Nummer 10: Oktober 2010

 Cover_OA_okt_2010

 

 

 

 

 

Op het omslag: Wim Sonneveld in zijn eerste onemanshow Een avond met Wim Sonneveld. Vanzelfsprekend was – op 1 januari 1964 – de permière in het Nieuwe De la Mar Theater. Zijn naam is gegeven aan de grote zaal in het spiksplinternieuwe DeLaMar Theater. Theater Instituut Nederland.

 

Inhoud:

- Van 300 naar 1500 stoelen

- Valeriuskliniek beleeft bewogen eeuw

- Euwe bedwingt Aljechin

- Tientallen mannenkoren ontstaan

- Een bijzonder echtpaar, twee bijzondere instituten

 

En: Winnaar eerste Ons Amsterdam Scriptieprijs!

logo_scriptieprijsIn april riepen we de Ons Amsterdam Scriptieprijs in het leven. Kort voor de zomer maakte de jury haar keuze: de scriptie van UvA-geschiedenisstudente Hilde van Stelten, getiteld ‘Doel van ons vereenigd pogen is zang door vriendschap te verhoogen’. Amsterdamse Mannenzangverenigingen tussen 1850 en 1880, voltooid in januari 2010 en begeleid door UvA-docent dr. Jan Hein Furnée. Op ons verzoek werkte ze die om tot een mooi artikel voor Ons Amsterdam. U kunt het lezen op pag. 387-391 onder titel Zingen om erbij te horen. Het juryrapport vindt u onder 'Juryrapport Ons Amsterdam Scriptieprijs'.

 

 

 

 

Een ‘verrukkelijke aanwinst’

28 november begint nieuw hoofdstuk voor het ‘De la Mar’

Tekst: Henk van Gelder

 

372-inhoud_theater_9Hoogtijdagen voor het Nieuwe de la Mar Theater. Uitverkocht staat er met koeienletters boven de lange rij wachtenden voor een voorstelling van Wim Sonneveld op 5 januari 1964. Met hem was ruim tien jaar eerder het succes gekomen dat de oprichters Fien de la Mar en Piet Grossouw hadden moeten ontberen. Het kleine theatertje kreeg grote faam.

Joop van den Ende realiseerde zich dat zijn woorden met enige achterdocht zouden worden beluisterd. Sterker nog: hier en daar heerste in de zaal zelfs enige vijandigheid.

Het is 3 oktober 2005. Voor het publiek is het Nieuwe de la Mar Theater op die maandagmiddag gesloten, maar in besloten kring wordt er een nieuwe cd-box met opnamen van Wim Sonneveld ten doop gehouden. Wat de aanwezigen echter minstens zo weemoedig stemt, is de gedachte dat dit wel eens hun laatste bezoek aan het sierlijke schouwburgje in de Marnixstraat zou kunnen zijn. Iedereen weet dat het vertrouwde, maar versleten geraakte theater binnen drie maanden voorgoed gesloten zal zijn. En iedereen weet ook dat Van den Ende hier een nieuw theater gaat bouwen. Wat moest dat worden?

“Ik heb vaak tegenstand gevoeld bij onze gesprekken over de overname”, begon de merkbaar gespannen producent. “En dat kan ik begrijpen, omdat dit nu een soort heilige plek is. Met weinig geld en veel liefde is hier iets bijzonders gecreëerd. Voor mij is het óók een heilige plek.” Vervolgens noemde hij een paar aspecten die in de nieuwbouw onveranderd moesten terugkeren – de sfeer en de intimiteit voorop, maar met de technische faciliteiten van tegenwoordig. Hij sloot zijn praatje af met de belofte: “De nieuwe zaal moet eer bewijzen aan wat hier in de loop der jaren tot stand is gebracht.” Het applaus dat volgde, was op zijn best afwachtend te noemen.

Pas vanaf 28 november aanstaande, ruim vijf jaar nadat Van den Ende deze woorden sprak, valt het resultaat te controleren. Nu deze regels worden geschreven, is achter de bouwsteigers al iets te zien van een grote glazen gevel die deels wordt afgedekt door de originele façade van het vroegere theater. En ook de nieuwe naam verwijst nadrukkelijk naar de traditie. Straks wordt niet de opening verricht van het Nieuwste de la Mar, zoals door sommige grappenmakers was voorspeld, maar van het DeLaMar Theater. Zonder het woord ‘nieuw’ dus – net als in 1947, toen het theater zijn deuren voor het eerst opende.

 

Veelbelovende plannen

De geschiedenis van het oude gebouw aan de Marnixstraat 404 gaat nog veel verder terug. Het is van 1887 en had in het begin van de vorige eeuw een geheel andere functie. Hier was de Spieghelschool gevestigd, een school voor lager onderwijs die in de jaren dertig wegens ruimtenood is verhuisd naar de Overtoom. Daarna leidde het pand jarenlang een verkommerd bestaan als opslagplaats voor decors en rekwisieten van de Stadsschouwburg. Tijdens de bezetting moest er bovendien ruimte worden gemaakt voor een aanmeldingsbureau van de Arbeitseinsatz die Nederlandse arbeiders naar de oorlogsindustrie in Duitsland stuurde. Dat maakte het adres tevens tot doelwit: op 5 januari 1945 deed een met springstoffen gewapende verzetsgroep van de LKP (Landelijke Knokploegen) een aanslag. Als represaille werden een dag later vijf als anti-Duits betitelde Arbeitseinsatz-ambtenaren voor de deur van het deels uitgebrande gebouw gefusilleerd.

Meteen na de bevrijding was Marnixstraat 404 zodoende een bouwval. Voor de gemeente Amsterdam moet het dan ook een hele opluchting zijn geweest dat er al op 11 juni 1945 een brief binnenkwam van het Fientje de la Mar Ensemble. Dat ensemble bestond weliswaar nog niet, maar de plannen klonken veelbelovend. De ondertekenaar, de gerenommeerde aannemer Piet Grossouw, verzocht de gemeente hem het beschadigde perceel en de grond te schenken, zodat hij er op eigen kosten een theater van kon maken. Het programma-aanbod zou bestaan uit cabaret en toneel. De artistieke leiding zou in handen komen van zijn echtgenote, de vooroorlogse vedette Fien de la Mar, die smetteloos uit de oorlog was gekomen omdat ze niet voor de Kultuurkamer had getekend en daarom niet had kunnen doorwerken. Het kon niet mooier. Al op 4 april 1946 publiceerde het Gemeenteblad het oordeel van het college: “Aangezien aan een dergelijke schouwburg behoefte bestaat en tevens op een punt, vrijwel in het centrum  der stad, een ruïne wordt opgeruimd, bestaat bij ons tegen inwilliging van het verzoek geen bezwaar.” Vervolgens stemde ook de gemeenteraad van harte in.

 

Publiek blijft weg
Het theater ging De la Mar heten. Niet naar Fien, maar naar haar vader Nap de la Mar, de in 1930 gestorven acteur en toneelleider die haar in het theatervak had ingewijd. Zijn portret kwam bovenaan de trap te hangen (en bleef daar tot de sloop). Er kwam nóg een gedenkteken. Toen het theater vrijwel klaar was, werd er een kleine gedenkplaat van Hildo Krop aan de gevel bevestigd, met de namen van de mannen die daar in de laatste fase van de bezetting waren doodgeschoten. Volgens het Algemeen Handelsblad vormde zo’n plaquette tegelijk een garantie voor verantwoorde voorstellingen: “Vooral in verband hiermede zal het Theater De la Mar geen huis van grof vermaak worden, doch een inrichting die uitsluitend kunst zal brengen.” De plaquette is altijd aan de gevel blijven hangen – en zal daar ook terugkeren zodra de deuren eind november weer opengaan.

De opening van het Theater De la Mar op 31 juli 1947 was een culturele gebeurtenis van de eerste orde. Iedereen die iets te betekenen had in de toneelwereld van die dagen, kwam kijken. Ook het Polygoon-bioscoopjournaal deed enthousiast verslag. Het zag er “hoogst aantrekkelijk” uit volgens Het Parool en daar was iedereen het mee eens. De voorstellingen vielen echter minder in de smaak. Toneel en cabaret, altijd met Fien de la Mar in de hoofdrol, wisselden elkaar in hoog tempo af; alles verdween alweer snel van het repertoire omdat er niet genoeg publiek kwam. Volgens de overlevering klaagde de vedette in die dagen tegen Wim Sonneveld, die toen het nabije Leidsepleintheater bespeelde: “Ze komen wel bij jou, in die drollenhoek, en in mijn bonbonniére blijven ze weg.” Maar ook als de zaal bij uitzondering wel was uitverkocht, maakte het echtpaar Grossouw verlies. Een zaal van 300 stoelen was eenvoudigweg te klein om quitte te spelen.

 

Avontuur met Wim Sonneveld

Fien de la Mar hield het tot eind 1949 vol. Daarna moest ze erkennen dat haar onderneming failliet was. “De tranen, de scènes, de woede om het verloren gaan van haar grote illusie moeten verschrikkelijk zijn geweest”, schreef Jenny Pisuisse in haar Fien-biografie. Ruim een jaar lang stond het theater leeg. B&W waren al van plan het gebouw aan een bioscoopexploitant te gunnen, maar de gemeenteraad hield vooralsnog vast aan een nieuwe theaterbestemming – mits dat de gemeente niets zou kosten. Diverse gegadigden die een gesubsidieerd gezelschap wilden beginnen, werden zo kansloos.

De enige echte kanshebbers waren Paul Kijzer en Piet Meerburg, die samen de directie vormden van de studentenbioscoop Kriterion. Zij becijferden dat een amusementstheater met 500 zitplaatsen zichzelf zou kunnen bedruipen. En ze vonden een medefirmant die als trekpleister zou kunnen dienen: de avontuurlijk ingestelde Wim Sonneveld. Die combinatie werd door het college “zeer geschikt” genoemd en de gemeenteraad gaf goedkeuring, al bestond er wel enige twijfel over de culturele ruggengraat van zo’n cabaretier. Als er met toneel en cabaret niet snel genoeg succes werd geboekt, opperden de raadsleden van VVD en CPN, zou de neiging groot zijn om toch nog films te gaan draaien.

Het drietal ging aan de slag. De extra 200 zitplaatsen kwamen tot stand door de bouw van een balkon. Verder werd de foyer feestelijker gemaakt met Franse theateraffiches, Thonet-meubeltjes en kroonluchters, bij elkaar gezocht door Friso Wiegersma, de kunstzinnig ingestelde vriend van Sonneveld. Zelf bepleitte de cabaratier dat het schouwburgje de naam De la Mar zou houden, bij wijze van continuïteit en als eerbewijs aan de oprichtster. Meerburg en Kijzer zagen liever een geheel nieuwe naam; aan de oude zou de smet van de mislukking blijven kleven, vreesden zij. De uitkomst was een compromis: het Nieuwe de la Mar Theater. Het gerucht ging dat de actrice in razernij ontstak toen ze van dit voorvoegsel hoorde. Ze heeft er nooit meer één stap gezet, zo werd verteld.

 

Eindelijk veel applaus
De heropening, op 23 december 1952, oogstte veel applaus. “Waar ge ook zit”, schreef De Groene Amsterdammer, “zit ge goed in deze verrukkelijke aanwinst voor schouwburgarm Amsterdam.”

De openingsvoorstelling was een productie van Sonnevelds eigen cabaretensemble (Het meisje met de grote voeten), want de afspraak luidde dat de cabaretier voortaan de eerste keus had in de jaarlijkse programmering. Zodra hij had vastgesteld welke maanden hij hier wilde spelen, kon de rest worden verdeeld onder andere solisten en gezelschappen. Half kleinkunst, half toneel, luidde de vuistregel van Piet Meerburg, die de directeursfunctie op zich nam – en vervolgens maar liefst 35 jaar lang heeft vervuld. Bijna even lang in combinatie bovendien met de leiding van het naastgelegen bioscoopcomplex Bellevue/Cinerama.

Het cabaret kwam voornamelijk van Sonneveld en vanaf 1958, toen het Leidsepleintheater werd veranderd in een bioscoop, ook vier maanden per jaar van Wim Kan. Eind jaren zestig kwamen daar jongeren als Fons Jansen, Paul van Vliet en Seth Gaaikema bij. Het toneel was minstens zo gevarieerd: van gesubsidieerde gezelschappen als Puck, de Nederlandse Comedie en Toneelgroep Theater tot de talloze vrije producties die vanaf de jaren zestig op tournee gingen. In 1965 deed zelfs nog een derde genre zijn intrede met het kassucces Heerlijk duurt het langst, de eerste musical van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. Voor de kassa stond toen een rij wachtenden die doorging tot om de hoek van Américain.

Zo ging het jarenlang goed. Toch werd de exploitatie allengs moeizamer. Sonneveld, die met zijn tweede onemanshow was overgestapt naar Carré, overleed in 1974. Wim Kan, wiens laatste conference een mislukking werd, stierf in 1983. De vrije producties, met sterren als Mary Dresselhuys en Ko van Dijk, trokken een steeds ouder publiek. Musicals werden dermate grootscheeps opgezet dat het Nieuwe de la Mar al gauw te klein was en jongere cabaretiers sloegen de Marnixstraat steeds vaker over om zo snel mogelijk in Carré te kunnen staan. Toen het exploitatietekort in 1984 was gestegen tot f 190.000,-, wist Meerburg nog een ‘waarderingssubsidie’ van een ton per jaar in de wacht te slepen. Maar ook daarmee was het theater niet gered.

 

Het plafond beweegt!
De redding had alles te maken met een misverstand. In 1987 werd het Nieuwe de la Mar overgenomen door de gemeente Amsterdam en organisatorisch samengebracht met het Bellevue-complex aan de Leidsekade. Dat leek de toenmalige cultuurwethouder Minnie Luimstra een ideale oplossing: de theaters stonden immers al met de ruggen tegen elkaar aan één binnentuin. Dat er in werkelijkheid woonhuizen in de weg stonden en er dus geen doorgang was, wist de wethouder niet. “Dat hebben we haar nooit verteld”, grijnsde de eerder dit jaar gestorven Meerburg vele jaren later. De gesubsidieerde Theatercombinatie Bellevue/Nieuwe de la Mar was toen allang een feit.

In de jaren negentig bracht de nieuwe directeur Hanneke Rudelsheim een nieuwe bloeiperiode teweeg. Met veel nieuw talent, van Paul de Leeuw tot Youp van ’t Hek, van Lenette van Dongen tot Karin Bloemen. En ook met de iets minder nieuwe Freek de Jonge, die het Nieuwe de la Mar tot vaste behuizing koos. Maar het feit dat er al decennia lang geen goed onderhoud meer was gepleegd, ging zich nu wreken. Een ijzeren balk moest het plafond van de foyer stutten nadat het tijdens een concert van Frank Boeyen vervaarlijk was gaan bewegen. Op straat was nauwelijks ruimte voor het in- en uitladen van decors en technische installaties. In de publieksruimten en achter het toneel werd het steeds krapper. Airconditioning ontbrak. Bij de kleedkamers was er slechts één douche. Zoals Het Parool kernachtig samenvatte: “Maxi moet wachten als Mini staat te douchen.”

 

Van den Ende hapt toe

Luimstra’s opvolgster Hannah Belliot hakte in 2004 de knoop door. Ze was met producent Joop van den Ende in gesprek geraakt over de overname van Bellevue Cinerama, dat eveneens aan een opknapbeurt toe was. Van den Ende zag mogelijkheden om daarin een nieuw theater te vestigen. De volgende stap lag voor de hand: zou hij niet óók het Nieuwe de la Mar willen overnemen?

Toen bekend werd dat Van den Ende die vraag bevestigend had beantwoord, stak er een storm van protest op. Menigeen vreesde dat de machtige musicalmagnaat alleen maar ruimte zou bieden aan voorstellingen van zijn eigen theaterbedrijf. Na veel vijven en zessen gaf de Amsterdamse Kunstraad toch een positief advies over de plannen. De nieuwbouw zou niet bij ’s mans theaterbedrijf worden ondergebracht, maar bij de VandenEnde Foundation die daar los van staat. En er zou een onafhankelijke directie komen die zaken wilde doen met alle theaterproducenten. De openingsproducties weerspiegelen dat beleid: de musical La Cage aux Folles is van Joop van den Ende Theaterproducties en het toneelstuk Ontrouw wordt geproduceerd door het veel kleinere theaterbureau Hummelinck Stuurman.

Twee zalen gaan er straks open: een grote (900 plaatsen) en een iets kleinere (600). De herbouw heeft uiteindelijk € 65 miljoen gekost, waarmee Joop van den Ende als initiator van een particulier kunstgebouw in de voetsporen treedt van Oscar Carré en Abraham Tuschinski. En, op veel kleinere schaal, van de aannemer Piet Grossouw die zijn vrouw wilde eren met een eigen theater.

 

‘Alleen God kan u redden’

Zoektocht naar christelijke psychiatrie beheerste Valeriuskliniek

Tekst: Michiel Louter

 

394-inhoud_valeriusNa 100 jaar valt het doek valt voor de Valeriuskliniek. Het psychiatrisch bolwerk van gereformeerde huize verhuist naar nieuwbouw naast de Vrije Universiteit. De oprichters wilden met een strikt bijbelse aanpak een herkerstening van de psychiatrie tot stand brengen. Ze legden het af tegen moderne methoden en secularisering.

Kneu kneu ote kneu eur

Kneu ote ote ote ote ote

Ote ote oote

Ote ote

Boe

 

Het gedicht Oote waarmee Jan Hanlo in 1952 beroemdheid verwierf, ontstond mede door de Valeriuskliniek, de streng gereformeerde psychiatrische universiteitskliniek aan het Amsterdamse Valeriusplein. Hanlo kwam er in 1947 nadat hij gestuurd door de stem van zijn God vanaf zijn dak vierhoog was gesprongen. Halverwege landde hij op een afdakje, waar hij zonder een schrammetje bleef liggen. Hij vertelde de wereld te moeten redden door nog meer te lijden dan Jezus. In de Valeriuskliniek probeerde hij achtereenvolgens zijn ogen uit te steken, zijn tong af te bijten en zich dood te hongeren. In een dwangbuis kreeg hij via een slang pap toegediend totdat hij zijn verzet opgaf. Wel zocht hij toenemend het bed op van enkele jeugdige mannelijke medepatiënten. Hierop werd hij overgedragen aan het Sint-Willibrordusgesticht in Heiloo, waar hij in 1948 werd gecastreerd. Ook de poëzie van Jan Hanlo onderging hierna een dramatische verandering.

De Valeriuskliniek heeft in haar 100-jarig bestaan vele dichters opgenomen. Gerrit Achterberg, Adriaan Roland Holst, Jan Arends en Rogi Wieg waren er korte of langere tijd, evenals tientallen schrijvers, kunstenaars en actrices. Het past bij de licht elitaire uitstraling die de Valeriuskliniek vanaf haar ontstaan vergezelde. Het statige gebouw, de fraaie ligging in Amsterdam-Zuid, de jubelende glas-in-loodramen; op dit toneel werd een kleine eeuw gepoogd de psychiatrie te verenigen met het orthodox-gereformeerde geloof.

Aanhangers hiervan verenigden zich eind 19de eeuw tot een eigen zuil om tegenwicht te bieden tegen de katholieke, liberale en socialistische zuilen. Om de eigen psychiatrische patiënten te verzorgen werden tussen 1887 en 1907 vier klassieke verblijfsgestichten opgericht. De man hierachter, dominee Lucas Lindeboom, beschouwde de psychiatrie als een concurrerend geloof dat zich net als het calvinisme bezig hield met het wezen van de ziel. Hij hoopte de psychiatrie van binnenuit te ‘herkerstenen’, door het stichten van een strikt bijbelse psychiatrie, met een eigen opnameafdeling en een eigen leerstoel bij de net gestichte Vrije Universiteit. De leerstoel psychiatrie kwam er in 1907, bezet door de gereformeerde gestichtspsychiater Leendert Bouman. November 1910 volgde de opening van de Valeriuskliniek, met in een gevelsteen hoopvol gebeiteld: “Dat Uwe Oogen, Heere, dag en nacht open zijn over dit huis.”

 

Hypermodern ingericht

Het hoefijzervormige gebouw, ontworpen door de architect H. Bonda, trok bij de opening heel wat bekijks. Zwaar beïnvloed door zijn leermeester H.P. Berlage had Bonda in twee jaar tijd een quasi-middeleeuwse kerkburcht neergezet, vol torentjes en verspringende kantelen, opgetrokken uit tweeëneenhalf miljoen baksteentjes. In het poortgebouw zaten acht grote gebrandschilderde ramen, die het kathedrale aanzien verder versterkten. Voor het gebouw was een parkachtige tuin aangelegd, van het plein afgesloten door een ‘monumentaal’ hek.

De inrichting was voor die tijd hypermodern, met in het souterrain naast de keukens een enorme verwarmingsinstallatie, die ook de stroom leverde voor alle lampen, telefoons en een personenlift. Het hart van het gebouw was bestemd voor de collegezaal, de bibliotheek en de onderzoeksfaciliteiten, waaronder een operatiekamer voor hersen- en ruggenmergchirurgie, een chemisch laboratorium en een preparatiekamer voor microfotografie. In de zijvleugels sliepen de patiënten, met rechts de mannen en links de vrouwen.

Zoals toen gebruikelijk waren de ruimtes verdeeld tussen ongeveer twintig zelf betalende “klasse-patiënten” en een 50-tal “armlastigen”, van wie het verblijf werd vergoed door de gemeente waar ze vandaan kwamen. De klassepatiënten beschikten over de mooiste ruimtes, kregen beter eten en sliepen op springveermatrassen in bedden van mahonie. De rest moest het doen met een zak zeegras in een bed van grenen. Revolutionair was wel dat ook de armlastigen niet op grote slaapzalen lagen, maar in knusse vierpersoonsruimtes, gescheiden van elkaar met deuren en suite.

Met name de klasseafdeling was vanaf het begin een succes, zo groot zelfs dat er in allerijl moest worden uitgebouwd. Voor rijke gereformeerde Amsterdammers was de Valeriuskliniek een chique alternatief boven Meerenberg, het openbare gesticht in de duinen bij Santpoort waarop ze tot dan toe waren aangewezen. Ook de ruime bezoektijden (negen uur per week voor de klassepatiënten, versus drie uur voor de armen) zorgden voor goede reclame.

 

Werken voor hongerloontje

Het verpleegkundig personeel moest op de zolders slapen en was wellicht nog het slechtst af. De arbeidsomstandigheden waren tot de jaren dertig barbaars te noemen, met werkweken van 70 uur en langer, tegen een hongerloon. Leerlingen werden afgescheept met kost, inwoning en een ‘zakgeld’ van f 10,- per kwartaal (overigens kreeg geneesheer-directeur Bouman jaarlijks f 2500,-). Van het personeel, dat was verboden om zich te organiseren, werd vooral veel christelijke dienstbaarheid verwacht. Hun taak bestond voornamelijk uit voorgaan in gebed, schoonmaken en de orde handhaven. Met de patiënten mocht niet worden gepraat. Aangezien het personeelsverloop navenant hoog was, dienden er veel overuren te worden gedraaid. Toen een “huisorde” van verpleegkundigen in 1912 dringend verzocht om tenminste één vrije dag per twee weken en jaarlijks drie weken vakantie, kregen ze na lang beraad één dag per maand en een vakantie van twee weken.

Door de beslotenheid van het gebouw had de buurt nauwelijks last van de patiënten. Het was eerder andersom. Zo berichtte Bouman in 1914 boos over het tumult dat op het Valeriusplein met de mobilisatie gepaard ging: “Het voorbijtrekken der troepen, al of niet met muziek, de oefeningen die voor de kliniek gehouden werden met de luid klinkende commando’s, gaven heftige angstparoxysmen.”*

Aan de behandelingswijze waren felle discussies voorafgegaan. Het ultraorthodoxe bestuur onder leiding van dominee Lindeboom hield vast aan de leer dat krankzinnigen vanwege hun zonden door God waren gestraft en een speelbal van Satan waren geworden. Gelijk Jezus Christus zouden christelijke psychiaters de duivelse demonen moeten uitdrijven, opperde het bestuur. Zeker als die demonen volhielden zelf God te dienen, zoals in de veel voorkomende religieuze wanen, moest worden gedacht aan spreuk 2 Korinthiërs 11:14: “Immers de Satan zelf doet zich voor als een engel des lichts.”

Hoogleraar en geneesheer-directeur Bouman koos een veel pragmatischere aanpak. Hij experimenteerde met tal van moderne methoden, waaronder hypnose, hersenoperaties en een batterij aan kalmerende of opwekkende medicijnen (waaronder heroïne, barbituraten, alcohol en verdunde vergiften als nachtschade en strychnine). Niet altijd lukte het om de waanzin in korte of langere tijd te bedwingen (de maximale opnameduur was twee jaar), waarna overplaatsing volgde naar een van de provinciale gestichten.

 

Directeur stapt op

In zijn zoektocht naar de grondslag van een christelijke psychiatrie stuitte Bouman op de Duitse psychiater en theoloog Karl Jaspers, die zich bovenal in zijn patiënten wilde inleven. Bouman maakte hiermee naam binnen zijn ‘Valeriuskring’, een groep jonge psychiaters die wekelijks bij elkaar kwam om te discussiëren over de toekomst van de psychiatrie. Ook de inzichten van de nog jonge Sigmund Freud werden regelmatig serieus besproken. Vanwege het opzichtige seksuele element was de psychoanalyse onder christenen zeer omstreden, en het lijkt erop dat Bouman struikelde over zijn weigering om afstand te doen van Freud.

Vijftien jaar na de opening brak in 1925 een hevige rel uit. Een briesende Lindeboom verweet Bouman dat hij weigerde om “de banier der gereformeerde beginselen” te ontplooien, en van de Valeriuskliniek een “broedstoof voor dissidenten” had gemaakt. Even was er chaos. Bouman vertrok schielijk naar Utrecht, waar hij hoogleraar psychiatrie werd aan de openbare universiteit. Vervolgens wilde de 80-jarige Lindeboom de opleiding van christelijke psychiaters dan maar zelf ter hand nemen. Na een paar warrige jaren van interim-bestuur trad de degelijke Lammert van der Horst eind 1928 aan als de nieuwe hoogleraar psychiatrie van de VU, een post die hij maar liefst tot 1963 combineerde met de leiding van de Valeriuskliniek.

Van der Horst vergrootte de invloed van de gereformeerde zielszorg binnen de kliniek, maar zette tegelijkertijd de experimentele lijn van Bouman voort. Zo werden onder zijn bewind de lobotomie, schildertherapie en diverse shocktherapieën ingevoerd. De resultaten waren op zijn best twijfelachtig. Verder breidde hij de nazorg uit met een nieuwe polikliniek en een dienst die huisbezoeken aflegde bij potentiële en ontslagen patiënten.

Tegelijkertijd onderging het gebouw grote veranderingen. In 1936 was gebleken dat de heipalen te licht waren en de vloer van ijzeren balken door het ontbreken van ventilatie ernstig was verroest. Gedurende een grootscheepse verbouwing werd het gebouw in vijf jaar tijd vanaf de grond verbouwd, vergroot en gemoderniseerd. De kliniek bood nu plaats aan 130 patiënten. Het resultaat staat er nog steeds: een veel hoekiger gebouw, met platte daken, gedomineerd door een immens glas-in-loodraam in het nieuwe poortgebouw. Zoals gebruikelijk bij grote Amsterdamse projecten liepen de kosten, geraamd op f 310.000,-, uiteindelijk op tot het astronomische bedrag van f 1 miljoen. Het verschil werd gedekt door het salaris van de verpleegkundigen te verlagen en het afromen van de winsten van de provinciale gestichten.

 

Patiënten in de straten

Ook de Tweede Wereldoorlog was een tumultueuze tijd. Terwijl de Gestapo vlak om de hoek in de Euterpestraat toekeek, was de Valeriuskliniek een haard van verzet. Ze herbergde onderduikers, vervaardigde microfoto’s voor koeriersdiensten en functioneerde als vergaderruimte voor de leiders van het verzet. Ondertussen probeerde men zo goed en kwaad als het ging voor de patiënten te zorgen. Dit werd bemoeilijkt doordat eerst de verwarming en daarna de stroom continu wegvielen, de medicijnen al snel op waren en tegen 1943 ook het eten. Een zuster Formsma kreeg heldenstatus door in de hongerwinter enkele platbodems vol aardappelen uit Friesland te halen, en deze met haar leven te bewaken. Op het dak werd een windmolen geïnstalleerd, waardoor de patiënten ook tijdens stroomuitval behandeld konden worden met het pas aangeschafte elektroshockapparaat.

Na de oorlog durfde het verpleegkundig personeel, dat de kliniek de oorlog had doorgesleept, zich eindelijk te verenigen. Een eerste resultaat was dat hun salarissen fors werden verhoogd, al duurde het nog tot 1950 voordat hun 54-urige werkweek werd teruggebracht naar de allang gangbare 48 uur. Halsstarrig bleef het bestuur vasthouden aan een gereformeerde cultuur waarin de verplegenden eerst hadden te denken aan God, dan aan hun patiënten, en pas daarna aan zichzelf. Het verloop onder het personeel bleef hierdoor hoog.

Midden jaren vijftig beleefde de psychiatrie eindelijk haar grote doorbraak, met de introductie van twee medicijnen die werkelijk in staat bleken om de ergste symptomen van psychiatrische ziekten te onderdrukken: de middelen Largactil (tegen psychosen) en Tofranil (tegen depressies). Deze (en afgeleide) medicijnen slaan niet bij iedereen aan en hebben ook ingrijpende bijwerkingen, maar de psychiatrie werd er veel zichtbaarder mee voor de samenleving. Patiënten konden veel eerder worden ontslagen en met nazorg op de been worden gehouden. Tevens deed het fenomeen ‘vrij wandelen’ zijn intrede: opgenomen patiënten die langzaam schuifelend (vanwege de bijwerkingen) de straten rond de Valeriuskliniek een uurtje verkennen, om hierna (meestal) weer braaf  terug te schuifelen. Het zal af en toe een incident in de buurt hebben opgeleverd, al maakten veel huurders aan het Valeriusplein er ook misbruik van. Tot in de jaren negentig was het mogelijk om alle huurverhogingen van de woningbouwcorporatie te weigeren met het argument dat men was lastig gevallen door een patiënt uit de Valeriuskliniek.

 

Geleidelijke secularisering

Stond de kliniek tot in de jaren zestig voorop bij alle belangrijke vernieuwingen in de psychiatrie, vanaf de jaren zeventig kwam hier de klad in. De golven van democratisering, patiëntenrechten en psychotherapeutisch optimisme die deze tijd kenmerkten, spoelden bij de Valeriuskliniek pas laat of helemaal niet aan. Zo werd de hoogleraar psychiatrie Piet Kuiper, die begin jaren tachtig zelf vanwege godsdienstwaanzin in de kliniek werd opgenomen, tot zijn verbazing door de verpleegsters om de oren geslagen met religieuze vermaningen. Hoogtepunt was een anoniem briefje met de tekst: “God straft u zoals hij Nebukadnezar ten val bracht. Die werd van zijn zinnen beroofd en graasde als de koeien. Zo gaat het met u en het is welverdiend. Alleen God kan u redden.” Kuiper was het hier overigens geheel mee eens. Hij besloot de kliniek te verlaten. Korte tijd later werd hij opnieuw opgenomen, nu in Den Haag.

De laatste fase van de Valeriuskliniek werd getekend door een geleidelijke secularisering, zowel van de patiënten als het personeel. Gereformeerde Bonders en Nederduits Hervormden maakten definitief plaats voor moslims, hindoes en winti-aanhangers. Daarnaast zocht de kliniek naarstig naar een eigen plekje binnen het ingewikkelde Amsterdamse psychiatrische speelveld, dat al een kwarteeuw van onderling gekibbel, fusies en nog meer fusies aan elkaar hangt. Dit jaar werd bekend dat de kliniek in 2012 zal verhuizen naar nieuwbouw naast de Vrije Universiteit, als onderdeeltje van het recente megafusieproject ‘GGZ inGeest’. Wat de bestemming van het gebouw aan het Valeriusplein zal zijn, is onbekend. Wellicht kunnen er woningen in komen. Aldus valt het doek, 100 jaar nadat dominee Lucas Lindeboom bij de opening de stenen tijdelijkheid van het gebouw had benadrukt tegenover de oneindigheid Gods.

 

Euwe houdt stand

Tweekamp Euwe-Aljechin wekt hevige schaakkoorts op

Tekst: Guus Luijters

 

380-inhoud_Euwe‘Es lebe Schachweltmeister Euwe, es lebe Schachliebend Holland.’ Verliezer Alexander Aljechin gaf Max Euwe alle eer na zijn nederlaag in de match om het wereldkampioenschap in 1935. Even was Nederland in de ban van de Amsterdamse wiskundeleraar die het Russische genie klop had gegeven. (Tekening Felicien Bobeldijk)

 

Op 28 december 1935 is het groot feest in Amsterdam. In het clublokaal van het Vereenigd Amsterdams Schaakgenoot­schap wordt de kersverse wereldkampioen schaken Max Euwe gehuldigd. “Alles wat zich in de hoofdstad zo’n beetje – en meestal een beetje veel – voor het schaken interesseert, had zich in het V.A.S.-huis verzameld”, schrijft De Telegraaf de volgende dag. “En hier heeft dr. Euwe, zijn vrouw en zijn ouders, die ook deze avond aanwezig waren, kunnen bemerken hoe hartelijk de Amster­damse schaakwereld zich verheugd heeft in Euwe’s unieke suc­ces.” Onder het spelen van de Euwe-mars worden de wereld­kampioen en zijn vrouw door de 200 aanwezigen inge­haald. Uit volle borst zingen ze dit lied, op muziek van de bekende organist Pierre Palla en met een tekst van Lajos Kovacs (door Hans Ree gepubliceerd in zijn recente boek Mijn schaken):

Wekenlang te schaken tegen zulk een kampioen,

is dat wat, is dat wat.

Altijd maar te piekeren wat of hij nu weer zal doen,

is dat wat, is dat wat.

Nou dan heb je een stel hersens als voorheen Pythagoras,

maar om dan nog te bewijzen dat je hem de baas steeds was.

(Refrein)

 

Als de doctor achter het schaakbord zit

speelt hij met wit

of zwart.

Aljechin pas maar goed op je zaken,

want dan gaat schaken hard om hard.

Dat is een Hollander waar een kop op zit,

steeds fris en fit, ja ja.

En doctor Euwe heeft gewonnen,

hiep hiep hoera, hiep hiep hoera!

Na een tijd van spanning juicht heel het vaderland

“Hij staat voor, hij staat voor!”

Tegen de beroemde Aljechin hield Euwe stand,

hij staat voor, hij staat voor!

En dan offert hij pionnen, soms een loper, een kasteel,

maar Holland houdt zijn koningin

en dat doet ons zoveel.

 

Na de mars houdt V.A.S.-voorzitter de heer Harten een feestrede, leest de secretaris een telegrafische gelukswens op rijm voor van pater Hendriks en biedt Harten “de we­reldkampioen een stoffe­lijk blijk van hulde aan in de vorm van een stel gestileerde lepeltjes met inscriptie.” Mevrouw Euwe krijgt een fruitmand. Daarna is het woord aan Euwe zelf. “Dit is de derde huldiging waaraan ik mij heb moeten onderwerpen”, zegt hij. “De eerste was in Bellevue direct na het einde van de laatste partij. Om in schaaktaal te spreken: dat was de opening, wat onvoorbe­reid en spontaan, met veel stukken op het bord. Het middenspel werd in het Carlton-Hotel nog diezelfde avond met Schwung gespeeld. Er is daar nogal wat geofferd en op tweeërlei wijze. De offers die men mij bracht – o.a. een gouden horloge – heb ik alle met graagte geaccepteerd. De partij werd toen afgebroken en eer­lijk gezegd had ik weinig zin om haar te hervatten. Ik wilde haar graag remise geven. Maar daar wilde het V.A.S. niets van weten en dus ben ik toch gekomen, maar alleen om de partij officieel op te geven.” Het is een gedenkwaardige avond.

 

Liever knikkeren

Toen op 3 oktober 1935 de eerste partij in de tweekamp tussen wereldkampioen dr. A. A. Aljechin en dr. M. Euwe in het Carlton Hotel in Amsterdam van start ging, was Euwe 34 jaar. Hij kwam uit de Watergraafsmeer, waar hij op 20 mei 1901 aan de Ringdijk 45 werd geboren als Machgielis. Zijn vader was onderwijzer. “Hij was gematigd links, streng, sarcastisch, maar ook aardig. Dus ongeveer zoals ik zelf ben”, zegt Euwe over hem in Alexander Munninghoffs biografie. Op zijn vierde kon hij al schaken, van zijn vader en moeder geleerd. Zijn favoriete bezigheid was het niet: “Dat was knikkeren.” Maar op zijn zesde was hij toch al zoveel beter dan zijn ouders dat zij geen partij meer voor hem waren.

Euwe was twaalf toen het gezin naar de Jan Steen­straat verhuis­de. Hij ging naar de Eerste Driejarige HBS aan de Wetering­schans. Het eerste jaar was hij een goede leerling, maar in de tweede klas ging het mis en bleef hij zitten: “Ik deed niets aan mijn school­werk. Mijn Frans en Engels waren onvoldoende. (...) Het was zeker niet zo, dat ik geen aanleg had. Nee, de reden was gelegen in het feit, dat ik al mijn tijd besteedde aan voet­ballen. Ik was een fanatiek voetballer­tje, hoewel ik niet zo goed was. Mijn broer Willem was in ieder geval beter dan ik. Met de jongens van de straat heb ik toen nog een voetbalclub opgericht, De Sperwers. Alle­maal jongens uit de Jan Steen­straat. (...) Uit ons elftal van toen zijn nog een paar echt grote talenten voortgekomen. Ik herin­ner mij bijvoorbeeld Gejus van der Meulen, die nog in het Nederlands elftal heeft gespeeld en Gerard Vergunst, mijn boezemvriend van het eerste uur. Die heeft later jarenlang in Ajax I gevoetbald.”

Wie foto’s van de volwassen Euwe bekijkt, ziet dat fanatieke voetballertje niet echt voor zich. Hij oogt als een nette man, een beetje als de leraar die hij is, bescheiden, geen uitbun­dige nachtbraker. Maar vergis je niet. In zijn jeugd had hij gebokst en nadat hij wereldkam­pioen was gewor­den, haalde hij een vliegbrevet. Hans Ree vertelt dat Euwe ‘vroeger’ als hij van de schaakclub naar huis liep altijd een pistool op zak had en dat hij, de keurige huisvader, het gezelschap “van bohemiens als Carel van den Berg, Hein Donner, Tabe Bas en later dat van de jonge Timman [verkoos] boven dat van nette ploete­raars.” Van valse bescheidenheid had hij ook geen last. In zijn boek over Euwe verhaalt Genna Sosonko over de keer dat Euwe met drie Neder­landse schakers, onder wie Donner, een partij van de laatste analyseerde. Donner kreeg een standje, waarna hij opmerkte dat Euwe zelf ook wel eens een fout maak­te. Euwe antwoordde: “Ja Hein, dat is wel zo, maar je moet niet vergeten dat ik meer verstand heb van schaken dan jullie alledrie bij elkaar.”

 

Hevige schaakkoorts

In 1921 werd Euwe voor het eerst kampioen van Nederland en in de jaren die volgden nestelde hij zich internationaal tussen de sterksten. Hij speelde tweekampen tegen Alje­chin, Capablanca en Flohr. In 1934 eindigde hij in Zürich als tweede achter wereldkampioen Aljechin en won hij voor de derde keer het tournooi van Hastings. Toch leek het dat Euwe (gepromoveerd in de wiskunde en docent op het Gemeentelijk Meisjeslyceum) definitief voor de wis­kunde had gekozen in plaats van het schaken. Alexander Aljechin had hem in 1933 uitgenodigd een tweekamp te spelen op een passagiers­schip naar Indië, vijf partijen heen, vijf partijen terug. Desnoods om de wereldtitel. Euwe liet de brief liggen, maar zijn vriend Hans Kmoch wist hem er uiteindelijk van te over­tui­gen dat hij wel degelijk een kans maakte tegen Aljechin. “Op dat ogenblik was de beslissing in feite geval­len”, zei Euwe. “Ik zou Aljechin uitdagen tot een tweekamp om het we­reldkampioenschap! Dit besluit was geen puur toeval, het was voorbeschikking.”

De match gaat over 30 partijen in dertien Nederlandse steden en Aljechin is zonder meer de favoriet. Euwe zegt dat de successen van Aljechin in de toernooien hem pessimistisch stemmen, maar dat zijn gunstige resultaten in hun onderlinge ontmoetingen hem weer optimis­tisch maken. Aljechin is zeker van de overwinning: “Op het ogenblik zie ik geen speler die tegen mij is opgewassen.”

Na zeven partijen ziet het ernaar uit dat Aljechin gelijk gaat krijgen. De stand is 5-2 in zijn voordeel. Er volgen twee rustdagen en Tartakower adviseert Euwe: “Eens een razende autorit maken, de zorgen van alledag vergeten, een blik slaan in het verlichte heelal, nieuwe frisse ideeën uit de natuur putten – dat is mijn recept.” Euwe wint de achtste partij, maar Aljechin slaat meteen terug, na negen partijen is de stad 6-3, de uitdager lijkt verslagen. De tiende partij, door Euwe met zwart gewonnen, brengt de ommekeer. Zelfs de aanwezigheid van Lobeidah en Schachmat, Aljechins twee katten die graag de stukken besnuffelen en zo wat zwarte magie brengen, baat Aljechin niet meer, hij verliest de twaalfde en de veertiende partij en op de helft van de tweekamp is de stand gelijk: 7 1/2-7 1/2.

In het land doet zich inmiddels een merkwaardig fenomeen voor, want ook mensen die geen toren van een dame kunnen onderscheiden beginnen zich voor de match te interesseren. Niet dat half Nederland een oranje paard op zijn hoofd zet, maar er heerst wel degelijk schaak­koorts. De zalen waar gespeeld wordt raken steeds voller, de belangstel­ling van de pers groeit en Pierre Palla en Lajos Kovacs zeggen tegen elkaar dat er misschien wel een schlager in zit.

 

Glaasje appelwijn

Na twintig partijen is de stand 10 1/2-9 1/2 in het voordeel van de wereldkampioen. Dan komt de beruchte 21ste partij. In zijn Euwe-biografie vat Alexander Mun­ninghoff de krantenberichten na de partij als volgt samen: “Aljechin zou veel te laat en stomdronken in het speellokaal gearriveerd zijn, had daar een enorme heibel gemaakt, wilde niet spelen, zou Euwe bedreigd hebben en ten­slotte, toen hij gedwongen was geweest om wel te spelen, zou hij, nog steeds volkomen laveloos, maar wat onzin op het bord hebben uitge­haald en tja, dat kon hij zich tegenover Euwe toch niet ver­oorloven en zo had Aljechin dan tenslotte verloren.” De dronkschap is het gesprek van de dag, maar Euwe deed het verhaal later af als een fabeltje. “Dat hij dronken zou zijn geweest is compleet onzin.” Aljechin was door alle toernees vooraf aan de tweekamp een beetje “schaakdood” en Euwe kon zich goed voorstellen dat “hij dronk om zijn creativi­teit en inspiratie weer terug te krijgen.” Maar dat hij gewonnen zou hebben omdat Aljechin stomdronken was? Flauwekul!

De volgende dag schenkt Aljechin vlak voor de partij voor zichzelf én Euwe een glas alcoholvrije appelwijn in.

In de 25ste partij komt Aljechin na een nederlaag met wit voor het eerst op achterstand (12-13). Daags erna maakt Euwe het karwei af. In een partij die de geschiedenis is ingegaan als “de parel van Zandvoort” brengt hij zijn voorsprong op twee punten. In een geheel uitverkocht Carlton Hotel komt Aljechin nog één keer terug, maar als op zondag 15 december in Bellevue de laatste partij moet beginnen, leidt Euwe nog steeds met één punt. Remise volstaat om wereldkampioen te worden. Er zijn 2000 toeschouwers en overal in het land worden volle schaakclubs via telefoonlij­nen op de hoogte gebracht van de zetten. In de Mar­nixstraat houdt  politie te paard de menigte in toom. De schaakgekte is ten top gestegen. 

Aljechin speelt in rokkostuum. Na 27 zetten, biedt Euwe remise aan. “Ik kan het niet aannemen”, reageert Aljechin, “ik heb geen andere kans dan te winnen.” Maar wanneer de partij na de 31ste zet moet worden afgebroken, gooit hij de handdoek in de ring: “Moeten we afbreken of kan ik u nu al feliciteren.” De mannen staan op en schudden elkaar de hand. Er klinkt een daverend applaus en het publiek verbreekt, geheel zoals het hoort, de touwen en stormt naar het podium, waar de gerokte Aljechin het woord heeft genomen. “Es lebe Schachweltmeister Euwe, es lebe Schachliebend Holland.” Spontaan weerklinkt het Wilhelmus. Grootmeester Flohr zegt tegen Euwe dat hij nu het beste een maand naar de Rivièra kon gaan om bij te komen. “Dan zal ik niet ver komen”, antwoordt deze, “ik heb nog geen dubbeltje voor de tram.” Geld voor een taxi heeft hij ook niet en omdat er wegens de sneeuw geen trams rijden, gaat de wereldkampioen te voet naar huis

 

Zingen om erbij te horen

Amsterdamse mannenkoren tussen 1850 en 1880

Tekst: Hilde van Stelten

 

In de 19de eeuw groeide het aantal zangverenigingen (en dan vooral mannenzangverenigingen) in Amsterdam explosief. De eenvoudige burgerman wilde graag ergens bij horen en de zangkoren vormden een tamelijk laagdrempelig nieuw soort vereniging. Muzikaal genot en behoefte aan gezelligheid gingen samen. Al ging dat ook wel eens mis.

 

Het lidmaatschap van verenigingen was aan het begin van de 19de eeuw door hoge contributies en strenge ballotagesystemen vooral weggelegd voor de elite. Genootschappen als Felix Meritis (Keizersgracht) en Doctrina et Amicitiae (Kalverstraat) waren gericht op de verwerving van kennis en het vertoon van verfijnde manieren. Daarvoor moest men wel wat in zijn mars (en beurs) hebben. Rond 1840 begon dat te veranderen. Er kwamen verenigingen bij met activiteiten waarvoor de leden niet per se hoogopgeleid of rijk hoefden te zijn. Zo herleefden de (in de 17de eeuw populaire) rederijkerskamers, waar burgers samen gedichten declameerden en toneel speelden. Een ander laagdrempelig verband waren de zangverenigingen. Alleen al in Amsterdam werden tussen 1840 en 1880 enkele tientallen mannenkoren opgericht. Zingen was in korte tijd enorm populair geworden.

Mannenzangverenigingen werden in de 19de eeuw doorgaans aangeduid als ‘liedertafels’. (Het begon ook letterlijk met het zingen rondom een grote tafel.) De eerste liedertafels ontstonden rond 1800 in Pruisen als verenigingen van componisten, musici en dichters. De eerste in Nederland was waarschijnlijk Aurora, opgericht in 1827 in Dordrecht. Delft, Den Haag en Haarlem volgden. In 1839 werd in Amsterdam liedertafel Eutonia opgericht. Daarna ging het hier snel. In de jaren veertig telde de hoofdstad al ongeveer tien kleine mannenzangkoren. Een halve eeuw later was dit aantal verdriedubbeld.

De eerste liedertafels waren redelijk gesloten en kleine clubjes; alleen via strenge ballotage kon men lid worden en de contributie was vrij hoog. Na 1850 veranderden ze in grote verenigingen toegankelijk voor een veel breder publiek. Tegen 1870 waren zangverenigingen een gevestigd fenomeen. Ze mochten zingen voor de koningin, hielden grote optochten door de stad en trokken veel publiek met hun concoursen. Daardoor groeiden het aantal verenigingen én het aantal leden per vereniging nog sneller. Neem de joodse vereniging Oefening Baart Kunst: in 1857 telde zij nog maar 29 leden, in 1876 al 112.

 

Drie soorten leden

Liedertafels hadden drie soorten leden: werkende, kunstlievende en honoraire leden. Werkende leden zongen wekelijks met elkaar. Kunstlievende leden steunden de verenigingen financieel en kregen daarmee gratis toegang tot de concerten. Wie werkend of kunstlievend lid wilde worden, moest door een ballotage komen: een schriftelijke stemming onder de leden. Dat was in de 19de eeuw de gebruikelijke manier om lid van een vereniging te worden. Bij de ene vereniging was de ballotage strenger dan bij de andere. Honoraire leden waren mensen die iets bijzonders voor de vereniging hadden gedaan; zij betaalden geen contributie (meer).

Wie werden in de tweede helft van de 19de eeuw lid van een zangvereniging? Uit onderzoek naar twaalf Amsterdamse liedertafels blijkt dat het vooral jonge mannen waren, werkzaam in het onderwijs, op een kantoor of in een ambacht, zoals boekbinders, steendrukkers, horlogemakers en kleermakers. Vooral door gebrek aan tijd en geld werden ‘minvermogenden’ geen lid. Maar ook volksvertegenwoordigers, magistraten, advocaten en hoge ambtenaren schitterden door afwezigheid. Zingen was vooral iets voor de middenklasse.

Tussen de verenigingen onderling is wél onderscheid in welstand te zien. Zo werkten leden van Eutonia en Euterpe vooral in de handel en woonden zij voornamelijk in de oude binnenstad en aan de grachten (behalve de deftigste delen, zoals de Gouden Bocht van de Herengracht.) Verenigingen als Apollo, Kunstmin en Oefening Zij Ons Doel daarentegen bestonden vooral uit ambachtsbazen uit de Jordaan. Er waren ook koren die bij voorkeur leden uit één beroepsgroep verenigden. Zo was Amicitiae een onderwijzerszangvereniging, al waren ook enkele kantoorbedienden lid.=

Liedertafels maakten in principe geen religieus onderscheid, maar vrijwel alle joden organiseerden zich apart. Naast een sterke etnische groepscultuur, zal zeker ook antisemitisme een rol hebben gespeeld. De grootste en bekendste joodse liedertafel was Oefening Baart Kunst, met als thuishonk gebouw Plancius in de Plantage Kerklaan, nu het Verzetsmuseum.

 

Na het zingen was het bal

Waarover zongen al die koren? Protestant, katholiek of jood: iedereen was het er in ieder geval over eens dat er over God gezongen moest worden. Op afstand volgden de thema’s natuur, vriendschap, vaderland en liefde. Het grote en populaire Amstels Mannenkoor onderscheidde zich vooral door zijn voorkeur voor Nederlands repertoire. Bij de andere liedertafels werd vooral in het Duits gezongen.

Namen als ‘Kunst en Vriendschap’, ‘Zanglust en Vermaak’, en ‘Amicitiae’ verraden dat behalve de zang het vriendschappelijk samenzijn een belangrijk doel was. Na uitvoeringen werd er flink geborreld en ook voor familie van de leden werd van alles georganiseerd. Zo organiseerde Euterpe in juli 1879 een “kinderbal en kersenpartij” voor de kinderen. Concerten werden vaak afgesloten met een bal.

Naast bals en feesten organiseerden de verenigingen ook onderlinge wedstrijden voor “Solo-Kwartet”: leden werden door loting aan elkaar gekoppeld om in viertallen een bepaald stuk te zingen. Zij kregen een bepaalde tijd om te oefenen en op de avond van de wedstrijd lieten alle kwartetten hun stukken horen. De winnaars kregen een herinneringsmedaille. De deelnemers oefenden bij elkaar thuis en op de wedstrijdavond kwamen ook de vrouwen mee. Na afloop zat men nog uren na.        

Het effectiefste bindmiddel waren de uitstapjes. Op zondag 13 juli 1879 vertrokken bijvoorbeeld de leden van Euterpe naar het Zeisterbos voor een ontbijt in het Jagershuis en een wandeling naar de Darthuizerberg. Dat was zo’n succes dat men ruim een maand later opnieuw in de trein stapte, nu om “een wandeling te maken door Haarlems schoone omstreken en een bezoek te brengen aan het dorp Zantvoort om (…) een lied te laten schallen langs zee en strand.”

Dit soort uitjes werd vaak gecombineerd met een concert. Op uitnodiging van een bevriende liedertafel vertrok de groep dan per boot of trein en gaf ’s avonds samen met de andere vereniging een concert. Voor de gezelligheid, maar ook ter “versterking van den broederband en de bevordering van kunstliefde en vriendschapszin in ruimen kring.”

 

Tweejaarlijks festijn

Die kring werd nog ruimer door de oprichting van het Nationaal Nederlandsch Zangersverbond in 1853. Al sinds 1845 werden Nederrijnsch-Nederlandsche Zangersfeesten georganiseerd, afwisselend in Kleef en Arnhem. Van Duitse zijde nam de belangstelling echter af, terwijl Nederland zelf al talloze koren telde. Het werd tijd voor een eigen Nederlands evenement. Sindsdien werd iedere twee jaar een Nationaal Nederlandsch Zangersfeest gehouden.

De feesten vonden meestal plaats in augustus, vanwege het goede weer, maar ook omdat in augustus het verenigingsseizoen nog niet geopend was. Steeds een andere liedertafel uit een andere stad organiseerde het driedaagse evenement. De deelnemers arriveerden meestal met de trein, in Amsterdam doorgaans op het Weesperpoortstation aan het eind van de Weesperstraat. In 1857, 1869 en 1881 organiseerden Amsterdamse liedertafels het feest. Daar werden de zangers zingend verwelkomd, waarna men in optocht naar de feestlocatie liep, de Parkzaal in de Plantage of het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein. Na een plechtig welkomstwoord was daar ’s avonds een gezamenlijke repetitie.  De volgende dag, meestal op vrijdagavond, voerden alle liedertafels samen dezelfde stukken op. Na afloop was er een groot feest.

Op zaterdag was er overdag tijd om andere dingen te doen. Samen lunchen of koffie drinken. Musea of andere genootschappen, zoals Artis, openden hun deuren voor de zangers. Artis hield in 1857 tijdens het derde Nationaal Zangersfeest haar deuren overigens nog dicht, maar zo’n tien jaar later kon echt niemand meer om de zangwedstrijden heen. Overal in het land werden enorme affiches aangeplakt. Euterpe bijvoorbeeld maakte in 1868 voor zijn eigen internationale zangwedstrijd reclame in Hoorn, Rotterdam, Arnhem, Groningen, Nijmegen, Schiedam, Haarlem, Alkmaar, Utrecht, Den Haag, Delft, Zaandam, Leeuwarden, Zwolle, Zutphen en Den Bosch.

 

Zang en vriendschap?

De echte wedstrijd vond plaats op zaterdagavond. Dan traden alle verenigingen apart van elkaar op. Na afloop maakte een jury bekend wie gewonnen had. Ten slotte zongen alle deelnemers samen het volkslied, toen nog Wien Neêrlands Bloed. Aan het eind was er een groot bal, vaak met vuurwerk buiten. Tot diep in de nacht werd gefeest, zo stevig soms dat geklaagd werd dat het de zang niet ten goede zou komen.

Liedertafels streefden dus naar onderlinge vriendschap, maar soms bleek dat doel onhaalbaar. Al in het eerste nummer van het Maandbad van het Zangersverbond uit 1873 werd dat gesignaleerd:  “Meermalen waren wij getuigen van groote jaloezie tusschen Zangvereenigingen, en in plaats van welwillendheid en toegenegenheid, werd afkeerigheid bevorderd.”

Niets menselijks was de zangers vreemd. Ze wilden wát graag winnen. Die competitiedrift leidde wel eens tot enig ongenoegen. In 1876 protesteerden bijvoorbeeld verschillende liedertafels tegen de uitslag van een door het Amsterdamse Kunst en Vriendschap georganiseerde zangwedstrijd. Rotte’s Mannenkoor uit Rotterdam meende de hoofdprijs te verdienen en wilde de tweede prijs niet hebben; Oefening en Uitspanning uit Den Bosch weigerde de derde prijs; en Oefening Baart Kunst (Amsterdam) had geen prijs en sprak daar ook schande van.

Ook binnen de verenigingen was het niet altijd zo gezellig als men graag uitstraalde. Zo liepen in 1878 bij Euterpe de spanningen hoog op. In februari legde voorzitter W.D.F. van Werkhoven zijn functie neer, nadat hij er niet in geslaagd was een donateur ervan te overtuigen dat gele feestversiering niet bedoeld was als propaganda voor het katholicisme. In november barstte een nog groter conflict los over de keuze van een nieuwe dirigent. Een krappe meerderheid wilde de vermaarde componist Gustav Heinze (dirigent sinds 1850) vervangen door aanstormend talent Robert Collin. De paraplumaker Anthonie Soederouw liet kort na de stemming “rondborstig en vrij” weten hier niet blij mee te zijn. Kennelijk was dat voor twintig medeleden aanleiding het bestuur te vragen hem via “herballotage” te royeren, overigens zonder enige toelichting.

 

Koorleiding onder schot

Soederouw was al vijftien jaar lid en zelfs bestuurslid geweest. Vooral veel kunstlievende leden (donateurs) zagen niet in waarom de paraplumaker dit verdiende. Het bestuur zat behoorlijk met de situatie in zijn maag. Het weigerde de namen van de ondertekenaars te geven. Dat hoefde formeel ook niet, maar maakte het Soederouw wel lastig zich te verweren. Het bestuur had echter alle reden voor geheimhouding: minstens één bestuurslid had zelf het verzoek ondertekend. Door de felle reacties vanuit de vereniging lag ineens de hele koorleiding onder schot.

Een kat in het nauw maakt rare sprongen. Het bestuur verklaarde de criticasters de oorlog. Op 12 december 1878 plaatste het een advertentie in het Algemeen Handelsblad: “Kunstlievende leden der Liedertafel Euterpe.

Gij die volgens de wet niets te zeggen hebt, weet gij dat in die wet bestaat een artikel 33, welke zegt dat 1/3 der werkende leden is voldoende om herballotage aan te vragen?!! Volgens besluit en uitvoering van de laatste vergaderingen, blijven namen, wie aanklagers zijn en de motieven waarom, geheim. Neemt u in acht, dat dit artikel niet op u toegepast worde!” Deze chantage maakte de situatie er niet beter op. Lastpost Soederouw werd weliswaar geroyeerd, maar binnen enkele dagen zegden een aantal leden en donateurs hun lidmaatschap op. Alle lyrische verslagen over het zangersverenigingsleven ten spijt, was de praktijk niet altijd even aangenaam.

Toch lijken conflicten als deze uitzonderingen te zijn. Vaststaat dat de zangverenigingen niet alleen een mooie bijdrage leverden aan het Nederlandse muziekleven, maar hun leden ook hielpen zich minder verloren te voelen in de snel veranderende 19de-eeuwse maatschappij. 

 

Een bewogen huwelijk

Echtpaar Posthumus bracht sociale archieven bijeen

Tekst: Peter-Paul de Baar

 

402-inhoud_institutenAmsterdammer herbergt twee historische instituten van wereldnaam: het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en vrouweninstituut Aletta (voorheen Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging). Niet toevallig allebei uit 1935. De tijd was rijp 75 jaar geleden en een echtpaar zag dat: geschiedenishoogleraar prof. dr. N. W. Posthumus en de feministische econome dr. W. H. Posthumus-van der Goot.

 

Het waren woelige tijden. Er heerste grote werkloosheid. In Duitsland was in 1933 Hitler aan de macht gekomen. En al snel kregen joden maar ook socialisten in en buiten de Duitse grenzen alle reden ongerust te worden.

De vrouwenbeweging was na de verkrijging van het vrouwenkiesrecht wat ingedut. Maar toen diverse regeringen vanwege de crisis vrouwen wilden uitsluiten van betaalde arbeid, bleek het feminisme weer onverwacht actueel. Tegelijk ging een jongere vrouwengeneratie zich weer interesseren voor het gedachtengoed van baanbreeksters als Wilhelmina Drucker, Mina Kruseman, Aletta Jacobs en Johanna Naber.

Als eerste nam Nicolaas Wilhelmus (‘Nien’) Posthumus het initiatief om archieven van bedreigde arbeidersorganisaties en personen veilig te stellen. Op 26 februari 1880 was hij in Bussum geboren. Vijf jaar oud verloor hij zijn vader, aardrijkskundeleraar en mede-oprichter van het Aardrijkskundig Genootschap. Ondanks het krappe gezinsbudget, mocht Nien in 1898 rechten gaan studeren in Amsterdam. Hij werd lid van het traditionele Amsterdamsch Studenten Corps, maar dan wel van het linkse dispuut Clio. Medeleden waren de rode dichter Carel Adama van Scheltema, de latere journalist Henri Wiessing en de latere criminoloog Willem Bonger.

Volgens Wiessing was Nien Posthumus destijds een “vurig marxist”. In september 1900 verleidde hij SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra ertoe een toespraak te houden voor de verpauperde arbeiders van de Brabantse schoenfabrieken. Geen succes: Troelstra en Posthumus moesten vluchten voor de stenengooiende schoenmakers, opgehitst door een kapelaan. Als propagandist liet Nien Posthumus daarna weinig meer van zich laten horen, maar zijn socialistische idealen bleven levenslang een (onuitgesproken) inspiratiebron voor zijn historisch onderzoek, verzameldrift en talloze initiatieven. Om de maatschappij te hervormen, moest je allereerst weten hoe zij ontstaan is en werkt, besefte hij. Dan moeten ook de relevante historische bronnen toegankelijk zijn. Daarvan maakte hij geen half werk. 

In 1914 studeerde Nien af in de rechten én economie. In juli 1908 promoveerde hij op een indrukwekkend proefschrift over de Leidse lakenindustrie in de Middeleeuwen. Twee weken later trouwde hij met Dorothea van Loon, met wie hij een dochter en zoon kreeg.

 

De liefde bloeit op

Eerder dat jaar was hij al aangesteld als leraar aan de Openbare Handelsschool in Amsterdam. Tegelijk raakte hij nauw betrokken bij een onderzoek naar misstanden in de Nederlandse huisindustrie, in 1909 uitmondend in een tentoonstelling en congres. Hij begon op te vallen. Zo werd Posthumus in 1913 de eerste hoogleraar economische geschiedenis van de gloednieuwe Nederlandsche Handelshogeschool in Rotterdam (nu Erasmus Universiteit). Meteen richtte hij in 1914 (met rijkssteun) het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief (NEHA) op, in Den Haag. Eerste doelstelling was het verwerven van zoveel mogelijk bedrijfsarchieven. Al snel ging de jonge professor ook op jacht naar archieven van werkgevers- en arbeidersorganisaties en hun voorlieden. Ook bouwde hij een snel groeiende Economisch-Historische Bibliotheek (AHB) op, die in 1932 verhuisde naar de Amsterdamse Herengracht. Tussen de bedrijven door zette Nien zich in voor de opvang van de Rotterdamse straatjeugd. In 1922 kon hij zijn vleugels nog verder uitslaan, toen hij hoogleraar economische geschiedenis werd aan de Universiteit van Amsterdam, zowel voor studenten economie (een nieuwe faculteit) als geschiedenis.

Nog voor zijn vertrek naar Amsterdam moet de inmiddels 42-jarige hoogleraar verliefd zijn geworden op Willemien Hendrika (‘Lil’) van der Goot, die in 1920 in Rotterdam economie ging studeren – geen gebruikelijk vak nog voor een meisje. Zij werd op 2 mei 1897 geboren in Pretoria, Zuid-Afrika: haar vader was er ingenieur. Kort daarop verhuisde het gezin naar Batavia. Daar bezocht ze de HBS en haalde een onderwijsakte Frans. Na nog een paar jaar in Genève, begon ze aan haar Hollandse economiestudie. Zij was mooi, rijzig, vrolijk en niet op haar mondje gevallen. Over de kennismaking met haar nog steeds getrouwde hoogleraar is niets overgeleverd. Maar Niens eerste bewaarde liefdesbriefje (“Liefste! De heele dag was ik vol van je!”) dateert uit 1922.

De afstand tussen Rotterdam en Amsterdam lijkt de hartstocht alleen maar vergroot te hebben. Intussen deed Lil in 1926 haar doctoraalexamen. Door Nien gestimuleerd besloot ze aansluitend een proefschrift te schrijven. In 1928 scheidde Nien van Dorothea. Op 11 december 1930 promoveerde Lil als eerste vrouw in Nederland tot doctor in de economie, op haar dissertatie De besteding van het inkomen. En op 7 januari 1931 trouwde het stel en ging in Noordwijk wonen.

 

IISG-directeur

Al in 1928 was Lil even in contact gekomen met de vrouwenbeweging. In haar toenmalige woonplaats Scheveningen vergaderde de Vereeniging van Staatsburgeressen. Impulsief nam Lil er een kijkje. Ze vond het bloedsaai en bekende dat desgevraagd aan een oudere vrouw naast haar. Die wees haar er op dat de aanwezigen toch niet de eerste de besten waren en dat het doel toch heel nuttig was. Zij liet zich toen maar lid maken. “Wie is die vrouw eigenlijk”, vroeg zij later. “Wist je dat niet?”, was het antwoord. “Dat was Aletta Jacobs.” Die zou ze nooit meer ontmoeten: een jaar later was Jacobs dood. Bij die ene vergadering bleef het voorlopig. Opgelucht dat haar proefschrift af was, liet de kersverse mevrouw Posthumus de teugels vieren: veel bridgen, winkelen en theedrinken met vriendinnen. “Maar op den duur begon ik een beetje vervelend te worden”, bekende ze aan Cisca Dresselhuys, die haar in 1984 voor Opzij interviewde.

Ze kreeg weer iets nuttigs om handen, toen haar man haar in 1933 vroeg hem te helpen bij het corrigeren en inkorten van deel twee van zijn gigantische studie over de Leidse lakenhandel. Nien had het druk. Na Hitlers machtsovername in 1933 bereikten hem al snel de eerste berichten over bedreigde archieven. Die poogde hij te redden en onder te brengen in het NEHA. Daarvoor was geld nodig, dus zocht hij een financier. In oktober 1934 vond hij die in Nehemia de Lieme, de zionistische en sociaal voelende directeur van de Centrale Levensverzekerings- en Depositobank.

‘De Centrale’, opgericht in 1904, had al in de statuten staan dat een deel van de winst bestemd moest worden voor arbeidersontwikkeling en andere sociale doelen. De Lieme wilde wèl een vinger in de pap. Daarin voorzagen de NEHA-statuten niet. Dus kwam er een nieuwe rechtspersoon: het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, met als directeur (jawel) prof. dr. mr. N.W. Posthumus. Op 25 november 1935 werd de stichtingsakte getekend en op 11 maart 1937 werd het instituut officieel geopend in de voormalige meisjesschool Keizersgracht 264, door de gemeente ter beschikking gesteld. Intussen verwierf het IISG in 1938 de archieven van de Duitse sociaal-democraten, inclusief de papieren van Karl Marx en Friedrich Engels. In hetzelfde jaar kon de grote anarchistische verzameling van Max Nettlau worden gekocht. En zo ging het verder. Vanwege de oorlogsdreiging werd een deel van die archieven overigens voorlopig in Oxford bewaard.

 

Vrouwenarchief opgericht

Intussen was Lil alsnog in de vrouwenbeweging actief geworden. Zij was ervan overtuigd geraakt dat moderne vrouwen veel aan de oude feministes te danken hadden en dat het tijd werd dat jongeren het vaandel overnamen. Binnen de uit fusies ontstane Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatburgerschap (VGGS) ontstond in januari 1935 een Jongeren Werk Comité, waarvan zij snel voorzitster werd. Dankzij AVRO-oprichter Willem Vogt (kennis van haar vader) kreeg ze ook de leiding van alle vrouwenprogramma’s van deze omroep – tot in de jaren vijftig was dat radiowerk een ware passie. Al doende raakte ze bevriend met tal van feministes: veteranen als de moederlijke Rosa Manus (geniaal organisatrice) en historica Johanna Naber, en van haar eigen generatie historica Jane de Iong (werkzaam bij het NEHA) en Mies Boissevain-van Lennep. De laatste werd een hartsvriendin.

Niet zozeer door de dictatoriale dreigingen alswel door het overlijden van de pioniersters, dreigden ook van de vrouwenbeweging veel archieven teloor te gaan, zoals dat van Aletta Jacobs. Nien Posthumus had de vrouwenarchieven graag toegevoegd aan zijn IISG, maar zal beseft hebben dat dit voor veel feministes een deur te ver was: ten eerste werd het instituut geleid door bijna uitsluitend mannen, maar bovendien was in de zeer diverse vrouwenbeweging het linkse imago van het instituut een hobbel. De gevierde Johanna Naber was bijvoorbeeld fel orangistisch. De gouden oplossing was een zelfstandig vrouwenarchief, stevig gesteund door en samenwerkend met het IISG.

Op 3 december 1935 richtten Lil Posthumus-van der Goot, Johanna Naber en Rosa Manus het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV) op. ‘Mej. Manus’ werd presidente, ‘Mevr. Posthumus’ secretaris van het eerste bestuur. Het IISG in wording stelde twee kamers aan het IAV ter beschikking en gaf alle zelfverzamelde archieven en literatuur over de vrouwenbeweging in bruikleen. Ook Rosa Manus bracht er een groot deel van haar archief en bibliotheek onder.

 

Onderduikkind in huis

Nog eerder dan het IISG zelf, kon het IAV op 19 december 1936 worden geopend. Er waren geschriften over de positie van de vrouw te zien vanuit vele maatschappelijke stromingen. Maar er waren grenzen, blijkens het bestuursverslag van 12 december 1936: “Mevrouw Posthumus maakt de opmerking dat het verkeerd is bij de opening de communistische bladen te exposeren.” Dezelfde huiver bleek al in februari 1936, toen werd gesuggereerd ‘Mevr. Romein-Verschuur’  te vragen voor het bestuur (dr. Annie Romein-Verschoor, in 1934 bekend geworden als co-auteur van De lage landen bij de zee –red.): “Bij alle erkenning van al haar prestaties wordt nader contact meteen aanhangster van de communistische partij voorlopig niet in het belang van het I.A.V. geacht.”

In 1938 wist Lil haar man nog één keer op de barricaden te krijgen. Op een openbare bijeenkomst van ‘meisjesstudenten’ veroordeelde hij krachtig het wetontwerp van minister Romme om loonarbeid van gehuwde vrouwen te verbieden. Lil had al aangetoond dat de economie daar niet mee geholpen was. In datzelfde jaar kregen zij hun eerste en enige kind: Claire.

Na de Duitse inval in mei 1940 werd Nien Posthumus al snel verhoord, maar hij speelde trefzeker de rol van a-politiek geleerde. In juli 1940 confisqueerden de bezetters het pand. Alle archieven, boeken en brochures verdwenen naar Duitsland. De Duitsers legden ook beslag op het huis in Noordwijk; het echtpaar verhuisde naar de Boerhaavelaan in Leiden. Daar trok Lils zus Annie Diaz-van der Goot met haar dochter Liesbeth bij hen in. (In de oorlogschaos was zij haar Italiaanse man kwijtgeraakt.) In 1943 kreeg Claire er nog een zus bij: de zestienjarige Bep Koster, een joods meisje, net op tijd van deportatie gered. Met Mies Boissevain was Lil al een tijdje bezig joodse kinderen onder te laten duiken bij betrouwbare gezinnen. Het huishouden en de moederrol liet Lil intussen graag aan haar zus over. (Voor hun verzetswerk kregen het echtpaar Posthumus en Annie Diaz in 2008 postuum de Yad Vashem-onderscheiding.)

Uit protest tegen het ontslag van joodse collega’s had Nien In 1942 zijn hoogleraarschap neergelegd. Maar van rust was geen sprake. Hij legde oud zeer terzijde en werkte met medehoogleraar Jan Romein aan een plan voor een Politiek-Sociale Faculteit, als remedie tegen de gebleken politieke naïeviteit van de Nederlandse bevolking, en ook aan een Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Beide plannen werden na de oorlog werkelijkheid. “Mijn vader kon toveren!”, zegt dochter Claire. Hij kreeg alles voor elkaar. Enerzijds was hij zeer introvert, maar anderzijds een groot charmeur met een speelse geest. Zij dochter verblufte hij graag met vrolijke goocheltrucs.

 

De scheiding

Na de bevrijding bleek Keizersgracht 264 helemaal leeggeroofd. Beide instituten moesten helemaal opnieuw beginnen. Het IISG bofte: een groot deel van de collectie werd al in 1945 in Duitsland teruggevonden, maar het IAV was 90% van haar bezit kwijt. Pas in 1992 werden veel stukken, waaronder het archief van Rosa Manus, teruggevonden in Moskou; in 2003 keerden ze terug. Rosa Manus zelf was in de oorlog omgebracht. Lil Posthumus volgde haar op als IAV-voorzitter. In 1948 kwam zij in de schijnwerpers als samenstelster van Van moeder op dochter, het eerste grondige overzicht van het Nederlandse vrouwenleven in de 19de en 20ste eeuw. Haar echtgenoot begon een jaar later aan een nieuwe baan als directeur van de wetenschappelijke uitgeverij E. J. Brill in Leiden.

Intussen was het huwelijk van Lil en Nien onder grote druk komen staan. In de halve villa Apollolaan 72, die zij na de oorlog in Amsterdam hadden betrokken, begonnen ze langs elkaar heen te leven, zeker toen in 1947-1948 dochter Claire in een Zwitsers sanatorium verbleef. Een probleem was ook Niens gebrek aan talent voor monogamie. Daarover werd al langer geroddeld. In de oorlog had hij Wil van Straalen ontmoet, geen mondige vrouw als Lil, wel uiterst zorgzaam. Hun verhouding viel voor Lil niet meer te verbergen toen kort na de oorlog hun zoon Rob geboren werd.

Zelf raakte Lil in 1949 gecharmeerd van de Amerikaanse professor James Christopher, directeur van een nieuw filiaal van uitgeverij Brill in Heidelberg. Bij een zakelijk conflict tussen hem en haar man, de algemeen directeur van Brill, koos zij Christophers kant. De boot was aan. In februari 1951 scheidde het echtpaar ‘van tafel en bed’. Nien ging met vriendin Wil in Wassenaar wonen, tot zijn dood in 1960. Lil bleef in de Apollolaan. Zij overleed pas in 1989, 92 jaar oud. Zo maakte zij nog de herleving mee van de vrouwenbeweging rond 1970. In Joke Smit en de Dolle Mina’s herkende zij geestverwanten.

Dit bijzondere huwelijk bracht de partners helaas geen blijvend persoonlijk geluk. Maar voor de geschiedwetenschap en diverse sociale bewegingen heeft het onmiskenbaar veel moois opgeleverd. 

 

Juryrapport Ons Amsterdam Scriptieprijs

De Ons Amsterdam Scriptieprijs is bestemd voor de beste universitaire scriptie over een aspect van de Amsterdamse geschiedenis. Criteria zijn: behoorlijk Amsterdam-gehalte, goed wetenschappelijk niveau, origineel, leesbaar en interessant voor een vrij breed publiek. En onlangs voltooid. Deze eerste keer interpreteerden we dat vrij breed: als voltooid tussen 1 juni 2008 en 1 juni 2010.

De eerste jury bestond uit drs. Peter-Paul de Baar (historicus; hoofdredacteur Ons Amsterdam, voorzitter), dr. Herman Beliën (hoofddocent geschiedenis aan Universiteit van Amsterdam; presentator AT5-serie De Canon van Amsterdam), prof. dr. Petra van Dam (hoogleraar geschiedenis aan Vrije Universiteit Amsterdam), dr. Herman de Liagre Böhl (politicoloog/historicus; gepensioneerd hoofddocent UvA) en prof. dr. Piet de Rooy (oud-hoogleraar geschiedenis aan UvA; oud-voorzitter Canoncommissie Amsterdam).

De jury kreeg acht inzendingen binnen. Daarvan waren er liefst zes ‘bachelor’-scripties, naast twee ‘master’-scripties. (De internationale titels ‘bachelor’ en ‘master’  kwamen in 2001 in de plaats van de traditionele titels ‘kandidaat’ en ‘doctorandus’.)

Hoewel binnen de opleiding vooral qua lengte aan bachelorscripties lagere eisen worden gesteld dan aan masterscripties, viel het de jury op dat ze bijna alle inhoudelijk van hoge kwaliteit waren – zij het niet allemaal even soepel geschreven.

De keuze bleek lastig. Na veel wikken en wegen stelde de jury vast dat de scriptie van Hilde van Stelten eruit sprong door een originele onderwerpskeuze, een heldere structuur, goede verwerking van de bestaande literatuur en vooral zeer grondig archiefonderzoek, in uiteenlopende bronnen als de ledenlijsten en andere archivalia van de besproken zangkoren, maar ook van andere verenigingen en genootschappen, het bevolkingsregister, kieslijsten enzovoorts. Bovendien schreef zij het leesbaar op. (Vooral de zin “Iedereen was het er in ieder geval over eens dat er over God gezongen moest worden” deed de jury grijnzen.)

Van de overige scripties bleef het langst in de race die van Chagall van den Bergh: Verloren in hoererij. Adriaen Koerbagh (1632-1669) over seksualiteit en zedenwetgeving in de Republiek. Scherpzinnig relativeert zij de vermeende  radicaliteit op seksueel terrein van deze kleurrijke 17de-eeuwse vrijdenker. Daarvoor verdient zij een Eervolle Vermelding.

Eind 2011 wordt de tweede Ons Amsterdam Scriptieprijs uitgeloofd. 

Delen:

Editie:
Oktober
Jaargang:
2010 62
Rubriek:
Inhoud