdurig over de benoeming. Het Links Akkoord (een samenwerkingsverband van CPN, PSP, PPR en EVP), met woordvoerder Jeroen Saris voorop, was tegen de benoeming van Salomons: “De PvdA wordt al jaren geïdentificeerd met het bestuur in Amsterdam. Dat bestuur heeft een tegenspeler nodig. Het is de vraag of het wel juist is een politicus in die functie te benoemen.” (Nieuws van de Dag, 16-10-1986) Roel van Duyn (Groen Amsterdam) deelde deze mening. De woordvoerster van de PvdA, Guusje ter Horst, vond dat het lidmaatschap van een partij geen punt was; ze twijfelde niet aan de geschiktheid van Salomons. Uiteindelijk werd ze door 32 van de 40 aanwezige raadsleden gekozen.

Strijdlustige pionier
De gloednieuwe ombudsman ging voortvarend van start, aanvankelijk zonder kantoor, personeel, documentatie of wat dan ook. Bovendien moest ze nogal wat weerstanden overwinnen. “Absolute voorwaarde voor het functioneren als ombudsman is dat de functionaris er in slaagt het vertrouwen bij de bevolking te winnen”, had zij in haar sollicitatiebrief geschreven. Maar dat bleek bepaald niet alleen voor de bevolking te gelden. Onder ambtenaren bestond behoorlijk wat oppositie tegen het nieuwe instituut. Een aantal diensten, bijvoorbeeld de Sociale Dienst (later overgegaan in de Dienst Werk en Inkomen), deed er zelfs alles aan om de ombudsman buiten de deur te houden. Salomons verrichtte pionierswerk, maar dat was haar op het lijf geschreven. Ze was strijdlustig en een workaholic, zij het niet altijd gemakkelijk in de omgang. Je moest van goeden huize komen om haar partij te bieden. Bekend zijn de stagiaires die voortijdig het bureau verlieten, meer dan eens in tranen.
Naast huisvesting en personeel wilde Salomons de documentatie op orde hebben. Later vertelde ze hierover in Binnenlands Bestuur (17-03-1988): “Ik vroeg om een overzicht van de vigerende verordeningen. Dat bestond niet. Dat is uiterst curieus, want de burger wordt geacht de wet te kennen, maar dan moet die overheid de burger op zijn minst in staat stellen om kennis te nemen van die wet. Vervolgens heeft daar een jaar lang iemand heel hard aan gewerkt en kwam in het gemeenteblad van, ik meen 29 december 1987, een overzicht van de vigerende verordeningen.”
Een punt werd nog hoe de ombudsman moest heten: ombudsvrouw (gezien de ambtsdrager) viel af vanwege het bestaan van Stichting Ombudsvrouw; ombudsmens werd eveneens verworpen: dat zou wel eens snel ‘dat mens’ kunnen worden. Bleef over de oorspronkelijke Zweedse term ombudsman.

Moedercriterium maakt school
De taak van de Gemeentelijke Ombudsman is sinds de oprichting in grote lijnen dezelfde gebleven: hij of zij beoordeelt de manier waarop een bestuursorgaan zich gedraagt tegenover burgers. De ombudsman behandelt klachten over personen en instanties waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Die verantwoordelijkheid is in de loop der jaren wel veranderd: een aantal taken hield op gemeentelijk te zijn, bijvoorbeeld op het gebied van herhuisvesting en vervoer.
De ombudsman werkt preventief door het signaleren van structurele tekortkomingen in de dienstverlening. Hij richt zich daarom meer op bestuurders, dan op klagende burgers en behandelende ambtenaren. Daarbij worden aanbevelingen gedaan. Het instituut moet het van gezag hebben: weliswaar is de ombudsman onafhankelijk en aan geen enkel bestuursorgaan ondergeschikt, maar de aanbevelingen zijn niet afdwingbaar. De ombudsman beoordeelt of de gemeente zich al dan niet ‘behoorlijk’ heeft gedragen. Zeker in de tijd van Nora Salomons waren de normen van behoorlijkheid nog in ontwikkeling. Zo ontstond bijvoorbeeld het ‘moedercriterium’: hoe zou de betrokkene het vinden als zijn moeder zo behandeld zou zijn?
Uit het eerste jaarverslag (1987-1989) van Salomons blijkt dat zij in die eerste twee jaar 1174 klachten (verzoeken tot onderzoek), kreeg. Daarvan werden er 994 in behandeling genomen. In twee derde van de gevallen kreeg de burger geheel of gedeeltelijk gelijk, in de overige constateerde de ombudsman dat de gemeente behoorlijk had gehandeld. Waar gingen deze klachten zoal over? Het merendeel betrof het geheel uitblijven van actie (30%) of het niet beantwoorden van correspondentie (bijna 20%). Andere veelvoorkomende klachten: het gebrek aan informatie, de ontoegankelijkheid van de regelgeving en de slechte bereikbaarheid van de overheid. Het merendeel van de onderzoeken had betrekking op de huisvesting en financiële voorzieningen. Als een van de redenen van de geuite klachten noemde Salomons gebrek aan coördinatie: “De gemeente bestaat uit vele, onderling weinig afgestemde deelorganisaties, die elk hun eigen regels en procedures kennen.” En zonder die van elkaar te kennen, ben je geneigd daar achteraan te denken.

Omslag dienstverlening
Er waren verschillende diensten die de ombudsman veel werk bezorgden. Als eerste de Sociale Dienst, maar Parkeerbeheer (tot stand gekomen in 1984) behoorde er ook toe. Het leidde in 1993 tot het dringende advies aan de wethouder Verkeer om de medewerkers duidelijk te maken dat hun primaire taak lag in de bevordering van gewenst parkeergedrag en dat het aanleggen van zoveel mogelijk wielklemmen of het wegslepen van auto’s geen doel op zich was. Een derde gemeentelijke dienst waarmee Salomons nogal eens te maken had, was het Verzekeringsbedrijf, dat regelmatig claims van burgers, naar de mening van de Ombudsman onterecht, afwees.
In haar eerste jaarverslag gaf Salomons aan welke verbeteringen ze in de toekomst wenselijk achtte. In de eerste plaats vroeg ze zich af “in hoeverre het wenselijk is dat de Ombudsman blijft werken op de wijze die in dit verslag is beschreven.” Verder wilde ze “meer aandacht besteden aan overleg dat tot doel heeft om onzorgvuldig en niet behoorlijk handelen te voorkomen” en streefde ze naar “het bevorderen van de bekendheid van het instituut van de Ombudsman bij niet-Nederlandstalige stadgenoten.” Een belangrijke vernieuwing in de werkwijze van de ombudsman begon Salomons in 1998. Dat was de ontwikkeling van rapport naar interventie, van een uitgebreide rapportage naar een meer informele en praktische afdoening van de klachten – een tendens die zich sindsdien heeft voortgezet.
Terugkijkend op haar werk als ombudsman van beschouwde ze de omslag in dienstverlening als de meest opvallende verandering. Uit het jaarverslag van 2003: “Ambtenaren zijn tegenwoordig herkenbaar en – over het algemeen – beter (telefonisch) bereikbaar. Onder een brief staat een naam of tenminste een leesbare handtekening. […] Dat is een kentering!” Maar in een interview (Binnenlands Bestuur, 25-03-2005) dat ze ter gelegenheid van haar afscheid gaf, leek ze toch een beetje teleurgesteld: “De raad en de ambtenaren zien de zaken die de Ombudsman behandelt als casuïstiek. De vertaling naar structurele oorzaken wordt niet gemaakt. Ik heb in een vroeg stadium rapporten geschreven waar Amsterdam zijn voordeel mee had kunnen doen.” Ze hadden onvoldoende naar haar geluisterd.
Vijf jaar na haar vertrek overleed ze onverwacht, op 64-jarige leeftijd.

Inlevingsvermogen

In 2005 volgde Ulco van de Pol (Amsterdam, 1948) Nora Salomons op. Hij was rechter van 1986 tot 1991 en daarna onder meer werkzaam bij het College Bescherming Persoonsgegevens van 1994 tot 2005.

Wat ziet hij als de voornaamste verschillen tussen hem en zijn voorgangster? “Nora was echt gedreven vanuit een linkse politieke visie en ze werkte heel sterk vanuit het burgerperspectief. Er was natuurlijk ook meer weerstand tegen het instituut dan tegenwoordig. Ik denk dat ik strategischer te werk ga, breder, meer signalerend. We doen nu ook uit eigen beweging onderzoek. Zoals naar het functioneren van een centraal telefoonnummer waar burgers met vragen terecht kunnen of, in 2010, naar de gang van zaken bij de Amsterdamse gemeente- en stadsdeelverkiezingen.’
Krijgt hij veel klachten die hij niet in behandeling kan nemen omdat zijn bevoegdheid niet toereikend is?
“Ik verklaar me niet zo gauw onbevoegd”, reageert hij lachend. “Maar er zijn natuurlijk wel terreinen die buiten mijn bevoegdheid liggen: parkeertarieven, consumentenzaken, niet-gemeentelijke instanties als politie of woningcorporaties. De overheid is op sommige gebieden op afstand komen te staan en daarbij is onvoldoende nagedacht over de rechtsbescherming van de burger. Wat mij betreft blijft de rechtsbescherming ook intact wanneer de overheid een stap terugdoet, zoals op het terrein van de zorg, het onderwijs, het openbaar vervoer en de huisvesting.”
Zijn de Amsterdamse burgers goed bekend met het bestaan van de Gemeentelijke Ombudsman en denkt Van de Pol dat hij voldoende gehoor vindt voor zijn aanbevelingen? Afdwingen kan hij immers niets?
“Ja, ik denk dat de burger goed op de hoogte is van het fenomeen ombudsman, ook die met een niet-Nederlandse achtergrond. Het aantal klachten stijgt nog steeds: van 1234 in 2005 naar 1757 in 2010. En ook de tweede vraag kan ik bevestigend beantwoorden: vooral met de interventies zijn we zeer succesvol, het overgrote deel van de klachten wordt door middel van interventie afgedaan. Uit onderzoek bleek dat 95% van onze adviezen wordt opgevolgd door bestuur en management. Maar laat ik eerlijk zijn, dat betekent natuurlijk niet onmiddellijk dat het ook een vertaling krijgt op de werkvloer. Zo moeten we bijvoorbeeld bij de Dienst Werk en Inkomen nog altijd constateren dat er het nodige aan het inlevingsvermogen van medewerkers te verbeteren valt.”
Het aloude ‘moedercriterium’ van Nora Salomons kan zo weer van stal worden gehaald.

Recente onderzoeken en de moderne klager

In de onlangs verschenen uitgave Vijfentwintig jaar Gemeentelijke Ombudsman Amsterdam 1987-2012 worden drie voorbeelden gegeven van recente onderzoeken. De eerste gaat over een werknemer uit Zuidoost die er in 2007 achter probeert te komen waarom de maandelijkse sirene niet meer klinkt. Door tussenkomst van de ombudsman krijgt hij twee jaar later antwoord en eind 2010 doet de sirene het weer. Het tweede betreft een multiple-sclerosepatiënte die in 2006 een rolstoel aanvraagt. Ze krijgt een positieve reactie maar verhuist naar Zaandam. Daar duurt een antwoord zo lang dat ze besluit zelf een rolstoel aan te schaffen. De kosten worden niet vergoed. De vrouw overlijdt in 2007. Na onderzoek van de ombudsman worden de kosten alsnog vergoed.
Met het onderzoek (2008-2009) naar de verzakking van panden tengevolge van de aanleg van de Noord/Zuidlijn, haalt de ombudsman de landelijke pers. In zijn rapport concludeert hij dat de informatieverstrekking en communicatie door de gemeente onvoldoende en op onderdelen onjuist zijn geweest. De gemeente heeft over het geheel genomen onbehoorlijk gehandeld. De aanbevelingen over de afhandeling van de schade blijken opgevolgd: “De Ombudsman komt tot het oordeel dat de gemeente in grote lijnen op een behoorlijke wijze de gevolgen van de verzakkingen afhandelt.”

Sociale media
De klager van tegenwoordig is ook aanmerkelijk minder bescheiden dan de klager van vroeger, schrijft de sociologe Rineke van Daalen in hetzelfde jubileumboekje. De overheidsbemoeienis is veel groter geworden – “hoe meer overheid, des te meer klachten” – en we zijn alles gewoon gaan vinden: de klager van tegenwoordig staat op zijn strepen. “Het klachtenwezen is geïnstitutionaliseerd en geprofessionaliseerd.” Wel is een kentering merkbaar; sinds de jaren tachtig vindt er een inperking van de verzorgingsstaat plaats. Dat vereist een omschakeling van de burger, die voor velen lastig zal zijn, voorziet zij: “Het is te verwachten dat gevoelens van onvrede, scepsis en wantrouwen zich de komende tijd in toenemende mate zullen doen voelen.”
Om te bevestigen dat de ombudsman met zijn tijd meegaat, is ook plaats ingeruimd voor de social media. Drs. Leo Smits, (directeur van HEC ROI, een opleidings- en trainingsinstituut voor de publieke sector) komt tot de niet geheel verrassende conclusie dat sociale media (internetfora, LinkedIn, Hyves, Twitter, YouTube, Facebook, Plaxo, Yammer) “goed te gebruiken [zijn] bij het voorkomen van klachten en het afhandelen ervan.”
Maar veel zal toch blijven afhangen van al die behandelende ambtenaren. En hun ‘moedercriterium’.

Tekst: Ko van Geemert
Ko van Geemert is journalist

Delen: