Nummer 10: Oktober 2008

102008_Cover
 

Op het omslag: Spelende kinderen in de Jordaan in de jaren zestig. Kees Scherer / Maria Austria Instituut.

- Eeuwfeest Noorder- en Westerspeeltuin
- Hoe klonk het oudste Amsterdams?
- Twee deftige dames en een losbol
- Amsterdam al 1000 jaar oud
- Liften en paternosters


‘De kinderen die hier komen zijn geen spat veranderd’
Speeltuinen als bruisend centrum van de buurt
Tekst: Anne Versloot

102008_SpeeltuinenDit najaar vieren de Noorderspeeltuin in de Jordaan en de Westerspeeltuin in de Kinkerbuurt hun eeuwfeest. Beide zijn het product van de rond 1900 ontstane speeltuinbeweging. Grondlegger Uilke Klaren wilde tegenwicht bieden tegen het moralisme van de burgerij, die de arbeidersjeugd algauw verdorven vond. In de speeltuinen bloeide veel moois op. Zo ontmoette Danny de Munk er zijn latere echtgenote op de schommel. “En het zit hier nog steeds stampie.”

“Doodeng was het,” zegt Tiny Schoute, penningmeester en vrijwilligster bij de Noorderspeeltuin aan de Karthuizersstraat sinds 1964. Als kind zakte ze een keer door het gravelveldje van het speelplein en kukelde zomaar een holle ruimte in. “Overal om me heen zag ik lijkkisten, ik was in de kelders van het Karthuizerkerkhof beland.” Zo snel als ze kon klauterde ze eruit. “Maar ik heb er geen trauma’s aan overgehouden hoor,” stelt ze droogjes vast.
Griezelige verhalen over het kerkhof, dat tot 1860 in gebruik was en waarop nu de Noorderspeeltuin staat, zijn er genoeg. Tijdens de laatste grote pestepidemie, in 1664, zijn hier maar liefst 7000 doden begraven. Zo nu en dan komt er nog weleens een botje bovendrijven. Ook al zijn de meeste beenderen geruimd en verhuisd naar het knekelhuis op de Noorderbegraafplaats bij de grote renovatie 25 jaar terug.
Bij die opknapbeurt, vertelt Tiny Schoute in de bijkeuken van het Noorderclubgebouw, struikelde je hier opeens over de dijbenen, ellepijpen, heupkoppen en andere skeletresten. “Jongens uit de buurt voetbalden met schedels. Totdat de politie het terrein afzette. Ook was er een man, hier uit de Lindenstraat, die had een schedel mee naar huis genomen en had er een lichtje in gedaan. Die schemerlamp moest hij later wel inleveren op het politiebureau.”

Avond vol smartlappen
Maar de Noorderspeeltuin is natuurlijk vooral beroemd als speelplek voor ontelbare Jordanese kinderen, al generaties lang. Veel kinderen rennen, voetballen, struikelen, tafeltennissen, wippen en rolschaatsen er vrolijk rond. Kleuters bakken taartjes in de zandbak. Elke dag maken er zeker honderd kinderen lol. Ook Bekende Nederlanders als zanger Henk Poort en filmregisseur Eddy Terstall speelden hier in hun kinderjaren; musical- en filmster Danny de Munk ontmoette er zelfs op de schommel zijn latere echtgenote.
Bruisende nevenactiviteiten zijn nog altijd de drumband – waarin Tiny Schoute trompet speelt –, majorettevereniging de Dancing Stars, de knutselclub en de peuterspeelzaal die ook allemaal van het clubhuis of het plein gebruik maken. Schoute: “Het zit hier nog steeds stampie.” Kortom, de Noorderspeeltuin floreert. Al een eeuw lang, dus daar hoort een feestje bij.
Van 14 tot 20 september was het zover. De honderdste verjaardag werd uitbundig gevierd met een drumbandfestival, knutselmiddagen voor jong en oud, bingo’s, sport en spel, een tienermiddag met modeshows, clown Tommie Carera en een heuse limonadekabouter. Er was een voetbaltoernooitje, een buurtbarbecue en de feestweek werd afgesloten met een spetterende reünie op een Amsterdamse avond vol smartlappen. Wie had dat een eeuw geleden kunnen bedenken?
Toen in 1908 de Noorder- en Westerspeeltuin opengingen, was het verschijnsel speeltuin nog betrekkelijk nieuw. In Amsterdam verscheen de eerste in 1880, in het Weteringplantsoen. Een jaar later volgde de tweede op het Marnixplein. Reden? Die vermaledijde hangjeugd. Er werd ook in die tijd – er was nog geen leerplicht – heel wat over ze geklaagd in de kranten. Over dat ellendige dobbelen, de onzedelijke liedjes waarvoor “eerbare juffers hun oren moeten stoppen” en de toenemende criminaliteit. “De jeugdige straatbengels zijn de recruten voor het leger van de misdadigers op rijperen leeftijd.”

Vadertje Klaren
De beide fonkelnieuwe speeltuinen moesten dit kwaad de kop indrukken. Met giften van de Amsterdamse burgerij waren ze aangelegd. Maar niet ieder kind mocht daar zomaar heen. Alleen kinderen die “lieten zien dat ze niet alleen wilden spelen maar ook leren” kregen een gratis toegangskaartje van de hoofdonderwijzer. Na het luiden van de openingsbel moesten ze zich opstellen in rotten van tien (jongens links, meisjes rechts) en las de opzichter het reglement voor. Er heerste orde en discipline. Net als op school. De geldschieters, die overigens steeds minder gul werden, hadden een duidelijk doel voor ogen: het volk opvoeden.
De op Wittenburg woonachtige scheepstimmerman Uilke J. Klaren, geboren in Friesland, zag het met lede ogen aan. Hij ergerde zich aan de denigrerende toon waarop de gegoede burgerij sprak over de ondeugende arbeiderskinderen. Hij legde uit dat de omstandigheden waarin ze leefden – de vaak piepkleine eenkamerwoningen waarin de arme gezinnen waren gehuisvest, het gebrek aan speelgoed – de oorzaak was van hun baldadige gedrag op straat. Klaren zette zich dan ook in voor de komst van een speeltuin in ‘zijn’ buurt, op de Oostelijke Eilanden met z’n smalle, donkere straten. Eentje waarin de ouders en andere buurtbewoners zelf de organisatie voor hun rekening zouden nemen. Het bevorderde, aldus Klaren, het saamhorigheidsgevoel. Iets dat helemaal paste in die tijd waarin arbeiders mondiger werden en zich gingen verenigen in bonden.
Na het overwinnen van heel wat hobbels ging op 23 juni 1902 op de kop van de Czaar Peterstraat de Oosterspeeltuin open. “Waar je jongens” – zoals onderwijsvernieuwer Jan Ligthart het formuleerde – “behoorlijk de kans moet geven om hun nek te breken.” Zes jaar later was het de beurt aan de Noorder- en Westerspeeltuin. Speciaal voor de kinderen uit de Jordaan en het pasgebouwde Jacob van Lennepkwartier. Zo legde ‘Vadertje Klaren’ de basis voor het speeltuinwerk dat in alle Amsterdamse buurten en in de rest van Nederland zou opbloeien.

Kastiebal en bikkelen
In de Noorderspeeltuin was het al vanaf dag één een drukte van belang. Honderden kleuters stonden te dringen. “Met grage ogen keken ze door de spijlen naar het vroolijk vlagversierde terrein. Ze zongen: in naam van Oranje, doe open het hek.” De speeltuin was nog een beetje kaal. Met alleen een muziektent, kegelbaan, gravelveldje en een schuilplaats tegen de regen. Behalve ravotten op speeltoestellen waren gymnastiek en (wilde) spelletjes favoriet bij de Jordanese spruiten: zwarte pieten, kat en muis en alle andere varianten van krijgertje. Ook het toen bekende foppen en vangen was populair, net als blokjesloop, kastiebal, bikkelen en “het werpen van den kleinen bal en vangen van den kleinen bal”. Alles onder het toeziend oog van de volwassen spelleider.
Al snel werd het aanbod van de Amsterdamse speeltuinverenigingen veelzijdiger, want niet alleen kinderen waren lid. Nee, het hele gezin – en dat voor gemiddeld tien cent per week. Niemand hoefde zich te vervelen. Zo was er een zangkoor, een fanfare, soms een operetteclub. Verder werden er geregeld vertel- en toneelavonden georganiseerd, of een gezonde wandeling.
De Westerspeeltuin op het J.J. Cremerplein had voor zijn indooractiviteiten een fraai clubhuis, gratis ontworpen door niemand minder dan architect H.P. Berlage – helaas zo’n vijftien jaar geleden gesloopt. In 1913 kwam er hier een attractie bij: korfbal, een hoogst modern gezelschapsspel voor de héle familie. Blauw-Wit heette deze onderafdeling. En in de jaren veertig en vijftig fungeerde de Noorderspeeltuin bovendien als buurtbioscoop, met spannende avonturenfilms over de populaire trouwe wolfshond Rintintin.
Tiny Schoute herinnert zich vooral de Sinterklaasoptochten goed. Ze begint te lachen. “Dan liepen we met z’n allen op de Marnixstraat en dan botsten we vaak tegen nog zo’n stoet aan van buurthuis De Palm. Ja, wie was dan de hulpsinterklaas? Maar dat loste zich altijd vanzelf op.” Het waren gemoedelijke tijden, de onderlinge verbondenheid was groot. Maar er ging natuurlijk ook weleens wat mis. Nadat er in de jaren vijftig tijdens een kampeerevenement kennelijk onwelvoeglijke dingen waren voorgekomen, kwam er een nieuwe richtlijn. “Denk eraan, de openingen in de richting van het portiershuisje. We moeten kunnen zien wat er gebeurt!”

Moeilijke tijden
Zo kabbelde het speeltuinwerk decennialang door in Amsterdam en de rest van Nederland. Het had betrekkelijk weinig te lijden van de Duitse bezetting. Maar vanaf de jaren zeventig veranderde er veel.
Veel sportverenigingen en fanfares hadden zich wegens ruimtegebrek of onafhankelijkheidsdrang losgeweekt van de speeltuinen. Ook het buurtgevoel kwam sterk onder druk te staan. Allereerst vertrokken veel oer-Jordanezen naar nieuwbouw in Nieuw-West, Almere en Purmerend, daarna stroomde de Kinkerbuurt leeg en kwamen er vooral Turkse en Marokkaanse bewoners voor in de plaats. Zij voelden zich, evenals de yuppen die de Jordaan hadden veroverd, minder betrokken bij het speeltuinwerk. Het beheer werd ook steeds problematischer: vandalen sloopten de boel, clubgebouwen en hekwerken zaten onder de graffiti, er lagen spuiten van junks in de zandbak want de toezichthouders waren inmiddels wegbezuinigd. Figuren als Ome Willem van de Noorderspeeltuin mochten er niet meer zijn, terwijl voor veel kinderen ‘zijn huisje’ hun tweede huis was. Subsidies waren broodnodig, maar daar moest hard voor gevochten worden.
In de Westerspeeltuin op het J.J. Cremerplein liep het vijf jaar geleden verkeerd af. Het speeltuintje zelf is nog toegankelijk, maar de speeltuinvereniging is vleugellam. De geldkraan ging dicht vanwege het beperkte en eenzijdige aanbod dat de vereniging zou aanbieden. Zo nu en dan regelen de ouders uit de buurt nog wat, en dan geeft de gemeente daarvoor soms een kleine projectbijdrage. That’s all. Ook de geplande ondergrondse parkeergarage zal de speeltuin vast niet oppimpen.
Maar eigenlijk hebben álle Nederlandse speeltuinen het zwaar. Vooral omdat steeds meer kinderen (middag)televisie zijn gaan kijken of liever gamen op hun spelcomputers. Ook het tien jaar oude ‘attractiebesluit’ maakt het er voor de speeltuinen niet makkelijker op. Al die eisen, soms op het krankzinnige af, waaraan een speeltoestel tegenwoordig moet voldoen. Zo is de zandbak in de Noorderspeeltuin een tijdje terug afgekeurd vanwege de stenen rand. Levensgevaarlijk, volgens de inspecteur.

Metamorfose
Maar de kinderen komen desondanks nog steeds in groten getale. En met veel plezier. Leon (14) komt elke dag, weer of geen weer, om te voetballen. Vroeger kwam hij altijd met zijn moeder, om een broodje te eten en te spelen. “Ik ken bijna iedereen die hier komt. De sfeer is okay, vooral bij mooi weer, alleen mag er wel wat meer georganiseerd worden.” Ook al komt de regen met bakken uit de lucht, de zesjarige Rody, die volgens zijn opa hier zowat woont, maakt dat niks uit. “Vroeger zat ik altijd in de zandbak, nu kom ik om te voetballen.” Hij geeft een flinke trap tegen de bal en passeert de kansloze keeper met een strak schot.
Tiny Schoute weet het zeker: “De kinderen die hier komen zijn geen spat veranderd. Spelen is van alle tijden. De ouders zijn eerder veranderd. Als wij iets verbieden en zeggen: nee mop, dat is te gevaarlijk, dan komt er nog weleens een moeder op hoge poten langs. Met zo’n houding van: dat maken we zelf wel uit.” Ze grinnikt er nog maar eens om.
Binnenkort ondergaat de honderdjarige Noorderspeeltuin een metamorfose. Hij was een tikje verloederd, geeft Tiny Schoute toe. Ze laat de nieuwe tekeningen zien. Er komen meer bomen, gras en ander groen, her en der houtsnippers op de grond, schooltuintjes én er komt een spectaculaire waterbaan. Het voetbalveld blijft. Tot groot genoegen van Abdel (15) die ook nog wat tips heeft: “Die klinkers daar mogen weg. Asfalt voetbalt stukken beter. En dat gras langs de kant ook. Daar wemelt het van de hondendrollen.” Ook wil hij nog even kwijt dat de speeltuin zo mooi midden in de stad ligt. “Verder niet te veel veranderen graag. De Noorderspeeltuin is gewoon heel relaxed, weet je.”

 

 

 

 



De taal van ’t vieze volcxken
Zuiderlingen gaven ‘het Amsterdams’ een nieuwe klank
Tekst: Jan Berns

102008_Het_AmsterdamsHet aantal geboren Amsterdammers in de stad daalt en het opleidingsniveau stijgt. Het plat Amsterdams wordt daardoor steeds minder gesproken. Maar iedereen kent het nog, al is het maar van het Jordaanfestival of een lied van André Hazes. Het volkse Amsterdams heeft niet altijd zo geklonken, vele invloeden van buiten gaven de stadstaal vorm. Deel 1 van een serie, allereerst over de 17de-eeuwse invloed van immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden.

Wie weet nog wat een ‘drèès-sèès’ is? Iedere vogel is in het traditionele Amsterdamse spraakgebruik een ‘sijs’ (sèès), dus een drijfsijs is een eend. Heel wat van die woordenkennis slijt weg, maar voorlopig zullen de meeste hoofdstadbewoners nog wel zo’n beetje weten hoe het plat Amsterdams klinkt: “Op die òòfgekeurde wauning, in ’t hoartje fan de Jordoan...”
Die Jordaanfolklore, begonnen rond 1920 met de volkstoneelstukken van Herman Bouber, heeft er zeker toe bijgedragen dat het plat Amsterdams in sociaal aanzien steeg. En niet alleen in Amsterdam maar in het hele land. Koningin Juliana inviteerde Johnny Jordaan op paleis Soestdijk. Intussen kreeg heel Nederland de indruk dat het allerechtste Amsterdams al sinds de tijd van Gijsbreght van Aemstel gangbaar was in met name de Jordaan.
Dat was in meerdere opzichten een misverstand. Allereerst was het Jordanees tot ruim in de 20ste eeuw slechts een van de vele Amsterdamse buurtdialecten. Wat nu als oer-Amsterdams geldt, lijkt misschien wel meer op het Kattenburgs dan op het Jordanees. In de 19de eeuw benoemde stadsgeschiedschrijver Jan ter Gouw zelfs negentien verschillende Amsterdamse dialecten. We komen daar in deze serie nog op terug.

Volkstaal bij Bredero
Een tweede misverstand is dat het plat Amsterdams al eeuwenlang zo gesproken wordt. In de 18de eeuw echter klonk het alweer heel anders dan een eeuw eerder. We weten dat dankzij de kluchten van Gerbrand Adriaensz Bredero (1585-1618). Hij was de eerste die de toenmalige volkstaal op papier zette – welbewust, om een komisch effect te bereiken. Tegelijk legde hij zijn personages uit hogere kringen een andere taal in de mond. Daardoor krijgen we via zijn stukken een aardig inzicht in de taalverhouding in het Amsterdam van zijn tijd.
Bredero zelf karakteriseerde die oorspronkelijke volkstaal als ”Waterlandsch en Amstellandsch”. Kennelijk was dit plat Amsterdams hetzelfde als het dialect van de naaste omgeving van de stad, zowel ten noorden als ten zuiden ervan. Afgaand op de teksten van Bredero moet het Amsterdams van toen geleken hebben op het huidige Zaans – de taal van de streek net ten noorden van Waterland.
Hoe klonk dan dat oudste Amsterdams dat overgeleverd is? Allereerst sprak men de lange ee meestal uit als ‘ie’. Dus bried (breed), kliere (kleren), twie (twee) en gerietschip (gereedschap). Al kan dat laatste woord ook als gerietskip zijn uitgesproken, want veel taalwetenschappers denken dat de sch als ‘sk’ klonk. Soms echter klonk de ee als ‘eu’, vooral voor een lipmedeklinker als de ‘l’. Bijvoorbeeld veul (veel) en speule (spelen). Voorts sprak men de lange oo uit als ‘eu’: meugelijk (mogelijk), veugel (vogel) en seun (zoon). De lange aa klonk als ‘ae’ of zelfs ‘èè’: skaep (schaap) en draed (draad).
Nog iets eigenaardigs: een n gevolgd door een d of t werd gevelariseerd, dat wil zeggen als ng(t) uitgesproken: kangtje (kantje), onger (onder), brangd (brand) en songer (zonder). Om voltooide deelwoorden te maken gebruikte men -e en niet -ge. Dus: edaen in plaats van gedaan, ekoft in plaats van gekocht. Het laatste voorbeeld toont meteen een andere bijzonderheid: veel langer dan in het algemeen beschaafd Hollands bleven Amsterdammers de klankverbinding cht uitspreken als ‘ft’ of ‘f’. Zachtjes klonk dus als safjens en de Prinsengracht bleef nog lang Prinsengraft.

Plat Antwerps ‘walgelijk’
In de 18de eeuw waren de meeste van deze taalkenmerken niet meer in het Amsterdams terug te horen, met een paar uitzonderingen. Straatstenen werden nog steeds wel straatstiene genoemd en ook de sk-klank (naar skool) kwam nog geregeld voor. Maar de voltooid deelwoorden begon men nu keurig met een ‘g’. Alleen de vorm beurt in plaats van gebeurd hield het als speelse variant lang uit: nog steeds valt te horen: “’t Is beurt!”
Maar verder was de uitspraak stevig veranderd. In de meeste Amsterdamse buurten heette een schaap niet meer ‘skaep’ maar schaop. En kleren waren geen ‘kliere’ meer, maar kleire.
Wat was er in die 17de eeuw met het Amsterdams gebeurd en hoe is dat te verklaren? Het oudste plat Amsterdams (het dialect dus dat Bredero gelijkstelde met Waterlands of Amstellands) schoof op naar de Hollandse standaardtaal. Zo ontstond een moderner plat Amsterdams, dat weer als steeds platter werd ervaren naarmate de standaardtaal verfijnder werd en strakker in regels vastgelegd. Maar daarmee lopen we al een eind op ons verhaal vooruit. In Bredero’s toneelstuk Rodd’rick ende Alphonsus, dat in 1611 voor het eerst werd opgevoerd, komen twee soorten Amsterdams voor: de gewone volkstaal en het nieuwe algemene Nederlands van de ontwikkelde en beschaafde lieden.
Van die laatste taal zegt Vondel in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunst (1650): “Deze spraeck wort tegenwoordigh in ’s Gravenhage en t’ Amsterdam allervolmaeckst gesproken by lieden van goede opvoedinge. Want out Amsterdamsch is te mal, en plat Antwerpsch te walgelijck.” Vondel maakt in dit boek de balans op van een eeuw bouwen aan een algemene Nederlandse (schrijf)taal door dichters, taalgeleerden en rederijkerskamers. Dat “out Amsterdamsch” is de volkstaal van Bredero en met “plat Antwerpsch” bedoelt hij het ongekunstelde Antwerps.

Immigratiegolf
Dat er in Bredero’s tijd in Amsterdam veel Antwerps werd gesproken, is goed te verklaren. Hij schreef zijn stukken halverwege de Tachtigjarige Oorlog van de Nederlanden tegen Spanje. Op dat moment was Holland inclusief Amsterdam stevig in handen van de overwegend protestantse opstandelingen. De Zuidelijke Nederlanden, althans het huidige België, was echter nog steeds in handen van Spanje. Katholieken en joden moesten, bij openlijke godsdienstbeoefening, voor hun leven vrezen. Een dramatisch moment was de val van Antwerpen in 1585: de Spanjaarden richtten er een slachtpartij aan. En ook na 1600 was het oorlogsgeweld hier nog niet voorbij.
Protestantse ambachtslieden en kooplieden, rijk en arm, vluchtten in grote stromen naar het tolerante, redelijk veilige en steeds welvarender noorden en vooral naar de grote stad Amsterdam. Vaak belandden ze in een vanaf 1615 gebouwde wijk: de Jordaan. Dat hun komst een zekere cultuurschok teweegbracht, is af te lezen aan een ander stuk van Bredero: De Spaansche Brabander. De hoofdpersoon daarin, Jerolimo, is een kleurrijke schelm. Eigenlijk is deze Zuid-Nederlander straatarm, maar hij poseert als een grand seigneur, voortdurend pochend dat Antwerpenaren toch veel beschaafder zijn dan die boerse Amsterdammers. “’t Is wel een schoone stad, moor ’t volcxken is te vies,” zegt hij al in zijn eerste zin over Amsterdam.
Bredero’s klucht laat zien hoe veel autochtone Amsterdammers tegen de zwier van de nieuwkomers aankeken: met een mengeling van jaloezie én ergernis over hun kapsones. Dat hun culturele invloed groot was, staat wel vast. Toch blijkt het niet eenvoudig precies aan te geven wat die invloed van het plat Antwerps (en waarschijnlijk ook het hoog-Antwerps) op het Amsterdams is geweest. Aangenomen wordt dat in ieder geval de uitspraak van de ‘aa’ als ‘ao’ een Vlaamse invloed is, al zijn er tegenwoordig ook experts die hier een Duitse invloed zien. Deze zogenaamde verdonkerde aa is een typerend kenmerk van het Amsterdams vanaf de 18de eeuw.
In de Zuidelijke Nederlanden werd overigens ook veel Frans gesproken; dat was ook in heel Europa de taal voor het internationale contact. In die eerste helft van de 16de eeuw zullen dus ook al Franse woorden zijn doorgedrongen in het Amsterdams, maar allereerst in de betere kringen. Die Franse invloed werd pas echt sterk door de toestroom van Franse hugenoten vanaf 1685. Daarover (en over andere immigranten) meer in de volgende aflevering in januari 2009.

 

 



Twee deftige dames en een losbol
Mevrouwen Van Loon in de schijnwerpers
Tekst: Marcella van der Weg

102008_Van_LoonDe familie Van Loon behoorde sinds de 17de eeuw tot de Amsterdamse elite. De heren trokken veelal de eer aan zich, maar juist drie mevrouwen Van Loon speelden een sleutelrol. Dankzij deze dames kwam de familie aan een oude stamboom, een smak geld en een innige relatie met het hof. Museum Van Loon, gevestigd in het oude familiehuis aan de Keizersgracht, haalt hen nu voor het voetlicht.

Binnen vijftig jaar nadat Hans van Loon zich in Amsterdam vestigde (1604), behoorden de Van Loons tot de mensen die ertoe deden in de stad. Een opmerkelijke prestatie, en dat dankzij een vrouw: Anna van Loon-Ruychaver (1573-1649). In de 16de eeuw gold de vrouwelijke afstammingslijn nog als even belangrijk als de mannelijke. En Anna, die met Hans trouwde, had via haar moeder een indrukwekkende stamboom. De aankoop van een nieuw portret van haar was voor Museum Van Loon aanleiding om drie bijzondere Van Loon-bruiden in de schijnwerpers te zetten: Anna, Louise en Thora.
Anna’s verhaal illustreert het belang van ‘handig huwen’ om hogerop te komen, vertelt directeur Tonko Grever, die samen met Emma van Oudheusden de tentoonstelling samenstelde. Toch had het huwelijk ook iets pikants. “Het waren spannende tijden: we waren in oorlog met Spanje en om dan met een nichtje van een geuzengeneraal te trouwen…” Toen Anna vier jaar was, werd haar oom en watergeus Nicolaas Ruychaver in het toen nog Spaansgezinde Amsterdam vermoord. Maar inmiddels stond de stad aan de kant van de opstandelingen. En de zeer gegoede komaf van Anna bood de Van Loons een niet te versmaden kans. Haar grootmoeder was een telg uit de machtige Amsterdamse familie Boelens en haar vader was burgemeester van Haarlem.

Poeha-wereld van oud geld
Familiekapitaal uit de buskruithandel bracht Anna ook mee. Nu waren de Van Loons zelf ook niet armlastig. Zij hadden voor hun komst naar Amsterdam goede zaken gedaan in de haringhandel. Het huwelijk met Anna Ruychhaver leverde hen vooral sociaal aanzien op. “Ze belandden daardoor binnen de kortste keren in het hart van de Amsterdamse politiek. Als nazaat van de Boelens-clan kon hun zoon Willem halverwege de 17de eeuw lid worden van de vroedschap.”
Dat was maar weinig immigrantenkinderen gegeven. “Vóór 1650 wisten maar drie families van buiten de stad door te dringen tot de regentenklasse.” Willem was zich zeer bewust van zijn afkomst. Grever slaat een van de zware, in leer gebonden boeken open waarin Willem in schoonschrift en met tekeningen van familiewapens “eindeloos” over de familiegeschiedenis heeft geschreven. “In die vroege boeken is bewust ook de afstamming van moederszijde benadrukt. Maar onder invloed van de adel, waar de titels alleen in mannelijke lijn worden doorgegeven, werd op den duur ook onder Amsterdamse regenten de vrouwelijke lijn ondergeschikt.”
Behalve een paar portretten is er weinig persoonlijks op de expositie dat aan Anna herinnert. Van twee latere bruiden is meer materiaal bewaard gebleven. Zo wordt in de eetkamer van huize Van Loon het servies tentoongesteld dat is gemaakt voor het huwelijk van Hendrik van Loon met Louise in 1854. “Als je al die bits and pieces nog hebt, wordt tastbaar hoe die mensen leefden.”
Waar Anna de Van Loons politieke macht bezorgde, bracht Louise van Loon-Borski (1832-1893) een enorm fortuin in. En een Franse slag. In de tentoonstelling symboliseert zij een tweede thema: de ongemakkelijke verhouding tussen ‘oud en nieuw geld’. Louky, zoals intimi haar noemden, was een fascinerend mens. Niet alleen hadden de Borski’s een vrijwel onbeperkt vermogen, Louise had ook van moederskant Frans bloed. “Ze verenigde het stijve en het mondaine in zich,” aldus Grever.
Dat stijve kwam van de kant van vader Willem Borski, zoon van de legendarische Johanna Borski-Van de Velde, alias ‘de Weduwe Borski’: de eerste vrouw die handel dreef op de beurs (zie Ons Amsterdam van juli/augustus 2007). Willem was firmant van de grote bank Hope & Co: steenrijk en machtig, maar door zijn norsheid en gierigheid verre van populair bij de Amsterdamse elite. Daar sprak men er schande van dat op de bruiloft van Hendrik en Louky, op landgoed Elswout bij Overveen, de wijn direct uit de fles werd geschonken in plaats van uit karaffen. Grever: “De Van Loons hadden zich opgewerkt tot de eerste coterie, het kleine wereldje van de mensen met geld en een adellijke titel. De Borski’s behoorden tot een ander milieu, je zou het de derde coterie kunnen noemen. Zij waren ‘nieuw geld’ en moesten aanvankelijk niet zoveel hebben van de poeha-wereld van dat oude geld van de Van Loons.”

Paarden op hol geslagen
Van een gearrangeerd huwelijk was dan ook geen sprake; Louise en Hendrik van Loon leerden elkaar kennen via haar broer Willem Borski III. Beide families waren sceptisch: de botte Borski’s werden verdacht van het azen op meer status, terwijl de Borski’s bang waren dat de Van Loons op hun geld uit waren. “Als je, zoals de Borski’s, binnen één generatie van niets een miljoen weet te maken, dan wek je natuurlijk afgunst op,” zegt Grever. “Nog steeds hangt er zoiets van: ‘Oh, die Van Loons, dat is dat Borski-geld.’ Daar werd altijd een beetje scheef naar gekeken.”
Het zal ook niet geholpen hebben dat Louise een buitengewoon grote staat voerde. Amsterdam was eigenlijk te klein voor haar. “Ze had een villa in Cannes en daar zat ze veel, vaak zonder echtgenoot en kinderen. Dat droeg men haar na.” Maar Louky had lak aan die kritiek. De Rothschilds, dát was haar wereld en die allure liet ze zich niet afnemen. Net als de steenrijke bankiersfamilie liet ze zich in Cannes portretteren door Alexandre Cabanel, een van de duurste portretschilders in die tijd. Naast dit schilderij is op de tentoonstelling ook voor het eerst het portret te zien dat society-schilderes Thérèse Schwarze van haar maakte.
Recent zijn ook fraaie interieurfoto’s opgedoken van het in opdracht van Louise gebouwde Heidepark bij Doorn. Ook dit pakte ze groots aan: het buitenhuis had 73 kamers. Louise richtte het zelf in, maar heeft er weinig plezier aan beleefd. Op oudjaarsavond 1893 verongelukte ze in Cannes, toen op weg naar de kerk haar koetspaarden op hol sloegen.

Hoffunctie als erebaan
De echtgenote die het meest verbonden is aan Keizersgracht 672, waar het huidige museum is gevestigd, is Thora van Loon-Egidius (1865-1945). Deze dochter van de Noorse consul in Amsterdam trouwde met de zoon van Louise en Hendrik, Willem. Diens ouders kochten het huis in 1884 voor het jonge paar. Thora’s aanwezigheid doet zich in het familiehuis dan ook het meeste voelen. Wie hier binnenkomt, ziet meteen rechts haar grote salon, waar ze als ‘Dame du Palais’ ontvangsten hield. Voor de tentoonstelling is haar meer dan levensgrote portret teruggehangen aan de muur direct tegenover de ingang. “Als je werd binnengelaten in de salon, rees als eerste dat enorme schilderij van Thora boven je uit. Dat maakte indruk. In het echt was ze vrij klein.”
Tot Dame du Palais werd Thora in 1897 benoemd, op voorspraak van een familielid, en ze zou ruim 40 jaar deze eervolle positie bekleden. Zij vertegenwoordigde de koningin bij belangrijke gebeurtenissen en ‘screende’ mensen voordat ze een audiëntie op het paleis kregen. “Wanneer de koningin Amsterdam bezocht, stond in de krant dat je schriftelijke verzoeken daartoe kon richten aan mevrouw Van Loon-Egidius, Keizersgracht 672.” Eventueel nodigde Thora de briefschrijver uit op haar wekelijkse ‘jour’ en misschien volgde dan later een uitnodiging voor het Paleis op de Dam.
En natuurlijk vergezelde zij de koningin naar feesten en ceremonies. Ze noteerde er openhartig over in haar dagboek. Grever viel daarin vooral op dat ze “eigenlijk alles” op zichzelf en haar kleding betrok. “Toen er iemand van een Europees vorstenhuis overleed, moest het hof in rouw. En wat schrijft Thora dan: heel vervelend, want nu kan ik mijn nieuwe jurk niet aan. Dat vond ze het ergste.”

Gevoelig oorlogsverleden
Volgens Grever was deze sleutelpositie van Thora aan het hof de parel aan de kroon van de familie Van Loon. Minpuntje was dat er geen beloning tegenover stond. “Je werd geacht alles uit eigen zak te betalen. En in een goedkoop katoentje komen opdraven kon natuurlijk niet. Thora ging helemaal naar Parijs voor haar jurken. Er waren dus maar weinig families die zich deze baan konden permitteren.” Dankzij het Borski-fortuin was dat voor de Van Loons geen probleem.
Maar hoge bomen vangen veel wind. Thora’s pro-Duitse houding tijdens de Tweede Wereldoorlog bracht de familienaam in diskrediet. Nog steeds ligt het gevoelig en Grever vindt het tijd voor nuancering. Hij vermoedt dat ze niet erg gecharmeerd was van de vlucht van de koningin naar Engeland in mei 1940. “Ze was al die tijd goed bevriend geweest met Wilhelmina en nu liet die het land in de steek. Veel Nederlanders zagen dat zo.”
Bovendien was Thora inmiddels weduwe, oud en kwetsbaar en opgevoed in Duitsland, waar ze veel familie had. Daartoe behoorden hoge officieren die nu over de vloer kwamen. “Ze had eigenlijk het huis moeten sluiten en zeggen: ik ben niet thuis. Maar dat heeft ze niet gedaan. Dat is niet ‘goed’, maar ook niet heel erg fout. Enige rehabilitatie is wel op z’n plaats.” Wilhelmina was destijds nog niet zover: na de bevrijding ontsloeg zij Thora, die nog in datzelfde jaar overleed.
Maar inmiddels is een huidige mevrouw Van Loon allang weer grootmeesteres van koningin Beatrix. Zij spreekt het publiek op de tentoonstelling in een inleidend filmpje toe. Grever: “Je kunt zoveel verhalen uit dit huis halen! Dit is er een met een knipoog naar het heden, want er zijn nog steeds drie Van Loon-vrouwen.” Dat zijn de laatste, want volgens de regels van de adelstand geldt alleen de mannelijke lijn en er is geen mannelijke stamhouder meer. Toch jammer dat de vrouwelijke lijn zo is ondergesneeuwd.

 

 

De dagindeling van een deftige dame
Hoe zagen de dagen van Thora van Loon-Egidius in het huis aan de Keizersgracht eruit? Gelukkig is dat nauwkeurig opgetekend. Voor alle activiteiten was er een speciale plek in het huis, dus zij liep heel wat af. Van de slaapkamer, waar ze door kamenierster Betsy werd aangekleed en door kapper Olthoff gekapt, ging zij naar de tuinkamer om te ontbijten. Daarna besprak ze in de kleine salon (nu kantoor) met keukenmeid Leida de menu’s van de dag en deed er haar correspondentie. De rest van de ochtend ging heen met het uitstallen en schikken van bloemen, zojuist geplukt door de tuinman. Dat gebeurde in een uitbouw die in de pruikentijd ‘poederkamer’ was geweest. Haar echtgenoot, die al vroeg naar kantoor was gegaan, kwam nu thuis voor het middageten in de eetzaal aan de grachtkant. Hij belde aan, want een huissleutel had hij niet nodig: er waren toch altijd bedienden in huis. Andere hoogtepunten van de dag waren de thee om vijf uur in de kleine salon en het avondeten om zeven uur, weer in de eetkamer.

 

 



Amsterdam twee eeuwen ouder
Baanbrekend proefschrift over ontginningsgeschiedenis
Tekst: Peter-Paul de Baar

102008_Amsterdam_ontstaanOver de vroegste geschiedenis van de Amsterdamse omgeving is veel onzin geschreven, vindt historisch-geograaf Chris de Bont. Hij promoveert op 28 oktober op een proefschrift over de ontginning van het veengebied tussen de duinen en het Gooi. Veel historici ontbreekt het aan kennis van wat veen is en hoe een veenlandschap verandert als je erin gaat graven. De Bont weet dat wél en komt vanuit die optiek tot nieuwe inzichten over de oudste bewoning van Amsterdam.

In februari vorig jaar presenteerde taalhistoricus en amateur-archeoloog prof. Piet van Reenen in dit blad een gedurfde nieuwe visie op het ontstaan van Amsterdam. Volgens hem was de Amstel deels gegraven en had het IJ eeuwenlang nauwelijks bestaan. De Linnaeusstraat bestempelde Van Reenen tot de oudste weg van Amsterdam.
In juni 2007 publiceerden wij reacties van een reeks deskundigen: historici, historisch-geografen en archeologen. Zij wezen er fijntjes op dat veel van wat Van Reenen beweerde, niet echt nieuw was – al was daar in de overzichtswerken nog weinig van doorgedrongen. Zo opperde de bodemkundige prof. Leen Pons al in 1973 het idee dat de Amstel deels gegraven was. Hij had echter weinig bewijs. Ook over het tijdelijk dichtgroeien van het IJ was al veel eerder gespeculeerd. Van Reenen erkende volmondig dat hij niet alles zelf had bedacht, maar wel allerlei elementen tot een samenvattend verhaal had willen samenbrengen.

Vergeten bewoners
Eén door ons benaderde expert hield intussen zijn kruit droog. Dat was drs. Chris de Bont. Aan Wageningen Universiteit bleek hij bezig aan een promotieonderzoek over de ontginningsgeschiedenis van het gebied tussen de duinen en het Gooi. Inmiddels is die dissertatie klaar: Vergeten land. Ontginning, bewoning en waterbeheer in de westnederlandse veengebieden (800-1350). En nú wil hij zijn verhaal wel kwijt. De Canon van Amsterdam kan meteen al herschreven worden, want al in het eerste venster haalt men van alles door elkaar, knort De Bont.
Wat is het gangbare beeld van het ontstaan van Amsterdam? “De geschiedenis van Amsterdam begint kort na 1200,” meldt de internet-encyclopedie Wikipedia. “Toen werd dit moerassige gebied, Aemestelle genoemd, vanuit de Utrechtse regio stukje bij beetje ontgonnen. Langs de monding van de Amstel, bij het IJ, werden dijken gebouwd.” En de Canon heeft het dan over “een gehucht van vissers en boeren” dat hier ontstond.
Nou, zo ging het dus niet precies, constateert De Bont (zelf opgegroeid langs die Amstel, tegenover het oude Gemeentearchief) op het terras van een Amsterdams café dicht bij de dam waaraan de stad zijn naam ontleende. “Dat er rond 1200 dijken kwamen langs de Amstel, dát klopt, maar wat weinigen beseffen is dat dit pas het allerlaatste stadium was van de veenontginning. De eerste fase begon al minstens twee eeuwen eerder. Toen al kwamen de eerste ontginners het veen in, op zoek naar een nieuw bestaan, waarschijnlijk omdat er in hun oude gebieden (de duinen en het Gooi) om bruikbare grond gevochten moest worden. Op dat moment begon dus de bewoningsgeschiedenis van wat later Amsterdam werd, want het waren geen dagloners die na een dagje scheppen ’s avonds weer teruggingen naar het Gooi. Een tweede hardnekkig misverstand is dat ze pas konden gaan ontginnen nadat ze door dijken beschermd waren. En ten derde kwamen die eerste Amsterdammers (boeren, vissers én ambachtslieden) er niet allemaal tegelijk te wonen.” Hoe hij precies tot die conclusies is gekomen, doet De Bont graag uit de doeken.

Grote sponzen
Geschiedschrijvers van deze oudste tijden (zeg maar tot 1300) hebben een groot probleem, vergoelijkt De Bont. Er zijn nauwelijks relevante schriftelijke bronnen en al helemaal geen kaarten. De oudste zijn van omstreeks 1500. Alleen via omwegen kun je dus achterhalen wat er gebeurd is. Historici kijken vooral naar documenten, archeologen naar vindbare resten en geologen naar bodemsporen, maar al die benaderingen hebben hun grenzen. Historisch-geografen kijken graag over die vakgrenzen heen. En bovendien: “Ik kijk allereerst naar wat er landschappelijk mógelijk was,” aldus De Bont. Het lijkt een open deur, maar je zal de historici maar de kost moeten geven die dingen beweren die fysisch-geografisch helemaal niet kunnen.
Je moet allereerst terdege weten hoe veen reageert, legt De Bont uit. Veen ontstaat uit resten van dode planten die zo weinig met zuurstof in aanraking komen dat ze niet snel verteren. Dat gebeurt vooral in vrij natte gebieden. Die plantenresten stapelen zich dan op tot zompige massa’s die voor het grootste deel uit water bestaan. Om daar stevige grond van te maken moet dat water eruit. Dat gebeurt door er sloten in te graven, vanuit een al bestaande, lager gelegen waterloop, waarheen het water uit de veenmassa kan wegstromen. Dat is de eerste ontginningsfase (zie tekening).
Tussen de sloten ontstaan droge kavels, waarop akkers worden aangelegd, met simpele boerderijtjes. Maar door inklinking daalt vervolgens het bodemniveau, zodat die grond door het grondwater weer natter wordt en daarmee ongeschikt voor akkerbouw. De akkers verhuizen dan landinwaarts; een achterdijk beschermt ze tegen het water vanuit het hogere veen. Het vroegere akkerland wordt nu weiland. En die verhuizing landinwaarts herhaalt zich vaak nog eens. Maar dan is het niveau van het gewonnen land het dichtst bij de rivier intussen al zó ver gezakt, dat het bijna of helemaal onder het niveau van het rivierwater dreigt te komen. Dus wordt er dan een dijk langs de oever aangelegd. Precies zoals kort na 1200 langs de Amstel gebeurde. Dat is dus de derde ontginningsfase, niet het begin, zoals vaak wordt verondersteld.

Verdronken hoogveen
Nu is het ene veen het andere niet. Generaties kinderen leerden dat je in West-Nederland laagveen hebt en in het oostelijke deel van ons land hoogveen. Helemaal onzinnig zijn die termen niet, maar ze slaan alleen op de huidige ligging van die venen. Laagveen is veen dat in contact staat met grondwater en daaruit het ‘voedsel’ haalt voor de begroeiing: vooral riet en elzen. Hoogveen is zó hoog opgegroeid, dat het alleen nog door zuur regenwater wordt gevoed. Daarop kan weinig anders groeien dan veenmos.
Lang dacht men dat laagveen ook in contact met het grondwater is ontstaan, terwijl hoogveen dan uit landplanten zou zijn gegroeid. Inmiddels weet men beter. Veel West-Nederlands laagveen is oorspronkelijk bóven de zeespiegel gevormd en is pas later door bodemdaling onder water geraakt. Je kunt spreken van ‘verdronken hoogveen’. Bodemkundigen onderscheiden veensoorten nu liever naar voedselrijkheid. Zo is het West-Nederlandse laagveen van de Middeleeuwen vooral als voedselarm veen te typeren. Gevoed door regenwater, kan dit veen uitdijen tot grote sponzen die meters boven hun omgeving uitgroeien. Naar de vorm van die hoogten (rond of langgerekt) spreekt men van ‘veenkoepels’ of ‘veenruggen’. Daarbovenop verzamelt het water uit de sponzige massa zich hier en daar in kleine poelen: de ‘meerstallen’. Als die bij veel regen overstromen, kronkelt het water naar beneden en vormt veenriviertjes.

Verkaveling
Van dat natuurlijke afwateringssysteem maakten de eerste ontginners dankbaar gebruik. Vanuit een bestaande waterloop groeven ze sloten het veenland in, liefst in de richting van een helling – want water stroomt graag omláág.
Verschillende veentypen vroegen natuurlijk om een eigen aanpak. In vlakke veengebieden kon volgens een zeer regelmatig patroon worden ‘verkaveld’. De ideale maat daarvoor werd zelfs van bovenaf vastgelegd: de ‘cope’ (wat eigenlijk koopcontract betekent). In de jaren vijftig ontdekte rechtshistoricus Hendrik van der Linden dit systeem in middeleeuwse bronnen. Het ging uit van keurig rechthoekige kavels van 115 meter breed en 1250 of het dubbele (2500 meter) lang. Aan die standaardmaten lag de ervaring van generaties ontginners ten grondslag. Zij wisten hoe lang een sloot minimaal moest zijn om voldoende water te kunnen opvangen bij hevige regenval.
Maar die klassieke cope-maten waren afgestemd op de omstandigheden van een tamelijk vlak veenlandschap. Op veenruggen hoefden de sloten minder lang te zijn om het water goed te kunnen afvoeren. Ook hoefden ze niet zo dicht naast elkaar te liggen: hier hielp het hoogteverschil al een handje. Dat gold ook voor de ronde veenkoepels, maar daar lag bovendien een taartpuntvormig karakter van de kavels meer voor de hand.
Historici hebben die vormafwijkingen weleens geweten aan gebrek aan discipline. De mediëvist prof. Cornelis Dekker schreef dat de bisschop van Utrecht er in de 11de eeuw kennelijk meer de wind onder had dan de graaf van Holland, want in het Utrechtse gebied werden de cope-maten veel strakker aangehouden dan in de westelijker venen. De Bont verklaart dat verschil nuchter uit het feit dat men in de Hollandse regio voornamelijk te maken had met reliëfrijk veenlandschap – een mooi voorbeeld van zijn nieuwe benadering.

Afgepelde kaart
“Ik wilde vooral achterhalen hoe die oudste ontginningen nu precies waren verlopen,” zegt Chris de Bont. “In welke richting gingen ze graven en waarom? En wat gebeurde er nadat ze er eenmaal zaten? Hoe losten ze het probleem op dat door oxidatie (de inwerking van zuurstof) en door inklinking (het droger en dunner worden van het veen) de ontgonnen grond snel daalde? Waren ze daar eigenlijk wel op bedacht, hadden ze een remedie paraat? Ik probeerde in de hoofden van die ontginners te kruipen.”
Daarvoor moest De Bont allereerst weten wat zij aantroffen. Zijn ongekend gedetailleerde reconstructie van het landschap rond 800 is misschien wel de allergrootste verrassing van dit proefschrift. Zoals gezegd: geschreven bronnen over het toenmalige landschap zijn er niet en kaarten evenmin. Nadat De Bont had bestudeerd welke verkavelingspatronen te verwachten waren in voedselrijk of voedselarm veen, probeerde hij die vormen in het landschap te herkennen. Daarbij keek hij natuurlijk eerst naar de oudste kaarten van rond 1500, maar die bleken wel erg globaal en meetkundig onbetrouwbaar.
Daarom gebruikte hij vooral de oudste serie wél supernauwkeurige kaarten: de militaire topografische kaarten van omstreeks 1850. Daarop is elk slootje te zien, uit een periode waarin Nederland nog spaarzaam was bebouwd. Heel veel landschapssporen op die 19de-eeuwse kaarten gaan dan ook terug tot de tijd van de eerste middeleeuwse ontginningen, maar je moet ze wel kunnen herkennen. Vanaf de middeleeuwse verkaveling tot het moment waarop men die 19de-eeuwse kaarten maakte, zijn er nogal wat elementen bijgekomen: molenweteringen, dijken, wegen, inpolderingen, noem maar op. Met behulp van zijn kennis van die latere patronen en de modernste digitale cartografische technieken heeft De Bont die 19de-eeuwse topografische kaart systematisch ‘afgepeld’ tot hij alleen de alleroudste elementen over had.
Dat was vooral een patroon van riviertjes en sloten. Hoogteverschillen waren op die ‘afgepelde kaart’ niet expliciet te zien, want rond 1850 waren die allang verdwenen. Maar ze lieten zich wel afleiden uit de richting van de sloten. Ten slotte vergeleek De Bont zijn hypothesen ter controle met de oudste vage kaarten, oorkonden, archeologische vondsten en plaatsnaamkundige veronderstellingen.

Dichtgegroeid IJ
Hoe zag volgens De Bont dat landschap van omstreeks 800, niet lang voor de allereerste ontginningen, eruit? Wel heel anders dan nu, dat staat vast. Voor de AT5-serie naar aanleiding van de Canon van Amsterdam sopte presentator Herman Beliën in september enthousiast met imposante laarzen door het Breukelerveen: je kon hóren hoe zompig het was. Maar destijds zag een belangrijk deel van het landschap rond Amsterdam er volgens De Bont heel anders uit. “De gebieden met het voedselarme veen, waar het met regenwater doordrenkte veen steeds meer opbolde, kenden behoorlijke hoogteverschillen – tot zo’n vier meter. In Nederland heb je nu geen vergelijkbaar landschap meer.”
Heel bepalend was onmiskenbaar de ‘Grote Hollandse Waterkering’: een lange, hoge veenrug die vanuit Zuid-Holland – langs het tracé van de huidige Schinkel en Kostverlorenvaart en via het Twiske – doorliep tot in de kop van Noord-Holland. Het bestaan van die waterkering is voor De Bont een belangrijk argument om, net als enkele voorgangers, te veronderstellen dat het IJ in de periode 800-1000 tijdelijk niet bestond – althans niet bij het huidige centrum van Amsterdam. In de prehistorie en in de Romeinse tijd had er een breed Oer-IJ gestroomd vanuit het toenmalige Flevomeer (nu IJsselmeer) naar de Noordzee bij Castricum. Maar in de vroege Middeleeuwen was het IJ door zandbankvorming afgesloten geraakt van de Noordzee. Als gevolg van rietbegroeiing was het vervolgens sterk versmald en bij het latere Amsterdam was het zelfs helemaal met veen dichtgegroeid.
De Bont sluit niet uit dat het IJ oostwaarts toch enigszins in verbinding bleef met het oude Flevomeer, dat inmiddels het Almere heette. “In ieder geval bleef de bedding van het Oer-IJ altijd een vrij laag landschapselement, dat zich vanaf ongeveer 1000 door veendaling en na 1100 ook door stormvloeden weer met water vulde en opnieuw heel breed werd.”

Andere plek Sloten
Toen hij had vastgesteld waar het veenlandschap oorspronkelijk hoog of laag was, kon De Bont ook bedenken welke kant riviertjes op hadden gestroomd en in welke richting afwateringssloten waren gegraven. Het leidde tot talloze conclusies waarvan we er hier maar een paar kunnen noemen.
Bijvoorbeeld over de allereerste plek van het dorp Sloten. Dat dorp werd al kort na 1000 vermeld, maar afgaand op opgravingen is het huidige Oud-Sloten niet ouder dan 1200. Waar lag dat oudste Sloten dan wel? Op een kaart van ongeveer 1600 staat ten noorden van het huidige dorp, aan de zuidrand van het voormalige Slotermeer (nu Sloterplas), de naam “Out-Kerkhoff”. Waar een kerkhof was, moet een kerk dus een dorp geweest zijn, speculeerde stadsarcheoloog Jan Baart in Ons Amsterdam (januari 1992). Maar opgravingen daar leverden niets op. Geen wonder, schrijft nu De Bont. Juist op die plek lag rond 1000 een kleine veenrug. Ontginners groeven nooit omlaag, dus hier kan hun uitvalsbasis niet gelegen hebben. Volgens De Bont lag het oudste Sloten dus ten zuiden van het huidige dorp, waarschijnlijk in wat nu Badhoevedorp is.
Ook met Van Reenens stelling dat de huidige Linnaeusstraat dateert uit de tijd van de eerste ontginningen, veegt De Bont de vloer aan. Hij laat zien dat deze weg niet past in het oorspronkelijke slotenpatroon en dus van later datum moet zijn. Daarmee staat meteen Van Reenens theorie over ontginningsrichtingen op losse schroeven, want dat was juist op het wegenpatroon gebaseerd.

Gegraven Amstel
En dan de Amstel. Van Reenens stelling dat een deel daarvan – tussen de huidige Berlagebrug en Blauwbrug – gegraven was, verraste vorig jaar het grote publiek en zelfs heel wat historici. Maar níet de in dit gebied geïnteresseerde historisch-geografen. Die hadden sinds het eerder genoemde artikel van professor Pons al wel een vermoeden. Onduidelijk bleef intussen hoe dan de oorspronkelijke twee delen van de Amstel gelopen hadden. En waaróm groef men deze verbinding?
De Bont neemt aan dat het noordelijke stuk van de latere Amstel (nu Rokin en Damrak) ontsprong ter hoogte van de huidige Blauwbrug bij het Waterlooplein. In noordoostelijke richting vloeide dit water via de route van het huidige Buiten-IJ naar het toenmalige Almere (nu IJsselmeer). Dat die ‘noorder-Amstel’ dwars door het dichte IJ heen aansloot op de Waterlandse Die – zoals Pons en Van Reenen dachten – en pas bij Uitdam in het Almere uitmondde, gelooft De Bont voorlopig niet: dat zou wel een erg lange afwateringsroute zijn. Het tweede stuk, de Amstel ten zuiden van de Omval, begon in de voorloper van het Watergraafsmeer en stroomde – anders dan nu – zuidwaarts, om uiteindelijk uit te monden in zowel de Rijn als het Almere (via de Vecht).
Waarom verbonden de ontginners die twee oer-Amstels? Volgens De Bont was tegen 1200 de Oude Rijn dichtgeslibd en was het maaiveld van de ontgonnen venen overal al ver gedaald, waardoor de zuidelijke afwatering van Amstelland haperde. Men besloot het water zoveel mogelijk noordwaarts af te voeren, naar het IJ. Dáárom werd de zuidelijke Amstelstroom vanaf de Omval verbonden met het huidige Rokin en Damrak. Uit subtiele knikken in dat schijnbaar rechte ‘kanaal’ leidt De Bont af dat dit stuk in drie etappes is gegraven: eerst een stuk vanaf de Omval noordwaarts, toen een stuk zuidwaarts vanaf de huidige Stopera en ten slotte een verbindingsstuk, ter hoogte van het voormalige Gemeentearchief.
Een datering van deze graverij is lastig, maar De Bont gokt op ergens tussen 1200 en 1250. De dam in de Amstel zal zijn aangelegd nadat de beide Amsteldelen tot één krachtige stroom verbonden waren, pakweg tussen 1225 en 1250.
En misschien wel het meest interessant is De Bonts reconstructie van de bewoningsgeschiedenis van het oudste Amsterdam – het begin van dit artikel. Om te kunnen gaan ontginnen hoefden de kolonisten heus niet te wachten op bedijking van de Amstel, vat de promovendus samen. Toen lag de rivier immers nog lager dan het omringende landschap en was er dus nauwelijks overstromingsgevaar. De Bonts fascinerende conclusie luidt dat de bewoning van Amsterdam bij de Nieuwendijk eigenlijk twéé keer begonnen is. De eerste keer ergens in de 11de eeuw door ontginnende boeren, die noodgedwongen steeds verder landinwaarts verhuisden. En de tweede keer – nadat rond 1200 een dijk was aangelegd – door vissers en handwerkslieden. Maar dus niet door boeren en vissers tegelijk.
In organisatorische zin werd natuurlijk pas die tweede vestiging de basis voor de gemeenschap die zich Amsterdam ging noemen. Maar dat is nog geen reden om die eerste agrarische Amsterdammers te vergeten, al lieten ze niet meer sporen na dan wellicht een beetje haardas in het veen.

 

 



Naar boven zónder trappen lopen
Liften en paternosters in Amsterdam
Tekst: Peter van der Pouw Kraan

102008_LiftenToen rond 1900 het Victoriahotel en Maison de Bonneterie hun eerste ‘ascenseurs’ installeerden, vormden die nog een ware sensatie. Nu behoren ze tot de vanzelfsprekendheden van het stadsleven. Maar helaas: één type lift, de eeuwig doordraaiende paternoster, is alweer geschiedenis geworden: veel te onveilig! Deel vijf van een serie over techniek in de stad.

Ergens vindt een kleine gebeurtenis plaats, niemand weet ervan behalve de directe toeschouwers, maar het aanzien van de wereld zal erdoor veranderen. 1854: Elisha Graves Otis laat zich tijdens een tentoonstelling in New York op een platform ophijsen tot ver boven het publiek. Een assistant hakt met een bijl het henneptouw door. Uit de menigte klinken kreten van schrik, maar na een val van enkele centimeters hangt het plateau stil tussen de twee geleiders. “All safe, gentlemen, all safe,” zegt Otis.
Het wegvallen van de spanning op het touw heeft een veer geactiveerd. Deze duwde twee wiggen naar buiten die het platform vastzetten. Ziehier het principe van de veiligheidslift, twee jaar eerder door Otis uitgevonden. De skylines zouden nooit meer hetzelfde zijn.
Een oude replica van een Otis-vanginstallatie uit 1853 viel tot november vorig jaar te bezichtigen in EnergeticA op de Hoogte Kadijk. Het voormalige elektriciteitsmuseum herbergt een prachtige collectie liften en liftmotoren, uit binnen- en buitenland bijeengebracht door de dit jaar overleden Erik Warners. Hij was de eerste directeur van Otis Nederland en oprichter van het Liftenmuseum in Alphen aan den Rijn, uniek in Europa. Later is de collectie overgebracht naar Amsterdam. EnergeticA moest in november 2007 wegens geldgebrek de deuren sluiten. De collectie is overgenomen door Nemo en zal worden opgeslagen in een depot. De ruimte is niet meer voor publiek toegankelijk – maar voor Ons Amsterdam maakt oud-bedrijfsleider Bart Mackor een uitzondering.

Paternosterlift
In EnergeticA staat de eerste Amsterdamse lift, een waterdruklift die was aangesloten op het waterleidingnet. Deze goederenlift uit de voormalige Kweekschool voor Vroedvrouwen in de Camperstraat dateert van 1898. De huidige liften (van het hydraulische type) rusten op een rechtopstaande zuigerstang, een plunjer, die de lift omhoogduwt. Hier echter drukt het water de plunjer uit een bijna horizontale buis. Daarna trekt de plunjer de lift aan kabels omhoog via een katrolsysteem. “Dit lifttype is in Amsterdam niet veel gebruikt,” legt Mackor uit. “Maar in het begin waren er niet zoveel elektromotoren, dus daarom paste men waterdruk toe.”
Verderop staat de paternosterlift uit het vroegere stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal. Paternosters zijn een geval apart in de liftgeschiedenis. Ze werden vooral toegepast in kantoorgebouwen waar de medewerkers vaak en snel tussen de verdiepingen heen en weer moesten kunnen. Het systeem bestaat uit een keten van meerdere liftcabines die continu in beweging is. Links gaan ze omlaag en rechts omhoog. Je stapt in zo’n langzaam bewegende cabine en verlaat hem weer op de bestemde verdieping. De vervoerscapaciteit is groot omdat er geen wachttijden zijn. Dit exemplaar van rond 1924 is voor het museum wat ingekort, maar torent nog steeds enkele denkbeeldige verdiepingen omhoog in de grote tentoonstellingshal.
“Miljoenen mensen hebben erin gestaan,” zegt Mackor. “Bijvoorbeeld iedereen die aangifte kwam doen van een geboorte.” In het stadhuis zag je alleen de cabines langsschuiven, maar in het museum is ook het aandrijfmechanisme zichtbaar. Een elektromotor zet twee tandwielen van bijna een meter doorsnede in beweging. Daarover lopen twee kettingen, lijkend op een fietsketting maar dan met schakels van zo’n 20 centimeter. “De cabines blijven bovenaan rechtopstaan, dus ze gaan niet na het draaipunt omgekeerd weer naar beneden. Maar monteurs haalden weleens de grap uit om bovenin op hun handen te gaan staan en dan ondersteboven terug te komen.”

Liftboy
In het Scheepvaarthuis, nu Amrâth Hotel, op de Prins Hendrikkade bevindt zich nog een paternosterlift. Mét een glasplaat ervoor. Want paternosters voldoen niet meer aan de huidige veiligheidsnormen, legt Koos van Lindenberg van het Liftinstituut uit. Rond de vorige eeuwwisseling verschenen de eerste liften in Nederland, vertelt hij. Eerst vooral in hotels en warenhuizen ter verhoging van de status van de onderneming. Het Victoriahotel moet een van de eerste zijn geweest en adverteerde in 1899 met een ascenseur hydraulique, een hydraulische lift. In 1901 volgde Maison de Bonneterie in de Kalverstraat met een elektrische lift. Een liftboy zorgde voor de bediening. De automatisering waardoor een lift wist waar hij heen moest als je op een knop drukte, deed pas zijn intrede in de jaren dertig.
Door de toename van het aantal liften nam ook het aantal ongevallen toe. In 1931 bepaalde de gemeente Amsterdam dat voortaan elk liftontwerp vooraf moest worden goedgekeurd. Enkele jaren later kwam voor dit doel het landelijke Liftinstituut tot stand (afgelopen maand september vierde dit instituut zijn 75-jarig bestaan met een boek over liftgeschiedenis). Vanaf de jaren vijftig groeide het aantal liften explosief, vooral door de komst van vele flatgebouwen die in de uitbreidingswijken de standaard werden. Tot die tijd bouwde Amsterdam in maximaal vier woonlagen, waarvoor geen lift vereist was.
De lifttechniek is zich blijven ontwikkelen. “Dat was het leuke van het vak,” vertelt Deszö Bremer, gepensioneerd liftmonteur. Hij begon in 1959 bij Starlift en stapte enkele jaren later over naar Wolter en Dros, nu Mitsubishi. Daar heeft hij tot 2001 gewerkt. Hij heeft liften helpen installeren in het WTC, de VU, het voormalige Gemeentearchief aan de Amsteldijk en enkele metrostations. “Het begon met relaisschakelaars die wel 30 tot 35 centimeter groot waren. Nu zijn dat kleine elektronische schakelaars van 5 of 6 millimeter. Ook werden de beveiligingen steeds ingenieuzer, tegenwoordig wordt alles met een computer gecontroleerd.” Liften kennen nu een snelheidsbegrenzer, die bij te grote snelheid de lift doet stoppen. “In geval van kabelbreuk kwam de lift vroeger met een daverende klap tot stilstand. Nu is dat mechanisme verfijnd zodat de lift heel rustig een noodstop maakt.”

Beknelde passagiers
Toen Bremer in 1959 begon, zagen de passagiers de schachtwand nog langs zich heen glijden. Enkelvleugelige draaideuren gaven toegang tot de lift. Toen zich ongelukken hadden voorgedaan, waarbij passagiers bekneld raakten tussen liftvloer en schachtwand, kwamen er beveiligingen. “We plaatsten drempels aan de voorkant van de liftvloer, die bij beknelling naar achteren werden gedrukt. Als dat gebeurde, stopte de lift.” Toch niet zo’n aangename ervaring voor het beknelde slachtoffer. Vanaf de jaren zeventig werden daarom binnendeuren verplicht: de schuifdeuren die je tegenwoordig overal ziet.
Ook het alarm is verbeterd. “Vroeger ging er een zoemertje als je op de alarmknop in de cabine drukte. Later kwam er telefoon, maar veel mensen maakten daar misbruik van en gingen ermee naar buiten bellen. Nu hebben liften een spreek-luisterverbinding met de buitenwereld.”
Motoren hadden eerst maar één snelheid, vertelt Bremer. “Dan kwam de lift met een plof tot stilstand. Rond 1962 bedacht men iets nieuws: bij het naderen van de verdieping ging de lift over op een kwart van de snelheid. Een jaar of tien later werd dat geperfectioneerd. Als de lift vertrok versnelde hij, en bij het naderen van de bestemming vertraagde hij weer, helemaal elektronisch geregeld. Tegenwoordig komen liften bijna onmerkbaar tot stilstand.” Een noviteit was het opduiken van spiegels in liften, Bremer onthult de reden: “Die hadden het psychologische voordeel dat vandalen minder gingen bekrassen en kapotmaken. Ze hadden het te druk met het zien van hun eigen spiegelbeeld. Dat verschil kon je duidelijk merken.”
Een recente innovatie is de machinekamerloze lift. Je bespaart er veel ruimte mee en er staat niet meer zo’n grote puist op het dak. KONE, de Finse firma die het Nederlandse bedrijf Starlift had overgenomen, was de eerste die hier in 1996 mee kwam (de ‘Greenstar’). In EnergeticA hangt een platte groene schijf, zo’n halve meter in doorsnede. Het is een elektromotor met een tractieschijf waarover de kabels lopen. “In oude liften stonden alle motoren in een machinekamer boven de liftschacht of onderin,” zegt Mackor. “Maar deze hang je gewoon aan een paal in de schacht.”
Mackor toont ook een dunne kunststofstrip, enkele centimeters breed, met daarin dunne staalkabeltjes van een paar millimeter doorsnede – een gepatenteerd systeem van Otis. Daaraan hangen nu de GeN2-liften van Otis. “Je gelooft het bijna niet, maar aan deze flinterdunne kabeltjes kun je meer hangen dan aan zo’n dikke kabel.” Al snel volgden de andere fabrikanten met eigen machinekamerloze systemen. ThyssenKrupp installeerde de zijne in de nieuwe openbare bibliotheek. En de GeN2 van Otis zoeft bijna geruisloos op en neer bij kledingzaak WE in de Kalverstraat. Daar kun je door de glazen liftschacht ook mooi die aandrijfstrips zien.

 

Oktobernummer 2008

 

 

Delen:

Editie:
Oktober
Jaargang:
2008 60
Rubriek:
Inhoud