Nummer 11-12: November-December 2008

11122008_Cover




Op het omslag: Een hippiemeisje draait rond 1971 een pretsigaretje in het Vondelpark. Cor Jaring.

- Introductie
- Dronken stad in Gouden Eeuw
- Van buurtkroeg tot grand café
- Tabak was ‘duyvelskruyd’
- Pioniersjaren verslavingszorg
- De eerste coffeeshop
- ‘Het regent hier heroïne’
- Hasjhandelaar Norbert Stok






“Té is nooit goed.”
Ten geleide
Tekst: Peter-Paul de Baar

Eten, drinken, roken, seks, drugs en rock & roll: wie graag kennis maakt met steeds weer nieuwe genietingen komt van oudsher nergens beter aan zijn trekken dan in Amsterdam. Voorheen onbekende genotmiddelen arriveren in deze havenstad vaak eerder dan elders en vinden dan snel verspreiding onder nieuwsgierige bevolkingsgroepen als ondernemers, artsen, geleerden, studenten en kunstenaars. Ook komen nergens de keerzijden van al dit plezier zo duidelijk aan het licht als in de grote stad.

“Te is nooit goed – behalve tevreden” was een van de levenswijsheden die mijn moeder me inprentte. Hoe dan ook: het zal wel weer het calvinisme zijn dat ervoor zorgde dat in Nederland genot eeuwenlang per definitie een verdachte zaak was.. De immer zondige mens verdiende het eigenlijk niet te genieten. preekten strenge dominees. Dát vonden minder puriteins regenten – zelf genietend van het goede leven – wel weer wat overdreven, maar ook zij wilden wel erkennen dat overdaad schaadt. En de opkomende medische wetenschap gaf ze gelijk.
Kortom: genieten is leuk, mits met mate. Je moet van ophouden weten. Ook als het gaat om middelen die als medicijn worden geïntroduceerd, zoals rond 1900 opium en cocaïne, en al ruim twee eeuwen eerder koffie en thee.

Verslaafd
Rond 1800 werd het woord ‘verslaving’ (slaaf worden) voor het eerst in overdrachtelijke zin gebruikt. Lange tijd hadden de deskundigen vooral aandacht voor de lichamelijke afhankelijkheid die stoffen als alcohol, nicotine en opiaten teweeg brachten. Maar met de opkomst van de psychologie in de 20ste eeuw kregen ook de akelige macht der gewoonte en de deels sociaal bepaalde behoefte in een roes te vluchten steeds meer aandacht. Dat leidde natuurlijk ook geregeld tot overbezorgdheid – althans in de ogen van een latere generatie. Vooral jongeren sloegen snel door in hun passies, vond de oudere generatie steevast. In de jaren twintig werd een reeks van commissies ingesteld ter bestudering van het ‘dansvraagstuk’ (vooral de passie van jonge meisjes voor een wilde dans als de charleston en de al te erotische tango), van het ‘bioscoopvraagstuk’ en de van ‘sportverdwazing’ – het laatste vooral naar aanleiding van de roes die de Olympische Spelen van 1918 in de stad veroorzaakten. Soms kwam het zelfs tot harde maatregelen: zo kondigde burgemeester Willem de Vlugt in de jaren twintig een dansverbod in openbare gelegenheden af. Maar lang duurde dat niet, want Amsterdam heeft de vrijheid-blijheid vanouds hoog in het vaandel staan. Sindsdien zijn er heel wat nieuwe verslavingen ontdekt, zoals seksverslaving, tv-verslaving , internetverslaving, gokverslaving en gamesverslaving.
Geen van alle zijn ze in de medische en psychiatrische handboeken als door de overheid als echte verslavingen erkend. Daarvoor is namelijk maatgevend of het genotmiddel op zichzelf kenmerken heeft die er toe kunnen leiden dat een gebruiker op den duur niet meer zonder kan. Van alcohol, nicotine en de meeste drugs - maar ook veel medicijnen - is algemeen bekend dat bij overvloedig gebruik het lichaam zich ‘pragmatisch’ daarop instelt en stoffen aanmaakt die om ‘méér!’ roepen zodra de gebruiker ermee stopt: de zogeheten onthoudingsverschijnselen als koorts, slapeloosheid, trillen en braken. Maar de verschillen zijn natuurlijk relatief. Net als bij alcohol en drugs gaat het bij nymfomanen en excessieve gokkers en gamers vaak om de steeds obsessiever behoefte aan herhaling van een geluksmoment, als troost voor de ellende van alledag. Bovendien blijkt dat bijvoorbeeld ook gokverslaafden die ophouden met spelen vaak last krijgen van ontwenningsverschijnselen: maagpijn, spanningen en rusteloosheid. Dat heeft dan meer een psychische dan een fysische oorzaak, maar het effect is gelijk. Helaas had de zuinige overheid daar lange tijd geen boodschap aan. “Tot twee jaar geleden mochten we gokverslaafden niet eens behandelen, om de doodeenvoudige reden dat het ministerie van WVC die verslaving niet eens erkende,” klaagde Jellinek-directeur Jan Walburg in 1992 tegenover Het Parool. Van de genoemde ‘onofficiële’ verslavingen is die aan gokken nog het meest verbonden aan het openbare leven in een grote stad als Amsterdam. Spelautomaten tref je niet alleen in grote gokhallen zoals op het Damrak en in de Reguliersbreestraat, maar ook in tal van buurtcafés, sportkantines en snackbars. En sinds 1986 kunnen rijkere gokkers terecht bij Holland Casino, waarvan de staat met plezier een graantje meepikt.

Ontspannen optimisme
In dit nummer beperken we ons pragmatisch tot de algemeen erkende verslavingen: daarover is al zo veel te vertellen. Deels zijn dat treurige verhalen, bijvoorbeeld over het stille leed van Chinese opiumschuivers in de jaren twintig en de minder stille junks van een halve eeuw later. En ook over de criminele sfeer waarin de groothandel in hasj al snel belandde.
Maar we bieden u ook opgewekter verhalen. Want de genotmiddelen (de naam zegt het al) boden menigeen ook veel plezier. Tot het verband met kanker werd aangetoond gold bijvoorbeeld tabak roken niet alleen als ontspannend; met een pijp, sigaar of sigaret kon je ook mooi laten zien wie je wilde zijn. Ook herinneren we eraan dat hasj en marihuana rond 1970 nog symbolen waren van een nieuw ontspannen optimisme: love en peace, weetjewel? En we gaan uitgebreid in op het maatschappelijk belang van de Amsterdamse kroeg. Als u dit nummer ademloos hebt uitgelezen, weet u meteen ook weer waarom Ons Amsterdam zo’n verslavend blad is – maar gelukkig is dit een zeer onschuldige verslaving.
Tot slot: laten we niet vergeten dat ook veel verslaafden iets moois bijdroegen aan de Amsterdamse cultuur. Neem de alcoholistische auteur Willem Kloos (“De natuur is mooi, maar je moet er wel wat bij te drinken hebben”); de eveneens drinkende schrijver Simon Carmiggelt; romanschrijver, arts, ciminoloog én morfineverslaafde Arnold Aletrino; onze Annie M.G. Schmidt (witte wijn en sigaretten) en niet te vergeten muzikant schilder Herman Brood (verslaafd aan alles – en vooral aan aandacht). En wist u trouwens dat dichter J.C. Bloem (‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’) behalve aan jenever ook verslaafd was aan pepermuntjes?
Kortom: als uzelf ook wel een glaasje lust of weleens een ‘stickie’ hebt gerookt, verkeert u in goed gezelschap. Toch is té weinig bekend dat Simon Carmiggelt, de bekendste Nederlandse kroegloper aller tijden, al in september 1972 op dringend doktersadvies geheelonthouder werd.






Comazuipen en donderpreken
Genotsmiddelen en hun bestrijders in vroegmodern Amsterdam (1600-1800)
Tekst: Maarten Hell

11122008_Gouden_eeuwKluchten, schilderijen en spotprenten uit de Gouden Eeuw tonen een beeld van in tabaksrook gehulde en naar alcohol stinkende kerels, die voortdurend in een roes leken te leven. Hoewel dit beeld overtrokken is, werd er in het 17de- en 18de-eeuwse Amsterdam inderdaad flink gedronken en gerookt. Alleen de kerk en moralistische burgers boden enige weerstand tegen openlijke onmatigheid.

Tijdens zijn bezoek aan Amsterdam in 1669 maakte de Duitse chemicus Johan Joachim Becher kennis met de beruchte Hollandse drinkgewoonten. De buitenlandse gast was op een uitvoerige maaltijd getrakteerd door een groep Amsterdamse regenten. Bij uitgebreide visgerechten dronken de heren een 'geweldig zware Rijnwijn' uit grote, diepe glazen. Tussendoor rookten zij tabak en dronken zij thee. En op het hoogtepunt van het feestmaal maakten de regenten een dansje met elkaar op de zoete klanken van de stadsmuzikanten, herinnerde Becher zich later met enige moeite.
Zulke alcoholische bijeenkomsten waren in de 17de eeuw geen uitzondering. Voor de Amsterdamse elite was er altijd wel een reden om de roemers tevoorschijn te halen. In de Gouden Eeuw was de consumptie van wijn sterk toegenomen, vooral omdat een grote groep bemiddelde kooplieden zich de luxe van deze drank kon permitteren. Met de groeiende welvaart en internationale handelsexpansie was ook het aantal beschikbare genotsmiddelen gestegen. Naast bestaande verleiders als bier en wijn waren sterke dranken in opkomst en vanuit het buitenland veroverden exotische middelen als tabak, thee en koffie de genotsmiddelenmarkt.
Gewone Amsterdammers zochten hun alcoholisch heil steeds vaker in brandewijn. Deze populaire volksdrank won langzaam terrein op het bier. Volgens de Amsterdamse regent Bontemantel waren er in 1663 al zo'n 400 brandewijnbranders in de stad, die jaarlijks 3.000 flessen brandewijn produceerden. Daarbij kwam nog de import uit Frankrijk. Net als bij de thee, koffie en tabak zagen medici sterke dranken als jenever en brandewijn aanvankelijk als geneesmiddel. Ze zouden prima preventiemiddelen tegen de gevreesde pest zijn.
Gelegenheden om het glas te heffen waren er genoeg in Amsterdam. Rond 1613 waren er al 518 tapperijen: ongeveer één op de 200 inwoners. Daarnaast werd ook thuis stevig ingenomen. Het hoofdelijk verbruik van alcohol lag aanmerkelijk hoger dan nu. Bij bier was dat 4 à 5 maal hoger; het wijnverbruik was 2,5 maal zo hoog. Hoewel die hoge verbruikscijfers vooral op het conto van de elite kwamen, blijkt uit alles dat de gemiddelde 17de-eeuwer fiks moet hebben gedronken.

Buitensporige bruiloftsfeesten
Opvallend hoog was de inname tijdens feesten, begrafenissen, bruiloften, regeringsmaaltijden en andere sociale bijeenkomsten. De grens tussen een aanvaardbaar feest en verwerpelijke overdaad was vaag. Daaraan veranderde weinig door de bekende 'weeldewet' uit 1655, die paal en perk moest stellen aan buitensporige bruiloftsfeesten. Die wet beperkte onder meer het maximaal aantal bruiloftsgasten tot vijftig, terwijl de feestelijkheden niet langer dan twee dagen mocht duren. Amsterdammers die toch groter wilden uitpakken, konden de boetes vooraf voldoen. Bovendien gaf zelfs de vrome dr. Tulp, de man achter de weeldewet, het verkeerde voorbeeld, door zijn jubileum als stadsbestuurder te vieren met een omvangrijke feestmaaltijd.
Juist in Amsterdamse regentenkringen werd stevig gedronken. In de geschriften van de 17de-eeuwse schepen Bontemantel wemelt het van de maaltijden waarbij de wijn rijkelijk vloeide. Dat deze drinkgelagen tot hoogoplopende ruzies en misverstanden leidden, namen de regenten op de koop toe. Zelf was Bontemantel geen sterke drinker, zoals bleek bij een maaltijd in 1668. Als nieuwkomer moest hij een kan met ruim een liter wijn achteroverslaan, bij een bordje rijstebrij. De drank viel Bontemantel zwaar, waarop hij hulp kreeg van de burgemeester naast hem die hem gedienstig hielp bij het ledigen van de kan. Echt grote innemers stonden niet erg hoog aangeschreven bij Bontemantel. Bij zijn collega-regent Cornelis Witsen, die als schout het goede voorbeeld moest geven, tekende hij kritisch aan: 'was een heer, wat te veel genegen tot groote glaesen'.
Het Amsterdamse stadsbestuur was terughoudend bij de bestrijding van overmatig drankgebruik. Niet alleen omdat de meeste regenten zelf ook van een glaasje hielden, maar ook omdat zij de opbrengsten uit de accijnzen liever niet kwijtraakten. Openbare dronkenschap was op zich niet verboden. Pas als het leidde tot onrust of criminele uitwassen kwamen politie en justitie in actie. Zo werden dranklokalen aangepakt als klanten te veel overlast veroorzaakten. Naar aanleiding van openbare ordeverstoringen in de knijpjes in de Dollebegijnsteeg mocht daar tijdelijk niet meer getapt worden. Ook de sluitingswetten leken vooral te zijn bedoeld om overlast tegen te gaan. Kroegen moesten om negen uur de deuren sluiten.
Net als tegenwoordig was bij vechtpartijen, rellen en andere geweldsdelicten dikwijls drank in het spel. Laveloze zeelieden die met elkaar of anderen op de vuist gaan, zijn geen uitzondering in de rechterlijke archieven. Een doorgedraaide dronkenlap die in de 18de eeuw een aantal mensen had neergestoken kwam er gunstig van af. Dagboekschrijver Jacob Bicker Raye schrijft dat de man zich eenmaal ontnuchterd niets meer van het incident herinnerde en berouw toonde. Omdat hij door een slechte vriend tot de uitspattingen zou zijn overgehaald, werd hij zelfs vrijgelaten. Wel greep de Amsterdamse overheid soms in als alcoholisten hun gezinsleden mishandelden of verwaarloosden. De schuldigen konden in een van de tuchthuizen terechtkomen.

Lam in de kruiwagen
De gereformeerde kerk voerde een actievere strijd tegen alcohol, tabak en ander 'satansvoedsel'. Predikanten waarschuwden vooral tegen grof en openlijk drankmisbruik, want een enkel glaasje 'binnen de palen der vrientschap ende maticheyt' was toegestaan. Regelrechte dronkenschap was echter een kwalijke zaak, omdat het een 'moedersonde' was. Hieruit konden ergere zonden voortspruiten zoals dansen, geweld of ongeoorloofde seksualiteit als sodomie.
Als het de eigen lidmaten betrof, dan kon de kerkenraad streng optreden tegen dronkenlappen. Zeker als zij in het openbaar blijk gaven van hun kennelijke staat en dan vooral als het drinkgelach op een zondag of bededag plaatsvond. Stille drinkers ontsprongen doorgaans de dans. In het uiterste geval werden lidmaten vanwege hardnekkige dronkenschap uit de kerk gezet. Opvallend veel militairen en wachters moesten zich komen verantwoorden voor de kerkenraad. In het schutters- en soldatenleven speelde drank dan ook een grote rol; zowel verveling als spanning zullen daartoe hebben bijgedragen. Ook schouten, chirurgijns, schoolmeesters, kosters en zelfs predikanten komen voor in de grote stoet drankzuchtigen die de kerkenraad ontbood.
Bij vrouwelijke lidmaten werd de zonde van de dronkenschap nog schandelijker geacht dan bij mannen. Een onverbeterlijke alcoholica was Maeijcken Kosters. In 1651 had zij zich zodanig bedronken, dat zij op een kruiwagen moest worden thuisgebracht. Sommige drankzuchtigen waren afhankelijk van de ondersteuning van de diaconie die bij recidive kon worden ingetrokken.

Tabakspolemiek
In slechts één aantekening van de kerkenraad wordt ook het roken genoemd. In 1650 bleek een vrouw verslaafd te zijn aan sterke drank én het roken van tabak, dat zo'n dertig jaar eerder in de mode was geraakt. Na de introductie van de tabak werd roken nog als 'druggebruik' gezien, waaraan vooral jongeren uit lagere sociale kringen, zoals soldaten en matrozen, verslaafd raakten. In de eerste helft van de 17de eeuw streden voor- en tegenstanders in een 'tabakspolemiek' over de goede of slechte eigenschappen van het nieuwe en dus verdachte genotmiddel.
Medici als Johan van Beverwijck roemden de positieve effecten van het roken. Zo zou het roken van een pijp met tabak tegen de pest beschermen. Moralisten vreesden dat de jeugd uit hogere sociale kringen de tabaksverslaving zouden overnemen. In 1628 waarschuwde Dirck Pietersz Pers in zijn Bacchus Wonder-wercken voor de gevaren van overmatig drankgebruik. Maar ook het roken van tabak vond hij een zondige dwaasheid. Predikant Petrus Wittewrongel, bekend van zijn strijd tegen het dansen en het toneel, ageerde eveneens fel tegen 'toebacksdronckenschap'.
Die vergelijking van tabak met alcohol was niet zo vreemd. Hoewel in het algemeen tabak als veel onschuldiger gold dan alcohol, werd het destijds volgens sommigen ook weleens vermengd met roesverwekkende stoffen, zoals zwart bilzekruid, waarmee ook sommige bieren geestrijker werden gemaakt. Dit kruid veroorzaakte een bijzondere opwinding met hallucinogene effecten en een daaropvolgende depressie. Mogelijkerwijs was een deel van de tabak zelfs gesausd met een cannabisproduct. Zulke geestverruimende toevoegingen zouden de verdwaasde blikken van pijprokers op 17de-eeuwse schilderijen kunnen verklaren.

Blauwe bordeelbezoeker
De kerkelijke en moralistische antirooklobby moest uiteindelijk het onderspit delven. Veel van Wittewrongels collega's raakten zelf aan de tabak verslingerd. Evenals de regenten: ook op het jubileumfeestje van de vrome regent Tulp ging de geparfumeerde tabak rond.
Ook de strijd tegen de alcohol lijkt te zijn mislukt. Het vinden van sterke staaltjes van drankmisbruik in de 18de eeuw is in elk geval geen groot probleem, dankzij dagboekschrijver Jacob Bicker Raye. Hij mocht graag stunts opschrijven als die van Samuel van Breda. Deze kleine, gezette Amsterdammer kon 'afgrijselijk veel eten en nog meer drinken', grapte Bicker Raye. In een bierkroeg had Van Breda eens 24 pinten bier gedronken. Toch wist hij zonder al te veel slingeren zijn huis te bereiken. Op wijngebied spande Simon Plaat de kroon. Binnen twaalf uur sloeg hij 22 flessen wijn achterover. Dankzij zijn sterke gestel is Plaat hier niet onder bezweken.
Ook Paling, makelaar in wijnen, kon vreselijk veel drinken en eten, wist Bicker Raye. Met gemak verschalkte hij ossenvlees, schapenbout, tientallen bokkingen en als toetje nog eens drie grote piepkuikens. De daarbij genuttigde zes flessen wijn hadden op Paling nauwelijks effect. Minder goed eindigde het 'comazuipen' van een bordeelbezoeker in de Molensteeg in 1745. Omdat hij zo blauw zag, dachten mensen eerst dat prostituees hem hadden doodgeslagen. De stadschirurgijn ontdekte echter dat de man 'door de drank gesmoort' was. Ook een jongetje van tien verloor zijn leven aan de drank. Als gevolg van een weddenschap dronk hij zoveel jenever dat hij dood op straat neerviel.
Predikanten en ouderlingen waren in de 18de eeuw zeker niet allemaal geheelonthouders. Tijdens kerkelijke vergaderingen ging er aardig wat wijn doorheen. De kerkenraad zag veel door de vingers als het de eigen mensen of leden van de elite betrof. Maar armen die steun ontvingen en vrouwen uit de lagere klassen werden nog vaak op het matje geroepen.
Naast de kerk gingen ook burgerlijke genootschappen zich bezighouden met drankmisbruik en onmatigheid. Zo trakteerde Jan Jacob Breemers zijn gehoor van het genootschap Concordia et Libertate in 1774 op een 'Waarschouwing tegens Brasserijen en Dronkenschap'. Vooral vanuit medische hoek klonken waarschuwingen tegen de gevolgen van alcoholmisbruik. Maar pas in de 19de eeuw hebben de bonden voor drankbestrijding de problematiek serieus aangepakt. De vroegmoderne Amsterdammer had redelijk ongestoord kunnen genieten van zijn genotsmiddelen.






De bruine kroeg heeft alles overleefd
Het Amsterdamse café in de laatste eeuw
Tekst: Peter-Paul de Baar & Joosje Lakmaker

11122008_Bruine_kroegAmsterdam kent heel wat eeuwenoude kroegen, waar de tijd lokt te hebben stilgestaan. Maar het hoofdstedelijk caféleven als geheel is wel degelijk stevig veranderd – net als de stad zelf. Het grand café kwam na een eeuw terug. Talloze buurtkroegen sneuvelden. Maar de voorspelde ondergang van het bruine café bleef uit.

“Voor enige jaren zijn de gewone tapperijen, vrij-wijntjes en andere slokjeshuizen en andere slokjeshuizen herdoopt met den naam ‘proeflokalen’ en nu worden wij zoo deftig, dat het proeven ons banaal voorkomt en wij boven verschillende lokalen het woord ‘bar’ zien prijken. Ik voor mij vind het ook veel deftiger, als ik met een lange jas, een deukhoed en een groote sigaar een ‘bar’ binnenstap en voor 7 cent mijn glaasje ‘oude snik’ drink.”
Aldus Jantje van Leyden (pseudoniem van de acteur George C. Verenet) in zijn boek Eten en drinken in Amsterdam (1898), een bundeling jolige schetsen, eerder verschenen in de Amsterdamsche Courant, waaruit duidelijk blijkt dat in de twintig jaar voor 1900 de Amsterdamse horeca spectaculair opbloeide en veranderde.
Het café van nu heeft verschillende ‘voorouders’. Allereerst waren er al sinds de Middeleeuwen herbergen. Niet alleen slaap- en eetgelegenheid voor de doorgaande reiziger, maar ook een plek waar de plaatselijke bevolking kon eten en drinken. Daarnaast kwam de taveerne alias tapperij op waar de jenever rijkelijk stroomde. En in de 18de eeuw kreeg Amsterdam zijn eerste koffiehuizen: ontmoetingsplaatsen en nieuwscentra voor de nette burgers. Hoe elitair die koffiehuizen aanvankelijk waren, leren de cijfers: in 1806 werden in Amsterdam 25 koffieschenkerijen geteld, naast 1763 kroegjes. Maar de grenzen vervaagden zodat rond 1900 al 300 etablissementen zich ‘koffiehuis’ lieten noemen. Al was het maar omdat het zo netjes klonk.

Huiskamercafé
De eerste wet van 1881 “tot reguleering van de handel in sterken drank en van de beteugeling van openbare dronkenschap” markeert een professionalisering van de horecasector. Tot dan toe mocht eigenlijk iedereen tappen. Er waren dan ook in het grote Amsterdam talloze piepkleine ‘huiskamercafés’, waarmee vaak moeder-de-vrouw het inkomen van haar geregeld werkloze man aanvulde. Maar de nieuwe wet eiste een prijzige vergunning, waarvan er in de grootste steden slechts 500 mochten worden afgegeven. Een drankgelegenheid beginnen eiste voortaan een investering; het werd dus een serieus vak.
Door de sterk groeiende welvaart in het razendsnel uitdijende Amsterdam was er ineens een grote clientèle van zakenlieden, politici, ambtenaren, kunstenaars, schrijvers, professoren en studenten, steeds op zoek naar nieuwe verlokkingen. Eén van de trends van de jaren 1880 waren de Duitse ‘bierhallen’: grote zalen met veel marmer en spiegels. Enkele daarvan waren gespecialiseerd in een nieuw, licht soort bier, uitgevonden in het Boheemse industriestadje Pilsen. Dat werd razendsnel populair. Ook ontstonden uit oude koffiehuizen de eerste ‘grand cafés’, die soms uitgroeiden tot hotel, zoals Mille Colonnes, Schiller, De Kroon en Het Gouden Hoofd op het Rembrandtplein. Americain op het Leidseplein, Krasnapolsky in de Warmoesstraat en Polen in de Kalverstraat.
De uitbreiding van de stad vanaf omstreeks 1860 met een hele krans van nieuwe arbeiderswijken betekende tegelijk weer een toename van het aantal buurtcafés. In de crisisjaren kregen die kroegen het weer zwaar, maar in de jaren veertig en vijftig bloeide deze branche weer op. In het sociale leven van de buurt speelden ze een heel belangrijke rol, te meer omdat er thuis nog niet zo veel te beleven was (tv was er niet of nauwelijks), of omdat daar, door de krapte en armoede, de gezelligheid niet overhield. De kastelein was vaak ook sociaal raadsman. goedmoedig of streng susser van dreigende ruzies, animator en vaak ook de spil van de duivenhouders-, hengel-, biljart-, voetbal- of klaverjasvereniging die in het lokaal bijeenkwam en er vaak ook een prijzenkast had. Vooral de relatie tussen het caféwezen en de biljartsport was tot voor kort hecht. Het was traditie dat overleden kroegbazen maar vaak ook stamgasten op het cafébiljart werden opgebaard en vandaar ook ‘uitgedragen’.

’t Schaep met de 5 Pooten
De man die heel Nederland deelgenoot maakte van het dagelijks leven in een klassieke Amsterdamse buurtkroeg was Eli Asser. Hij schreef in 1969 de legendarische tv-serie ’t Schaep met de 5 Pooten, met Piet Römer als kroegbaas, Leen Jongewaard als zijn hulpje en Adèle Bloemendaal als stamgast. Asser had toen al een reputatie als kroegenkenner door zijn column ‘Nutteloze Notities’ in Vrij Nederland, waarin hij (net als Simon Carmiggelt in Het Parool) veel café-impressies verwerkte.
Een grote drinker was Asser nooit geweest en wilde hij ook niet worden. Opvallen wilde hij evenmin, Dus liet hij de kastelein vaak zijn jeneverkelkje vullen met water. “Geen stuk in m’n kraag, maar een stukkie in de krant,” blikt hij nu grijnzend terug. “Ik verdiende mijn brood met waterdrinken in de kroeg. Je ging zitten, als hengelaar. Dobbertje uit en wachten tot iemand toehapte. ‘Ik kom net van de rechtbank, mijn vrouw wil scheiden, dat kreng van een wijf…’ enzovoort enzovoort, en dan had ik weer een verhaal!” Asser kwam in heel wat kroegen, zoals Hoppe, De Koningshut, Theo Ruiter, De Eland en Rooie Nelis.
Het type buurtcafé dat Asser beschreef, was toen de tv-serie werd uitgebracht eigenlijk al aan zijn neergang begonnen. Na 1960 steeg de welvaart snel, steeds meer mensen kregen tv en sleten hun avond voortaan (pilsje en borrelnootjes bij de hand) voor de buis – kijkend naar een serie over een verzonnen café. Omdat de doorsnee horecaganger rijker en veeleisender werd, werd menig morsig kroegje opgekocht en verbouwd tot espressobar of restaurant. Door de stadsvernieuwing veranderden bovendien hele wijken (bijvoorbeeld Oud-West en de Dapperbuurt) drastisch van karakter. Simon Carmiggelt zocht soms vergeefs een café terug, “omdat niet alleen het lokaal zelfs de hele wijk waarin het stond met de grond gelijk gemaakt was”.

Legendarische kroegenbijbel
Die opvallende constatering deed Carmiggelt in zijn voorwoord bij de derde editie van het Groot Amsterdams Kroegenboek van Ben ten Holter. De eerste druk van deze legendarische kroegenbijbel verscheen in november 1967: Ten Holter mocht het boek aanprijzen in de populaire tv-show van Willem O’ Duys “en de volgende morgen stonden ze van Zierikzee tot Maastricht al voor negenen in een lange rij voor de boekwinkels”. Meteen was het uitverkocht. Ook volgende edities (de vijfde en laatste in 1986) werden bestsellers.
Ten Holter (destijds 22 jaar, inkoper bij Boekenimport & Uitgeverij Van Ditmar en daarnaast ijverig sporter), kwam op het idee doordat hij een Amerikaanse gids over de bars van ‘surprising Amsterdam’ in handen kreeg: dat kon een echte Amsterdammer toch ook – en beter? Van Ditmar-directeur Chris de Ruig gaf hem voorzichtigheidshalve steeds een voorschot van ƒ60, in ruil waarvoor hij twintig kroegbeschrijvingen moest inleveren. Het eerste voorschot was snel op, omdat Ten Holter van de zenuwen veel te veel dronk. Daarna ging het beter, al bleef hij een goede innemer. “Ik had door de atletiek een ijzeren conditie,” zegt hij nu, “dus ik kon geweldig drinken. Ik werd wel eens wat wankeler, maar heb nooit een kater gehad. Maar zwaarder werd ik natuurlijk wel en al dat lopen heeft ook z’n tol geëist. Ik heb net een nieuwe knie gekregen!” Net als Asser viel Ten Holter liever niet op. Hij maakte zijn notities haastig op het toilet. “Ze zullen wel gedacht hebben dat ik een zwakke blaas had.”
Ten Holters eerste kroegenboek verscheen toen menigeen zich zorgen ging maken over de toekomstkansen van de klassieke ‘bruine kroeg’, een term die juist toen populair werd. De Drankwet van 1964 bepaalde dat cafés een vloeroppervlak moesten hebben van 35 vierkante meter en aparte wc’s voor dames en heren. In 1978 zouden ze allemaal aan die eisen moeten voldoen en het was duidelijk dat honderden Amsterdamse kroeghouders daarom zouden moeten stoppen. Willen Wilminks Adieu café (1968), gezongen door Herman van Veen, was daartegen een protestlied. Die herwaardering leidde tot gloednieuwe imitaties van het oude model, maar dankzij de economische groei kwamen er ook nieuwe cafétypes bij.
Aan de hand van Ten Holters opeenvolgende voorwoorden zijn de veranderingen mooi te volgen.
1970: “Waar gaat het met de Amsterdamse kroegen naar toe? Vele uit het juiste hout gesneden obers gaan met pensioen, en de opvolging blijkt een moeilijke zaak.”
1977: “Het vermaarde P-concern van Rob Klap (De Pool, De Pels, De Prins, De Pieter; sinds 1966-red.) is een stroomversnelling gebleken in een wezenlijke verandering van het doorsnee Amsterdamse cafégezicht, terwijl brouwerijen de laatste zeven jaar hebben gezorgd voor enkele treffende staaltjes van horeca-monumentenzorg.” (In 1971 redde Heineken bijvoorbeeld het eeuwenoude familiecafé Korpershoek, nu Karpershoek -red). Het aantal Engelse pubs neemt nog steeds toe, evenals dat van de jazz-cafés, de eetcafés, de sportcafés en de schaak-en damcafés. De hausse van populaire bitters werd gevolgd door een invasie van Belgische bieren.”
1982: “Een nieuwe ontwikkeling in het tapwezen is het ‘witte’ café. (O.a. Oblomow en Richter, Reguliersdwarsstraat- red.). Deze nouveauté vertoont veel overeenkomst met het interieur van de bekende Amsterdamse ijssalon. Ook het futuristische lokaal en het punkcafé zijn aan de vernieuwingsdrang ontsproten; het café is daarmee een mode-exponent geworden. In het ijzeren bestand van de klassieke bruine kroegen hebben zich gelukkig geen dramatische mutaties voorgedaan. De eetcafés hebben zich stormachtig ontwikkeld.”
1986: “Door de wekelijks verslaggeving in Het Parool is het voor mij beter mogelijk geworden om de vinger aan de pols van de kastelein te houden. Het is duidelijk dat het vak vakmatiger wordt uitgevoerd. Men is meer gastheer geworden.”

Een schande voor het vak
Nog in datzelfde jaar 1986 - toen de laatste editie van Ten Holters bijbel verscheen - diende
zich een nieuwe hype aan: in 1986 werd Het Gouden Hoofd op het Rembrandtplein (uit 1890) heropend als L’Opera. Een paar jaar later ging daar ook De Kroon weer open, maar wel een verdieping hoger dan een eeuw geleden. Het spraakmakendst in dit genre was wel De Jaren, in 1990 geopend in een oud kantoorgebouw in de Nieuwe Doelenstraat: immens groot, hoog, licht, chic. De sfeer is er niet intiem maar juist anoniem. “Daar werd al het persoonlijke uit het café gehaald!”, bromt Ten Holter. De bediening – door bloedjong personeel – was bovendien aanvankelijk beroerd. Maar de zaak hield stand. Net als Luxembourg, Dante, Dantzig en Du Lac.
Van Ten Holters optimisme uit 1986 over het herlevend vakmanschap is intussen weinig over. De klassieke ober maakt vaak plaats voor onervaren jonkies. “Kijk, een café is toch in de eerste plaats voor bier; dat is het hoofdproduct en dat wordt zo verslonsd, dat is ten hemel schreiend! Ik bedoel: als je ziet hoe barmensen met glazen omgaan!” De brouwerijen zouden dan moeten zeggen: ‘Meneer, u bent een schande voor het vak! We leveren u niets meer!’ Ha!”
In 1991 verkondigde Koninklijke Horeca Nederland zelfs dat de bruine kroeg verleden tijd was. Maar dat blijkt allesbehalve waar. Ze zijn er nog volop: klassieke zaken als Hoppe, Karpershoek, Oosterling, De Pieper, Chris, Kalkhoven, Krom, De Ooievaar, Mulder, Welling, De Zwart en Hesp. Al is er daar wel vaak het een en ander veranderd. Een door veel kroegbazen gesignaleerde trend is de geleidelijke verdwijning van het ‘bitteruur’, zo tussen vijf en zeven: na het werk nog even borrelen met de collega’s. Dat komt allereerst omdat autorijden met een slokje op nu veel strenger wordt bestraft dan vroeger.
Voor de grachtengordelcafés als Pieper, Heuvel en Oosterling komt daar een andere factor bij: zij raakten een belangrijk deel van hun clientèle kwijt toen de rechtbank en ook de naburige banken naar de Zuidas verhuisden of failliet gingen. Kantoren werden vaak appartementen, bewoond door yuppen. Die komen later op de avond en drinken (nog een duidelijke trend) liever wijn dan bier. Daarmee zijn die etablissementen nu eigenlijk weer méér buurtcafé geworden dan voorheen. Herman Ubachs van Herberg Hooghoudt op de Reguliersgracht merkte het ook. Hij begon zijn zaak als lunchcafé voor werknemers van de omliggende banken. Onder het genot van zalm en wijn werden hier ’s middags goede zaken gedaan. Maar door de toegenomen werkdruk is dat lange lunchen voorbij en veel wordt nu per mobiele telefoon afgehandeld. Om al die redenen is zijn zaak daardoor steeds minder een café en steeds minder een restaurant geworden.
De grote verliezers zijn toch de buurtcafés. Ben ten Holter zag ze bij bosjes verdwijnen. “Als je vroeger met de trein uit Utrecht Amsterdam binnenreed, zag je in Oost langs het spoor op elke hoek een kroeg! Die zijn nu bijna allemaal weg!” Maar Frank Bos van café Pleinzicht op het Hoofddorpplein is niet wanhopig. Ja, hij zag zijn klandizie sterk veranderen; de arbeiders trokken weg uit de buurt. En de yupperige nieuwe buurtbewoners gingen helaas naar nieuwe cafés voor hun eigen soort, zoals Gent aan de Schinkel, even verderop. Gelukkig bleven veel oude klanten trouw komen, ook al waren ze verhuisd. En toeristen werden een nieuwe doelgroep – onder meer gelokt door de prima maaltijden die Bos voor een lage prijs serveert. Tja, net als alle anderen vreest Bos voor de gevolgen van het rookverbod, zeker nu de winter nadert. Maar hij blijft optimistisch: “Voorlopig ben ik hier nog niet weg!”






Tabak toch weer ‘duyvelskruyd’?
Roken was eeuwenlang statussymbool
Marius van Melle

11122008_TabakGeen zweempje tabakslucht is er meer te bekennen in de Mokumse bruine kroeg of grand café. Da’s even wennen, want vier eeuwen lang konden Amsterdammers opsteken wat ze maar wilden. Een smaakvolle pijp, een sigaartje of gewoon een lekker zwaar sjekkie – symbolen van levensstijlen. Vanwege alle gezondheidsrisico’s is tabak inmiddels taboe. Maar in de geschiedenis van Amsterdam speelt het rokertje een bijzondere rol.

Na de ontdekking van Amerika waar het wemelde van de rokende indianen duurde het in Nederland nog bijna een eeuw voordat zeelieden, soldaten en experimenterende studenten voor de bijl gingen. Daarna volgde de rest vanzelf. Aanvankelijk werd tabak uit de Verenigde Staten geïmporteerd, maar al snel begonnen Nederlanders ook met teelt op eigen bodem. De Zeeuwse klei bleek niet geschikt, maar de zandgronden in de Gelderse vallei des te beter. Daar werd met Amsterdams kapitaal de verbouw van dit gloednieuwe gewas een groot succes, zij het dat de kwaliteit van de tabak iets minder was dan de Amerikaanse.
Vanaf ongeveer 1620 waren ook de Engelse pijpen inmiddels vervangen door aardewerk exemplaren van vaderlandse makelij. De productie ervan concentreerde zich in Gouda en een ‘lange Gouwenaar’ werd een alledaags attribuut. In herbergen kon iedereen behalve alcoholica ook een gestopte pijp krijgen. De waardin rookte meestal gezellig mee.
Wat was nou zo aantrekkelijk aan tabak, dat het binnen een paar generaties gemeengoed werd? Het kwam allereerst tegemoet aan de vraag naar een simpel opwekkend middeltje, dat een kalmerende werking had, hongergevoel onderdrukte en het sociale contact stimuleerde. Het miste bovendien de hallucinerende werking van andere genotsmiddelen, zoals het verraderlijke zwarte bilzekruid. Werden excessieve drinkers soms agressief, rokers waren geen onruststokers. Maar vooral de smaak beviel en bood je een vreemde je tabakszak aan dan was het ijs al snel gebroken.
Tegenstanders waren er in die begintijd van het massale tabaksgebruik genoeg. ‘Duyvelskruyd’ werd het wel genoemd door mensen die religieuze of ethische bezwaren hadden. Uit medische hoek was de weerstand minder, want al voordat de pijp oprukte was tabak in sommige apotheken verkrijgbaar. Tabakssap bleek bijvoorbeeld een goed purgeermiddel wanneer het met een klisteerspuit werd ingebracht. In sommige landen probeerde de overheid het roken met draconische straffen uit te bannen om vervolgens te ontdekken dat tabak ook een belangrijke nieuwe inkomstenbron voor de overheid kon zijn.

Nieuwe nijverheid
Amsterdam werd in de 17de eeuw dé stapelplaats van tabak waar kooplieden uit heel Europa hun orders plaatsten. Dat was een gunstige situatie voor de ontwikkeling van een omvangrijke tabaksnijverheid. De bladeren, die gefermenteerd en gedroogd bij de fabriqueur belandden, werden eerst van de nerf ontdaan (gestript), ingevocht om ze weer soepel te maken en vervolgens in elkaar gedraaid tot een soort worst. Tijdens dat ‘spinnen’ werden de bladeren met zout besprenkeld om ze voor bederf te behoeden. Langzamerhand werd deze bewerking vergemakkelijkt door mechanische hulpmiddelen.
In de tweede helft van de 17de eeuw groeiden sommige tabaksspinnerijen uit tot voor die tijd gigantische bedrijven met vele tientallen werknemers. Het was ook een nieuwe nijverheid die niet onder gildenbepalingen viel, waardoor veel joden in deze bedrijfstak werkten.
De tabaksstrengen werden vervolgens verkocht in tabakswinkels, waar de winkelier de delen afsneed die hij nodig had. Het leeuwendeel echter werd geëxporteerd en dat liep lange tijd, tot ongeveer 1720, uitstekend. Nederlandse tabak was namelijk goedkoper dan die van de buitenlandse concurrentie. Deels kwam dat doordat de belastingdruk hier geringer was, deels omdat dure Amerikaanse tabak stiekem werd vermengd met goedkopere Utrechtse en Gelderse varianten. Maar die moesten dan wel eerst gesaust worden, met allerlei kruiden en suikerstroop, om de bittere smaak te verdoezelen.
Het snuiven van gemalen en sterk gesauste tabak was trouwens een typisch Europese vinding. Het was een mode die in Franse hogere kringen populair werd en overwaaide naar Nederland, waar het vooral in de achttiende eeuw bij de welgestelden zeer populair werd. Om het te kunnen snuiven werd gesponnen tabak eerst een paar dagen in een vat met saus gelegd, waarna enkele strengen in een cilindervormige mal werden geperst. Er ontstond dan een ‘karot’ – ook wel ‘andoelje’ genoemd – die voor de stevigheid met garen werd omwonden. Snuif kreeg men door karotten te raspen – en als dat in een windmolen gebeurde heette dat ‘rapé’. Ook in Amsterdam hebben van die snuifmolens gestaan.
Dat de zoons van snuifmolenaar Blooker aan het Oetgenspad in 1811 overstapten op het malen van cacaobonen geeft aan dat de rage van het snuiven definitief voorbij was. De meeste snuifmolens stonden in de Zaanstreek (maar liefst 32 in 1795) en in Rotterdam. Die stad had in de loop van de 18de eeuw een deel van de tabakshandel naar zich toegetrokken, met als gevolg dat daar een tabaksverwerkende nijverheid was ontstaan. Het in 1782 gestichte bedrijf van Johannes van Nelle, dat na zijn overlijden enige jaren voortgezet werd door zijn ‘zware’ weduwe, is de bekendste.

Klapsigaar
Dat Napoleon, een verwoed snuiver, in 1815 zijn Waterloo vond, was voor de die-hard tabaksfanaat een gelukkige afloop. Want vanwege het door hem ingestelde staatsmonopolie – dat het in Frankrijk zou uithouden tot 1999 – was alleen minderwaardige Europese tabak beschikbaar. En dan ook nog eens in geringe hoeveelheden. Het was dus een verademing toen er weer betere tabak uit de beide Amerika’s werd aangevoerd. Een nieuwtje was dat via Spanje nu ook sigaren werden geïmporteerd.
Met dat product hadden Europeanen in het Caraïbisch gebied voor het eerst kennis gemaakt. Vanwege de hoge prijs was het sigarenroken vooralsnog geen geliefde hobby, maar dat veranderde toen er een generatie later ook in Nederland sigaren gemaakt werden, eerst in Kampen en al snel ook in Amsterdam. De succesvolle aanplant van tabak op Java en Sumatra leidde ertoe dat de handel en bewerking ervan een enorme stimulans kreeg. De kwaliteit van sigaren steeg ook door de goede kwaliteit van tabak uit Deli, dat vooral geschikt was voor het dekblad. Aanvankelijk werden ook sterk geparfumeerde sigaren gemaakt, zoals kaneel- en muskussigaren. Een in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam aanwezige handleiding uit 1849 rekende onder deze categorie ook de klapsigaar. Dat angstaanjagende rokertje kon echter tot gruwelijke ongelukken leiden ‘zoodat het wenschelijk ware dat dit kunstje nimmer gebezigd werd’.
De Amsterdamse sigarennijverheid ontwikkelde zich geleidelijk tot een van de belangrijkste bedrijfstakken waar duizenden mensen werk vonden. Er stond een aantal grote fabrieken die vooral voor de export werkten. Maar er waren ook tientallen kleinere bedrijfjes en nog meer ‘eigen werkers’ die zich hoofdzakelijk richtten op de lokale markt. De sigaar was niet langer een exclusief attribuut van een heer met hoge hoed en een wandelstok met zilveren knop. Naarmate de sigaar relatief goedkoper werd, de werkgelegenheid toenam en de levensstandaard langzaam op een hoger plan kwam, kon een pijprokende werkman zich een zondagse sigaar veroorloven. Later ook op andere dagen in de week.

‘Kan-nie-lope-los’
Een groepje dandy-achtige types in Amsterdam had ondertussen weer iets nieuws ontdekt. Ze rookten sigaretten, een uit Spanje via Frankrijk overgewaaide mode. Maar voor de prijs van een hippe sigaret kon je veel langer genieten van een pijp of een sigaar, dus veel navolging kreeg die in eerste instantie niet. Dat begon te veranderen toen ze machinaal werden gedraaid. In Amsterdam ging J. van Kerckhof daar het eerst toe over. In 1885 had hij een fabriekje gesticht op de Nieuwezijds Voorburgwal 306 en produceerde sigaretten van Grieks-Turkse tabak. Tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw zou het sigaretten rokende publiek deze zware jongens nog altijd prefereren boven de lichtere Amerikaanse.
Dat oosterse, exotische karakter werd ook in reclamecampagnes benadrukt door het bedrijf dat sigarenhandelaar en -winkelier Eduard Huf in 1904 had gesticht in Amsterdam-Noord. Stelio heette de fabriek, naar de uit Smyrna afkomstige bedrijfsleider Stelianos Efstathópoulos. ‘Kan-nie-lope-los’ werd hij door het personeel genoemd, want alleen zwaar leunend op de arm van een fabrieksmeisje kon hij zijn rondgang maken door de fabriek.
Doordat na de Eerste Wereldoorlog de productie van sigaren grotendeels naar het zuiden van ons land verschoof (waar de lonen lager lagen), liep de sigarennijverheid in Amsterdam terug. Maar dat gold niet voor de consumptie.
Relatief nam het roken van sigaretten toe omdat in de jaren twintig ‘moderne vrouwen’ ze gingen opsteken. Die kortgeknipte dansgrage dames prefereerden net als hun partners lichtere sigaretten van Amerikaanse ‘blonde’ tabak. In die behoefte ging een joint-venture van Amerikaanse en Britse tabaksgiganten voorzien, de Batco, die in 1928 al een derde van de markt veroverde. Pijp en sigaar verloren in rap tempo aan populariteit. De onhandige breekbare pijpen waren inmiddels vervangen door bruyerehouten exemplaren en dat had de terugloop van het pijproken nog even een nieuwe glans gegeven, maar de rookgewoonten verschoven duidelijk naar sigaretten en shag.

Strenge maatregelen
Voor de gezondheid van de tabaksgebruikers was dat niet zo’n goede ontwikkeling, want die lichte Amerikaanse rokertjes werden fiks geïnhaleerd. Dat tabak een genotmiddel was met gezondheidsrisico’s was al jaren bekend en dat had geleid tot een verkoopverbod aan kinderen. Door het over de longen roken namen de gezondheidsrisico’s aanmerkelijk toe. Duitse artsen legden het eerst verband met toename van longkanker en de felle antiroker Adolf Hitler verbood subiet het roken op straat in Berlijn. Duitse vrouwen mochten al sinds 1933 van hem alleen thuis roken, dat was omdat hij gedamp niet esthetisch verantwoord vond.
Toen Hitler de wereld in brand zette en Nederland bezette, wond zijn aanhang zich vreselijk op over het roken omdat ze het niet kon laten – Goebbels bijvoorbeeld – en de rest van de rokers maakte zich zorgen omdat tabak schaarser en schaarser werd. Met het imago van de sigaret was nog niet veel mis. De Britse premier Churchill rookte sigaren, de Amerikaanse president Roosevelt sigaretten en zijn vrouw weer sigaren: dat waren mensen waarmee men zich graag identificeerde. En de bevrijders deelden chocolade en sigaretten uit. Het genot kon niet op.
Het debat over de gezondheidsrisico’s van roken begon zo’n vijf jaar na de bevrijding in Amerikaanse medische kringen. In Nederland maakte die discussie aanvankelijk weinig indruk. De filtersigaret (Peter Stuyvesant) sloeg aan bij vrouwen; stoere cowboys – zoals de latere president Reagan – benadrukten in reclamecampagnes het avontuurlijke karakter van de sigarettenrokende man. Maar in de jaren zestig werden de tegengeluiden uit verschillende hoek almaar sterker, van ‘antirookmagiër’ Robert Jasper Grootveld tot dr. Lenze Meinsma van het Koningin Wilhelmina Fonds.
Toch zou het nog een generatie duren voordat de overheid met strenge maatregelen kwam tegen het roken, waarbij voor het gemak geen rekening gehouden werd met de verschillende vormen van tabaksgebruik en met het wetenschappelijk vraagstuk over de mate van schadelijkheid van passief roken. De roker is nu voorgoed van de troon gestoten waarop hij eens zat. Maar gelukkig wordt hij in het Pijpenkabinet (Prinsengracht 488) en in het chique sigarenmagazijn Hajenius (Rokin 92) nog altijd als een vorst ontvangen.







Drank maakt meer kapot dan je lief is
De pioniersjaren van de Amsterdamse verslavingszorg, 1909-1933
Tekst: Gemma Blok

11122008_ConsultatieburoAlcoholisme was een groot probleem in 19de-eeuws Amsterdam. Met het Medisch Consultatiebureau voor Alcoholisme legde Theo van der Woude de basis voor de moderne verslavingszorg, de voorloper van het huidige Jellinek-instituut. ‘Pappen en nathouden’ was ook toen al het devies.

In 1892 bekeerde de 29-jarige onderwijzer Theodorus van der Woude zich tot de geheelonthouding. Hij had lang geaarzeld voor hij deze stap nam. Zijn schoonvader dronk graag gezellig een bittertje met hem voor het eten. Durfde hij deze momenten van alcoholische verbroedering wel te verstoren? Hij besloot het erop te wagen. Van der Woude beschouwde alcohol als de “allerverschrikkelijksten geesel der Menschheid”, door wat hij jarenlang had meegemaakt tijdens zijn werk onder het Amsterdamse proletariaat.
Sinds 1883 was hij onderwijzer op volksscholen in de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden. Bij veel ‘boefjes’ die hij in de klas had bleek drankmisbruik thuis een probleem. De moeders waren opgebrand, de kinderen werden verwaarloosd. Tot zijn dood in 1943 was Van der Woude een zeer actief drankbestrijder. Van 1909 tot 1933 was hij bovendien directeur van het Medisch Consultatiebureau voor Alcoholisme in Amsterdam – de voorloper van het huidige Jellinek-instituut voor verslavingszorg.

Het loopt storm
Van der Woude stond omstreeks 1900 aan de wieg van de Nederlandse verslavingszorg. Sinds 1850 was de drankconsumptie in Nederland explosief toegenomen, samenvallend met de verstedelijking. Drankzuchtige arbeiders leidden vaak een waar ‘junkie-bestaan’. Ze brachten hun spullen naar de Bank van Lening, sloten leningen af tegen woekerrentes, en vervielen uiteindelijk tot diefstal en pauperisme. Recht op armenzorg hadden drinkebroers en hun gezinnen niet, vond men toen.
Veel alcoholisten belandden met een delirium in het krankzinnigengesticht. Of ze kwamen wegens openbare dronkenschap terecht in de beruchte Rijkswerkinrichtingen in Hoorn en Veenhuizen, speciaal voor landlopers, pooiers en drankzuchtigen. De specifieke alcoholistenzorg begon met de Volksbond voor Drankbestrijding. Deze vereniging van rijke sociaal-liberalen – typische ‘volksverheffers’ – stichtte in 1891 het eerste sanatorium voor drankzuchtigen, Hoog-Hullen.
In 1908 kwam de Amsterdamse afdeling van de Volksbond met een tweede plan. Men riep Van der Woude bij zich en psychiater Karel Herman Bouman. Die werkte in het Wilhelmina Gasthuis en had geregeld met alcoholisten van doen. De heren kregen het verzoek om een Consultatiebureau voor Alcoholisme te beginnen, naar analogie van de consultatiebureaus voor tuberculose die toen overal werden opgericht. Een andere inspiratiebron waren de Duitse ‘spreekuren’ voor alcoholisten, waarin politie-inspecteurs en artsen lastige drankzuchtigen eens duchtig onder handen namen. Was dat ook niet wat voor Nederland?
Van der Woude en Bouman waren enthousiast, al wilden ze niet zo nauw samenwerken met de politie als in Duitsland gebeurde. In september 1909 hielden zij hun eerste spreekuur, op zaterdagavond: de grootste risico-avond voor drinkers. Aan de inrichting van de wachtkamer was veel aandacht besteed, want “tegenover den machtigen invloed van de kroeg moet onze wachtkamer een nog sterkere aantrekkingskracht bezitten.” Het moest een “tegen-attractie” zijn, met een leestafel en schaak- en damspelen.
Al snel ging men over op twee avondspreekuren, want het liep storm. Het duurde vaak tot half twee ’s nachts voor de laatste klant naar huis ging. Veel bezoekers waren vrouwen van alcoholisten, die kwamen vragen om een wondermedicijn dat ze door het eten van hun man konden mengen. Ze werden snel uit de droom geholpen, maar mochten wel blijven om hun verhaal te doen. Volgende keer je man sturen, moesten ze beloven.

Denk toch aan je kinderen!
De alcoholisten op de spreekuren waren laaggeschoolde handarbeiders van zo’n veertig jaar. Ze hadden altijd een probleem: ze dreigden hun huis, baan, vrouw, kinderen of vrijheid kwijt te raken door hun drankmisbruik. Het Bureau bood bemiddeling en praktische hulp. In het begin werd iedere nieuwe patiënt eerst door Bouman gezien en daarna door Van der Woude. Maar door de grote toeloop werd dat onmogelijk, zeker nadat Bouman in 1915 hoogleraar werd en weinig tijd meer had. Van der Woude selecteerde de mensen waarbij hij iets bijzonders vermoedde in hun psychische of lichamelijke gesteldheid. Die stuurde hij door naar Bouman.
Overdag hield Van der Woude spreekuur aan huis. Daar ontving hij familieleden van cliënten en afgevaardigden van de vele organisaties met wie hij een goede samenwerking opbouwde, zoals de Voogdijraad en de Reclassering. Ook onderhield hij innige contacten met de Internationale Orde van Goede Tempelieren. Veel leden van deze geheelonthoudersorganisatie waren zelf ex-alcoholisten. De Tempelieren waren handige hulpkrachten voor Van der Woude. Het contact met deze lotgenoten sleepte nieuwe klanten vaak door de eerste moeilijke, nuchtere weken heen. Soms liepen Tempelieren een nieuwe klant een tijdje stiekem achterna, om te kijken of hij niet toch de kroeg indook. Dan grepen ze in. Het liefst zag Van de Woude, dat zijn klanten allemaal Tempelieren werden, na enkele maanden bij het Bureau te hebben gelopen. Bij een minderheid lukte dat.
Bouman was vooral geïnteresseerd in het verzamelen van statistische gegevens over de alcoholisten, voor wetenschappelijk onderzoek. Wat was hun sociale profiel en hoe zat het met hun familie-achtergrond: kwam daar ook al drankzucht in voor, of “zenuwachtigheid”? Van der Woude probeerde ondertussen om zijn cliënten te hervormen tot brave geheelonthouders, die hun drankzucht en “vadsige arbeidsschuwheid” zouden overwinnen. Eerst won hij het vertrouwen van zijn klanten, door in te spelen op hun persoonlijk voordeel: de belofte van een betere gezondheid, geldbesparing, het behoud van werk, het afwenden van een dreigend vonnis. Daarna zocht hij een aangrijpingspunt om het ‘betere ik’ van een klant te wekken. Denk nu toch, hield hij hen voor, “elke keer als je trek krijgt in een glas, aan je kinderen! Denk eens, dat je oudste jongen denzelfden weg opging! Wiens schuld zou dat wezen?”

Een moeizaam en glibberig pad
De pioniers van de verslavingszorg probeerden niet alleen om verslaafden te disciplineren. Ze wilden ook de samenleving humaniseren. Ze deden erg hun best om begrip te kweken voor de drankzuchtige medemens. Dat u en ik niet verslaafd zijn, betoogde Van der Woude, is geen persoonlijke verdienste. Dat hebben we te danken aan afkomst en opvoeding, aan de invloeden van de omgeving waarin we zijn opgegroeid. Deze wetenschap moet in ons wekken “niet alleen groote dankbaarheid voor hetgeen wij hebben verkregen, doch tevens de plicht om de minder gelukkigen te steunen en ze te behoeden tegen dieper val.”
Het redden van alcoholisten was een “moeizaam en glibberig pad”, volgens Van der Woude, maar hij boekte wel succes. Hij slaagde er bijvoorbeeld in zijn klanten uit handen te houden van woekeraars, door het Bureau renteloze leningen te laten verstrekken. Ook regelde Van der Woude dat zijn klanten voortaan in aanmerkingen kwamen voor armenzorg. Vanaf 1914 werkte hij samen met de dienst voor Maatschappelijke Steun. In gevallen van alcoholisme gaf het Consultatiebureau de uitkering af, niet aan de alcoholist zelf maar aan diens vrouw – op voorwaarde dat haar man in behandeling ging op het Bureau.

Pappen en nathouden
Zo trok Van der Woude de alcoholistenzorg uit de klei. In 1933, op 70-jarige leeftijd, stopte hij met zijn werk. Dat was het einde van de pioniersfase, waarin de alcoholistenzorg nauw verbonden was met één bevlogen persoon. In veel opzichten legde Van der Woude de basis voor de moderne werkwijze. Motiverende gespreksvoering, overgoten met een saus van praktische steun en juridische ‘drang’: het is nog altijd het recept van de sociale verslavingszorg.
Wel is er nu meer aandacht en tolerantie voor de chronische verslaafden. Van der Woude stelde nog uitdrukkelijk dat zijn consultatiebureau bedoeld was voor de ‘geneeslijke’ drankzuchtigen. De rest moest “uit de vrije maatschappij worden verwijderd en er voor goed buiten blijven.” In de praktijk diende hij de soep niet altijd zo heet op. Zo behandelde hij een oude “verzopen kerel” die niet te redden viel. Omwille van zijn “fatsoenlijke” gezin hield het Bureau een oogje in het zeil, door hem in een betrouwbaar kosthuis onder controle te hebben. Zijn kinderen, die vroeger veel last van hem hadden – hij trapte relletjes bij hen aan de deur – betaalden zijn kostgeld en waren tevreden. Van der Woude hoorde twee keer per week de “jeremiades” van hun dronken vader aan, die overigens ook redelijk tevreden was.
Dit pappen en nathouden is tegenwoordig een gevestigde behandelvorm in de verslavingszorg, ‘harm reduction’ genaamd. Doel ervan is het beperken van de lichamelijke of sociale schade die een verslaving aanricht. Hulpverlening is er tegenwoordig ook voor degenen die zorg mijden of niet te ‘redden’ zijn – ook als er geen ‘fatsoenlijk’ gezin achter hen staat. Het fanatieke behandeloptimisme van de pioniersjaren is wat vervaagd, net als het moralisme. Hulpverleners plaatsen zich niet langer als strenge leider boven de deemoedige gevallene, maar zien zichzelf als de coach van een chronische cliënt. Geheelonthouding wordt patiënten tegenwoordig soms zelfs ontraden, als de teleurstelling van het telkens maar terugvallen te groot wordt. Inmiddels is ‘gecontroleerd gebruik’ eveneens een acceptabel behandeldoel. Helaas blijkt dit voor veel mensen even onbereikbaar als het vroegere ‘abstinentie’-ideaal.






De eerste coffeeshop ter wereld
Toen softdrugs nog hip waren
Tekst: Karin Lakeman

11122008_CoffeeshopBegin jaren zeventig schokte Amsterdam de rest van de wereld met een uniek verschijnsel: de coffeeshop. Het schenken van koffie, thee en andere dranken werd gecombineerd met de openlijke verkoop van hasj en marihuana. Mellow Yellow was de eerste, in een gekraakte bakkerswinkel op de Weesperzijde.

Nederwiet, Marokkaanse hasj, een voorgedraaide joint of toch maar een space muffin? Het staat allemaal op het ‘menu’ van coffeeshop Rusland, in het gelijknamige zijstraatje van de Kloveniersburgwal. Bedrijfsleider Misjel (“noteer maar geen achternaam”) heeft de lijst open en bloot op zijn toonbank liggen. Buitenlandse toeristen en vaste buurtklanten wisselen elkaar in rap tempo af, terwijl Misjel hardop klaagt over het steeds strenger wordende coffeeshopbeleid. “Allemaal dankzij het CDA en de ChristenUnie,” zegt hij. Daarnaast heeft Amsterdam nog een eigen “handhavingsbeleid” en is soms nog roomser dan de paus. Vanaf 1995 geldt er een uitsterfbeleid in Amsterdam: bestaande coffeeshops mogen wel worden overgenomen, maar er mogen geen nieuwe meer bijkomen.
Toch verkeren de Amsterdamse softdruggebruikers en -handelaren nog steeds in het Walhalla, vergeleken met een paar decennia geleden, toen hasj en marihuana voorzichtig hun intrede deden. Een politierapport uit 1955 maakt melding van een “jonge kunstschilder” die werd aangehouden wegens het in bezit hebben en roken van marihuanasigaretten. “Bij zijn verhoor bekende deze verdachte geruime tijd deze sigaretten te roken welke hij – op een enkele uitzondering – steeds kreeg van vrienden”. De schilder werd veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Cotton Club
Hasj en marihuana komen na de Tweede Wereldoorlog naar Amsterdam. In Duitsland gelegerde Amerikaanse militairen die voor verlof naar Amsterdam komen, gebruiken en verkopen cannabis. Zo stelt jurist Van Wolferen vast in het Tijdschrift voor Strafrecht in 1949. Hij noemt nóg een groep gebruikers: jazzmuzikanten, meestal ook Amerikanen. Marihuanasigaretten worden voor een gulden verkocht aan “swingmusici, negers en blanke musici, die zich in deze muziek trachten in te leven”. De handel is volgens hem “geconcentreerd in Rotterdam op Katendrecht en in Amsterdam op de Zeedijk en Nieuwendijk, de enige plaatsen n.l., waar de weinige negerorkestjes welke ons land rijk is, emplooi vinden”.
In Amsterdam gaat het ook om de Cotton Club op de Nieuwmarkt, een van de eerste uitgaansgelegenheden waar blank en zwart samenkomen. Daar lopen de Surinamers Blackie en Small Boy rond die sneefers of strootjes (marihuanasigaretten) verkopen. De laatste wordt door justitie de grootste dealer van Amsterdam genoemd. Pas na een wijziging in de Opiumwet in 1953, als bezit en productie van cannabis strafbaar worden, kan er tegen hen opgetreden worden. Vier jaar later worden beide dealers opgepakt: Small Boy krijgt anderhalf jaar cel en Blackie een halfjaar.
Intussen breidt het aantal gebruikers in Amsterdam zich gestaag uit. De jazz en de marihuana trekken ook een groep blanke, progressieve jongeren aan. Mensen als Ramses Shaffy, Aat Veldhoen, Adèle Bloemendaal en Jan Sierhuis komen regelmatig in de Cotton Club. En ook de jonge dichter Simon Vinkenoog rookt begin jaren vijftig zijn eerste pretsigaret. Maar voorlopig blijft de groep gebruikers beperkt tot een clubje ingewijden.

Provo’s en hippies
Het gebruik van softdrugs neemt echter explosief toe als vanaf 1965 provo’s en vooral hippies zich beginnen te roeren. Provo’s steken de draak met de burgerlijke maatschappij en de autoriteiten en zien in de softdrugs een provocatiemiddel bij uitstek. En de hippies, nou ja, dat weten we allemaal: love, peace, happiness en de joint als cultuurgoed. Helemaal te gek man, weet je wel.
De Amsterdamse Narcoticabrigade is in 1966 uitgebreid van twee naar zes man, maar dat is veel te weinig om daadkrachtig op te treden. Eind jaren zestig wordt er volop geblowd door Vondelpark-hippies en Dam-slapers. De Narcoticabrigade doet invallen in Paradiso en andere hippe clubs, zoals Fantasio op de Prins Hendrikkade. Mensen worden gefouilleerd en wie hasj of marihuana bij zich heeft, moet naar het politiebureau.
Uiteindelijk valt er niet meer op te rechercheren tegen de almaar groeiende groep blowers. Het is dweilen met de kraan open. Bovendien buigen politiek, pers en experts zich dan al enige tijd uitgebreid over de vraag hoe schadelijk het gebruik van cannabis nu werkelijk is en of softdrugs wel thuishoren in het strafrecht. In de jaren vijftig werd nog gedacht dat je er syfilis en krankzinnigheid aan over kon houden. Maar dat schijnt later toch wel mee te vallen.
Ondertussen zijn de gebruikers euforisch over de drug. De Amsterdamse provo Bart Huges – die een gaatje in zijn hoofd boorde om in een permanente staat van bewustzijnsverruiming te verkeren – noemt zijn in 1963 geboren dochter zelfs Marie Juana.
In 1969 geeft het Openbaar Ministerie een officiële richtlijn uit dat het gebruik van softdrugs niet langer behoort tot de prioriteiten in het opsporingsbeleid. De handel in softdrugs blijft dat nog wel, evenals gebruik en handel in harddrugs. Op dat moment zijn dat LSD en amfetaminen. De Opiumwet wordt pas echt gewijzigd in 1976 en vanaf dat moment is het bezit en de verkoop van kleine hoeveelheden cannabis nog wel strafbaar, maar geen misdrijf meer.

Net Albert Heijn
Kees Hoekert en Robert Jasper Grootveld richten in 1969 de Lowland Weed Company op en verkopen vanaf het dak van Hoekerts woonschip ‘De Witte Raaf’ hennepplantjes voor een gulden per stuk. Wernard Bruining en een groepje vrienden kraken een paar jaar later de bakkerswinkel op Weesperzijde 53. Ze krijgen veel aanloop van vrienden. De joint gaat er dagelijks rond en het idee wordt geboren om er een coffeeshop te beginnen waar ook hasj en marihuana te koop zijn.
Een coffeeshop is makkelijk te openen, want er is geen vergunning voor nodig. Dat woord betekent dan nog gewoon: hip koffiehuis. In 1973 worden er de eerste weedplantjes in de etalage gezet en de naam Mellow Yellow verschijnt op de ramen, naar de hit van de Engelse zanger Donovan. De tekst van het liedje zou slaan op het roken van gedroogde bananenschillen, waar je high van kan worden.
Bruining (dan 23 jaar en eigenaar) en zijn vrienden willen af van de schimmige wereld van huisdealers in café’s en jongerencentra. “Wij begonnen met het verkopen in plastic zakjes”, vertelt hij nu, ruim 30 jaar later. “We boden allerlei soorten hasj en weed aan, in verpakkingen van 10 en 25 gulden. Zodat je keus had en kon zien wat je kocht. Een beetje zoals bij Albert Heijn.” Ze deden het niet om het geld, maar uit idealisme. “Duidelijke en eerlijke handel, en mensen door middel van een joint met elkaar in contact brengen. Wij waren hippies. De wereld zou beter worden als mensen gingen blowen.”
Wat Mellow Yellow doet, is in 1973 nog ten strengste verboden en wordt zo veel mogelijk stil gehouden. De politie is aanvankelijk nog niet op de hoogte van het bestaan van die eerste coffeeshop en ook in de kranten verschijn er geen letter over. Mellow Yellow heeft bovendien een uitgekiend systeem om te voorkomen dat de politie bij een eventuele inval iets van de voorraad zou aantreffen: een alarmmethode plus dubbele deuren en luiken.

Nummer 001
Overigens wordt betwist of Mellow Yellow werkelijk de eerste coffeeshop was. Coffeeshop Rusland – begonnen in 1975 – meent dat zij de allereerste is. “Wij zijn in elk geval de eerste coffeeshop die nu nog steeds bestaat en in hetzelfde pand zit,” zegt bedrijfsleider Misjel, en trots wijst hij op het groen-witte “gedoogvignet” dat elke Amsterdamse coffeeshop op de gevel moet hebben. Nummer 001, staat erop. En dan is er nog The Bulldog die, enkele maanden na Rusland, ook in 1975 openging. Eigenaar Henk de Vries veranderde de seksshop van zijn vader Maurits op de Oudezijds Voorburgwal – waar al heimelijk softdrugs verkocht werden, in een coffeeshop – en roept zichzelf daarom uit als de enige echte eerste. De zaak is inmiddels uitgegroeid tot, aldus De Vries, een “multinational” in Amsterdam, met verschillende vestigingen, een hotel en een souvenirwinkel.
Mellow Yellow ging in 1978 dicht. Om te kunnen blijven concurreren, moest Bruining steeds grotere partijen inkopen en werden de zaken steeds ingewikkelder. Na een brand in het pand, hield hij het voor gezien. Wel is hij altijd actief gebleven in de wereld van de softdrugs. Hij introduceerde vanuit Amerika de Sinsemilla-teelt in Nederland, zaadloze marihuana die later bekend zou worden als Nederwiet en heel Europa zou overspoelen. In 1980 verkocht Bruining zijn eerste kilo Nederwiet aan The Bulldog. Nu is hij uitgever van plattegronden met coffeeshoproutes. Overigens bestaat er nog steeds een coffeeshop op de Vijzelgracht die Mellow Yellow heet, maar die heeft niets van doen met de Mellow Yellow van destijds.

Toeristische attractie
Vanaf halverwege de jaren zeventig breidde het aantal coffeeshops zich gestaag uit. In 1993 had Amsterdam er maar liefst 550, gedoogde welteverstaan. Sindsdien is hun aantal sterk afgenomen. In 2008 waren er nog 224 over. Maar nog altijd heeft Amsterdam veruit de meeste coffeeshops van het land maar over de grens is het fenomeen onbekend. In België of Portugal is het wel toegestaan om een paar gram op zak te hebben en in de Amerikaanse staat Californië wordt cannabis als medicijn verstrekt, maar voor je lol een horecagelegenheid binnenlopen en daar openlijk hasj of marihuana kopen: dat kan alleen in Nederland. De hasjhoreca is dan ook een grote toeristische attractie.
Uit onderzoek dit jaar van het Amsterdam Toerisme- en Congresbureau naar het bezoekersprofiel van 6000 buiten- en binnenlandse toeristen, blijkt dat 23% een coffeeshop aandoet waar softdrugs verkrijgbaar is. De Engelse Lorna Clay, manager van de non-profit-organisatie Cannabis College op de Oudezijds Achterburgwal, die voorlichting geeft over de voordelen én gevaren van cannabisgebruik, stelt dat veel Europese jongeren naar Amsterdam komen enkel en alleen omdat ze hier vrij softdrugs mogen kopen en gebruiken. Even verderop op de Oudezijds Achterburgwal zit trouwens sinds 1985 het piepkleine Hash Marihuana & Hemp Museum, goed voor bijna 10.000 (bijna uitsluitend buitenlandse) bezoekers per jaar.
Een klein veldonderzoekje op de Wallen leert dat de economische betekenis van het Amsterdamse cannabisparadijs niet onderschat mag worden. De oudste vestiging van The Bulldog zit bomvol, in coffeeshop Rusland lijken de zaken uitstekend te lopen en ook in het hasjmuseum is het druk. Dan zijn er nog de grow shops, waar hennepzaadjes en toebehoren voor de teelt van Nederwiet te koop zijn. De medewerkers in alle zaken zijn overtuigd van de heilzame werking van de cannabis. Relaxed, bij verstandig gebruik niet schadelijk, zeker niet als je er geen tabak bij gebruikt. En toch: de landelijke regels en het Amsterdamse handhavingsbeleid worden steeds strenger. Als de regels te vaak zijn overtreden, wordt een coffeeshop zonder pardon dichtgetimmerd.

Harde criminaliteit
Door de wijziging van de Opiumwet in 1976 is de verkoop van cannabis door de coffeeshops weliswaar gedoogd, maar veel zaken worden nog aan het toeval overgelaten. De coffeeshophouder bevindt zich nog steeds in een vreemde spagaat. Verkopen is toegestaan, maar je mag maar weinig voorraad hebben en inkopen mag eigenlijk ook niet. Doordat de vraag snel groeide, kwamen er vanaf de jaren zeventig in Amsterdam steeds meer zakenmensen van bedenkelijk allooi die wel brood zagen in hasj en marihuana. De handel in softdrugs raakte steeds meer verweven met de harde criminaliteit, inclusief liquidaties, witwaspraktijken en ripdeals. Overheid en politie begonnen zo’n tien jaar geleden strenger op te treden tegen de coffeeshops. Amsterdamse coffeeshophouders vinden dat de verkeerde weg en ook de hippies zullen het vast niet zo bedoeld hebben. Ze krijgen er in elk geval geen lachkick van en zien meer in het legaliseren van de handel.
Wernard Bruining is nog steeds een fervent blower. Hij is ervan overtuigd dat de wereld is veranderd door hasj en marihuana. “Anders waren er geen Beatles en geen Rolling Stones geweest, geen popart en geen Carnaby Street. Voor die tijd was de wereld grijs. Ik werd nagekeken als ik op mijn Adidas-sportschoenen over straat liep. Door de hasj en de weed is de maatschappij oneindig veel gevarieerder geworden. Blowen doet je anders naar de werkelijkheid kijken.” Hij gelooft niet zo in de theorie dat de handel in softdrugs uit zichzelf zoveel harder is geworden. “De wereld van de sofdrugs is géén harde wereld,” zegt hij. “Al die randverschijnselen worden gecreëerd door de repressieve houding van politie en justitie zelf.” Hij wil het wel uitschreeuwen: legalize it!







‘Het regent hier heroïne’
Van opium tot ’bruine suiker’
Tekst: Eric Slot

11122008_Opium_en_heroineDe invoer van opium en later ook heroïne was in Amsterdam in handen van Chinese criminelen. Maar hun Nederlandse collega’s – met ‘Frits van de Wereld’ voorop – waren er als de kippen bij om zich met de tussenhandel te bemoeien. Wat politie en justitie ook deden om hun deals te stoppen, de kilo’s verdovende middelen namen alleen maar toe. Maar net als de Binnen en Buiten Bantammerstraat, werd de Zeedijk ten slotte op de junks heroverd.

Amsterdam, 20 september 1973. Acht uur ’s ochtends zette rechercheur Henk Brouwer in de tapkamer van het hoofdbureau aan de Elandsgracht de bandrecorder aan. Brouwer – ‘Kappie’ voor collega’s – werkte bij de Centrale Recherche, afdeling Bijzondere Zaken, beter bekend als de Criminele Inlichtingen Dienst (CID). Hij had de opdracht alle gesprekken op te nemen die werden gevoerd met telefoonnummer 020-64602. Het stond op naam van de hoofdbewoner van het perceel Zeedijk 19 driehoog.
Brouwer nam het snel groeiende dossier van de man nog eens ter hand. Want de 46-jarige Frits Adriaanse – zijn telefoon werd afgetapt – kon weleens de eerste godfather van de Amsterdamse onderwereld worden. Als hij dat niet al was.
De telefoon van Adriaanse (alias ‘Frits van de Wereld’, naar zijn café op Zeedijk 10) werd afgeluisterd in verband met de handel in drugs. ‘Bij geruchte’ had de recherchevernomen dat de man hasj importeerde, duizenden kilo’s per transport. Die werden per boot uit Libanon aangevoerd. Maar op 23 oktober 1973 – ruim een maand later – bleek dat Adriaanse niet alleen in hasj handelde, maar ook in heroïne. Die dag belde ene Tine, zo luistervinkte Brouwer. Adriaanse wist aanvankelijk niet wie hij aan de lijn had, tot de vrouw zei dat ze die blonde was die bij die ‘Dooie’ in de Van Eeghenstraat had gewerkt. De vrouw wilde ‘handel’ en Adriaanse zei dat hij van dat spul had dat ze ‘bruine suiker’ noemden, horse. Of rechercheur Brouwer wist wat bruine suiker of horse was, is niet duidelijk. Hij spelde het woord fonetisch: ‘Hors.’
Maar goed, Brouwer werkte dan ook niet bij de Narcoticabrigade. Dáár wisten ze heel goed wat met brown sugar werd bedoeld: heroïne, de drug die begin jaren zeventig steeds vaker in beslag werd genomen. In 1971 nog 50 gram, maar in 1976 al 62 kilo. In die vijf jaar was Amsterdam dé doorvoerhaven voor Aziatische heroïne in Europa geworden. In 1976 erkende commissaris Gerard Toorenaar dan ook: ‘Het regent heroïne in Nederland!’
Heroïne bleek een dodelijke drug. In datzelfde jaar 1976 stierven in de hoofdstad 35 mensen aan een overdosis of aan vergiftiging: om de winst te optimaliseren versneden handelaren de drug met van alles en nog wat. Het aantal doden steeg in de jaren daarna sterk. In 1983 stierven 53 mensen aan de drug, vrijwel allemaal West-Duitsers. Gemiddeld werden ze 27 jaar en een paar maanden.

Bloedige bendeoorlog
De opkomst van Amsterdam als drugsmekka begon een halve eeuw eerder met kogels, in 1918. Op 17 augustus werden in Amsterdam drie Chinezen vermoord. Ivan Liang was een jonge Chinees, die geld genoeg had om het rustig aan te doen. Hij woonde in het kosthuis van zijn landgenoot Hoy in Buiten Bantammerstraat 8 en was een gezien man. Liang werkte als tolk, maar daarvan kon hij bepaald niet rentenieren. Desondanks betaalde hij zijn advocaat altijd het dubbele van diens declaratie.
Die dag was Liang thuis toen de deur met kracht werd opengegooid en een landgenoot het kosthuis betrad. Eenmaal binnen trok hij een zilveren Browning-revolver, liep op Liang toe en vuurde twee kogels af. Beide troffen Liang in de borst; hij was op slag dood. Later die dag zouden nog twee Chinezen worden omgelegd. Het motief bleek smokkel: vuurwapens in ruil voor opium. Tussen twee van de Chinese triades die in Amsterdam opereerden, was een bloedige bendeoorlog uitgebroken. Maar het waren niet alleen de Chinezen die in opium handelden. De aanvoer was dan wel in hun handen, de Nederlanders zaten in de tussenhandel.
Steeds meer niet-Chinezen begonnen de drug te gebruiken. Om het gevaar te keren werd in 1919 een eerste wet aangenomen die het telen en bezit van ‘opium en andere verdovende middelen’ verbood: de Opiumwet. Opium was – net als morfine (dat uit opium wordt gewonnen) en cocaïne – nog wel op recept verkrijgbaar. Een aantal fabrikanten en apothekers mocht opium dan ook blijven produceren en verkopen.
Toch nam het gebruik niet af, merkte de politie al snel. Dus werden in maart 1921 twee man voor het drugsonderzoek vrijgemaakt: hoofdinspecteur Eduard Pateer en inspecteur Willem Slobbe: de eerste Narcoticabrigade. Ze kregen het druk. Zeker toen ze ontdekten dat juist fabrikanten en apothekers mét een ontheffing de wet overtraden.
Om te beginnen vielen ze enkele panden binnen die toch al als verdacht te boek stonden. In perceel Warmoesstraat 11 troffen ze een complete opiumkit aan. Dat het de eerste was in een lange reeks, wisten ze toen nog niet. Maar de verbijstering over wat ze daar aantroffen blijkt uit de krantenverslagen: ‘Een inrichting met banken en getimmerten met een schuivenden Chinees erin!’
Eigenaar Wang Tsi Nang was de eerste op basis van de Opiumwet uit 1919 voor de rechter werd gebracht, en niet de laatste. Amsterdam bleek de doorvoerhaven voor opium (en andere drugs) te zijn geworden, nationaal en internationaal. Vanuit woningen in de Buiten Bantammerstraat werden regelmatig grote hoeveelheden opium naar Rotterdam en andere steden verscheept. De verdovende middelen kwamen via Hamburg, Nederlands-Indië en zelfs Winterswijk de stad binnen.

Geboeid en afgevoerd
Algauw ontdekten Pateer en Slobbe dat bij de Chemisch Fabriek Naarden een handelsagent zat en dat deze Verwaayen (kantoor: De Ruijterkade 20-21) de spil was in de illegale opiumhandel. Verwaayen betaalde maar liefst ƒ100 per kilo méér als de transacties buiten de boeken werden gehouden.
Op 22 juli 1922 werden in het Oostelijk Havengebied weer twee Chinezen vermoord. “Moet dit zóó blijven?” vroeg De Telegraaf zich af. De politie reageerde met drastische maatregelen. In de ochtend van 7 augustus 1922 werden zes logementen in de stad doorzocht die als verdacht bekend stonden. Alle Chinezen werden geboeid en afgevoerd, zelfs Chinezen die toevallig in de buurt op straat liepen. Van de 377 Chinezen die waren gearresteerd, mochten er uiteindelijk 170 blijven: zij die legaal in het land waren én werk hadden. De overigen werden per SS ‘Ambon’ weggestuurd. Maar de deportatie stopte het dodelijke geweld niet. In september werd de volgende Chinees doodgeschoten.
Ondertussen trok Verwaayen zich weinig aan van de waarschuwingen die hij kreeg en bleef de wet overtreden. Op 31 januari 1923 rapporteerden de speurders Pateer en Slobbe dat ze een Duitser hadden opgepakt die het kantoor van Verwaayen verliet met 22 stukken opium. Tijdens een verhoor bekende hij de opium voor ƒ382 gulden te hebben gekocht. Daarop werd een inval gedaan in het kantoor en de woning van de handelsagent. Bij Verwaayen thuis vond de politie niets, maar in zijn kantoor en in de schuur van zijn buurman vond ze 46 en 22 kilo, ter waarde van zo’n ƒ2000. Hij kreeg veertien dagen gevangenisstraf.
Opium was overigens niet de enige drug die zonder recept verkrijgbaar was. Op 8 mei 1923 werd het de Narcoticabrigade duidelijk dat bij apotheker Sanders, Rokin 8, “zonder recept groote hoeveelheden morphine” te krijgen waren. Een van de afnemers was barones Josephina Maria van Ittersum-Schreiner te Arnhem. Ze werd verhoord en vermaand, maar daar bleef het bij. Sanders werd evenmin vervolgd.
Dan was er ook nog cocaïne, dat legaal werd geproduceerd door de Nederlandsche Cocaïnefabriek op de Duivendrechtsekade. Cocaïne werd vaak voorgeschreven als middel tegen verslaving aan morfine. Hoeveel gebruikers overleden aan opium, morfine en coke is niet bekend. Vermoedelijk vele, maar die verdwenen in de overlijdensstatistieken.

Doorzeefde Chinees
In november 1931 was het opnieuw raak, wéér een “typisch Chineesch” geval van moord volgens De Telegraaf. In november van dat jaar werd de moordenaar van tolk Ivan Liang doodgeschoten. Wraak.
Na deze laatste moord keerde de rust in China Town terug, voor langere tijd zelfs. In 1940-1945 kwam de handel geheel stil te liggen en na de oorlog gebruikten alleen nog een paar oudere Chinezen opium. Zolang ze dat buiten het zicht deden en ze zich niet schuldig maakten aan criminele activiteiten, liet de politie ze hun gang gaan. Bovendien verschenen er nieuwe drugs op de markt: marihuana en lyserginezuurdiëthylamide oftewel LSD. Die drugs kreeg alle aandacht, waardoor de Narcoticabrigade nauwelijks doorhad dat er een gevaarlijker drug populair werd: heroïne, dat uit morfine – en dus uiteindelijk uit opium – wordt gewonnen.
In de nacht van 14 mei 1969 werd de Narcoticabrigade wakker geschoten. Op de hoek van de Geldersekade en de Nieuwe Jonkerstraat lag het doorzeefde lichaam van de Chinese eigenaar van een illegaal gokhuis in de Binnen Bantammerstraat. Uit het onderzoek bleek dat Chinezen zich op grote schaal bezighielden met de lucratieve smokkel in heroïne. Heroïne werkt sneller dan morfine – je bent dus ook sneller verslaafd.
Heroïne zou honderden junkies het leven kosten en het leven van de bewoners van de Zeedijk en omgeving tot een hel maken. Maar het was een bewoner van de Zeedijk die in heroïne zou gaan handelen: ‘Frits van de Wereld’, die het zou schoppen tot een van Amsterdams roemruchtste criminelen. Hij zou het tot aan zijn dood ontkennen, maar rechercheur Brouwer van de CID wist wel beter.

Blonde Greet
Eind 1973 luisterde Brouwer – inmiddels bijgestaan door rechercheur Volkert Seket – een gesprek af van Adriaanse voerde met telefoonnummer 222610, van eethuisje De Zeemeeuw, Zeedijk 51. Uitbaters waren Gijsje Balk – beter bekend als ‘Blonde Greet’ – en haar Indonesische man Yusup Alcatiri. Blonde Greet had “spul” gekocht van Chinezen en doorverkocht aan ene George, die het op zijn beurt had geleverd aan… Dat wist ze niet, maar vaststond dat twee gebruikers aan die vervuilde heroïne waren overleden.
Ook op een andere manier merkten Brouwer en Seket dat Frits Adriaanse steeds nauwer met Chinezen samenwerkte: sommige gesprekken die vanuit zijn woning werden gevoerd, waren in het Chinees. Brouwer en Seket hoorden een paar maal de naam ‘Singapore’ vallen.
In april 1974 werden Adriaanse en Blonde Greet opgepakt. Niet voor de smokkel van heroïne, maar van duizenden kilo’s hasj met de kotter ‘Lammie’. Adriaanse kreeg anderhalf jaar cel, Blonde Greet hoefde ook niet lang te zitten.
Maar in januari 1978 stond zij weer voor de rechter – en nu wel voor de smokkel van heroïne. Op verzoek van de Chinees Ling Kioe Tan – maar toch vooral op aandringen van Adriaanse – had ze drie reizen van Kuala Lumpur naar Nederland gemaakt met in haar koffer kilo’s heroïne. Ze had het verzoek van ‘Tiger’ Tan gehonoreerd omdat ze in geldnood zat door een forse belastingschuld, een naheffing wegens de affaire-Lammie. Blonde Greet werd wederom veroordeeld, maar Adriaanse ontsprong nu de dans. Zijn rol als bemiddelaar kon niet worden bewezen. Na zijn dood zou Blonde Greet toegeven dat hij die rol wel degelijk had gespeeld en er zelfs voor was betaald.
Op een andere manier zou Adriaanse wel boeten: zijn zoon Reinier overleed aan het gebruik van heroïne – als een van de velen.






De onzichtbare hasjhandelaar
Amsterdamse ondernemers: Norbert Stok
Tekst: Bart Middelburg

11122008_StokHet ondernemerschap van hasjhandelaar Norbert Stok is door Justitie meer dan eens de hemel ingeprezen. Een van de sleutels tot zijn succes was zijn totale onbekendheid.

Als het aantal hits op Google daarvoor maatgevend is, wat overigens sterk mag worden betwijfeld, dan is voormalig Heinekenontvoerder en afperser Willem Holleeder met afstand de bekendste Nederlandse (top)crimineel. Hij komt (peildatum 27 augustus 2008) op 131.000 hits. Na Holleeder volgt Klaas Bruinsma die, hoewel al zeventien jaar dood, op 36.400 komt. Daarna zakken de aantallen snel. Johnny Mieremet krijgt 16.900 vermeldingen, z’n voormalige compagnon Sam Klepper 15.800, Mink Kok 5140, en Johan ‘de Hakkelaar’ Verhoek 2880. Norbert Stok ten slotte, komt niet verder dan elf hits. Norbert wie?
Voor legale ondernemers is een zo breed mogelijke naamsbekendheid van levensbelang; de pr-budgetten van beursgenoteerde ondernemingen zijn hoger dan ooit. Voor groothandelaren in illegale genotsmiddelen en andere misdaadondernemers geldt het omgekeerde: publiciteit, en daaruit voortvloeiende bekendheid, zijn meestal het begin van het einde. Het leidt tot verhoogde waakzaamheid bij het opsporingsapparaat, en banken en zakenrelaties worden kopschuw.
Goed ondernemerschap houdt in de onderwereld heel iets anders in dan in de bovenwereld. In de legale economie wordt een ondernemer beoordeeld op betrekkelijk vage begrippen als ‘durf’, ‘doorzettingsvermogen’, ‘daadkracht’ en ‘innovatie’. Ten aanzien van de georganiseerde misdaad kunnen we geslaagd ondernemerschap een stuk concreter definiëren: veel geld verdienen met illegale handel zonder onoverkomenlijke problemen met overheidsdiensten als politie, Justitie en de belastingdienst, en zonder betrokken te raken bij bloedige conflicten op de apenrots die de onderwereld nu eenmaal is. De bekendste topcriminelen zijn dus buitengewoon beroerde ondernemers: of zij verdwijnen uiteindelijk achter de tralies, of zij lopen fataal letsel op.

Bekende criminelen
Willem Holleeder: is in zijn criminele carrière tegen te veel langdurige celstraffen opgelopen om nog van succesvol ondernemerschap te kunnen spreken. In 1987 kreeg hij elf jaar gevangenisstraf voor de Heineken-ontvoering, in december 2007 werd hij veroordeeld tot nog eens negen jaar cel wegens afpersing van vastgoedhandelaren.
Klaas Bruinsma: werd in 1991, op z’n 37ste, doodgeschoten bij een ordinaire dronkemansruzie bij het Amsterdamse Hilton. Stampte een brede onderneming uit de grond, maar de egomane maffiabaas was ook permanent verwikkeld in tijd- en geldrovende intriges.
Sam Klepper: werd in 2000 op z’n 40ste geliquideerd bij zijn penthouse in Buitenveldert. Klepper kon aanvankelijk bogen op een gelijkmatige carrière. Begon zijn loopbaan bij een succesvolle bende overvallers; midden jaren tachtig stapte hij (met Mieremet) over naar de Bruinsma-bende. Eind jaren negentig legde hij zich toe (wederom met Mieremet) op afpersing, en groef daarmee zijn eigen graf.
Johnny Mieremet: van hetzelfde laken een pak, met dit verschil dat Mieremet na de liquidatie van Klepper een gewaarschuwd man was. Werd eind 2005 in Thailand op z’n 45e alsnog doodgeschoten. Klaagde vlak voor zijn dood in afgeluisterde gesprekken dat hij en zijn vrouw maar door iedereen ‘geneukt’ (financieel benadeeld) werden.
Mink Kok: gold in de jaren negentig als vrijwel ongrijpbaar, en ook als het intellect van de Amsterdamse onderwereld. Uiteindelijk ging het toch mis: Kok zat van 1999 tot zomer 2007, een klein decennium, in de gevangenis wegens een aantal spectaculaire wapenvondsten.

Vermaaksindustrie
Uit oogpunt van bestendig ondernemerschap, kortom, heerst in de hogere echelons van de genotsmiddelenmarkt algehele malaise. Slechts een enkeling slaagt erin de strafrechtelijke schade op langere termijn te beperken en veel ouder dan 40 te worden – een vergeten minderheid waartoe onder anderen Norbertus Rudolphus Antonius Stok (Amsterdam, 1953) kan worden gerekend.
Het ondernemerschap van Norbert Stok (zoon van een medisch specialist) heeft een aantal specifieke kenmerken. Hij wordt, ten eerste, van tijd tot tijd van bevoegde zijde (zoals officieren van Justitie en wetenschappers) om zijn vakmanschap zo ongeveer de hemel ingeprezen. Het netwerk waarin hij destijds participeerde werd in 1995 door hoogleraar Strafrecht Petrus van Duyne op basis van informatie van Justitie tegenover de enquêtecommissie-Van Traa gekarakteriseerd als een smokkelorganisatie “op een vrij hoog peil” en met duizelingwekkende omzetten.Waar al dat geld bleef was ook Van Duyne een raadsel. “Een van hen investeerde in de vermaaksindustrie.” Daarmee doelde hij kennelijk op Stok, die rond 1990 in het Handelsregister te boek stond als handelaar in cd’s.
Officier van Justitie Jules Wortel omschreef Stok in 1996 tegenover een Amsterdamse rechter-commissaris als één van de meest talentvolle en verdienstelijke hasjhandelaren in Nederland. “Wij hebben Stok altijd in verband gebracht met hasj uit Afghanistan en Pakistan.” Een andere officier, Martin Witteveen, hield de rechtbank in Amsterdam in 1998 voor dat Stok deel uitmaakte van een “kleine elite van internationale hasjhandelaren die in staat zijn om permanent drugsschepen te laten varen over de wereldzeeën”. Het is ondenkbaar dat Justitie in dat soort bewoordingen ooit de loftrompet zou hebben gestoken over misdaadondernemers als Holleeder, Bruinsma, Klepper of Mieremet.

Laag profiel
Tweede kenmerk is Stoks spreekwoordelijke lage profiel: ongewenste aandacht trekken, van Justitie dan wel van criminelen, is taboe. Waar andere misdaadondernemers in diverse gradaties patsergedrag vertonen (dure sportwagens, jachten, nachten doorhalen met veel coke in seksclubs, bodyguards, etcetera) let Stok altijd op de kleintjes. Hij zou medewerkers verbieden hun geld opzichtig in Nederland te spenderen; dat doen ze maar in het buitenland. Zelf rijdt hij in oude, onopvallende auto’s. Bij observatie door de politie bleek midden jaren negentig dat Stok één keer per week een uurtje gaat zwemmen in het De Mirandabad. Een van zijn bijnamen is ‘Scrooge’.
Derde kenmerk: Stok is, letterlijk, een survivor. Bij de oorlog zoals die jaren in de Amsterdamse onderwereld heeft gewoed zijn tientallen kopstukken en mindere goden uit de weg geruimd, maar Stok is al die tijd, voor zover bekend, zelfs niet bij een handgemeen betrokken geweest. Dat hij zo lang buiten schot wist te blijven heeft er vermoedelijk mee te maken dat hij zelf geen of nauwelijks geweld toepast. Henk Schutten en ik hebben in een artikel in Het Parool ooit een keer gesuggereerd, op basis van informatie van Justitie, dat de organisatie van Stok en van zijn toenmalige compagnon, ene Leo, eind jaren tachtig wel degelijk een keer extreem geweld zou hebben gebruikt.
Schutten en ik werden vervolgens ontboden op het kantoor van de inmiddels overleden Pieter Herman Bakker Schut, de advocaat van Stok en diens compagnon. Vooral de sterk filosofisch ingestelde compagnon Leo was ziedend over de suggestie van zwaar geweld, en overhandigde ons een brief met bespiegelingen over de verschijnselen media en democratie: “Voor zover ik weet is een democratie niet automatisch de terreur van de massa maar beschermt zij tevens het recht van het individu.”
En ten vierde: Stok heeft politie en Justitie altijd redelijk op afstand weten te houden, op een paar bedrijfsongevallen na. In 1987 werd hij gearresteerd wegens het in bezit hebben van diverse partijen hasj, verspreid over het hele land. Na jaren procedureel gesteggel werd Stok in januari 1992 in die zaak door het gerechtshof in Arnhem veroordeeld tot tien maanden cel wegens “deelneming aan een rechtspersoon die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.” Hij hoefde die straf pas in 1995 uit te zitten.

Smokkelnetwerk
Omstreeks 1990 startten Italië, Zwitserland en Nederland een gezamenlijk onderzoek (codenaam: Octopus) naar drugshandel en het witwassen van gigantische hoeveelheden geld. In dat onderzoek werd onder meer vastgesteld dat in opdracht van Stok door meerdere koeriers tientallen miljoenen Canadese dollars van Canada naar Europa waren gesmokkeld. In 1991 werd door de Amsterdamse politie en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (Fiod) een zogeheten analyse van het smokkelnetwerk op papier gezet. Bovenaan de lijst van verdachten stonden in die analyse Stok en zijn compagnon Leo.
Een van de geldkoeriers van Stok c.s. verklaarde in 1992 tegenover de Amsterdamse politie: “In eerste instantie wist ik niet dat “het drugsgeld, was maar later vertelde Norbert Stok mij dit.” Tot strafvervolging van Stok is het in die Octopus-zaak nooit gekomen: de Amsterdamse officier van Justitie Jo Valente besloot in 1993 het onderzoek te staken, omdat Stok zich vooral toelegde op witwasserij, wat destijds nog geen zelfstandig strafbaar feit was. Zwitserland nam wel een deel van het gesmokkelde geld (een kleine negen miljoen Canadese dollars, een half miljoen Amerikaanse dollars, en een partij diamanten) in beslag.
Stok c.s. ondernamen daarop pogingen al dat geld weer los te krijgen met het verhaal dat het afkomstig was van oliehandel, buiten de Opec (olieproducerende en -exporterende landen) om. Stok zou daarbij zijn opgetreden als geldsmokkelaar. “Tussen 1990 en 1992 ben ik opgetreden als transporteur van gelden, die waren betaald voor de aankoop van olie door een Canadees bedrijf,” heeft Stok daarover zelf eens verklaard. “Het betrof in totaal 10 miljoen Canadese dollars, die van Canada moesten worden gebracht naar landen in Europa en het Midden-Oosten.” De Zwitserse autoriteiten ontvingen bijvoorbeeld een brief van een Nigeriaanse advocaat, die verklaarde dat het geld legaal was verdiend via het in Lagos gevestigde bedrijf Nigus Petroleum Ltd. Zwitserland geloofde daar geen hout van: bij nader onderzoek bleken de Nigeriaanse advocaat en Nigus Petroleum in het geheel niet te bestaan.

Meineed
Eind jaren negentig liep Stok wederom tegen een beperkte celstraf op. In oktober 1997 verklaarde hij tegenover een Amsterdamse rechter-commissaris inderdaad eens te zijn veroordeeld wegens drugshandel: “Ik ben verder nooit voor soortgelijke activiteiten veroordeeld en ben daar momenteel ook niet bij betrokken.”
Strikt genomen was dat meineed. Op dat moment namelijk, hield de Amsterdamse Justitie al maanden een omvangrijk hasjtransport van Stok in het oog: met het schip Asean Explorer smokkelde hij in 1997 zeventien ton hasj van Pakistan naar Kenia, met Australië als vermoedelijke eindbestemming. In februari 1998 werd Stok in die zaak opgepakt; hij kreeg uiteindelijk een jaar gevangenisstraf.
Wat Norbert Stok sindsdien onderneemt is onbekend. Hij wenst daar ook geen opheldering over te verschaffen; zijn advocaat, Victor Koppe, leek na overleg met Stok aanvankelijk wel bereid tot commentaar, maar liet vervolgens niets meer van zich horen. Het mag niet worden uitgesloten dat Stok met pensioen is. Een heel enkele keer duikt hij nog op. In oktober 2000 bijvoorbeeld, kort nadat topcrimineel Sam Klepper was geliquideerd, constateerde de Amsterdamse politie in afgeluisterde telefoongesprekken dat Stok nauwe contacten onderhield met Kleppers compagnon Johnny Mieremet. Zo vertelde Stok Mieremet dat hij op de dag dat Klepper was vermoord “een uur voor de liquidatie” door een zakenrelatie was gebeld met de mededeling dat hij later die dag even “op teletekst moest kijken”. Later meldde Stok Mieremet dat hij de betreffende ‘man’ opnieuw had gesproken en dat hij inmiddels “heel veel meer” wist.
Van Stoks jarenlange compagnon Leo daarentegen, staat vast dat hij een heel andere weg is ingeslagen: hij schrijft tegenwoordig levensbeschouwelijke, filosofische, spirituele boeken die worden vertaald in het Engels, Frans, Duits en Spaans.
Delen: