Nummer 2: Februari 2003

022003_Cover





Op het omslag: Het Jonas Daniël Meijerplein in 1782 (toen het nog Deventer Houtmarkt heette) met links de Hoogduitse synagoge (nu Joods Historisch Museum). De tekening is van H.P. Schouten. [c]Gemeentearchief

- Tussen kerk en synagogen
- De stallen van Zeeburg
- De grootouders van Wim Polak
- Metselen met zilverwerk
- De postzegelmarkt op de Nieuwezijde







Tussen kerk en synagoge



Het ontstaan van het Mr. Visserplein


Tekst: Liesbeth van der Horst


022003_VisserpleinWaar vanaf de 17de eeuw het levendige centrum van de jodenbuurt ontstond, plande het gemeentebestuur in de jaren vijftig van de 20ste eeuw een groot verkeersknooppunt: het Mr. Visserplein. Hele bouwblokken werden ervoor gesloopt. Over pakweg 5 jaar gaat het plein opnieuw op de schop. Tot die tijd mogen kinderen zich hier in de voetgangersonderdoorgang uitleven in kinderspeelplaats Tun Fun, dat deze maand zijn deuren opent.



De onaantrekkelijkste plek van Amsterdam is misschien wel het Mr. Visserplein. Eigenlijk is het geen plein, maar een verkeersknooppunt; een onoverzichtelijke wirwar van auto’s, trams en fietsen, ontstaan door een verkeersplan: plan 5, dat op 22 januari 1953 door de gemeenteraad werd aangenomen. Dit ambitieuze plan paste in de jaren van de wederopbouw. Het tijdens de oorlog gebombardeerde Rotterdam werd in die tijd ingrijpend vernieuwd en maakte een grote economische bloei door. Amsterdam dreigde een achtergebleven openluchtmuseum te worden. Dat wilde de gemeente voorkomen. Ook Amsterdam moest grootschalige, moderne nieuwbouw krijgen in nieuwe stadsdelen in Noord en de Bijlmermeer. Daarbij hoorde natuurlijk een netwerk van moderne verkeerswegen: de metro, de IJtunnel, de Coentunnel en de Schellingwouderbrug.


Om de toevoer van het verkeer naar de IJtunnel mogelijk te maken werd drastisch ingegrepen in de tijdens de oorlog door leegstand vervallen joodse wijk. De bebouwing langs beide zijden van de Weesperstraat werd gesloopt zodat er een brede verkeersweg ontstond. Voor de directe toegangsweg de tunnel in werden de oostzijde van de Foeliestraat en de Valkenburgerstraat gesloopt en de Markengracht gedempt. Aan het eind van de twee wegen verdwenen tussen de Houtkopersburgwal en de Jodenbreestraat tientallen huizen en winkels, aan de oostkant van de Mozes- en Aäronkerk ging de aangrenzende bebouwing tegen de grond en het ernaast gelegen politiebureau en het anatomisch-fysiologisch laboratorium verdwenen eveneens (zie de plattegrond uit 1956). Bij deze grootscheepse sloopactie verdwenen ook de omliggende straten: de Lazarussteeg met in het verlengde ervan de Markensteeg, een deel van de Rapenburgerstraat en het Markenplein. De vlakte die hier ontstond werd gebruikt voor een verkeerstunnel en een voetgangersonderdoorgang, met daarboven een tramhalte van lijn 9 op een overbrugging. Dit nieuwe verkeersknooppunt kreeg de naam Mr. L.E. Visserplein, naar de joodse president van de Hoge Raad die tijdens de bezetting fel protesteerde tegen de anti-joodse maatregelen. (Hij stierf een natuurlijke dood in februari 1942.) De autotunnel werd in juni 1969 volledig in gebruik genomen, de onderdoorgang voor voetgangers in oktober 1970.


De later verguisde ingreep, stuitte destijds nauwelijks op kritiek. Het moderne plein vervulde veel Amsterdammers met trots. Het Algemeen Handelsblad schreef dat er vanwege de toenemende intensiteit van het verkeer in de toekomst vele van zulke voetgangersonderdoorgangen in de stad zouden verschijnen. “Bij het ontwerpen is een pleinvormige ondergrondse ruimte ontstaan, verfraaid met plastieken e.d., die door de jeugd ook kan worden gebruikt voor ludieke doeleinden. Bij deze fraaie inrichting heeft ook de politie inspraak gehad. (...) Het is voor de eerste keer in Amsterdam, dat hier een kunstwerk is gemaakt, waarbij op deze grote schaal voetgangers- en rijverkeer met elkaar zijn verweven zijn.” Ons Amsterdam schreef in mei 1968: “In de directe nabijheid treffen wij hier aan de Portugees-Israëlitische Synagoge, het complex van de Nederlands-Israëlitische Synagoges, de Mozes en Aäronkerk en de Academie van Bouwkunst. De aanwezigheid van deze gebouwen is in belangrijke mate bepalend geweest voor de wijze van uitvoering van de auto-onderdoorgang.”


Bij de graafwerkzaamheden voor de tunnels kwamen enkele archeologische vondsten te voorschijn, die afkomstig bleken uit het middeleeuwse Leprozenhuis.


Leprozen en scheepswerven


Precies op de plaats van het huidige Mr. Visserplein werd, waarschijnlijk in 1402, het Leprozenhuis of Sint Antoniesgasthuis gebouwd, een van de oudste zorginstellingen van Amsterdam. Het lag destijds, vanwege de besmettelijkheid van lepra (ofwel melaatsheid) buiten de stad, aan de Sint Antoniesdijk die liep van de Sint Antoniespoort (nu de Waag) naar Muiden. Een maal per jaar, op koppermaandag, de maandag na Driekoningen, mochten de melaatsen de stad in om de huizen langs te gaan voor aalmoezen. De dag groeide uit tot een volksfeest, dat zo uit de hand liep dat de jaarlijkse rondgang in 1604 werd verboden.


In de 16de eeuw werden bij het Leprozenhuis de eilanden Marken, Uilenburg en Rapenburg aangelegd waar scheepswerven werden gevestigd. Door de stadsuitbreiding van 1593 kwam het Leprozenhuis binnen de stad te liggen. Het gebouw werd nu ommuurd om de patiënten van de buitenwereld te isoleren. De ziekte kwam toen echter al niet meer zo heel veel voor en verdween op den duur helemaal. Er werden voortaan zwakzinnigen in het Leprozenhuis ondergebracht en later proveniers, mensen die door storting van een som geld het recht op levenslange verzorging hadden gekocht. De scheepswerven werden in het midden van de 17de eeuw verplaatst naar de nieuwe eilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg en rondom het Leprozenhuis ontstond een buurt met woonhuizen en kleine bedrijfjes, waar vooral veel gevluchte joden zich vestigden. De Hoogduitse joden lieten er vlakbij een grote synagoge bouwen in 1670, de Portugese joden in 1675. Voor het Leprozenhuis raakte de joodse benaming Lazarushuis in zwang.


De ‘Jodenhoek’ rondom het huidige Mr. Visserplein was een dichtbevolkte buurt. Veel joden – die tot de gelijkberechting in 1796 waren uitgesloten van de in gilden georganiseerde beroepen – bedreven er straathandel. Door de economische stagnatie in de loop van de 18de eeuw verpauperde de buurt. De eerste grote saneringen werden doorgevoerd in de tweede helft van de 19de eeuw. De gemeente nam het vervallen Leprozenhuis over door de meeste proveniers af te kopen met een levenslange uitkering van ƒ 650 per jaar. Op 27 januari 1865 werd een plan van stadsarchitect B. de Greef goedgekeurd om het complex te vervangen door een politiebureau, een armenschool en het anatomisch-fysiologisch laboratorium van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. De uitvoering van het plan werd vertraagd door twee proveniersters die hardnekkig weigerden te vertrekken. Maar uiteindelijk overleed de een en zwichtte de ander voor een afkoopsom van ƒ 20 per week. Het politiebureau en de armenschool werden in 1868 in gebruik genomen, het laboratorium in 1869. De armenschool zou van 1921 tot 1930 dienst doen als doofstommenschool en werd daarna bij het laboratorium gevoegd.


Na de sloop van het middeleeuwse Leprozenhuis in 1868 bleef alleen het poortje naar de binnenplaats behouden. Het werd de toegang tot de binnenplaats van de armenschool. Het poortje werd honderd jaar later, bij sloop van het bouwblok voor de aanleg van het Mr. Visserplein, opgeslagen en in 1976 heropgebouwd in het nieuwbouwblok bij de Sint Antoniesluis, een paar honderd meter van de oorspronkelijke plek. Het biedt er nu toegang tot de binnenplaats van het De Pintohuis in de Sint Antoniebreestraat. Dit ‘Leprozenpoortje’ is hoogstwaarschijnlijk gebouwd door Hendrick de Keyser bij een vernieuwing van het Leprozenhuis in 1609. In het fronton staan naast het wapen van Amsterdam een reliëf van een melaatse man en vrouw met de kleppers waarmee zij vanwege het besmettingsgevaar hun nabijheid bekend moesten maken.


Alles wordt hier tweemaal zo breed en tweemaal zo hoog


De saneringen uit de 19de en begin 20ste eeuw veranderden het typische joodse karakter van de wijk niet, al verminderde de woonfunctie van de buurt door de vestiging van diamantbewerkers. Na de demping van de Houtgracht en de haaks daarop gelegen Leprozengracht in 1882 ontstond het Waterlooplein, waar de markt zich concentreerde. Ook in de Lazarussteeg, de Markensteeg en op het Markenplein – die verdwenen door de aanleg van het Mr. Visserplein – bleven kraampjes staan waar vis, zuurwaren, fruit, textiel en vooral gebruikte goederen werden verkocht. Het was een levendige buurt waar veel Amsterdammers inkopen gingen doen. De Tweede Wereldoorlog maakte hieraan een einde. De joodse bevolking werd gedeporteerd. Tijdens de hongerwinter in 1944-1945 werd het hout uit de leegstaande huizen gesloopt voor in de kachel en het fornuis. Veel bouwvallige huizen werden kort na de oorlog afgebroken.


Al in 1931 had de gemeente plannen gemaakt om de straten tussen de Nieuwmarktbuurt, de Weesperbuurt en de Plantage te verbreden vanwege het toenemende gemotoriseerde verkeer. De plannen, die door de crisis en de oorlog waren blijven liggen, kregen na de oorlog een nieuwe vorm. Het kaalgeslagen, vervallen stuk stad werd gekozen als locatie voor het IJtunneltracé. De Tijd schreef op 21 november 1960 over de oude Jodenbuurt: “Nu de bewoners zijn verdwenen en het leven is geweken, blijkt het decor volkomen uit de tijd. Daarom gaat nergens in Amsterdam de slopershamer heviger worden dan in deze buurt. (...) Alles in de nieuwe Jodenbuurt wordt tweemaal zo breed en tweemaal zo hoog, behalve de schaarse gebouwen die hun plaats zullen behouden: de oude synagoges en de Mozes en Aäron.” Het oorspronkelijke stratenpatroon verdween. De 17de-eeuwse synagogegebouwen kwamen te liggen aan een stuk autosnelweg.


Het verkeersplein dat was aangelegd als een model voor de toekomst, bleek in de praktijk al snel minder ideaal dan verwacht. Al in 1973 werd geconstateerd dat er onvoldoende rekening was gehouden met fietsers en bromfietsers en omdat de voetgangers hardnekkig bovengronds bleven oversteken, werden de oversteekplaatsen gehandhaafd. In de tweede helft van de jaren zeventig kwam er toenemende kritiek op ingrijpende saneringen in de stad. Het Mr. Visserplein werd eerder een bron van ergernis en problemen dan van trots. De onderdoorgang voor de voetgangers raakte vervuild en werd een ontmoetingspunt voor junks en helers aan de rand van de Waterloopleinmarkt, die vanwege de bouw van het stadhuis van 1975 tot 1988 tijdelijk aan de Rapenburgerstraat was gevestigd. Het Amsterdams Stadsblad schreef op 5 januari 1983: “Ondanks het drukke verkeer dat voortdurend rond de tramhalte cirkelt, waagt menigeen zich liever tussen de auto’s dan in de donkere spelonk.” Voor de verkeersveiligheid werd de tramhalte verplaatst. De voetgangerstunnel werd hierdoor nog naargeestiger. De tunnel werd afgesloten met een hek en in 1985 dichtgemetseld.


Een ondergrondse kinderspeelplaats


Vanaf de jaren tachtig zijn de opvattingen over de stadsvernieuwing veranderd. De nadruk is komen te liggen op de woonfunctie van het centrum; nieuwbouw wordt geïntegreerd in de oude bebouwing. Doorgaand verkeer door het centrum wordt zoveel mogelijk vermeden. In 1992 spreekt de Amsterdamse bevolking zich in een referendum uit voor een autoluwe binnenstad. Vermindering van het autoverkeer wordt mogelijk door de aanleg van de ringweg. De zogenaamde Wibautas - de grote verkeersweg van het Amstelstation tot de IJtunnel - verliest hierdoor zijn functie voor het doorgaande verkeer. Er kunnen nu plannen worden gemaakt om de ‘gaten’ in de stadsbebouwing weer te dichten en het verkeer terug te dringen. Maar er blijven complicaties.


Het plan om de rotonde op het Mr. Visserplein te veranderen in een dubbele T-kruising wordt uitgesteld vanwege bezwaren vanuit het bedrijfsleven. De binnenstad zou hierdoor – zolang de Noord/Zuidlijn niet gereed is – onvoldoende bereikbaar zijn. De Wet Geluidshinder maakt de combinatie van woningbouw en doorgaand verkeer moeilijk verenigbaar. Er worden daarom plannen gemaakt voor een lange tunnel vanaf Noord tot aan het Jonas Daniël Meijerplein of zelfs het Weesperplein. Het hele gebied rondom het Mr. Visserplein zou dan bovengronds weer kunnen worden bebouwd. Maar de uitvoering van dit plan blijkt veel te duur. Ook het plan om de tunnels van het Mr. Visserplein op te vullen met zand en te bebouwen verdwijnt weer van tafel. Er wordt jarenlang gepraat; tegen ieder nieuw voorstel zijn weer nieuwe bezwaren.


Ondertussen gebeurt er wel iets. In 1996 worden op de VaRa-strook, de gedempte Markengracht tussen Valkenburgerstraat en Rapenburgerstraat, 350 woningen gebouwd. De weg naar de IJtunnel wordt versmald tot een tweebaansweg. De autotunnel onder het Mr. Visserplein wordt afgesloten, maar de verkeersrotonde blijft – voorlopig – gehandhaafd. Door de bebouwing van de VaRa-strook komen er weer nieuwe straten en krijgt Amsterdam ook weer een Markenplein. Rondom het Mr. Visserplein worden ook twee grote vestigingen voor hoger beroepsonderwijs gebouwd: de Theaterschool in de Jodenbreestraat (op de plaats van het in 1994 afgebroken Maupoleum) en op de kop van de VaRa-strook de Nederlandse Film- en Televisieacademie, die in oktober 1999 wordt geopend.


Zolang de verkeersrotonde op het Mr. Visserplein voorlopig gehandhaafd blijft, zijn de eronder gelegen ongebruikte tunnels slechts tijdelijk beschikbaar voor een nieuwe bestemming. Het is een lege ruimte van meer dan 3000 vierkante meter. Particuliere initiatiefnemers mogen er plannen voor indienen. Discotheek Mazzo wil er een grote danshal van maken. Andere initiatiefnemers hebben plannen voor een kunsthal, een parkeergarage voor touringcars, een oldtimerstalling, een rollerdisco, een complex van repetitielokalen, een ondergronds pretpark en een expositieruimte annex mediacafé. Het Verzetsmuseum dient – als de verwerving van gebouw Plancius dreigt te mislukken – een plan in voor een ondergronds museum over het ondergrondse verzet.


De meeste plannen lopen spaak omdat de investeringen te hoog zijn voor een tijdelijke bestemming. En de gemeente heeft geen haast: “De indieners zullen genoegen moeten nemen met een tijdelijk huurcontract. De gemeente wil namelijk de mogelijkheid openhouden het plein alsnog te bebouwen. Als niemand met een rendabel plan komt, blijft de ruimte de komende tien jaar onbenut,” zegt woordvoerder ir. J. Hock in Het Parool van 17 januari 1996. Een deel van de tunnel wordt in gebruik genomen voor een warmtekrachtcentrale. In 1997 vestigt fietsmakerij en -verhuurder Mac Bike zich in de ingang bij de Mozes en Aäronkerk. Voor de rest van de ruimte wordt pas in 2001 vergunning verleend en deze maand is het zover: de opening van Tun Fun, een speelplaats voor kinderen tot twaalf jaar met een bioscoop, kinderdisco, grote klimconstructies en een voetbalkooi. De open gedeeltes van de tunnel, aan beide zijden van de trambrug, zijn eind 2002 overkapt.


Tun Fun heeft een huurcontract van vijf jaar, maar als de ondergrondse speelplaats succesvol blijkt te zijn wordt het contract misschien wel verlengd, want het blijft moeilijk om tot een definitieve oplossing voor het plein te komen. In 1998 heeft de gemeenteraad – na aandringen van bewoners en gebruikers van de buurt – al besloten om een nieuwe poging te doen tot aanpassing van het IJtunneltracé. Na veel discussies wordt in 2002 een inrichtingsplan vastgesteld: het Masterplan Wibautas. Plannen om er een ‘koninklijke as’ van te maken naar Parijs’ voorbeeld, compleet met triomfbogen, hebben het niet gehaald. In het uiteindelijke, minder ambitieuze plan worden de Wibautstraat en de Weesperstraat veiliger en aangenamer door een brede middenberm met bomenrijen. Op het Mr. Visserplein zal het autoverkeer niet langs vier, maar langs drie zijden van het plein worden geleid. Voor de Portugese synagoge wordt een grote verkeersvrije ruimte gecreëerd, aansluitend op het Jonas Daniël Meijerplein. Ook hier worden bomen geplant. Wanneer dit alles uitgevoerd gaat worden is nog niet vastgesteld... en ook of het hele plan wordt uitgevoerd staat nog niet vast. Een medewerker van de gemeentelijke projectgroep Wibautas meldt: “Er is minder geld voor dan we hadden gehoopt en er is nog discussie over de verkeerstechnische consequenties. Zeker wat betreft het Mr. Visserplein is de uitvoering onzeker.”


L. van der Horst is conservator van het Verzetsmuseum en freelance journalist.







De stallen van Zeeburg



Waar koeien en varkens Amsterdam inkwamen


Tekst: Peter-Paul de Baar


022003_ZeeburgerdijkAan het allerlaatste stuk van de Zeeburgerdijk, bij de pijlers van de Amsterdamse Brug, zijn onlangs onverwacht de fundamenten opgegraven van een groot stallencomplex. Hoe oud waren die stallen, wanneer werden ze gesloopt en waar dienden ze voor? Met behulp van de 18de-eeuwse stadsgeschiedschrijvers Commelin en Wagenaar konden de stadsarcheologen het raadsel oplossen.



Vanaf molen De Gooijer aan het eind van de Oostenburgergracht loopt de Zeeburgerdijk naar de oostelijke stadsrand. Het eerste deel van die dijk, met 19de-eeuwse huizenblokken, heeft een stads karakter. Waar de huizen ophouden, en rechts het Flevohuis (verzorgingshuis) oprijst, begint de dijk parallel te lopen aan de drukke Zuiderzeeweg. Die loopt omhoog naar de Amsterdamse Brug (en verderop de Schellingwouderbrug). Dit is het einde van de oude stad. De Zeeburgerdijk houdt hier op, of, beter gezegd, ze maakt een scherpe hoek naar het zuiden, onder de Zuiderzeeweg/Amsterdams Brug door, en gaat daar Westelijke Merwedekanaaldijk heten.


Als we hier de Zeeburgerdijk opklimmen, zien we het water van de Nieuwe Vaart (uit 1650), met daarachter het Oostelijk Havengebied, vroeger de zompige kwelders langs het IJ. Op de hellende strook land vlak achter de dijk staat een charmant huis in landelijke stijl met houten voorhuis (rond 1900 nog genummerd Zeeburgerdijk 193, sinds omstreeks 1915 nummer 321 en sinds kort 633-641). Vanaf de zijkant gezien blijkt het twee puntgevels naast elkaar te hebben, dus oorspronkelijk waren het twee pandjes. Een huis met historie, zoals we zo dadelijk zullen zien.


Hokken vol mest


Tussen het eeuwenoude dijkje en het Nieuwe Diep (ten zuiden van de Zuiderzeeweg) wil stadsdeel Zeeburg een ‘helofytenfilter’ maken, een filtersysteem voor het water uit het Nieuwe Diep. Dat is een reeks aaneengeschakelde meertjes, beplant met riet. Bij het weggraven van de grond tussen de voet van de dijk en de pijlers onder de Zuiderzeeweg stuitten de graafarbeiders eind vorig jaar onverhoeds op zware funderingen. Zij waarschuwden hun chef en die alarmeerde stadsarcheoloog Jerzy Gawronski en zijn medewerkers. Uiteindelijk bleek het te gaan om een groot rechthoekig complex van zo’n 40 bij 23 meter. In het zuidelijk deel waren langgerekte booggewelven te zien, het noordelijk deel was verdeeld in twee rijen rechthoekige hokken. Uit de potscherven tussen en naast de fundamenten kon worden afgeleid dat ze waarschijnlijk uit de tweede helft van de 18de eeuw dateerden. Maar bovendien werd in diverse hokken mest gevonden. En toen beseften de onderzoekers dat ze grote veestallen hadden opgegraven.


Wat voor stallen dat waren, daar hadden ze in eerste instantie geen benul van. Gawronski weet veel van de Amsterdamse geschiedenis, maar alle details heeft hij nou ook weer niet paraat. In Ons Amsterdam werd 1991, in een serie wandelingen langs de IJ-oevers, al eens dat oude pand achter de dijk besproken: dat was de herberg Zeeburg, in deze vorm gebouwd in 1675 en sindsdien op heel wat prenten afgebeeld. Zeeburg (Seeburgh) betekent: bescherming tegen de (Zuider)zee. Aanvankelijk sloeg dat op de dijk langs het IJ (nu Zeeburgerdijk/Diemerzeedijk), die waarschijnlijk dateert uit het begin van de 14de eeuw en waarvan ook de Sint Antoniesdijk, de Zeedijk, de Nieuwendijk, de Haarlemmerdijk en de Spaarndammerdijk deel uit maakten. Tamelijk bekend was ook dat die herberg stond op de plek waar ooit een soort bewoond fort stond, als extra versterking tegen de woelige Zuiderzee en eventuele vijanden die maar al te graag die dijk wilden doorsteken. Dat was namelijk nogal makkelijk: de Diemerzeedijk was een heel smalle dus kwetsbare strook tussen het IJ (uitloper van de ongetemde Zuiderzee) én het Nieuwe Diep. Dat binnenmeer ontstond in 1422, toen door een springvloed de Diemerzeedijk al eens doorbrak!


Die versterking heette, op z’n Frans, de Redoute ofwel Reduite Seeburgh. Dat hoge huis bestond van 1646 tot 1669, toen het grootste gevaar voorbij leek. Ervoor in de plaats kwam herberg Zeeburg. Ook die heeft heel wat meegemaakt. Van 1925 tot in de jaren zeventig was het het kantoor van de Quarantaine-inrichting Zeeburg, later Noodziekenhuis Zeeburg: de patiënten woonden in barakken langs de dijk ten westen van het kantoor, waar sinds kort appartementencomplexen staan.


‘Schepen met mager Varckens’


Dat daartegenover ook stallen waren geweest, was nou ook weer niet helemáál onbekend. Ton Heijdra, auteur van vele buurtgeschiedenisboeken, noemt ze terzijde in Indische Buurt, van Seeburgh tot Zeeburg (2000) En in 1984 citeerden Hans Huijboom en Vladimir Mars in hun charmante boekje Te voet Amsterdam uit al de ANWB-gids Wandelingen om Amsterdam uit 1927 van Amsterdam-kenner A.E. d’Ailly (oom van de burgemeester). Daarin had hij het niet alleen over de herberg, maar ook over een nabije ‘schuur’ waarin vee werd gestald.


De kennis van alle genoemde auteurs blijkt ten slotte terug te voeren op de mededelingen van de 17de- en 18de-eeuwse stadsgeschiedschrijvers Isaac Commelin en Jan Wagenaar. Ook stadsarcheoloog Gawronski las die dikke, in leer gebonden boeken nu weer met rode oortjes. “Digter naar de Stad, op een hoek van den Zeedyk,” schrijft Wagenaar, “werdt in ’t jaar 1649 een steenen reduit opgeworpen, Zeeburg genaamd; doch twintig jaaren daarna werdt dezelve wederom afgebroken, en eene Herberg in de plaats gestigt, die nog den naam Zeeburg draagt.” Commelin schreef al in 1693 in zijn Beschrijvinge der Stadt Amsterdam over de sloop van het ‘reduyt’ Zeeburg, in 1663: “Maar in den Jaren 1675, ter plaatze voornoemd, is een heerlijke Herberg, mede Zeeburg genaamt, getimmert, by de Regenten van de Oude-zyts Huyssitten Armen tot [= te] Amsterdam, daar bij een lange Brug in Zee, waaraan de Schepen aen komen en haar inhebbende Vee op lossen. In ’t voorjaar komen. In ’t voorjaar komen hier de Schepen met magere Varckens aan, en geschieden des Satur- en Sondags de meeste handelinge in de zelve, daar toe de Kooopluyden van alle gewesten uyt Hollandt en andere Provinzien komen, en werd daarin zeer groote handel gedreven. Tot gerief van dese magere Varkens sijn drie grote Schuren en veel Hocken gemaakt. Ook kan men daer, soo wel als aan den Overtoom en elders, seer schoone Y Baers, Bot en andere Vis bekomen, leggende dese plaets soo pleisant, als ergens soude konnen bedacht worden.”


Kortom: er lag hier al een steiger waarop vee uit de rest van het gewest Holland en van elders naar Amsterdam werd aangevoerd. Die werden daar ook verhandeld, en voor de dieren die niet meteen verkocht werden, kwamen er nu stallen.


Zoals Commelin meldde, waren steigers, herberg en stallen het eigendom van het Oudezijds Huiszittenhuis, ook wel Oudezijds Huiszitten-armenhuis genoemd. Dat was een stedelijke instelling voor armenzorg, niet voor zwervers maar voor ‘huiszittende armen’. Je had zo’n instelling voor de Oude Zijde (ten oosten van de Amstel) en voor de Nieuwe Zijde (de westoever). De eerstgenoemde was sinds 1610 gevestigd aan het Waterlooplein, hoek Weesperstraat, in het complex waar nu de Academie van Bouwkunst te vinden is. Wagenaar weet te vertellen dat de regenten van dit Huiszittenhuis al in 1539 van het stadsbestuur het recht kregen om alle vee dat uit Friesland, Gelderland en Overijssel kwam te ontschepen. Dat wilde zeggen: zij schiepen daarvoor de faciliteiten: een lange veesteiger die naast de herberg uitstak in het IJ, een herberg waar de veekooplieden konden eten, drinken en overnachten en stallen voor het niet meteen aan Amsterdamse slagers verhandelde vee. Daarvoor mochten ze weer een bedragje vragen aan alle vee-importeurs. In de praktijk verpachtten de ‘Huiszittenmeesters’ dit recht aan anderen, en dat leverde ze geld op waarmee de liefdadige activiteiten konden worden bekostigd.


Behoud van de fundamenten


De gevonden fundamenten zijn overigens niet die van de allereerste stallen, maar dateren uit 1769, toen er een veel uitgebreider complex werd gebouwd. Maar ook van de alleroudste stallen bleek toch iets terug te vinden: een vloertje.


Aan het nut van herberg en stallen voor de veehandel kwam een eind nadat de gemeente in 1887 een heus Gemeentelijk Abattoir had gesticht in de Rietlanden, iets meer stadswaarts, aan de huidige Veelaan. Sindsdien werd het vee daar rechtstreeks heengebracht, niet alleen meer per boot, maar ook per trein. De stallen bleven nog tot 1938 staan (blijkt uit artikeltjes uit dat jaar in Maandblad Amstelodamum), eerst als bewoonde boerderij, later als opslagplaats van bouwmaterialen.


Het klinkt raar, maar behalve met de muurtjes, waren de archeologen vooral blij met de gevonden mest. Die stuurden ze meteen naar het laboratorium! Ontleding daarvan kan namelijk leren wat varkens en koeien destijds te eten kregen. Maar het kan nog wel maanden duren voor het laboratorium met conclusies komt.


Opgegraven fundamenten blijven zelden zichtbaar; de meeste archeologen hebben geleerd daarmee te leven. Ze zijn al blij als ze even mogen graven vóór ergens een groot nieuwbouwcomplex wordt neergezet. Des te blijer is Jerzy Gawronski dat het dit keer iets anders gaat. Stadsdeel Zeeburg heeft besloten dat in die filtermeertjes tussen het riet ook best wat rustieke oude muurtjes boven water uit mogen steken. En dat is een mooi plan.





Domino spelen met opa


De grootouders van oud-burgemeester Wim Polak


022003_PolakWim Polak (1924-1999) zat tussen 1962 en 1983 in het Amsterdamse college van B&W, als gemeenteraadslid, wethouder en burgemeester. Hij maakte de bouw van de IJ-tunnel en de metro mee, de krakersrellen in de Vondelstraat en de inhuldiging van koningin Beatrix. In het vorige week verschenen boek Wim Polak, Amsterdammer en sociaal-democraat staan vele stukken over Wim Polak en de tijd waarin hij leefde (onder anderen door zijn zoon Menno), maar ook prachtige herinneringen geschreven door Polak zelf. Bijvoorbeeld over zijn opa’s en oma’s – op een na allen tijdens de oorlog omgekomen in een concentratiekamp. Net als zijn ouders. “Het verhaal van mijn grootouders geeft een stukje weer van de wereld van eergisteren, de wereld waar ik vandaan kom, maar die ik eigenlijk zelf al nooit echt heb gekend.”


Lotje


Mijn grootmoeder had geen neus. Op de plaats waar alle andere mensen een neus hebben, zat bij mijn vaders moeder een gat. Dat was, zeker voor ons als kleinkinderen, doodeng om te zien. Wij vonden het, alleen al om die ontbrekende neus en dat rare gat in haar gezicht, een beetje eng om bij onze grootvader en grootmoeder op bezoek te gaan. Of het nu door die neus kwam, weet ik niet, maar ik vond mijn grootmoeder ook niet aardig. Volgens de verhalen was ze gierig. Maar daar weet ik weinig van. Ze had veel kinderen (zeven) en nog meer kleinkinderen (twaalf), maar ik geloof niet, dat ze ooit een persoonlijk woord tot die kleinkinderen richtte.


Mijn grootouders woonden op Rapenburg 10, niet ver van waar nu de IJ-tunnel is. Ze woonden tweehoog. Als je omhoog was geklommen, stond je meteen, verlegen en wel, in de huiskamer. Die kamer was klein en tamelijk donker en er stond een kachel. Aan weerszijden daarvan zaten mijn grootouders, die ik een handje moest geven. Mijn grootvader zei dan iets dat ik niet verstond, mijn grootmoeder lachte maar zonder enige vrolijkheid. Vrij door het huis of zelfs door de kamer lopen was er niet bij. Dat mocht niet van mijn ouders en dat dorst ik ook niet goed. Ik stond of zat dus maar naast mijn vader te wachten tot het be­zoek afgelopen was.


Pas veel later heb ik begrepen dat het leven van mijn grootmoeder eigenlijk een enorme tragedie is geweest. Zij was helemaal niet arm geboren. Haar vader had een groothandel in textiel, de indertijd bekende firma Pijnappel en Beth (mijn grootmoeder heette Bed, de deftigere tak van de familie Beth). Mijn grootmoeders broers en zusters zijn, voor zover ik weet, allemaal redelijk welgestelde burgers geworden. Maar voor een meisje zonder neus bestonden toen weinig kansen, ook niet als kandidaat-echtgenote. In de tijd dat mijn grootmoeder volwassen werd, was mijn grootvader, Wolf Polak, knecht in het pakhuis van Leentjes vader. En zo trouwde de mismaakte dochter van de baas met die ongeschoolde, straatarme knecht. Hoe dat ging en of daar liefde of misschien nog wat geld aan te pas zijn gekomen, vermeldt de geschiedenis niet.


Liefde of geen liefde, Wolf en Lotje hadden zeven kinderen: twee dochters (Anne en Katrien) en vijf zoons (Samuel, Jonas, Philip – mijn vader –, Joop en Barend). Het grote gezin woonde aanvankelijk op de Houtkopersburgwal, later in een krotwoning in de Uilenburgerstraat (als ik het goed weet nummer 67). Daarna kwam het gezin op Rapenburg terecht. In die latere jaren stond mijn grootvader op de vismarkt, als visschoonmaker. Wie vis had gekocht, kon die voor vijf cent of een dubbeltje door hem laten schoonmaken. Veel, veel later zijn mijn grootouders nog eens verhuisd: naar de Joodse Invalide, het toen moderne verzorgingstehuis op het Weesperplein, waar nu de gg & gd is gevestigd. Ook daar heb ik ze nog wel bezocht, maar toen was ik al groot en was het niet eng meer.


Mijn grootmoeder is in 1941 op haar 81ste gestorven. Zij is de enige van mijn vier grootouders die een natuurlijke dood is gestorven.


Wolf


Opa Wolf was een vriendelijke, vrome man. Hij begaf zich elke zaterdagmorgen en elke avond naar de sjoel (synagoge) in de Uilenburgerstraat, waar hij kennelijk een gewaardeerd lid van de gemeente was en waar ik op mijn dertiende verjaardag nog bar mitswa geworden ben (zeg maar: kerkelijk meerderjarig). Zo’n bar mitswa was een hele gebeurtenis. Het houdt in dat je als jongen oud genoeg wordt geacht om te worden erkend als volwaardig lid van de joodse gemeente. Als bewijs daarvan word je op zaterdagmorgen tijdens de grote dienst in de synagoge ‘opgeroepen’. Dat wil zeggen dat je op de verhoging midden in de sjoelruimte in je eentje een stuk uit de thora (het Oude Testament) moet voorlezen, of veel erger eigenlijk: je moet dat stuk voorzingen. Het was, achteraf gezien, mijn eerste optreden in het openbaar, doodeng. Maar toen iedereen na afloop zei dat het goed was gegaan en toen mij in de ‘vrouwensjoel’ (de vrouwen zaten op het balkon, strikt gescheiden van de mannen) nog meer lof was toegezwaaid, vond ik het toch wel mooi. Mijn grootvader was duidelijk een beetje trots.


Als ik in de laatste jaren onverwacht in een spiegel kijk, zie ik soms plotseling zijn verschijning voor mij: een klein, gedrongen mannetje met een bril op, en een gezicht, dat op mijn gezicht lijkt. Dat is wel een beetje verrassend, want ik heb in mijn jeugd nooit het gevoel gehad dat ik op mijn grootvader leek.


Op zijn 81ste is hij aangereden door een bakfiets. Hij brak een heup en heeft nadien nooit meer goed kunnen lopen. Toen zijn vrouw gestorven was, bleef hij alleen achter in de Joodse Invalide. Hij was 84 toen hij, gehandicapt en wel, met zijn medepatiënten door de Duitsers werd gedeporteerd: ‘arbeidsinzet’. Verder dan Westerbork is hij niet gekomen. Daar is hij gestorven.


Bari


De vader van mijn moeder heette Barend Jacobs, maar hij werd Bari genoemd. Niet grootvader Bari, of opa Bari, maar kortweg Bari. Hij nam in de rangorde in de familie maar een bescheiden plaats in, ook al had hij een harde stem waar hij luid mee placht te schreeuwen. Als er beslissingen moesten worden genomen, dan werd meer over hem dan door hem beslist. Bari was klein van stuk, maar hij had een opvallend grote neus. Hij was tamelijk sterk, al had hij, wat ik erg interessant vond, een kromme pink, net als bij mij waarschijnlijk het gevolg van de ‘ziekte van Dupuytren’; als zo’n pink erfelijk is, heb ik die van hem. In ieder geval was ik juist op die grootvader erg gesteld. En dat was wederzijds. Hij leerde mij domino spelen en ook dammen. Hij had daar groot plezier in, vooral toen ik er ook wat van kon, al bleef hij altijd veel gewiekster dan ik. Ik geloof ook niet dat hij mij ooit stiekem liet winnen.


Barend trad in het huwelijk met Aaltje Drukker, waarna ze op de Raamgracht gingen wonen, vlak bij de Zuiderkerk. Niet ver weg, op de Oude Schans, had mijn overgrootvader David met zijn zoons een porseleinhandel. Na een aantal jaren waren er drie kinderen: Clara (mijn moeder), Rebecca (tante Bep) en de jongste, een zoon, David. Maar reeds weinig jaren na het huwelijk stierf mijn overgrootmoeder Clara. En dus woonde vader David voortaan bij zijn oudste zoon en zijn schoondochter in. Er was vanaf dat moment maar één baas in huis en dat was niet Barend, maar zijn inwonende vader. Toen die was overleden kondigde zich de volgende gebeurtenis aan die het leven van het gezin grondig zou veranderen: Aaltje had een jongere zuster, Judith (Jetje) die getrouwd was met Mark Speijer. Zij hadden twee kinderen: Marianne en Maurits. Maar Mark Speijer werd ziek (waarschijnlijk tbc) en stierf. De weduwe en haar twee kinderen van vijf en twee jaar moesten worden opgevangen.1 Waar? Uiteraard in het gezin van Barend en Aaltje en hún kinderen. Zo kwam tante Jet met haar twee kinderen bij Barend en Aaltje inwonen. Van dat moment af groeiden de vijf kinderen samen in één gezin op als broertjes en zusjes. En opnieuw waren de gezagsverhoudingen veranderd. Want tante Jet mocht héél aardig zijn, ze was ook een persoonlijkheid, dat wil zeggen: zij was nu de baas. Van het ogenblik af dat zij bij haar zuster introk, maakten de beide zusters de dienst uit. Zij bestierden het huishouden. Daarnaast hadden zij samen een stal op de Nieuwmarkt, waar ze stoffen verkochten en zij zorgden ook voor de opvoeding van de vijf kinderen.


Maar als ik bij mijn grootouders [die sinds 1928 op Geldersekade 105 woonden, red.] logeerde, ging mijn grootvader met mij spelen. Dat was heel lang elke zaterdagmorgen het geval, omdat mijn moeder, mijn vader en ik elke vrijdagavond ‘op de Geldersekade’ aten en ik daar, tot ik op de middelbare school zat en dus op zaterdag naar school moest, ook bleef slapen. Ik was, denk ik, een jaar of tien toen mijn grootvader een keer bij ons thuiskwam. Hij had twee pakjes onder zijn arm. Cadeaus voor mij. Zonder enige aanleiding. In het ene pakje zat een dambord, in het andere damstenen. Konden wij voortaan ook bij ons thuis dammen. De familie was stomverbaasd, want Bari had, zei men, nog nooit zo maar iets voor iemand meegenomen. Ik was dus wel een bevoorrecht kind.


Begin jaren dertig – ik was toen ongeveer acht jaar – ontstond er ruzie tussen de broers Jacobs die samen de zaak van hun vader hadden voortgezet. De onenigheid eindigde ermee dat de oude grossierderij van David Jacobs uiteenviel in drie zaken: Izaak en Jacob zetten de oude zaak voort op de Oude Schans, Samuel begon samen met zijn zoons een nieuwe grossierderij. En mijn grootvader, Barend, begon samen met zijn zoon David ook een zaak: B. Jacobs en Zoon, in glas, porselein en aardewerk. Dat stond met mooie letters op de ramen van het pand Geldersekade 11. Zoon David ging op reis om klanten te bezoeken, Bari beheerde het magazijn en maakte de verkochte goederen klaar voor verzending.


Wat vond ik het prachtig als ik, als jongetje in dat pakhuis mocht meewerken, twee verdiepingen en een kelder, allemaal vol theepotten, koffiepotten, schalen, borden, koppen en schotels. En ik mocht helpen al datgene wat klanten besteld hadden op te zoeken en in te pakken. Voor mij was het magazijn dus prachtig, maar voor mijn grootvader was de ruzie met zijn broers, die nooit is bijgelegd, een breuk in zijn leven. Hij was nu helemaal afgesneden van zijn familie. Daar kwam bij dat het met zijn handel niet zo goed ging en uiteindelijk ging de zaak ook failliet. De inkomsten voor het gezin moesten voortaan komen uit de opbrengst van wat mijn grootmoeder op de markt verkocht. Mijn grootvader had niet veel meer te doen dan kaartspelen in een koffiehuis. Vaak ging hij ook een eindje ‘kuieren’. Dat bleef hij ook doen toen joden in mei 1942 een gele ster op hun jas moesten dragen. Amper een jaar later waren bijna al hun kinderen en kleinkinderen gedeporteerd. Alleen dochter Bep was ondergedoken met haar man Joop, haar dochter Leny, en hun oudste kleinkind, Wim. Van geen van de gedeporteerden hebben ze ooit nog iets vernomen. Van de ondergedokenen hoorden ze heel af en toe iets: dat het hun goed ging. Waar ze waren, wisten ze niet.


In mei 1943 zijn ze zelf weggehaald. Zij zijn via Westerbork naar Polen gevoerd. Zij zijn beiden op 21 mei 1943 overleden. Bari was toen 68 jaar.


Aaltje


Ik was nog een erg verlegen jongetje toen ik, vier jaar oud, voor het eerst op de kleuterschool kwam. En omdat ik wel een beetje ontzag had voor die drukke andere kinderen in de klas sloot ik al gauw vriendschap met de klasseleidster, juffrouw Peper. Ik praatte honderduit met haar, zodat de juffrouw op een keer na schooltijd tegen mijn moeder die mij kwam halen zei: “Hij heeft het altijd over Aaltje en Jetje waar hij zo leuk mee kan spelen. Zou het niet goed zijn als die kinderen ook op deze school zouden komen?” Waarop mijn moeder moest antwoorden: “Aaltje en Jetje, dat zijn zijn grootmoeders.” Zó leuk heb ik het met Aaltje en Jetje gehad. Jetje was dan weliswaar geen echte grootmoeder, maar voor mij maakte dat geen verschil: beiden waren toen ik nog zo klein was mijn beste speelkameraden.


Ze woonden vrijwel zolang ik mij kan herinneren op Geldersekade 105, op de eerste verdieping. Door de ramen van de voorkamer had je uitzicht op de Geldersekade, op het water met grote vrachtschepen er in, maar het meest op de rijweg waar fietsers, bakfietsen, handkarren, paarden en wagens, soms auto’s, en ook de trams reden: lijn 8 die naar Zuid ging, waar ik met mijn ouders woonde, en lijn 21 naar de Plantagebuurt en naar de Muiderpoort waar je kon overstappen op buslijn A, die je tot Ajax in de Watergraafsmeer bracht. Hoeveel uren heb ik niet met Jetje en later met Aaltje voor het raam gezeten, waarbij Jetje of Aaltje commentaar gaven op al wat voorbij kwam. Of wat ook mooi was: boodschappen doen met mijn grootmoeder. Naar Sander Gobes, de joodse slager op de Nieuwmarkt, waar ik meestal een stukje worst kreeg, en naar de bakkerij op de hoek van de Sint Antoniebreestraat, die geloof ik De Tijdgeest heette. Soms had mijn grootmoeder een boterkoek gemaakt, dat wil zeggen: deeg gekneed en in een ronde vorm gedaan. Dan ging die vorm naar de bakker en die bakte dan de koek voor haar in de grote bakkersoven. De inkopen eindigden steevast in de winkel van Jacob Hooy, aan het begin van de Kloveniersburgwal vlak bij de Koestraat waar ik geboren ben.


Het huis van mijn grootmoeder is ook het huis geweest waar eind 1942 mijn onderduiktijd begon. In dat huis werd ik, toen net 18 jaar, op een avond begin november om ongeveer 7 uur, toen het al donker begon te worden, gehaald door een mij (en mijn grootouders) geheel onbekende man uit de provincie met een pet op. Mijn grootmoeder heeft eerst nog de gele ster die joden altijd duidelijk zichtbaar moesten dragen van mijn jas afgetornd. Toen hebben we nerveus en verdrietig afscheid genomen. Ik wandelde in het donker naast die onbekende man naar het nabije Centraal Station op weg naar een onbekende bestemming.


Mijn grootouders bleven achter. Wij hebben nog éénmaal een brief van mijn grootmoeder gehad. Met een groot en onwennig handschrift schreef ze dat het nu wel niet meer lang zou duren voor de oorlog zou zijn afgelopen. Doelend op Hitler: “Hij zegt wel dat het goed gaat, maar het is hem ach en wind en wei.” Ze was alleen over met de man waar ze een leven mee had gedeeld, maar over wie ze nooit een woord van liefde of waardering had geuit. Haar kinderen waren weg, onbereikbaar. Ze kon hopen dat ze – als ze ook weggehaald werd – hen ‘ginds’ misschien terug zou zien. Zij is op dezelfde dag als mijn grootvader, 21 mei 1943, in Sobibor gestorven. Ook zij was, net als Bari, 68 jaar oud.


Wim Polak, Amsterdammer en sociaal-democraat gaat uitgebreid in op joods Amsterdam in het interbellum, de jeugd en de onderduiktijd van Polak, zijn tijd als journalist bij Het Vrije Volk en zijn wethouder- en burgemeesterschap. Het is verschenen bij Meulenhoff en kost € 34,90 (ISBN 9029072415)








Metselen met zilverwerk



Troffels voor de eerste steen


Tekst: Margriet de Roever


022003_ZilverHet Amsterdams Historisch Museum heeft ruim 400 zilveren en gouden voorwerpen in zijn collectie en heeft daarmee een van de grootste verzamelingen van Nederland. Er zijn begrafenisschilden, kannen, drinkbekers, schalen, sleutels, tafelgerei (onder meer van de burgemeester), sleutels enzovoort. Die pronkstukken zijn nu te bewonderen op de tentoonstelling Amsterdams zilver in Museum Willet-Holthuijsen (een dependance van het Amsterdams Historisch Museum) en in de zojuist verschenen catalogus Amsterdams zilver, hoogtepunten uit de collectie van de stad Amsterdam. Tot de collectie behoren ook elf troffels die zijn gebruikt bij het leggen van de eerste steen voor belangrijke gebouwen in de stad, zoals het 17de-eeuwse stadhuis (nu paleis) op de Dam, het Rijksmuseum en Felix Meritis. Die troffels werden voorzien van een speciale tekst of een graveur kreeg opdracht het gebouw of de eerstesteenlegging zelf af te beelden. Doorgaans kreeg de legger (vaak een burgemeester of diens zoon) de troffel na afloop van de ceremonie cadeau, als herinnering. De oudst bekende troffel is die van het stadhuis op de Dam, maar in archieven komen zeker zeven plechtige eerstesteenleggingen van oudere stadsgebouwen voor, te beginnen in 1560, als burgemeester Pieter Kanter de eerste steen legt voor de Waag op de Dam (die in 1808 is gesloopt). De dag van de ceremonie is bij uitstek het moment waarop de bouwer of eigenaar van het nieuw te bouwen pand met alle genodigden zijn trots en blijdschap mag delen. Zo werden de metselaars van de Beurs van Hendrick de Keyser (Rokin) op 29 mei 1608 getrakteerd en ontvingen de timmerlieden meiboomsgeld, omdat op die dag de jongste zoon van presiderend burgemeester Cornelis Pietersz Hooft de eerste steen voor de beurs legde.


Zes troffels zijn hier afgebeeld met een korte geschiedenis van de gelegenheid waarbij ze werden gebruikt.


Stadhuis, 28 oktober 1648


De eerstesteenlegging van het stadhuis op de Dam op 28 oktober 1648 – de eerste waarvan troffels bekend zijn – was een echt kinderfeest, zoals deze herinneringstroffel laat zien. Op het aandoenlijke plaatje zijn vier kinderen druk met stenen stapelen en metselen. Het zijn vier jongens die ieder een der burgemeesters representeerden: voor presiderend burgemeester Cornelis de Graeff zijn zesjarige zoon Jacob, voor Wouter Valckenier zijn veertienjarige zoon Sybrand, voor Gerbrand Pancras zijn gelijknamige vijfjarig neefje en voor de kinderloze Pieter Schaep zijn dertienjarige achterneef, die ook Pieter Schaep heette. Van deze gebeurtenis bleven drie troffels bewaard. Die van Sybrand Valckenier maakt deel uit van de verzameling-Van de Poll. De troffel van Jacob de Graeff schonk de familie bij de opening van het stadhuis in 1655 aan stadsmetselaar Philips de Vos die de kinderen had bijgestaan, voorzien van een zilveren steel met inscriptie. Voor zichzelf lieten zij door de zilversmid Johannes Lutma een herinneringstroffel maken (nu in bezit van het Rijksmuseum) met hun familiewapen en een afbeelding van de vier knaapjes die de handeling verrichtten, waarbij overigens geen verschil is te zien tussen de 5-jarige en de 14-jarige jongen.


Het Wilhelmina Gasthuis, 28 mei 1891


Een van de eerste officiële daden die prinses Wilhelmina verrichtte was het leggen van de eerste steen voor Paviljoen 2 van het in aanbouw zijnde nieuwe ziekenhuis op de plaats van het oude Pesthuis (waarvoor de eerste steen werd gelegd op 1 september 1630). Bijna elf jaar was de prinses, toen zij hiervoor op 28 mei 1891 naar de hoofdstad kwam. Logisch dus dat de opvolger van het Buitengasthuis later het Wilhelmina Gasthuis zou worden genoemd. De prachtige troffel en het ivoren hamertje dat zij bij de ceremonie gebruikte, ontworpen door K. Sluyterman van de firma Hoeker & Zonen, worden bewaard in het Koninklijk Huisarchief.


De “pakhuysen” van wijnkoper Leseutre, 20 augustus 1709


Twee dochters van de wijnkoper Nicolaas Leseutre legden op 20 augustus 1709 de eerste steen voor de pakhuizen Uilenburgerstraat 13-23, die de namen van Duitse Rijnsteden kregen: Keulen, Koblenz, Mainz, Frankfort, Bonn en Mannheim. Onderop de troffel die ter gelegenheid van deze gebeurtenis werd gemaakt, staat een rijmpje dat de meisjes lof toezwaait zolang de pakhuizen overeind staan: “So lang het praalwerk van deese voorraadschuuren / Hun kruijn opsteeken en de rampen kan verduuren / So sal Mariaas loff nooit sterven door haar naam / Nog die van Henrica berugt doors ouders faam.” Die faam viel alleen Maria ten deel, zij trouwde met de vermogende Cornelis Trip, die tussen 1748 en 1753 drie maal burgemeester was; haar achterkleinzoon Jacob Boreel werd in 1814 in de adelstand verheven.


Felix Meritis, 7 juli 1787


Toen het succesvolle genootschap Felix Meritis (“Gelukkig door verdiensten”) in 1787, tien jaar na de oprichting, op de Keizersgracht (nummer 324) een eigen gebouw stichtte, werd de eerstesteenlegging zorgvuldig voorbereid. Nauwkeurig werd nagegaan wat bij een dergelijke gebeurtenis de gewoonte was. In zo’n geval bleek de meestermetselaar voor een zilveren troffel te zorgen, de meestertimmerman voor een zilveren regel om de steen tegenaan te leggen en de architect voor een mahoniehouten metselbak, die alle aan de steenlegger werden geschonken. Uiteraard moest in het gebouw ook een gedenksteen worden aangebracht. De eenvoudige, ongegraveerde troffel waarmee volgens de overlevering de voorzitter van de bouwcommissie, Cornelis Sybille Roos, op 7 juli 1787 de eerste steen legde, zal zeker door de metselaar Cornelis Twisk aan Felix Meritis zijn geschonken. Met de timmerman Hendrik Blomberg en de architect Jacob Otten Husly werd hij uitgenodigd voor het feestmaal na afloop, in herberg Stadlander aan de Boerenwetering, waar overigens de leden van de bouwcommissie hun eigen consumpties betaalden.


Amsterdams Historisch Museum, 3 oktober 1967


Net twee maanden was burgemeester Ivo Samkalden burgervader, toen hij, in krijtstreeppak, een eervol metselklusje mocht volbrengen. Op 3 oktober 1967 metselde hij aan de voet van een funderingspaal voor het nieuwe Amsterdams Historisch Museum een kokertje in. Hiermee luidde hij de restauratie in van het voormalige Burgerweeshuis, dat de nieuwe behuizing van het museum zou worden. In het kokertje zat een microfilm met een korte geschiedenis van het gebouw, dat in de Middeleeuwen het Sint Luciënklooster was geweest. Tot de opening van het museum in de Kalverstraat, werd de collectie bewaard en tentoongesteld in de Waag op de Nieuwmarkt, maar al voor de oorlog was men op zoek naar een betere locatie. Die werd gevonden in het weeshuis, nadat de pupillen naar een door Aldo van Eyck speciaal voor hen ontworpen complex aan het IJsbaanpad waren verhuisd (de ‘kashba’).


Oosteinde, 19 juni 1865


Na de opening van het Paleis voor Volksvlijt in 1864 werd de omliggende grond op de voormalige stadswallen snel bouwrijp gemaakt. De door Samuel Sarphati opgerichte Nederlandsche Bouwmaatschappij, waarvan het hoofddoel was “het vergroten, verfraaien en verbeteren van de stad Amsterdam”, had er voorname woonhuizen gepland (net als het Paleis voor Volksvlijt ontworpen door Cornelis Outshoorn). Ten westen van het paleis verrezen woningen aan het Westeinde, het bouwblok ten oosten ervan ging Oosteinde heten. En hier werd op 19 juni 1865 de eerste steen gelegd door burgemeester J. Messchert van Vollenhoven (het was overigens zijn laatste ambtelijke daad). Op de troffel die hij hiervoor gebruikte is een gedeelte van het huizenblok gegraveerd. Ook de mahoniehouten metselbak waar hij het cement uit schepte, is bewaard gebleven.


De eerstesteenlegging van ‘het glazen paleis’ is trouwens een verhaal apart, aangezien voor een glazen gebouw geen eerste steen kan worden gelegd. Daarom was op 14 april 1860, ten overstaan van de koning en de prins van Oranje, plechtig de eerste gietijzeren paal geplaatst. Twee jaar eerder was op 7 september, ook in aanwezigheid van de koning en zijn drie zoons de eerste paal geslagen, waarbij een oorkonde in een loden koker, mee de grond in was gedreven. Deze is bij de bouw van De Nederlandsche Bank in 1961 teruggevonden, het enige archiefstuk dat rest van het paleis, nadat dit in de nacht van 17 op 18 april 1929 in vlammen opging.



In de catalogus Goud en zilver met Amsterdamse keuren staan alle (ruim 400) Amsterdamse voorwerpen van goud en zilver die in het bezit zijn van het Amsterdams Historisch Museum (met uitzondering van de elf troffels), Waanders Uitgevers, € 69,50.







“Bijzonder is de zegel die je niet hebt”



Ruim 75 jaar postzegelmarkt op de Nieuwezijds


Tekst: Roelie Meijer


022003_Postzegelmarkt“Postzegelmensen? Die zijn een beetje gek. Zeg nou zelf. Wie gaat er nu met zulke papiertjes naar de markt? En wie komt dat spul kopen?” Mevrouw Lelie staat kleumend achter haar stand en lacht met zelfspot. De postzegelmarkt in Amsterdam is haar domein en ze blijft zomer en winter komen, ook al zijn er dagen dat er slechts voor anderhalve euro handel in zit.



Al decennialang ontmoeten handelaren en verzamelaars van postzegels en aanverwanten elkaar op de Nieuwezijds Voorburgwal, op een driehoekig stuk stoep tussen de Wijdesteeg en de Rosmarijnsteeg – op een steenworp afstand van het Paleis op de Dam. Twee dagen per week kunnen fanatici en andere belangstellenden hier terecht. Op woensdag is het rustig, dan staan er zo’n zes of zeven handelaren achter tafels of in zelfgebouwde stands, een enkeling zit op een vouwstoeltje tussen de uitstalling op de grond. Het aanbod bestaat vooral uit postzegels, maar men verkoopt ook oude ansichtkaarten, munten, door de tijd achterhaalde aandelen en mooie eerstedagenveloppen, een verzamelobject dat volgens ingewijden op zijn retour is. De zaterdagmarkt is groter en trekt ook buitenlandse handelaren.


De postzegelhandel neemt een unieke positie in binnen de Amsterdamse straatverkoop. De handelaren op de postzegelmarkt behoren tot de niet-officiële marktkooplieden, ze worden gedoogd, net als de vogeltjesverkopers op de Noordermarkt en de boekverkopers in de Oudemanhuispoort. Hun vaste plek op de markt wordt niet door een marktmeester maar door traditie bepaald. Ze betalen geen marktgeld en zijn niet onderworpen aan enig ander reglement dan dat van de openbare orde.


Mevrouw Lelie staat al zeker 15 jaar op de markt en komt er als verzamelaar nog veel langer: “Toen ik hier voor het eerst kwam waren er geen stalletjes. De boeken lagen op de grond of op de motorkap van de geparkeerde auto’s. De markt is ook nog een tijdje verhuisd naar de overkant, bij het Burgerweeshuis, omdat het pleintje werd opgeknapt en opnieuw bestraat. De gemeente wilde er geen geparkeerde auto’s meer hebben. Na de opknapbeurt zijn we teruggekeerd. Toen was er echt veel activiteit op de markt. In de jaren tachtig kon het heel laat worden, maar dat was echt een andere tijd. Nu vertrekt iedereen om vier uur. Een kwestie van veiligheid. Niemand blijft hier graag alleenig achter.” De handelaren houden elkaar weliswaar in het oog, maar echt collegiaal gaat het er op de markt niet aan toe – het is ieder voor zich. “Er is tussen de handelaren onderling weinig contact, behalve met de mensen die om je heen staan. Het is vrij afstandelijk. En je gaat helemáál niet in elkaars boeken kijken om te zien wat voor prijzen de ander vraagt. We praten wel hoor, maar nooit één blik in de boeken.”


Post en kranten


Op de postzegelmarkt circuleert een verhaal over het ontstaan van de markt. In het begin van de vorige eeuw zou een rijke Amsterdamse dame (anderen spreken over een Franse barones) die gek was op postzegels, het driehoekige pleintje op de Nieuwezijds Voorburgwal hebben nagelaten aan ‘de postzegelmensen’, die hier ten eeuwigen dage hun ruilhandel zouden kunnen bedrijven. Historici weten beter. In 1917 signaleert een journalist van de Leeuwarder Courant voor het eerst postzegelhandel op straat, niet ver van de huidige markt: “een vreemd fenomeen tegenover het postkantoor, op de hoek van de Gravenstraat”. Tien jaar later schrijft M. Boas (Amstelodamum, januari 1927) dat de postzegelliefhebbers zoveel overlast bezorgen bij het koffiehuis ter plekke, dat de politie moet ingrijpen. Er worden bomen geplaatst die de postzegelmarkt een beetje inperken en als dat niet werkt, verhuist de hele markt naar het plein voor de Beurs van Berlage op het Damrak. Hier komen de handelaars in conflict met straatventers en zij wijken dat jaar nog uit naar het pleintje op de Nieuwezijds Voorburgwal, “onder de bomen voor de Brederodeschool [op nummer 284, naast de Prinsenschool], tegenover het vroegere gebouw van Het Nieuws van de Dag”. In de oorlogsjaren wordt de markt ondergebracht in een zaal van de Brakke Grond in de Nes, maar in 1945 duikt hij weer op op het vertrouwde pleintje tussen Wijdesteeg en Rosmarijnsteeg.


In de naoorlogse jaren trekt de postzegelmarkt veel belangstelling, er komen zowel veel mensen die hun verzameling willen uitbreiden als mensen die zegels willen ruilen of verkopen. Dat het goede tijden zijn voor de postzegelhandel bewijst ook het grote aantal bezoekers dat in 1948 af komt op een tentoonstelling ter gelegenheid van het 50-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina, georganiseerd door de stichting Het Nederlands Postmuseum. Het publiek trekt in drommen naar modemagazijn Gerzon in de Kalverstraat, hoek Sint Luciënsteeg, waar op de tweede verdieping alle postzegels zijn uitgestald die in Nederland tussen 1898 en 1948 zijn uitgegeven.


De levendigheid rond de markt na 1945 is niet uitsluitend te danken aan de handel in postzegels, die ook in kleine winkeltjes rond het pleintje plaatsvind. Niet alleen komen er meer antiquariaten, cafés en kunstzaaltjes, maar op dit stuk van de Nieuwezijds, zo dicht bij het station en niet te vergeten het post- en telegraafkantoor, vestigen zich nagenoeg alle grote kranten. Het Parool, Trouw, De Telegraaf, de Volkskrant, Algemeen Handelsblad en (het kortst van allemaal, van 1945 tot 1950) De Waarheid. Journalisten, boekhandelaren en postzegelmensen zitten vele jaren broederlijk naast elkaar in café Scheltema, naast het Handelsblad-gebouw. Maar naarmate de drukpersen groter worden en het aantal auto’s in de stad toeneemt, verhuist de ene na de andere krant naar grotere panden aan de Wibautstraat, waar ze beter bereikbaar zijn. Midden jaren zestig vertrekken de eerste kranten (Het Parool en de Volkskrant), langzaam maar zeker gevolgd door de andere. Maar nieuwkomers zijn er ook in de jaren zeventig: in de voormalige Prinsenschool (circa 1910-1957) op Nieuwezijds Voorburgwal 282 komt het door Marijke en Sieto Hoving gestarte theater Tingel Tangel (sinds 1991 het Betty Asfalt Complex).


De hechte band die dit oude hart van Amsterdam heeft met postbezorging en berichtgeving is overigens veel ouder dan de vorige eeuw. De stad had al in 1395 bodediensten, met zogenaamde busdragende bodes voor brieven en roedragende, namens het gerecht. Er waren in 1568 bovendien vaste bodediensten op Antwerpen. Tot de Nieuwezijds Voorburgwal in 1884 werd gedempt, brachten beurtschippers ook poststukken en pakketpost mee uit Zuid-Holland naar dit deel van de stad, waar vele markten waren (waaronder op de plaats van huidige postzegelmarkt de bomen- en bloemenmarkt). Internationale postbezorging is heel lang een gebruikelijke neventaak geweest voor schippers van de grote vaart, die bij het paalhuis in het Damrak de poststukken ophaalden. Waar anders dan op de Nieuwezijds vestigden de Staten van Holland, die in 1748 de Posterijen overnamen van de particuliere postmeesters, het Generaal Postcomptoir? Op de hoek met de huidige Raadhuisstraat opende het Postcomptoir in 1755 zijn deuren in de voormalige Stadspaardenstal, die in 1854 werd vervangen door een nieuw gebouw van Cornelis Outshoorn. Sinds 1899 heette het officieel hoofdpostkantoor en was het gevestigd in de datzelfde jaar opgeleverde nieuwbouw (sinds 1992 winkelcentrum Magna Plaza). En koning Lodewijk Napoleon, onder wiens bewind de particuliere postdiensten zijn gecentraliseerd, begon zelfs in 1809 in het tot paleis verbouwde stadhuis van Amsterdam zijn eigen postkantoortje, onder leiding van commissaris H. Berghuis.


De postdiensten en koeriersbedrijven op de Nieuwezijds behoren inmiddels al weer vele jaren tot het verleden, net als de kranten. Alleen de postzegelhandelaars en –verzamelaars blijven trouw aan hun ontmoetingsplaats. “In tegenstelling tot de media is de postzegelmarkt nog in volle glorie aanwezig,” schrijft J.L.J. Meiners in 1981 in Ons Amsterdam.


“Iedere verzamelaar is per definitie ook een handelaar”



Op de postzegelmarkt droomt een mevrouw weg bij een collectie postfrisse (ongestempelde) zegels uit haar geboorteland Indonesië. Driehoekige, zeshoekige… Is dat Soeharto? De verkoper tuurt, maar blijft het antwoord schuldig.


Die fascinatie voor de afbeelding op de zegel en het verhaal dat erachter zit, kent mevrouw Lelie als geen ander. Als kind is ze al gaan verzamelen. “Gewoon, alles wat ik mooi vond. Zoals een kind spaart. Ik had vooral plezier in Zwitserland. Maar eigenlijk had ik van alle landen iets. En thema’s, motieven zoals padvinders, schepen, bloemen of Europa. Complete landen? Ja, wat is compleet. Als je een serietje koopt met alles, dan is de kick eraf. Het moest juist niet compleet zijn. Dat was trouwens ook niet op te brengen. Af en toe ging ik naar de postzegelmarkt of naar ruildagen in de Koopmansbeurs en later naar de Koningszaal van Artis. Daar ging ik naar toe om te ruilen wat ik dubbel had. Ik heb daar ook een keer wat verkocht, maar toen voelde ik me achteraf beduveld. Daarna heb ik mijn eerste catalogus gekocht, een tweedehands Yvert, om die zegels op te zoeken. En wat bleek: mijn gevoel klopte. Was ik toch getild.”


“Iedere verzamelaar is per definitie ook een handelaar,” zegt Piet van Rossum, voorzitter van postzegelvereniging Statuut 80 en al veertig jaar ‘in de postzegels’. Zijn club behoort met 250 leden tot de kleinste en meest actieve van de vijf verenigingen in Amsterdam, die onder meer zijn ontstaan bij Shell, De Nederlandsche Bank en het GEB. Meer dan tienduizend Nederlandse verzamelaars zijn aangesloten bij ruim 250 postzegelverenigingen in Nederland. “Wat je krijgt, verzamel je,” zegt Van Rossum. “Mijn hele familie verzamelt voor me. In de jaren zeventig was er veel moois: thema’s, tentoonstellingen, kaarten, brieven en luchtpost. Ik verzamel breed, heb rond de honderdduizend postzegels. Wat je te veel hebt, probeer je te ruilen. Verkopen staat niet in mijn woordenboek. Je wordt er ook niet rijk van, je krijgt doorgaans niet eens terug wat je geïnvesteerd hebt. Veel mensen scheppen graag op over hun verzameling; omdat ze hun leven lang verzameld hebben, denken ze dat het goud goed is. Ze zeggen tegen hun vrouw of hun kinderen: daar ligt een verzameling, daar wordt je schat- en schatrijk van. Het is lastig als je nabestaanden van zo’n verzamelaar moet vertellen, dat het niet veel voorstelt.”


Nee, verzamelen van postzegels, het ruilen en handelen is een echte hobby, een sport. Piet van Rossum windt zich dan ook op over de Nederlandse zegels die in oplages van vijf tot tien miljoen via de postkantoren verspreid worden. Dat drukt de waarde. Maar de mening van filatelisten is niet van levensbelang voor PTT-Post. Tenslotte komt maar vijf procent van de postzegels via filatelisten in omloop. “Ik blijf gewoon oude guldenzegels gebruiken en zegels van bijzondere emissies,” zegt hij koppig. “Ik stuur geen Beatrix! Aan niemand.”


Het leuke aan verzamelen is natuurlijk ook het contact met andere verzamelaars, die zoals Van Rossum aangeeft soms ook handelaar zijn. “Ik ging in de jaren zestig veel naar postzegelwinkeltjes op de Nieuwezijds Voorburgwal. Je had in de Gravenstraat bij het oude hoofdpostkantoor drie mooie zaken, nu is alleen nog de firma Jonen over. Ik ging meestal naar de tweede winkel, want die vroeg maar 60% van de cataloguswaarde. Er waren veel winkels in die tijd. Aan het eind van de markt zat Paridon, aan de overkant De Gelderse, verder Maurits en Willem Tieman, een echte handelaar. In de Spuistraat zaten vlak bij Hoppe twee postzegelzaken tegenover elkaar. Allemaal weg, net als de chique zaak van Ederzeel, naast Die Port van Cleve. In de Paleisstraat waren twee winkels en dan had je nog twee obscure pandjes in de Jonge Roelensteeg en een paar aan de overkant bij het Burgerweeshuis. Veel handelaren zaten in onmogelijk kleine winkeltjes, net hoerenkasten. Je moest je langs de halfopen deur naar binnen wringen en dan kon er niemand meer bij.” Van al die postzegelwinkels rond de postzegelmarkt zijn er nog maar een stuk of zeven over. Theo Peters (Nieuwezijds 252), Meijer (262), Tieman (300) en Jack Bulterman (302, hoek Rosmarijnsteeg). In de Gravenstraat zit nog Jonen en in de Rosmarijnsteeg naast elkaar Ariadne (van Martin en Leo Gerritzen) en de klassieke zaak van Kloek.


Zijn bij de echte speciaalzaken niet méér bijzondere zegels te vinden dan op de postzegelmarkt, misschien? “Ach, bijzonder is de zegel die je zelf niet hebt,” filosofeert Piet van Rossum. Voor echt kostbare zegels ga je niet naar de markt. Wat zijn dure zegels? “De driegaats roltanding à ƒ 1000 bijvoorbeeld, of de Wilhelmina van 7,5 cent waarvan er maar een paar honderd zijn gemaakt . En een echte unieke is natuurlijk die Zeeland-postzegel met de verkeerde tekst. Die hebben ze niet eens teruggehaald.”


Mevrouw Lelie heeft dergelijke unieke zegels niet in de aanbieding. Haar boeken bevatten de gangbare, niet zo dure zegels, die zo’n vijf eurocent kosten. “Als ik een waardevolle zegel van een paar honderd had, zou ik hem op de markt niet eens kwijt kunnen. Maar het ging mij nooit om het bezit, niet om de waarde ervan. Het was altijd een hobby, geen belegging. Vroeger was dat misschien nog mogelijk, maar toen het slechter ging met de economie, kelderden de zegels mee. Een kwarteeuw geleden is het een periode heel goed geweest. Als er vandaag een zegel uitkwam, wilde men hem gisteren al hebben!”


Dat is tegenwoordig wel anders, maar handelaren en verzamelaars op de markt reageren laconiek als over de toekomst wordt gepraat. “Het zal mijn tijd wel duren.” Alleen van Rossum blijft echt optimistisch. “De filatelie zit nu in het slop. Er is te weinig jeugd, dat is het. Er moet weer meer worden gepostzegeld . Ik ben en blijf een verzamelaar. Die ‘roltand’ komt er nog wel eens.”


R. Meijer is freelance journalist.



Delen: