Nummer 2: Februari 2009

Cover_OA_feb_2009


Prijs: €4,95 Bestel




 

Op het omslag: 'Trapjesbrug' over de Lijnbaansgracht. Tekening Martin Monnickendam, 1917.


 

- Machtig IJ krimpt

- Reuzeparel Maxima

- Cor Jaring: een zondagskind

- Vergeten schilder Monnickendam

- J.J. Viottastraat 36

- Tovenaar in staal



Hoeveel IJ houden we over?


‘Levensader’ wordt steeds smaller


Tekst: Irene Bloemink


IJToegegeven: rond het jaar 1000 was er van het eens machtige IJ al bijna niks meer over; de rivier was blubberige veenmassa geworden. Maar in de Gouden Eeuw was het weer een machtige stroom, vereeuwigd in vele ‘stadpanorama’s. Maar helaas: sinds de 17de eeuw wordt steeds meer IJwater gedempt. Zo is het wel genoeg, waarschuwen planologen.


Het IJ wordt kleiner. Bij iedere grote ontwikkeling in de stad is er ‘een hapje’ uit de rivier genomen, steeds met een andere reden. Voor de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling (ARS) aanleiding om een manifest uit te brengen. “Kijk naar de geschiedenis en maak per saldo geen land meer aan in het IJ,” zegt Rob van Leeuwen, landschapsarchitect, lid van de ARS en een van de opstellers van het manifest. Op zijn woonboot aan de Javakade legt hij uit wat er de afgelopen eeuwen met de rivier gebeurd is en wat er nog staat te gebeuren. Of: dreigt te gebeuren. Binnen vijf minuten liggen er drie grote boeken en een kaart op tafel. Het water klotst tegen de boot.


1840 - Dokken in breed IJ


“De eerste kaart laat de situatie zien van 1840”, zegt Van Leeuwen. Doordat eind 17de eeuw voor de scheepsbouw de Westelijke en Oostelijke Eilanden werden aangelegd, was het IJ al smaller dan voorheen, maar toch nog heel breed. De bereikbaarheid via het IJ was een hoofdoorzaak geweest van de bloei van Amsterdam. Maar ideaal was die route allang niet meer. Het IJ (alleen bereikbaar uit het oosten, via de Zuiderzee) dreigde dicht te slibben en de ondiepte bij Pampus was berucht. De aanleg (1824) van het lange Noordhollandsch Kanaal vanaf Den Helder bood tijdelijk soelaas, maar niet meer toen de zeilschepen werden vervangen door grote stoomschepen.


Als eerste nieuwe maatregel werden in 1834 en 1836 al de Ooster- en Westerdoksdijk aangelegd: twee strekdammen die een deel van het IJ tot dokken maakten en de hoofdstroom versmalden. Daardoor ging het water sneller stromen en werd de rivier weer dieper. Daarvan zag iedereen het nut. En het havenfront bleef gelukkig open. Wel was rond 1850 aan de noordoever al aardig wat IJwater verdwenen door de inpoldering van de Buiksloterham en de Nieuwendammerham, aan weerszijden van de smalle Volewijk.


1900 - Station sluit stad af


Maar de regering wilde veel verder gaan en zij dreef haar zin door. In het laatste kwart van de 19de eeuw veranderde er heel veel tegelijk. Allereerst werd het IJ kaarsrecht westwaarts verbonden met de Noordzee. Maar tegelijk werd het doodlopende deel van het IJ, dat vroeger heel breed was en uitliep in de Wijkermeer bij Velsen grotendeels ingepolderd. Minstens zo ingrijpend was het besluit, kort daarop, om midden in het IJ voor het Damrak een Centraal Station te bouwen (geopend in 1889). De stationseilanden en de spoorlijn sloten de stad voortaan af van het IJ. Doel was een goede aansluiting van het scheepvervoer op de spoorlijnen. Daarvoor werd ook vanaf 1874 de Oostelijke Handelskade aangelegd, om de steeds groter wordende stoomschepen te bedienen. Er kwamen moderne pakhuizen, scheepskranen en treinsporen langs het water. De kade kreeg echter last van de hoge golfslag: ter bescherming kwam er in 1884 een nieuwe strekdam in het midden van het IJ. Later werd er aan die dam meer grond aangeplempt voor de scheepsindustrie, zodat ze uitgroeide tot een heel eiland: het huidige KNSM- en Java-eiland. Het resultaat zien we op de tweede kaart, van omstreeks 1900.


De Kamer van Koophandel vond de situering van het Centraal Station overigens “eene groote dwaasheid” en pleitte voor een plek aan de zuidelijke stadsrand. De ondernemersorganisatie was bang dat de grote schepen op het IJ niet meer zou kunnen keren. En een kleine groep minnaars van het oude stadsbeeld sputterde tegen het dramatisch verlies van uitzicht. En een dikke eeuw heeft ook Rob van Leeuwen nog steeds zijn twijfels: ‘Het station blijft ook nu nog problematisch. Het deelt de stad in tweeën. De achterkant is moeilijk te ontwikkelen. Het is de schaduwkant, niet prettig voor bijvoorbeeld terrassen.”


1990 - Industrie en IJburg


Na 1900 verhuisde bovendien een groot deel van de scheepsbouw (NDSM, ADM) naar de noordoever, waar meer plek was voor grote schepen. En ook een paar grote fabrieken namen stroken IJwater in beslag, zoals de zwavelzuurfabriek van Ketjen, confectiefabriek Hollandia-Kattenburg, de Draad- en Kabelfabriek (Draka) en de Kromhout-Motorenfabriek (KMF). De NDSM zou uitgroeien tot de grootste werf van West-Europa. Twee kilometer kranen, werven en hellingen bepaalden decennialang het beeld aan de noordkant van het IJ. En het fenomeen ‘met de pont over het IJ’ raakte sinds die tijd ingeburgerd.


Maar concurrentie uit het Midden-Oosten en de oliecrisis maakten een eind aan de voorname positie en uiteindelijk verdween alle grote scheepswerven in de jaren zeventig en tachtig. De haven verplaatste zich langzamerhand verder naar het westen, langs het Noordzeekanaal, waar ook grootschalige opslag mogelijk was. Pakhuizen aan het IJ stonden steeds vaker leeg. De voormalige scheepsbouwterreinen in Noord en het Oostelijk Havengebied kwamen braak te liggen.


2010 - IJburg


Amsterdam was dringend op zoek naar ruimte voor woningen en plannenmakers ontdekten het IJ al snel, te beginnen met de zuidoever. Het Java- en KNSM-eiland en het Westerdokseiland zijn omgetoverd tot wooneilanden. Van Leeuwen: “En ook bij deze ontwikkeling is weer een stukje IJ aangeplempt, deze keer voor woningen op IJburg. Er is nu nog maar zo’n stukje over.” Van Leeuwen heeft nog geen centimeter tussen zijn duim en wijsvinger.


“Al die afzonderlijke projecten hebben in de loop der tijd een gezamenlijk effect op de rivier gehad. Het IJ is een ruimtelijke schat en het geheugen van de stad. Nu is er een punt in de geschiedenis gekomen, waarbij uitbreiding van land in het IJ niet meer kosteloos is. De ARS zegt: maak per saldo geen land meer aan in het IJ. Natuurlijk, de Silodam of het Filmmuseum, daar kun je alleen maar blij mee zijn. Maar”, zo waarschuwt hij, “mensen zien pas welke waarde zo’n weidsheid had als het al te laat is. Neem het Westerdokseiland, bijvoorbeeld, waar de hoge gebouwenwand de ruimte van het IJ nu voorgoed domineert. The Byrds zongen het zo treffend: You don’t miss your water till your well runs dry.”


2020 - Dreiging


Van Leeuwen is met name bezorgd over een aantal toekomstplannen waarover nog besluiten genomen moeten worden . “Die veronachtzamen de grootheid van het IJ. Ze laten de mogelijkheden om het IJ het centrum van de stad te maken, onbenut. De komende tijd moeten er zo’n 100.000 woningen gebouwd worden.” Hij pakt de kaart er weer bij. “Kijk, tussen Almere en Amsterdam is een spoorverbinding getekend. Het effect ervan op het IJ is zeer groot, vooral als de ruimte die door de dam afgegrensd wordt, volgebouwd wordt met woningen - en dat gaat natuurlijk gebeuren. Maar als bestuurder ben je gek als je dat nu zegt. Want dan krijg je de milieubeweging op je dak.” En inderdaad: wethouder Maarten van Poelgeest haast zich te verklaren dat een (weliswaar peperdure) verbinding onder het water zijn voorkeur heeft. Ondertussen heeft Almere aangekondigd de nieuwe wijk Pampus wellicht geheel of gedeeltelijk in het IJ te bouwen. En Van Poelgeest wil daar in ieder geval het vervolg van IJburg, vier eilanden, aanleggen.


We lopen even naar de IJ-oever. Daar ziet Van Leeuwen nog een ander potentiële dreiging: het Kompaseiland. Het is een onooglijk klein eilandje, gebruikt om kompassen van schepen te ijken. Er zijn plannen om dit eilandje verder aan te plempen voor woningen en een park. Van Leeuwen: “Dat is precies midden in de kom van het IJ. Wat dan overblijft zijn twee kanalen van gelijke breedte. Dan is het IJ als ruimte weg. De opbrengst van zo’n eiland – een paar mensen kunnen er wonen, een paar makelaars en aannemers verdienen eraan en een paar mensen picknicken er – weegt niet op tegen het ruimtelijk verlies. De ARS wil tegen de mensen zeggen: kijk nu eens naar de geschiedenis, kijk nu eens naar de plannen. En denk dan nog eens na. Neem de stad als context, niet alleen het ene project. Het IJ is er al, het is een ruimtelijk kunstwerk. Het is niet voor niets dat al die mensen met die bootjes het water op gaan. Die willen ervan genieten.”



 



 



Amsterdamse reuzeparel maakte veel mee


Kleinoden uit oesterschelp al vele eeuwen in trek


Tekst: Joosje Lakmaker


parel_1“Als sommige Paarlen ons hun geschiedenis eens konden vertellen! Wat al zonderlijke en tragische confidenties zouden ze ons kunnen doen!” schreef Henri Hagemeyer in zijn boek Paarlen en de vrouw (Amsterdam, 1900). Dat geldt zeker voor de Amsterdamse reuzeparel die onlangs bij uitzondering werd tentoongesteld. De meeste andere parels werden en worden hier maar al te graag getoond, om de nek of anderszins.


Een van de grootste, natuurlijke parels ter wereld verblijft al 140 jaar in Amsterdam. Maar bijna niemand kreeg haar te zien. Bij uitzondering werd zij (onder de speelse gelegenheidsnaam Maxima – Latijn voor ‘de grootste’) rond Kerstmis tentoongesteld in museum Naturalis in Leiden en trok zo’n 17.000 bezoekers naar de Schatkamer.


De grote parel ligt in een fijne setting van goud, lapis lazuli, lak en edelstenen, en is door haar warme glans - luster is het woord dat de kenners gebruiken - een intrigerend en bijzonder object. Maar ook eigenaardig. “Wat een gek ding”, zegt een jongetje bij de vitrine, “het lijkt wel een kies!”


Niet alleen haar grillige vorm is curieus, de reuzeparel heeft ook een bijzondere geschiedenis.


Het is een barokparel, dat wil zeggen: onregelmatig van vorm. Natuurlijke parels – zonder menselijke bemoeienis in een pareloester ontwikkeld – zijn zeldzaam. en meestal klein. De groei in de pareloester verloopt heel langzaam. Parel Maxima daarentegen, is uitzonderlijk groot en zwaar. Ze is ruim zeven centimeter hoog en weegt bijna 120 gram. Over de hele wereld zijn er maar een paar parels van deze afmeting en dit gewicht.


De oester waar de parel uit voortkomt, de Pinctada Maxima, lag waarschijnlijk op een bank in de Perzische Golf, de plek waar vrijwel alle natuurlijke parels gevonden werden. Daar in de buurt moet ze ook verhandeld zijn. Wanneer dat gebeurde en hoe oud de reuzeparel is, is niet na te gaan.


Eenvoudig doosje


De gekende historie van de barokke parel begint halverwege de 19de eeuw bij een Poolse reder, Plonsky in Danzig. Barokke parels waren populair in Polen en misschien was het een cadeautje van de reder aan zijn dochter, toen zij een schip ten doop hield. In 1862 had Plonsky waarschijnlijk geld nodig, want in dat jaar stuurde hij zijn dochter naar Rome met het kostbare juweel. De parel zat in een speciaal voor dit doel gemaakt, vuurverguld koperen doosje, met daarin een briefje: “Mme Plonsky, hotel Paris – Rome”. Zowel het doosje als het briefje zijn bewaard gebleven. Een eenvoudig doosje was overigens een veelgebruikte manier om kostbaarheden te vervoeren. Met een oude lap eromheen, zo hoopte men, zouden overvallers niet snel op het idee komen dat er dure voorwerpen in werden vervoerd.


Madame Plonsky reisde naar Rome om de parel ter verkoop aan te bieden aan Augusto Castellani (1829-1914), eigenaar van een vooraanstaand juweliershuis. Deze werkte aan de kroonjuwelen voor Victor Emanuel II, voorheen koning van Sardinië maar sinds 1861 van heel Italië. De koning had behoefte aan nieuwe kroonjuwelen nadat de vorige regalia door Franse troepen waren gestolen. De reusachtige parel uit Danzig was vermoedelijk bestemd voor de scepter van de koning, maar zover kwam het niet. Victor Emanuel kreeg al snel andere zorgen. Het waren onzekere tijden: er was oorlog met Frankrijk en Oostenrijk en bovendien had hij een fors conflict met de paus. En aan de poorten van Rome rammelden de revolutionairen van Garibaldi. Victor Emanuel had dus geld nodig voor zijn leger. Castellani verkocht in zijn opdracht de grote parel aan een Nederlandse vakbroeder die onder zijn leiding meewerkte aan de kroonjuwelen. Deze Amsterdamse edelsmid en ‘bijoutier’ Lodewijk Willem van Kooten I (1842-1900) werd haar nieuwe eigenaar. De familie Van Kooten zou de parel vier generaties lang in bezit houden.


Lodewijk Willem van Kooten ging in 1867 terug naar Nederland en zo belandde de parel in diens atelier in de Nieuwe Spiegelstraat 32. Overigens was die Spiegelbuurt toen nog geen centrum van kunst- en antiekhandel; die ontwikkeling begon pas na de voltooiing van het Rijksmuseum in 1885. In 1903 verhuisden de Van Kootens naar Kerkstraat 150, om de hoek. Het is niet duidelijk waarom de goudsmid geen bestemming heeft gegeven aan zijn juweel. De barokke parel had beslist gepast in een objet de vertu: een kunstvoorwerp dat alleen bedoeld is om neergezet te worden; een in de 19de eeuw populaire vorm van kunstnijverheid.


Tsaristisch paasei


Op de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1910 ontmoette Lodewijk Willem van Kooten II (1876-1949), goudsmid net als zijn vader Willem, zijn vermaarde collega Peter Carl Fabergé uit Sint Petersburg. Fabergé werkte onder meer voor de tsarenfamilie en was al beroemd door de kunstobjecten in de vorm van paaseieren die hij tussen 1884 en 1900 had ontworpen. Pasen is in de Russisch-orthodoxe religie een belangrijk feest. De eieren, cadeautjes voor de tsarina’s, werden - telkens naar een geheel nieuw en uniek ontwerp - gemaakt van goud, platina en bezet met edelstenen. Binnenin elk ei zat een surprise, zoals een piepklein gouden keizerlijk paleis of miniatuurportretjes van tsaar Nicolaas II en zijn twee dochters die door een druk op een grote parel uit het ei omhoog komen.


De twee edelsmeden sloten een overeenkomst, waarbij Van Kooten juwelen en kunstobjecten zou verkopen van Fabergé in Nederland en zijn koloniën. Volgens het familieverhaal bevatte de overeenkomst ook een afspraak over de grote parel. Fabergé leek de wonderlijk gevormde parel uit Amsterdam geschikt om als verrassing in een volgend paasei te stoppen. De Russische juwelier mocht Van Kootens parel meenemen om te zien of ze bruikbaar was. In goed vertrouwen, volgens de omgangsvormen in het juweliersvak. Zo reisde – wil de overlevering - ergens tussen 1910 en 1914, de parel uit Amsterdam naar Sint Petersburg. Achteraf beschouwd was het een uiterst gevaarlijk moment aan de vooravond van een opstand die zich in eerste instantie zou richten tegen de waanzinnige rijkdom van de tsarenfamilie met haar geldverslindende liefhebberijen zoals de excentrieke paaseieren van Fabergé. Van Kooten, die met stijgende ongerustheid het nieuws uit tsaristisch Rusland moet hebben gevolgd, wist de parel nog net op tijd naar Nederland terug te krijgen. In de jaren na de revolutie van 1917 zouden er vele Russische diamanten, parels en edelstenen naar het westen verdwijnen. Naar Parijs, Berlijn, Londen, in de bagage van adellijke emigranten om in hun levensonderhoud te voorzien. De parel van Van Kooten keerde ongedeerd terug naar de Amsterdamse Kerkstraat. Vijftig jaar bleef ze daar in haar doosje bewaard.


In 1979 kocht de Amsterdamse oud-reclameman en verzamelaar Herman Dommisse de reuzeparel van een nazaat van Van Kooten. Naar eigen zeggen raakte Dommisse gefascineerd door haar bizarre schoonheid én de opwindende gedachte een van de grootste parels ter wereld in zijn bezit te hebben. Hij had niet onmiddellijk de behoefte om zijn parel in het openbaar te laten zien. Toen hij haar kocht – de tijd van de grote krakersrellen – waren luxe frivoliteiten in Amsterdam niet zo bon ton. Alleen de zinspreuk Een rebelse meid is een parel in de klassenstrijd klonk wel eens.


In 1999 werd de parel voor de eerste keer in haar leven tentoongesteld, in museum Naturalis. Ze trok een groot aantal bezoekers. Ook toen trok ze heel wat bekijks.


Maagdelijke onschuld


Uiteraard zijn er in Amsterdam vele parels geweest die wel in de stad hebben kunnen schitteren. Vooral in de 16de en 19de eeuw bestond er veel belangstelling voor barokke parels, die soms ook wel als sieraad werden gedragen. Maar de meest geliefde juwelen waren de natuurlijke parels met een regelmatiger vorm. Die waren zeldzaam en dús kostbaar.


Dat is nu moeilijk voorstelbaar. Tegenwoordig struikel je over parelsieraden die sinds 1995 weer heel populair zijn. Ze zijn gecultiveerd, gekweekt, en vaak gewoon 100% namaak. Een massaproduct dat bij elke bijouterie, bij V&D, kortom overal te koop is, in iedere kleur. In de 16de eeuw daarentegen verdiende men alleen in zeer hoge kringen genoeg geld om – natuurlijke - parels te kunnen kopen. Een eeuw later, in de Gouden Eeuw, konden meer dames zich veroorloven zo’n duur sieraad te dragen. Rijke regenten hadden geld en kooplieden namen de parels soms mee van hun reizen.


Verreweg de meeste parels kwamen uit de Perzische Golf. Vanzelfsprekend hielden ook Nederlandse handelaren zich met de import van parels bezig. In de 17de eeuw had de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) een dominante positie in de handel in Ceylonese producten. De VOC was aanvankelijk op zoek naar kaneel. Maar het eiland bezat meer schatten. Voor de kust van het eiland werd op parels gevist en er was een bloeiende exporthandel ontstaan. Kaneel was belangrijk, maar olifantstanden en parels brachten veel meer op: zo’n ƒ200.000 per jaar. Wanneer er een zending parels of andere juwelen naar Nederland werd vervoerd, vertelt Lodewijk Wagenaar, conservator van het Amsterdams Historisch Museum en VOC-specialist, werd deze in speciale doosjes bewaard in de kajuit van de kapitein. Vanaf de rede van Texel waar de schepen aankwamen, reisde een spoedkoerier met de waardevolle zending naar het kantoor van de VOC in Amsterdam, in het Oost-Indisch Huis in de Oude Hoogstraat. Aan de bestuurstafel maakten de heren bestuurders van de Compagnie de doosjes met kostbaarheden open en kozen de mooiste exemplaren voor hun echtgenotes.


Op portretten uit de Gouden Eeuw zijn vrouwen met parels veelvuldig te zien. Ze werden op allerlei manieren gedragen, als versiering op kleding genaaid en als sieraad. De dames hebben vaak een enkel of dubbelsnoer parels om het hoofd, meerdere strengen parels om de arm en natuurlijk als ketting en als oorbellen. De parel stond voor allerlei betekenissen: wijsheid, liefde, deugd en tranen. Bij Het Joodse Bruidje van Rembrandt zijn de parels symbool van maagdelijke onschuld, zo wordt aangenomen.


Tegelijkertijd was het gebruikelijk dat chique dames in de zeventiende eeuw hun rijkdom op de schilderijen etaleerden door middel van parels. In het werk van de Amsterdamse schilder Jacob Backer (1608-1651), tijdgenoot van Rembrandt aan wie een expositie in het Rembrandthuis is gewijd, is dat goed te zien. Hij schilderde vooral echtgenotes van kooplieden en regenten, de toenmalige `upper class’ van de stad. De dames zijn overladen met parels.


Op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1900, behoorden parels tot de topattracties. Het waren inmiddels geen pronkjuwelen meer, maar werden het symbool van verfijnde elegantie. De internationale parelhandel beleefde ongekende prijsstijgingen. Maar dat duurde niet lang. Al droegen dames in de jaren twintig lange parelsnoeren, vanaf het begin van de economische crisis stopte de vraag naar parels. Na de Tweede Wereldoorlog hadden de gecultiveerde, namelijk onder strikt gecontroleerde omstandigheden gekweekte (zout- of zoetwater) parels het pleit gewonnen. Later raakte de Perzische Golf bovendien vervuild en de handel in natuurlijke parels heeft nauwelijks betekenis meer.


Herman Dommisse wil de grote parel nu verkopen. Hij ziet parel het liefst in een openbare collectie in de stad waar ze al zo lang verblijft en tot nu toe een sluimerend bestaan heeft geleid.


 




Cor Jaring: een zondagskind
Markante Amsterdammers
Tekst: Peter-Paul de Baar

JaringIedereen kent Cor Jaring als fotograaf, maar eigenlijk was dat niet zijn bedoeling. De jonge havenarbeider hoopte beroemd te worden als wielrenner en anders wel als kunstschilder. Dat het helemaal anders liep, is vooral te danken aan zijn vrouw Willy, een aardige legerofficier en ‘antirookmagiër’ Robert Jasper Grootveld.

Een gesprek met Cor Jaring onder vier ogen is vrijwel onmogelijk. In zijn volgestouwde studio in de Dapperbuurt heeft hij veel aanloop van vakbroeders en vrienden. Ook tijdens dit interview is de ‘publieke tribune’ – een luie stoel – bijna steeds bezet, tot gemak van Jaring, die de toehoorder geregeld vraagt effe een pilsje uit de koelkast te halen. Hij is net 72 geworden en minder actief dan vroeger, maar als hij begint te vertellen, komt er geen einde aan de rits van anekdotes. Dat spraakwater heeft hij ongetwijfeld van zijn vader. “M’n god, wat kon díe man lullen!”
Op 17 december 1936 werd Cornelis Jaring geboren op Witttenburg, de middelste van de drie Oostelijke Eilanden. Zijn vader Willem kwam ook van het eiland, uit een gezin met tien kinderen. Al die Jaringen woonden in de Eerste Wittenburgerdwarsstraat, alias het Jaring-stegie. “Mijn vader was aan zijn ene oog blind, aan het andere oog scheel. Eigenlijk wou hij bokser worden! Maar ja, als-ie van links kreeg, zag-ie dat niet ankomme. Dat hij Schele Willem werd genoemd, was geen belediging. Hij wás nu eenmaal scheel en iedereen op Wittenburg had een bijnaam.” Die handicap compenseerde Willem met een grote geldingsdrang, boerenslimheid en inventiviteit. Met allerlei handeltjes hield hij zich overeind.

Verwekt op doktersadvies
“Ik ben verwekt op doktersadvies!,” onthult Jaring. “Dat zat zo. Het waren de crisisjaren en mijn vader zat in de werkverschaffing, ergens in het zuiden. En die komt mijn moeder tegen. Bertha Akkerman, die werkte daar in de kloostertuin, in Venlo. Mijn vader deed niet aan geloof maar was smoorverliefd, dus hij trouwde met haar en ze kregen een kind: Nelissie! Net zo scheel als zijn vader! Maar iedereen híeld van dat rare, vrolijke kind! Hij werd afgelebberd door alle tantes, van die echte Amsterdamse volkswijven, met zo’n boezelaar en geweldige tieten, zich inrijgend in corsetten als ze naar de Snip-en-Snap-revue gingen.
Mijn vader had een vriend, Jan de Boer. Die had een winkeltje in de Grote Witttenburgerstraat. En die verkocht levensmiddelen, maar hij kon ook kleren voor je naaien, want hij had een naaimachine. Op een dag komt hij binnenvallen en roept: ‘Willem! Bertha! Kom mee! Ik heb een uitvinding gedaan!” Dus vader en moeder mee, Nelissie aan de hand. Die wordt op het binnenplaatsje aan het spelen gezet. Mijn ouders gaan in Jans keuken het wonder bekijken. Wat blijkt? Hij had een eenvoudige hand-naaimachine via drijfriemen aangesloten op een benzinemotor. Hij start die motor en ineens begint de naaimachine te snorrren!
M’n vader zegt plechtig: ‘Jan, dit is het ei van Columbus! We worden schathemelrijk!’ Van enthousiasme zwaait hij met zijn sigaar, de gloeiende askegel valt in de benzinetank en die vliegt in de fik! Pijlsnel pleuren de mannen die brandende tank door het keukenraam ’t plaatsie op – boven op me broertje die daar speelde. Drie dagen later was hij dood.
Twee jaar daarna roept dokter De Mooij mijn vader: ‘Willem, je moet dinsdag om 11 uur ’s op m’n spreekuur komme!’ Zegt me vader: ‘Waarom? Ik mankeer toch niks?’ Maar goed, vader gaat en de dokter zegt: ‘Willem, je vrouw is zielsziek. Het gemis van Nelissie maakt haar gek. Dus ik raad je één ding aan: niet meer voor ’t zingen de kerk uit! Neem snel een nieuw kind!’ Zo ben ik geboren. En o wonder: niet scheel!”

Huilen als bijbaan
“We woonden achter de Oosterkerk, maar omdat m’n moeder rooms was, werd ik gedoopt in de Sint Annakerk op Kattenburg. M’n peettante was juffrouw Heijkoop, het water-en-vuurvrouwtje uit de Kleine Wittenburgerstraat. Ja, die Oostelijke Eilanden, dat wás me een zootje triefel! Die Eilanders werkten bijna allemaal als zeeman, in de haven of in de scheepsbouw, maar meestal waren ze werkloos. Ze stemden massaal communistisch. Eigenlijk waren ze geen communisten, ze waren gewoon ontevreden arbeiders!”
Iedereen leefde in die tijd met elkaar mee. Jaring: “Als er een dooie was uitgedragen, kwamen al mijn tantes, die gingen die hele zooi uitsoppen, dan werd er gewit: de geest uitdrijven! Jonge, d’r waren begrafenissen. Honderden mensen brachten ‘t lijk op een kar naar de Nieuwe Ooster! Daarbij hoorde flink gehuild te worden. Tante Annie, de woekeraarster, deed het als bijbaan. Die verhuurde zich als huilvrouw, de hele nacht naast de kist zitten. Zo gauw er iemand binnenkwam, barstte ze weer los.”
Vader Jaring bouwde intussen een geweldige reputatie op als grafredenaar, maar ook voor feestredes werd hij graag ingehuurd, bij jubilea van de visclub of de klaverjasvereniging. Een zachtmoedig man wil Cor Jaring zijn vader niet noemen: “Hij was een overlever”. Nee, dan zijn mollige moeder, die was de liefheid zelve: “Zelfs de grootste tuchthuisboef vond zij een schat.” En ze vertroetelde haar nieuwe kind. “Ik zag er ook schattig uit, met blonde krullen, net een meissie.“

Uitslopen
De oorlog kwam de familie Jaring redelijk door. In de hongerwinter werden de huizen van weggevoerde joden door de buurtjeugd vakkundig uitgesloopt. “Het eerste molden we de trap naar eenhoog, voor als de bende van Kattenburg of Oostenburg kwam. Al het houtwerk ging de potkacheltjes in. Vlak na de oorlog zat de gemeente in de maag met al die krotten. Handige jongens als Maupie Caransa en mijn vader mochten ze voor een habbekrats opkopen, opknappen en verhuren. Caransa werd er groot mee; mijn vader niet. Die wou na een tijdje rust, want drie jaar na de oorlog overleed mijn moeder en ging hij nog meer drinken dan hij al deed. Een paar huisjes bleef hij verhuren, vaak aan arme kunstenaars. Prachtige mensen vond ik dat. Eigenlijk wou ik ook kunstenaar worden. Op de Parelschool merkte ik dat ik aardig kon tekenen. Die Rembrandt en die Van Gogh, die stak ik zo in mijn zak, dacht ik. Maar eerst moest ik mijn school afmaken, helaas.”
In een van zijn pandjes begon Willem Jaring op de Wittenburgergracht eerst een groentezaakje, dat tegen 1950 werd omgezet in een winkeltje in tweedehands spullen: ‘Schele Willem Koopt Alles’. Cor woonde met zijn vader achter de winkel en hielp in de zaak. Intussen kreeg hij ook zijn eigen baantjes: als veger in een magazijn en huidenklopper in de haven. Vooral dankzij de winkelinkomsten werd hij als puber een big spender: dure pakken, veel drank en sigaretten. Al bleef zijn vader hem in drankgebruik met gemak de baas. “Een chaotisch huishouden was het. Net Stiefbeen & Zoon!”
Nadat zijn vader een fietsframe had ingekocht, vond Cor – dertien jaar – een nieuwe passie: wielrennen. Dat deed hij goed. Tijdens ons gesprek leegt hij op tafel een plastic tas vol glanzende bekers, vaantjes en medailles. Twee keer werd hij begin jaren vijftig nationaal kampioen vlieggewicht. Bij de ronde van Zaandam ontmoette hij zijn Willy, veertien jaar jong. Dat wielrennen vond zde niks, maar bij hem op de stang reed ze terug naar Amsterdam en toen was het aan. Hij weet nog hoe heerlijk zij rook: naar Sunlight-zeep. Nu, na een halve eeuw huwelijk, klinkt hij nog steeds verliefd.

Kinderen en Provo’s
In militaire dienst liep Cor Jaring tegen de fotografie aan. Van een ‘slapie’ mocht hij soms een ‘boxje’ lenen; een aardige kapitein bezorgde hem een baantje als beheerder van de doka in legerplaats De Harskamp. En hij won een fotowedstrijd voor militairen. “Mijn foto’s waren spontaan, maar ook hartstikke onscherp. Maar dat was net mode, dus ze dachten dat het Kunst was!”
Eenmaal uit dienst ontmoette Jaring een jongeman die langs de huizen ging om kinderfoto’s te maken. Ze werden compagnons. In het kinderrijke Slotermeer bood hij zijn diensten aan. “Ik maakte van iedere koter meteen tien foto’s, en als ze er één kochten, zei ik nonchalant dat de andere negen versnipperd werden. Dat vonden die moeders dan ook weer zonde, en kochten de rest ook, met korting.” Zo was Jaring ineens beroepsfotograaf, maar het geld raakte snel op en dat terwijl hij zelf net vader geworden was. Dus ging hij weer in de haven werken, als walmatroos en nachtwacht. Hij maakte er unieke portretten van de ruige havenarbeiders en ze lieten hem begaan, want hij hoorde erbij. In 2002 zijn zij gebundeld in een schitterend fotoboek, mét nieuwe foto’s (nu in kleur) die Jaring maakte van de moderne havenarbeid.
Jaring verdiende niet slecht en werd een gewaardeerd rondjesgever in kunstenaarscafés als Hans en Grietje op de Spiegelgracht en Reynders op het Leidseplein. Hij kiekte er de jonge Simon Vinkenoog en Ramses Shaffy, en maakte kennis met de bevlogen glazenwasser Robert Jasper Grootveld, die zich opwierp als ‘anti-rookmagiër’. Jaring fotografeerde diens ‘happenings’ in de Korte Leidsedwarsstraat en op het Spui en ontmoette er de jongens die de Provo-beweging in het leven riepen. Daar vermaakte hij zich prima, en werd zo de Provo-fotograaf bij uitstek.
Bij de roerige bruiloft van prinses Beatrix met haar Claus (een Duitser!) kreeg de ‘subversief’ geachte Jaring geen toegang tot de Westerkerk. Des te beter: hij maakte buiten de écht spannende foto’s van de rookbommen en vertwijfelde agenten. In café Scheltema sleet hij ze aan het gerenommeerde Paris Match. Het betekende het begin van zijn internationale roem. Die groeide alleen maar toen hij ook de eerste blote vrouw in een Nederlands tv-programma fotografeerde (Phil Bloom, 1967) en John Lennon en Yoko Ono in bed in het Amsterdamse Hilton Hotel (1969).
Maar die verhalen heeft hij al zó vaak verteld dat Jaring daar nu even geen zin meer in heeft.


 




Ode aan een vergeten schilder
Stadsarchief opent tentoonstelling ´Het Amsterdam van Martin Monnickendam´
Tekst: Lisa Schonenberg

MonnickendamHet Stadsarchief toont de komende maanden Het Amsterdam van Martin Monnickendam. Ondanks zijn opvallende felgekleurde schilderijen en tekeningen is deze bij leven gevierde schilder vandaag de dag door velen vergeten. Liefhebbers hopen op een revival van Monnickendams werk en de tentoonstelling in het Stadsarchief met ruim 100 krijttekeningen en aquarellen rondom Amsterdam moet hier een eerste aanzet toe geven.

Het jaar 2009 is gebombardeerd tot het Monnickendamjaar. Niet alleen het Stadsarchief, maar ook het Rijksmuseum, het Amsterdams Historisch Museum, het Joods Historisch Museum, Stadsherstel Amsterdam en Artis besteden aandacht aan de schilder en zijn werk. Daarnaast zullen er een catalogus van 1100 bladzijden en een biografie verschijnen. De drijvende kracht achter deze promotiecampagne is de Stichting Vrienden van de schilder Martin Monnickendam, in de jaren zeventig opgericht door Ruud van Helden. De stichting stelt zich ten doel de collectie te inventariseren en te restaureren en daarnaast te promoten. Onlangs schonk Van Helden ruim 700 werken op papier aan het Stadsarchief.
“Van Helden is met deze schenking zeer realistisch”, vertelt Bert Gerlagh, conservator van het Stadsarchief. “Hij is de aanjager van de stichting en na hem zou het werk van Monnickendam weer verwaarloosd kunnen worden. Daarom is hij nu bezig alles op goede plekken onder te brengen.” Het Stadsarchief mocht zelf kiezen welke werken het wilde hebben. “Van Helden zei: ‘Kijk er maar met een hebberige blik naar’. We hebben uiteindelijk gekozen voor alle werken op papier die met Amsterdam te maken hebben.”

Stadsgezichten
Martin Monnickendam (1874-1943) maakte in zijn leven een kleine 4000 schilderijen en tekeningen, waarvan een groot deel gericht op Amsterdam, de stad waar hij zijn hele leven bleef wonen. Op de expositie zullen ruim 100 werken op papier te zien zijn, een selectie uit de in totaal ruim 800 werken die het Stadsarchief in zijn bezit heeft.
Meer dan de helft van de tentoonstelling zal bestaan uit topografische werken, zoals stadsgezichten. Populaire onderwerpen zijn verder: het huis en familie van de schilder, Artis en gebeurtenissen als de watersnoodramp in Waterland in 1916 en een rechtszaak. Monnickendam ging altijd zeer nauwgezet te werk: eerst maakte hij een schets ter plekke, dan een aquarel als voorstudie en vervolgens de tekening of het schilderij. De tentoonstelling zal bij sommige werken ook deze schetsen en voorstudies tonen.

Eigen weg, eigen stijl
Het werk van Martin Monnickendam is vol en druk, met veel beweging, een opeenstapeling van vormen, harde kleuren en sterke lichtaccenten. De schilder is kunsthistorisch moeilijk te plaatsen, omdat hij niet duidelijk tot een ‘school’ behoorde en zijn eigen weg ging. Hij werd in zijn onderwerpkeuze, compositie en kleurgebruik geïnspireerd door impressionisten en postimpressionisten als Manet, Monet en Van Gogh, maar tegelijkertijd bleef Monnickendam de regels rondom vorm- en compositieleer naleven, wat een natuurgetrouwe en gedetailleerde weergave van de zichtbare werkelijkheid betekende. Deze combinatie zorgde voor de ontwikkeling van zijn herkenbare eigen stijl.
“Monnickendam was in zijn tijd een geliefd kunstenaar en won veel prijzen voor zijn werk”, aldus Gerlagh. “In Amerika bestond destijds de opvatting dat er in Nederland twee grote schilders werkzaam waren, namelijk Jan Sluijters en Monnickendam. Terwijl Sluijters wel bekend bleef na zijn dood, raakte Monnickendam in vergetelheid. Dit komt waarschijnlijk omdat hij niet bij een bepaalde stroming is in te delen en daarom een beetje een vreemde eend in de bijt is. Ook de omstandigheden dat figuratieve kunst uit de mode raakte en dat er lange tijd geen bekendheid aan zijn werk is gegeven, hebben hier aan bijgedragen.”
Maar nu krijgt Amsterdam dan toch alle gelegenheid om kennis te maken met Martin Monnickendam. En wie weet leidt zijn herkenbare eigen stijl nu juist tot een herleving en het voortleven van zijn werk.


 




Gaaf art-deco-interieur met joodse historie
Smaakvol wonen in de Viottastraat
Tekst: Daniël Metz

ViottastraatDe recente ontdekking van een‘joods’interieur in de J.J. Viottastraat kreeg veel media-aandacht. Afgaand op die berichtgeving berustte het‘joodse’ karakter van de vondst vooral op het droeve lot van de bewoners, die in de oorlog zijn weggevoerd en omgebracht. Nieuwe ontdekkingen van de Universiteit van Amsterdam en het Joods Historisch Museum onthullen dat er meer aan de hand is. De bewoners van het pand en de ontwerper van het interieur onderhielden nauwe banden, waarbij hun beider joodse achtergrond een rol zal hebben gespeeld.

In het voorjaar van 2007 deed Alexander Westra van de opleiding Erfgoedstudies van de Universiteit van Amsterdam in het kader van het project Historische interieurs in Amsterdam een bijzondere ontdekking. Onder leiding van interieurhistorica Barbara Laan waren studenten van verschillende universiteiten op zoek naar bijzonder oude woninginterieurs, om te beginnen in Amsterdam-Zuid. Onder meer in Ons Amsterdam hadden zij een verzoek om tips gedaan. Op het adres J.J. Viottastraat 36 trof Westra een vrijwel gaaf interieur aan in Amsterdamse Schoolstijl met art-deco-elementen. De woning was sinds de jaren zestig eigendom van het bisdom Haarlem, die er theologiestudenten in huisvestte.
Ondanks de aanpassingen die daarvoor nodig waren, bleef de voorkamer in authentieke staat. En met recht: de muren zijn bekleed met stijlvolle lambriseringen van ingelegd hout met daarboven donkerpaars velours. De ramen en deuren zijn versierd met kleurrijke glas-in-loodpanelen. Het interieur, dat op zich al een pronkstuk is, heeft een meerwaarde gekregen door onze reconstructie van de geschiedenis van de joodse familie die hier woonde, tot zij in 1943 werd gedeporteerd.
Op de website van het Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland (www.joodsmonument.nl) kon eenvoudig worden achterhaald dat de woning tot de jaren veertig aan de familie Korijn toebehoorde. Dit was een gegoede familie die zich ver van de oude Jodenbuurt in het chique Amsterdam-Zuid had gevestigd.
Lodewijk Korijn kwam uit een gezin met vijftien kinderen, waarvan vijf op jonge leeftijd zijn gestorven. Zijn vader, Eduard Gerard Korijn, had de Disconto- en Effectenbank opgericht. Lodewijk nam de zaak van zijn vader over en begon later aan het Damrak een eigen effectenkantoor, dat vanaf 1930 de naam NV Bankvereniging Lodewijk Korijn droeg.
Dat de familie was begaan met architectuur kan onder andere worden afgeleid aan de opdracht die 1912 aan de nog zeer jonge Harry Elte werd verstrekt. Op Singel 342 liet zwager Isaac da Silva, echtgenoot van Louise Korijn (een zuster van Lodewijk) door hem een handelskantoor bouwen.
Hun welvaart en integratie boden echter geen bescherming tijdens de bezetting. In het begin van de oorlog zijn Lodewijk Korijn en zijn inwonende schoonvader, Abraham van den Berg, nog op natuurlijke wijze overleden. Zijn echtgenote en drie dochters zijn gedeporteerd en omgebracht in respectievelijk Bergen-Belsen, Auschwitz en Sobibor.

Nieuwe inzichten
Inmiddels is, met grote waarschijnlijkheid, de ontwerper van het interieur achterhaald. Barbara Laan heeft, verborgen aan de achterkant van een deurtje, de naam N. le Grand ontcijferd. Dit is vrijwel zeker Napoleon le Grand, een bekend ontwerper van meubels en interieurs. Die ontdekking geeft aanleiding tot veel nieuwe inzichten.
Napoleon (Nappie) le Grand werd geboren in Leeuwarden waar zijn ouders een kruidenierszaak hadden. Toen zijn vader overleed bleef de jonge weduwe met vijf kinderen achter. Napoleon moest vroeg op eigen benen staan en vertrok na de lagere school naar Amsterdam, waar hij als ‘krullenjongen’ werk vond in een meubelzaak in de Kalverstraat. In korte tijd ontwikkelde hij zich tot zelfstandig ondernemer met een atelier waar in opdracht luxe meubels werden vervaardigd. Hij opende twee modelhuizen op de Keizersgracht 732 en 734. Zelf woonde hij op nummer 730. Inmiddels was hij getrouwd met Abigael Veronika Pinkhof, dochter van de Haagse tandarts en kunstverzamelaar Simon Pinkhof. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Henri, Betsy en Simon Herman. Beide zoons kregen een gedegen opleiding in het atelier van hun vader.
Le Grand presenteerde zich graag als interieuradviseur van koningin Wilhelmina. Zij had samen met haar moeder, Emma, de modelhuizen bezocht. Naar aanleiding daarvan werd Le Grand opgedragen de kinderkamer van prinses Juliana te ontwerpen.
De goede naam die deze ontwerper had bij het koningshuis blijkt ook uit een bezoek dat koningin Wilhelmina in 1924 bracht aan de Grote Synagoge in Amsterdam. Le Grand, die al eerder een verbouwing van het interieur had verzorgd, werd nu gevraagd om de feestelijke aankleding voor het hoge bezoek te verzorgen.
Volgens de familieoverlevering heeft Napoleon le Grand ook meegewerkt aan de inrichting van de Stadsschouwburg en heeft hij het interieur van de Groote Club op de Dam verzorgd. In deze chique herenclub werden joden als lid niet toegelaten. Voor Le Grand werd een uitzondering gemaakt – een aanbod dat hij heeft afgeslagen.
In de jaren twintig zal het contact tussen Napoleon le Grand en Lodewijk Korijn zijn gelegd - hoe precies is nog onduidelijk. Aangezien Lodewijk Korijn in 1923 de woning in de J.J. Viottastraat betrok, moet hij wel de opdrachtgever zijn geweest voor het interieurontwerp. Dat de relatie tussen de twee families verder voerde dan een enkele zakelijke opdracht, blijkt uit de levensloop van Henri le Grand.

De Etam-formule
Beide zoons, Henri en Simon Herman le Grand, traden in de voetsporen van hun vader. Henri le Grand ontwikkelde zich tot architect en werkte in de jaren 1925-1930 samen met de architect W.Th.H. ten Bosch. De opdrachten waaraan zij gezamenlijk werkten waren veelal verbouwingen van winkels, waarbij opvalt dat een groot aantal van joodse eigenaren was. Onder de opdrachtgevers vinden we namen als: Lehmann, Salomon en Goudsmit. Maar ook de katholieke schoenenfirma Huf, waarvoor zij zes winkels ontwierpen. De belangrijkste opdrachtgever na de samenwerking met Ten Bosch was Etam, een winkelketen in kousen en lingerie. Le Grand ontwierp tussen 1935 en 1939 maar liefst negen winkels voor Etam in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem en Groningen.
Etam-Nederland stond onder leiding van Julius Korijn, een broer van de bankier Lodewijk Korijn. Hij had de Nederlandse rechten verworven van de Duitse oprichter van het Etam-concern, Max Lindemann. In 1916 had Lindemann in Saksen een goed lopende kousenfabriek, Etablissement Mayer. Onder het adagium “Van fabriek aan publiek!” besloot hij zelf winkels te openen waarin zijn eigen kousen voor een concurrerende prijs werden aangeboden. De winkels kregen de naam Etam, afgeleid van ETAblissement Mayer. Tevens zou de naam verwijzen van naar de stof Etamine, dat werd gebruikt voor de productie van onderkleding.
De formule was in Duitsland een groot succes. Reeds na enkele jaren besloot Lindemann uit te breiden naar het buitenland. In verschillende landen werd één partner gezocht die de rechten op de Etam-formule zou krijgen. Na Engeland, België en Argentinië volgde Nederland in 1923. Julius Korijn viel de eer te beurt om de merknaam en de producten van Etam in Nederland uit te dragen. Het eerste filiaal werd geopend in de Leidsestraat 97 in Amsterdam, gevolgd door het ‘hoofdkantoor’ Kalverstraat 130. Om beter aan de behoeften van de klanten te kunnen voldoen startte Korijn een eigen confectie-atelier bij Van Straten & Boon in Den Haag.
Met de bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog eindigde (voorlopig) de werkrelatie tussen de twee families. Het lot van Lodewijk Korijn en zijn gezin is hierboven al gemeld. Met de rest van de familie verliep het niet veel beter. Het Etam-bedrijf werd in 1941 onder toezicht gesteld van een Verwalter (waarnemer). Julius en zijn zoon Eduard werden ontslagen uit hun eigen onderneming. Door de schaarste aan grondstoffen moesten de winkels één voor één sluiten, tot er niets meer over was. Het gezin van Julius Korijn is gedeporteerd en alleen Eduard heeft de verschrikkingen overleefd. Vanuit het voormalige hoofdkantoor aan de Kalverstraat bouwde hij het concern weer op tot een bloeiend bedrijf. In de jaren ’70 is de naam gewijzigd in Miss Etam, om een jonger publiek aan te spreken. Miss Etam is nog altijd een begrip in iedere grote winkelstraat.

H. Le Grand & A.S. Polak
Ook Henri le Grand heeft het virulente antisemitisme van het nazisme doorstaan. Op een immigratielijst van Genève uit de oorlogstijd staat zijn naam als één van de gelukkigen die via smokkelroutes veilig Zwitserland hebben kunnen bereiken. Terug in Nederland heeft hij zich als architect geassocieerd met Abraham Samuel Polak. Dit duo heeft in de jaren ’50 nog vier winkels voor Etam ontworpen in Amsterdam, Den Haag, Arnhem en Hilversum. Later heeft Henri le Grand samengewerkt met Paul Selle. Le Grand is in 1989 overleden.
Tot slot nog een verrassende ontdekking met betrekking tot Henri’s broer, Simon Herman le Grand. Over hem is weinig bekend, al heeft hij, net als Henri in de jaren ’50 nog als architect gewerkt. Op de gemeentelijsten van Amsterdam (lijsten met de namen van alle Joodse inwoners) die op last van de bezetter in 1941 zijn opgesteld, staat Simon Herman le Grand samen met zijn moeder Abigael Veronika le Grand-Pinkhof ingeschreven op het adres J.J. Viottastraat 22-huis. Is dit toeval, of is het nog een bewijs van een hechte relatie tussen de families Korijn en Le Grand?


 




Tovenaar in beton en staal
Tekst: Sjaak Priester

Openluchtschool_DuikerVan architect Jan Duiker staan nog maar twee gebouwen in Amsterdam. Allebei schopten ze het tot rijksmonument: de Openluchtschool in Zuid en Cineac in de Reguliersbreestraat. Ze zijn het summum van heldere en transparante ontwerpen. Hoogtepunten van het Nieuwe Bouwen. Duiker werd er in Nederland wereldberoemd mee.

Na de Haagse hbs twijfelde Jan Duiker (1890-1935) ernstig tussen het conservatorium, vanwege zijn liefde voor de piano, en de opleiding bouwkunde in Delft. Het werd – gelukkig – die laatste. Al in zijn eerste jaar, in 1908, ontmoette hij Bernard Bijvoet (1889-1979), met wie hij de rest van zijn leven bevriend zou blijven. De twee studeerden netjes binnen de gestelde termijn af. Daarna konden ze onmiddellijk aan de slag bij hun hoogleraar Henri Evers, die de opdracht voor het Rotterdamse stadhuis had binnengehaald. Na dat project gingen Duiker en Bijvoet in 1916 samen verder. Ze richtten hun eigen architectuurbureau op in Den Haag, later in Zandvoort. Hun eerste opdracht was een serie bejaardenwoningen in
Alkmaar.
Twee jaar later wonnen de jonge architecten een prijsvraag voor een nieuwe Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam - die was gepland op de
kruising Apollolaan en Minervalaan. Hun ontwerp, gekozen uit 114 inzendingen, was gedurfd en sterk beïnvloed door Berlage en Frank Lloyd Wright: grote rechthoeken met horizontale en verticale accenten, zonder ornamenten. Maar het gebouw is er nooit gekomen. Het ontbrak de jonge honden aan voldoende ervaring om zo'n groot project daadwerkelijk uit te voeren.
Maar een doorbraak betekende die Rijksacademie wel. Ondanks de feitelijke
mislukking was het duo op slag wereldberoemd in bouwkundig Nederland. Tegenstanders hadden ze ook. Die vonden de ontwerpen van Duiker en Bijvoet te kil en technocratisch. De 'zwijgende ingenieurs' werden ze vaak genoemd, omdat ze zich afzijdig hielden van het levendige architectuurdebat in die dagen. Nu worden de twee vooral gezien als voortrekkers van het Nieuwe Bouwen. Ze waren de eersten die in Nederland een betonskelet toepasten zodat de muren geen draagfunctie meer hadden.

Pioniers in hoogbouw
Via Berlage kregen Duiker en Bijvoet in 1920 een opdracht die uiteindelijk tot een van de belangrijkste gebouwen van de 20ste eeuw zou leiden: het sanatorium Zonnestraal bij Hilversum. Opdrachtgever was het tuberculosebestrijdingsfonds van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond. Het pand kwam tot stand na de nodige strubbelingen. De architecten waren teruggestuurd naar de tekentafel om hun al te ambitieuze plannen aan de nieuwe realiteit (de wereldwijde crisis) aan te passen. Het vermaarde uiteindelijke ontwerp, dat volkomen verschilt van hun eerste voorstel, is uit 1926. Toen er al een einde was gekomen aan de samenwerking tussen Duiker en Bijvoet. Inmiddels is het pand ingrijpend gerestaureerd, kreeg het de status van rijksmonument en is het voorgedragen voor de Werelderfgoedlijst.
1925 was voor Duiker een turbulent jaar. Er kwam een einde aan zijn eerste huwelijk met Hermina Valken, waaruit een zoon en een dochter waren geboren. Na de scheiding trouwde hij opnieuw: met zijn Zandvoortse buurvrouw Lucie Küpper, die twee kinderen uit een eerder huwelijk meenam. Het gezin vestigde zich in Amsterdam. Ondertussen zegde Bernard Bijvoet de samenwerking op. Hij verkaste naar Parijs, waar hij veel succes had. Ruzie hadden Duiker en Bijvoet niet. Het Zandvoortse architectenbureau werd louter om zakelijke redenen opgeheven. De twee zouden hun hele leven bevriend blijven en elkaar raadplegen. Bijvoet zou ook Duikers ontwerp voor Hotel Gooiland in Hilversum na diens veel te vroege overlijden aan kaakkanker in 1935 voltooien.
Het architectenbureau dat Duiker in zijn eentje voortzette, had eind jaren twintig het economisch tij niet mee. Duiker werkte thuis, waar het inkomen werd aangevuld door kamers te verhuren. De rol van Bijvoet werd deels overgenomen door Jan Wiebenga (1886-1974), een specialist die de overigens in technische kwesties zeer vindingrijke Duiker kon helpen met de moeilijke betonberekeningen die de ijle en transparante ontwerpen met zich meebrachten.
Ze pionierden met hoogbouw. De zeven verdiepingen tellende Nirwana-flat in Den Haag (uit 1930 en nu rijksmonument) wordt beschouwd als het eerste voorbeeld van hoogbouw in Nederland. Aanvankelijk bestond het plan uit vijf flats die ook nog eens drie keer zo hoog waren. Duiker en Wiebenga maakten ook een schetsontwerp voor tien 'arbeidersflats' van twaalf etages in Amsterdam-Zuid, maar dat kwam niet verder dan de tekentafel. De samenwerking – tot een echt compagnonschap kwam het niet – duurde maar enkele jaren en spatte met ruzie uiteen. Wiebenga vond dat Duiker te makkelijk meeging met de eisen van de opdrachtgevers.

Avantgardistisch
Ondanks de tegenslagen die Duiker kreeg, werd 1930 het hoogtepunt uit zijn carrière. In dat jaar werd de Openluchtschool voor het Gezonde Kind in de Cliostraat in Amsterdam-Zuid opgeleverd. Tegenwoordig ziet iedereen het heldere bouwwerk als een meesterwerk en het summum van het Nieuwe Bouwen. Het rijksmonument (sinds 1989) kwam wel op een vreemde plaatst terecht. Enigszins uit het zicht tussen woningen. De schoonheidscommissie verbande het pand daarheen omdat ze vond dat het 'avantgardistische glaspaleis' te veel botste met de Amsterdamse Schoolstijl in de buurt.
Openluchtscholen waren eigenlijk bedoeld voor ziekelijke kinderen. In Amsterdam stonden er twee. Aan de Frederikstraat bij het Vondelpark en aan het Oosterpark. Het idee dat ook 'het gezonde kind' baat zou hebben bij zo veel mogelijk zon en buitenlucht ontstond bij een groep welvarende burgers in Oud-Zuid. Nog altijd is het een particuliere school en hoort het bij het bijzondere neutrale onderwijs.
Een paar keren werd de Openluchtschool op een niet geheel verantwoorde manier verbouwd - in 1955 en 1986. Halverwege de jaren negentig volgde een gedeeltelijke terugrestauratie die jaren voortsleepte wegens een ruzie met de aannemer. In november vorig jaar won de school maar liefst een miljoen euro in het tv-programma Restauratie van de Avro. Daarmee is een nieuwe opknapbeurt mogelijk.
Na de Openluchtschool trad de 'zwijgende ingenieur' vaker in de openbaarheid. Duiker begon regelmatig te publiceren over architectuur en samenleving, waarbij hij in tegenstelling tot de meeste van zijn generatiegenoten eerder liberale dan socialistische sympathieën omhelsde. In 1932 werd hij zelfs voorzitter van de Amsterdamse beweging 'De 8', die een wetenschappelijk georiënteerde, waardevrije en doelmatige architectuur voorstond. Op zijn visitekaartje noemde hij zichzelf nadrukkelijk geen architect maar 'bouwkundig ingenieur'. Hij streefde naar zo mooi mogelijk met zo weinig mogelijk middelen.
Het tweede gebouw van Duiker dat nog in Amsterdam staat, de 'nieuwsberichtenbioscoop' Cineac Handelsblad in de Reguliersbreestraat uit 1933, is bijna even belangrijk. Voor het eerst gebruikte hij geen beton- maar een staalskelet, waardoor de draagconstructie nog lichter kon worden. Hij moest dat wel doen omdat hij op de bestaande fundering moest bouwen. De op dat moment lage staalprijs hielp ook een handje.
Cineac was een tak van het Franse bedrijf Pathé; de bioscoop in de Reguliersbreestraat was de eerste vestiging in Nederland. De hele dag draaiden er doorlopende Polygoon-journaals. Vandaar dat het uiterlijk veel meer snelheid en moderniteit uitstraalde dan het ertegenover gelegen Tuschinski. De projectoren waren van buitenaf zichtbaar in een glazen cabine boven de ingang. Het pand is ook bijzonder door de creatieve manier waarop Duiker gebruik maakte van het kleine en ongelukkige gevormde perceel. Publiek stond in de rij onder een luifel in de Regulierssteeg, kocht een kaartje bij de verrijdbare kassa en werd via verkeerslichten de zaal met parabooldak (vanwege de akoestiek) binnengeloodst.

Riksbioscoop
Cineac Handelsblad bleef als nieuwsbioscoop in gebruik tot aan de komst van de
televisie in de jaren zestig. Daarna raakte het in verval. Door de bijzondere ophanging van de stalen gevelplaten was het moeilijk te onderhouden - een foutje van Duiker, eigenlijk. In 1980 werd het karakteristieke 'wasrek' voor lichtreclame weggehaald en degradeerde het theater tot 'riksbioscoop' voor oudere films.
Begin jaren negentig werd het exterieur op de rijksmonumentenlijst gezet en gerestaureerd onder leiding van Cees Dam. Hij herstelde het wasrek in ere en bracht de oorspronkelijke kleuren terug. Rembrandtplein-tycoon Maup Caransa kocht Cineac van MGM onder het beding dat het nooit meer een bioscoop zou worden. Vervolgens verpachtte hij het aan Planet Hollywood die er een themarestaurant begon. Architectuurminnend Amsterdam hield even gespannen de adem in, maar toen de Amerikaanse acteur Bruce Willis, een van de eigenaren, het Amsterdamse filiaal opende, bleek het best een aardig geheel. Al was het contrast tussen de strenge buitenkant en het mondaine Hollywood-interieur tamelijk bizar.
Lang duurde het Planet Hollywood-avontuur niet - het eten sloeg nergens op en was peperduur - en Cineac kwam weer leeg te staan. Daarna kraakte een groep kunstenaars het enige tijd. In 2003 kwam Cineac in handen van de organisator van grote dancefeesten ID&T en werd het een loungeruimte. De laatste die poogde er iets van te maken was DJ Tiësto. Hij opende er in juni 2007 samen met twee anderen een trendy nachtclub. Maar ook dit was geen lang leven beschoren. Anno nu is Cineac tijdelijk bewoond. In afwachting van een nieuwe bestemming die recht doet aan dit markante gebouw.


Delen: