Nummer 1: Januari 2010

voorpaginaOAM_01_2010-cover-klein
Prijs €4,95 Bestel



 


Op het omslag: Gered! Een vrouw wordt uit een roeiboot overgetild naar veilige bodem. Overstroming Tuindorp Oostzaan, Amsterdam-Noord, 14 januari 1960. Stadsarchief Amsterdam.


- Dijkbreuk zet wijk in Noord onder water


- Originele kaart uitbreiding teruggevonden


- Edison Theater bedreigd


- Munt in de maak


- Goochelkunstenaar Larette


- Frontsoldaten veroveren de straten


 




Tuindorp Oostzaan onder water
Overstroming maakte 11.000 mensen tijdelijk dakloos
Tekst: Loek Hieselaar

INHOUD_1-dijkbreukVijftig jaar geleden beleefde Amsterdam zijn laatste watersnoodramp. In de vroege ochtend van 14 januari brak de dijk langs zijkanaal H en liep Tuindorp Oostzaan onder water. De bewoners moesten worden geëvacueerd en de schade was groot. Het opruimen van alle rommel en viezigheid duurde maanden. De oorzaak van de dijkbreuk bleef onopgehelderd.

Beelden van mensen met kleine kinderen op hun schouders die tot hun middel door het ijskoude water waadden, gingen de wereld over. Op 14 januari 1960 werden de 11.000 bewoners van Tuindorp Oostzaan in Noord uit hun huizen gedreven door een zware overstroming. Buitenlandse media doken gretig op het nieuws, met de watersnoodramp van Zeeland zeven jaar eerder nog vers in het geheugen. Een paar dagen stond de in 1922 gebouwde arbeidersbuurt kortstondig in de schijnwerpers van de wereld.  
Gelukkig viel het qua slachtoffers allemaal erg mee. Één dode was er te betreuren, een 84-jarige weduwe, die gestorven bleek aan een hartaanval en een dag na de overstroming dood op haar bed werd aangetroffen. Wel was er veel schade aan huizen en centrale voorzieningen. In totaal ƒ 8.000.000,-, wat voor die tijd een fors bedrag was. De schade aan particulieren werd ruimschoots vergoed door het Nationaal Rampenfonds en de overheid. Zelfs zo gulhartig dat later het cynische grapje de ronde deed, dat ze in Tuindorp Oostzaan voor het slapen gaan baden: “Heer geef ons heden ons dagelijks brood en elk jaar een watersnood.”
Maar op die vroege winterochtend van 14 januari 1960 was nog niet te overzien hoe groot het leed zou worden. De besneeuwde dijk langs zijkanaal H, een zijarm van het Noordzeekanaal, lag er in het nachtelijk duister als een wit lint bij. De twee militairen korporaal Boers en chauffeur Bles van de Van Heutsz Compagnie op Zeeburg, die met een legercombi (VW-busje) een patrouille uitvoerden langs munitiedepots, zagen plotseling in het licht van hun koplampen een grote zwarte vlek. Een dooiplek, dachten zij eerst nog. Toch maar gestopt. Het bleek een gapend gat in de dijk waardoorheen water uit het zijkanaal kolkend de 2,5 meter lager gelegen Noorder IJpolder instroomde.
Zij haastten zich naar de dichtstbijzijnde boerderij. Politie, brandweer, Koninklijke Marechaussee en de wachtcommandant van kamp Zeeburg werden gealarmeerd. Het was rond half zeven in de ochtend. Achteraf herinnerde machinist E.J.J. Bruggink van het gemaal in de Noorder IJpolder – dat vlak bij de dijkdoorbraak lag – zich dat hij om vijf uur ’s nachts een vreemd geluid buiten had gehoord. Maar van de kant van het kanaal kwamen ’s nachts wel eens meer vreemde geluiden, dus had hij zich nog maar eens omgedraaid.

‘Hollands oldest enemy’
Tuindorp Oostzaan is een typische arbeiderswijk, in de jaren twintig gebouwd om de ernstige woningnood in Amsterdam voor korte tijd te lenigen en arbeiders van de gestaag uitbreidende scheepswerven in Amsterdam-Noord aan behuizing te helpen. De eenvoudige huisjes met piepkleine tuintjes voor en achter werden er maar voor vijftien jaar neergezet, zo was het plan.
De meeste mannen hadden hun huis zoals gewoonlijk al in alle vroegte verlaten. Ze werden op het werk gewaarschuwd dat hun woningen onder water dreigden te lopen. Met de overalls nog aan spoedden zij zich weer huiswaarts om te redden wat er te redden viel. Het was koud die ochtend en er joeg een sneeuwstorm over Amsterdam.
Terug in de wijk zagen zij hoe het water de straten overstroomde en de huizen binnendrong. Politiewagens reden rond om via luidsprekers de mensen op de hoogte te brengen dat zij hun huis moesten verlaten. Bewoners brachten hun huisraad naar de eerste verdieping. Naar schatting een paar honderd wilden niet weg en trokken ook in op de bovenverdieping. Zij dachten dat het niet zo’n vaart zou lopen en wilden op hun spullen blijven passen. De volgende dag werden zij gedwongen hun huis alsnog te verlaten. Evacuatie was nu verplicht.
Om acht uur ’s morgens meldt de radionieuwsdienst van het ANP dat er een overstroming is in Amsterdam-Noord. Dezelfde dag nog stroomt de wereldpers toe. Opgewonden berichtgeving in de eerste uren wekte bij de buitenlandse media de indruk dat heel de stad onderliep. Die indruk werd nog versterkt, doordat de telefoonlijnen vanuit het buitenland naar Amsterdam in de ochtenduren geblokkeerd bleken.
Wie de kranten van 14 januari 1960 er nu op naslaat, treft dramatische verhalen aan over “mensen die met kinderen op hun arm tot aan hun middel in het ijskoude water staan, terwijl  striemende natte sneeuwbuien hun lichaam teisteren.” Over een “droeve colonne van vluchtelingen” richting stad. Buitenlandse kranten schreven over “het gevecht tegen Hollands oldest enemy”, waarbij een foto stond van een vrouw die door twee mannen uit het water werd getild.

Verlossend bericht
De hulp kwam snel op gang. Gemeentepolitie, rijkspolitie te water, Rode Kruis, Bescherming Bevolking, brandweer, GGD, legereenheden, marechaussee, verschillende kustbrigades en gemeentelijke diensten verdrongen elkaar bijna in de opvang van de ruim 11.000 getroffen inwoners. ’s Middags voeren er tientallen boten van allerlei soort door de ondergelopen straten van Tuindorp Oostzaan om de mensen die nog thuis waren te evacueren. Botsingen met obstakels onder water, zoals geparkeerde auto’s, leidden tot bijna komische taferelen.
Elders in Noord werd op de scheepswerven ADM en NDSM een eerste opvang geregeld en dezelfde dag ook nog in het kloostercomplex Sint-Rosa op de Wingerdweg. Verder in jeugdherbergen en op het emigrantenschip de Zuiderkruis, dat in Amsterdam lag afgemeerd. Ziekenhuizen hielden bedden gereed voor noodgevallen en via de radio werd een oproep gedaan om mensen onder dak te brengen. Aanbiedingen voor opvang kwamen tot uit de Achterhoek. Uiteindelijk bleek de overgrote meerderheid te kiezen voor opvang bij familie. Slechts zo’n 500 van de bijna 2300 beschikbare bedden van de hulpinstanties werden daadwerkelijk gebruikt.
Na ruim twaalf uur stond heel Tuindorp Oostzaan met zijn 2600 woningen onder water. Toen om zes uur ’s avonds de stroming door het dijkgat tot stilstand kwam, was een gebied van 400 hectare ondergelopen en 7,5 miljoen m3 water door het almaar uitdijende gat in de dijk gestroomd. Er waren al pogingen ondernomen om het gat te dichten, maar dat zat aanvankelijk nogal tegen. Een lichter met puin werd als een luciferhoutje door de stroming  meegesleurd. Pas nadat ’s nachts het water tot stilstand was gekomen, kon met het dichten worden begonnen. Tonnen zand en puin werden onder meer met behulp van grote hopperzuigers in het gat gestort.
Vrijdagmiddag 15 januari om half vier kwam het verlossende bericht dat het gat was gedicht. Nu kon het leegpompen van de polder beginnen. Dat zou aanzienlijk langer duren dan het onderlopen, want ondanks de inzet van vier grote zuigers en tien pompinstallaties zakte het water slechts één centimeter per uur. Deze tweede rampdag had koningin Juliana een bezoek aan het rampgebied gebracht en in enkele opvangcentra met evacués gesproken. Ook waren de laatste mensen  – soms met geweld – uit hun huizen gehaald. Om plundering te voorkomen hielden politiemensen, bijgestaan door marechaussees, nu de wacht. Ze vormden om het hele gebied heen een cordon.

Controleurs Sociale Dienst
Een week na de overstroming vielen de eerste straten weer droog. Wrakhout, huisraad, fietsen, lege flessen, maar vooral een laag zwarte drabbige modder, vulden het lege stratenpatroon van de eens zo keurig ‘aangeharkte’, bijna Engels aandoende woonwijk. De bewoners wisten wat hen te wachten stond als zij weer naar huis mochten: puin ruimen en schoonmaken, dagenlang.
Ruim twee weken nadat patrouillerende militairen alarm sloegen en Tuindorp Oostzaan binnen een dag veranderde in een soort spookstad, kregen de ruim 11.000 bewoners dan eindelijk toestemming om naar huis terug te keren. Dat was op vrijdag 29 januari. Controleurs van de Sociale Dienst begeleidden de bewoners, om per huis de schade vast te kunnen stellen die voor vergoeding in aanmerking kwam. Alleen wat beneden stond, werd vergoed.
De eerste zes weken was men alom in de weer om de huizen van de drabbige modder te ontdoen. Pas na twee maanden was alle rommel en viezigheid weg. Na een half jaar waren de huizen droog genoeg om opnieuw geschilderd en behangen te worden. Later zouden Tuindorpers klagen dat het wel zes jaar duurde voordat het vocht echt uit de huizen verdwenen was.
De oorzaak van de ramp is nooit precies opgehelderd. Een kort na de overstroming ingestelde commissie met ‘zwaargewichten’ onder leiding van de waterbouwkundige prof. ir. Jo Thijsse (de oudste zoon van Jac. P.) bracht geen uitsluitsel. Waarschijnlijk hebben meerdere factoren een rol gespeeld bij het ontstaan van deze dijkdoorbraak. Zwaar militair verkeer maakte geregeld gebruik van de dijk, wat de kwaliteit van het dijklichaam niet ten goede kwam; in de dijk was naast de verharding een waterleiding aangelegd, die mogelijk op de plek van de latere doorbraak is gaan lekken; en ten slotte was ter bescherming van woonschepen in zijkanaal H tegen golfslag, dwars op de as van het kanaal een damwand aangelegd die tot in de dijk doorliep.
De ramp had wel tot gevolg, dat daarna zowel op gemeentelijk als rijksniveau tal van commissies werden in gesteld met als taak het risico van dijkdoorbraken in het hele land beter in kaart te brengen, om in de toekomst eventueel noodzakelijke maatregelen tijdig te kunnen nemen.

Watersnoodramp ‘opsteker’ voor leerling-journalist
Loek Hieselaar, de schrijver van dit artikel, was als 18-jarige leerling-journalist van de toenmalige krant De Tijd/De Nieuwe Dag, zelf ooggetuige van de watersnoodramp in Tuindorp Oostzaan.
“Die ramp betekende mijn doorbraak als verslaggever bij De Tijd” , herinnert hij zich. “De oudere geroutineerde verslaggevers waren die dag plotseling ziek. Om acht uur ’s morgens werd ik door mijn chef Ben Kroon gebeld met de opdracht mij direct per taxi naar Tuindorp Oostzaan te spoeden, omdat dit stadsdeel onder water liep.”
“De eerste beelden die ik mij herinner, zijn die van mensen die nog in het halfdonker door het ijskoude water waadden met een kind op de arm of een kanariepiet in een kooitje bij zich. Er joeg een sneeuwstorm en mijn pen wilde niet schrijven op het steeds natter wordende papier.”
“Ik heb toen een paar dagen gebivakkeerd in café Korstanje op de Oostzanerdijk. Daar kon je een beetje op verhaal komen, er werd de hele dag verse koffie geschonken en – het belangrijkste – er was een telefoon waarmee je je stukken als het ware live kon doorbellen naar de redactie. Dat café is er niet meer. Helaas, want ik zou er nog wel eens een biertje willen drinken.”


 




Het monnikenwerk van een stadsplanner
Originele kaart Algemeen Uitbreidingsplan teruggevonden
Tekst: Marc Hameleers

INHOUD_kaartIn 1935 (75 jaar geleden) aanvaardde de gemeenteraad het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (AUP). Stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren had er zes jaar aan gewerkt. Van zijn plan waren verschillende kleinere kaarten bekend. Op 24 december 2008 werd de oorspronkelijke grote kaart teruggevonden, helaas in slechte staat. Ze is nu grondig gerestaureerd en tijdelijk tentoongesteld in het Stadsarchief.

In 1933 verscheen het Algemeen Uitbreidingsplan al in conceptvorm. Hierin werd duidelijk gemaakt hoe de uitbreidingen van de hoofdstad vorm moesten krijgen. Althans naar de mening van ir. Cornelis van Eesteren (1897-1988), hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst Publieke Werken. De stad zou zich vooral stevig moeten uitbreiden in westelijke en zuidelijke richting. Het AUP vormde de basis voor bijna alle staduitbreidingen nadien. Op 18 juli 1935 werd het plan door de gemeenteraad vastgesteld en precies vier jaar later bij Koninklijk Besluit goedgekeurd.
In de Nota van Toelichting en de Bijlagen bij het plan werd een reeks thematische kaarten opgenomen. Onder meer over de beoogde scheiding van de functies wonen, werken, recreatie en verkeer, maar ook de bekende gedrukte overzichtskaart (80,5 x94 cm) van het hele plan, op een schaal van 1:25.000. Er bestaat echter nóg een afbeelding uit 1935. Die verscheen als bijlage van het bouwkundig weekblad Architectura van 23 maart 1935, waarin het plan besproken werd. Later, bij het 50-jarig jubileum van het plan in 1985, is díe kaart één op één herdrukt op schaal 1:25.000 én werd er een verkleinde reproductie (40,5 x47 cm, schaal 1:50.000) van uitgegeven. Menige Amsterdam-liefhebber heeft die versie in zijn bezit.
Maar wat leek te ontbreken, was een wandvullende ‘presentatiekaart’, zoals we die wel kennen van de oudere uitbreidingsplannen van Van Eesterens voorgangers Van Niftrik (1866, maar liefst 421x319 cm) en Kalff (1875, 170x175 cm). Die kolossale kaarten werden gebruikt om grootse plannen te presenteren aan het stadsbestuur.

Verstopt in torentje

In het kader van het digitaliseringsproces waarmee het Stadsarchief bezig is, werden (om ze in te scannen) eind 2008 alle ‘grote formaten’ die gemonteerd waren, tussen stokken opengerold. Het merendeel bleek niet beschreven te zijn. Als een soort kerstcadeautje werd in de namiddag van 24 december de laatste kaart (216 x 270 cm) opengerold. Deze bleek het AUP op een schaal van 1:10.000 te tonen.
Vermoedelijk behoort de kaart al decennialang tot de collectie van het Stadsarchief. Maar in archiefinstellingen worden kaarten tussen stokken vaak – ten onrechte – als een soort stiefkindje beschouwd en in een hoekje gestopt, waar ze soms tientallen jaren niet meer uitkomen. De reden is dat ze meestal onhandig groot en lastig uit te rollen zijn, en erg kwetsbaar. Dat ‘hoekje’ was in dit geval de zolder van het oude Gemeentearchief aan de Amsteldijk. Tot aan de verhuizing van 2007 naar de Vijzelstraat heeft de AUP-kaart, samen met de grootste andere stokkaarten, jarenlang opgerold en rechtop gestaan in het torentje dat het gebouw siert. Achteraf gezien is het onbegrijpelijk dat de kaart niet eerder herkend werd. Tot dat moment eind 2008 was het bestaan van de grote AUP-kaart onbekend. Als Vincent van Rossem bij zijn promotieonderzoek (1991) er vermeldingen over had gevonden, had hij er zonder twijfel over geschreven.
Het blijft vooralsnog gissen wat precies de functie van de kaart is geweest. Gezien het formaat van ruim twee bij bijna drie meter, zal ze beslist gebruikt zijn om groepen mensen het plan te tonen, zoals de leden van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. Zij waren immers degenen die de financiën voor de getekende plannen op de stedelijke begroting beschikbaar moesten stellen. Te denken valt ook aan andere groepen geïnteresseerden: collega-architecten uit binnen- en buitenland, sociëteiten, projectontwikkelaars.  Kortom, de kaart heeft beslist een voorlichtende, maar vermoedelijk ook een representatieve functie gehad.
Daarnaast is het voorstelbaar dat zij – mogelijk jarenlang – gehangen heeft in het kantoor Van Eesteren bij de Dienst Publieke Werken. De kaart blijkt niet meteen in de vergetelheid te zijn geraakt. Bij de recente restauratie werden bewijzen gevonden dat hij al eerder eens is opgeknapt, vermoedelijk eind jaren vijftig. Misschien wel voor een presentatie ter gelegenheid van de 25ste verjaardag van het AUP in 1960. (Welke lezer van Ons Amsterdam weet hier meer van?)

Groene stroken scheiden functies
Waarom was het Algemeen Uitbreidingsplan eigenlijk zo interessant? Ze was niet alleen van belang voor Amsterdam, maar markeerde ook een internationale tendens in de stadsontwikkeling. Naast zijn ambtelijke baan in Amsterdam, bekleedde Van Eesteren de prestigieuze positie van voorzitter van het Congrès International d’Architecture Moderne (CIAM). Onder zijn leiding werd tijdens het vierde CIAM-congres in 1933 een charter opgesteld waarin de scheiding van de functies wonen, werken, recreatie en verkeer in de stedelijke ontwikkeling centraal stond.
Die functies hebben op de AUP-kaart verschillende kleuren. De tinten rood staan voor wonen (nieuwbouw), tinten beige/bruin voor werken, tinten groen voor recreëren en de tinten geel voor de nieuw aan te leggen wegen. Interessant is dat op de kaart de groene stroken voor recreatie (bijvoorbeeld sportvelden en het Amsterdamse Bos) als lange vingers vanaf de stadsrand ver naar binnen steken en tegelijk de woon- en industriegebieden scheiden.
Een paar kleine onderdelen van het plan blijken niet te zijn uitgevoerd of net iets anders dan Van Eesteren had bedacht. De geplande begraafplaats in de Riekerpolder en enkele spoorbanen en een rangeerterrein kwamen er niet en een aantal havenbekkens kreeg een andere vorm.
Eenvoudig kon worden vastgesteld dat de topografische ondergrond van deze reuzenkaart gelijk is die van de kleinere. Alleen de schalen verschillen. De inkleuring (het plan zelf) kent echter wel – kleine –  verschillen. De ondergrond die Van Eesteren koos lijkt erg op de in de jaren dertig gangbare kaartbladen die de Topografische Dienst (van Defensie) vervaardigde, maar is daaraan niet gelijk. Ook is er geen ons bekende kaart van Publieke Werken voor gebruikt.  
Wel staat vast dat de topografische ondergrond een uitvergroting is van een kaart op een veel kleinere schaal van kort na 1930. Deze fotografische reproductie werd afgedrukt op papier dat lijkt op de bekende ‘stinkkopieën’ van omstreeks 1970. Er werden zes aansluitende opnamen gemaakt en vervolgens op een groot stuk linnen gemonteerd. Daarna werd het plan door medewerkers van Van Eesteren met gouacheverf op de montage geschilderd.

Gaatjes als geheugensteuntje
Bekijken we de kaart wat gedetailleerder, dan valt op dat hij vele honderden ‘prikgaatjes’ heeft. Daar zijn meerdere redenen voor te bedenken. Ten eerste dienden veel gaatjes als hulpmiddel bij het exact plaatsen van symbolen op de kaart. Het gaat niet alleen om de legendablokjes aan de rechterzijde, maar vooral om de kleurvlakken die een terugkerend (bijvoorbeeld blokjes-) patroon hebben. Op vaste afstanden werden prikgaatjes aangebracht, waarop de tekenaar die de beoogde strakke lijnen in zo’n vlak moest trekken, zich kon richten.
Andere gaatjes lijken te zijn aangebracht voor het maken van kopieën (op dezelfde schaal) van delen van de kaart. Zo is de kustlijn van het oostelijke IJ aan de noord- en zuidzijde geheel voorzien van gaatjes. Ook zijn er patronen van drie gaatjes vlak bij elkaar, die samen een driehoek vormen. Dat zijn de sporen van ouderwetse punaises, want die hadden vroeger drie pootjes. Goede kans dat Van Eesteren ‘ouderwetse geeltjes’ op de kaart prikte met instructies voor zijn tekenaars.
De laatste stap in het vervaardigingsproces was het bevestigen van stokken aan de boven- en onderzijde van de kaart. Zo kon zij vrijhangend worden getoond.
Bij het openrollen in december 2008 bleek de kaart in zeer slechte staat te verkeren. Er zaten gaten en scheuren in, ze was ‘gecraqueleerd’ en de stok aan de bovenzijde was voor ongeveer een kwart van de lengte losgescheurd. Bij het open- of dichtrollen stoven de papiersnippers in het rond. Ook zat er van boven naar beneden, over het midden van de kaart, een grote breuk in het papier. Die deelde de zes aan elkaar geplakte stukken papier waaruit het kaartbeeld oorspronkelijk bestond, weer in tweeën. Alleen dankzij de linnen drager viel het papier niet in tweeën uit elkaar.
Omdat de kaart van eminente historische betekenis is, werd een subsidie voor restauratie aangevraagd bij de Van Eesteren-Fluck & Van Lohuizen Stichting. Dankzij een snelle en genereuze toezegging konden al in april 2009 de voorbereidingen beginnen. Eerst werd een speciale brug op wieltjes gebouwd, die over de kaart kon worden gereden. Als de restauratrices hierop zaten, was het mogelijk ook in het midden van de kaart te werken.


Eindelijk weer te zien
Eerst werden de stokken verwijderd. Het kaartbeeld werd schoon gemaakt, de oude linnen drager verwijderd en gaten en scheuren  met Japans papier aangevezeld. Begin september 2009 werd de hele kaart opnieuw gedoubleerd. Niet met linnen, maar met Japans papier, om de kaart nieuwe stevigheid te geven.
Tijdens de restauratie vielen de genoemde prikgaatjes voor het eerst op. Ook werd toen pas duidelijk dat de kaart al eerder  een restauratie onderging, waarschijnlijk een halve eeuw geleden. Dat viel af te leiden uit een paar extra bijgeplakte stroken linnen, die duidelijk niet uit 1935 dateerden. Ook bleek dat delen van het blauw gekleurde water op de kaart met een iets lichter getinte verf waren overschilderd. Ook dit is kennelijk ná 1935 gebeurd.
In het hedendaagse restauratiegebruik worden beschadigingen aan het oude object niet meer geretoucheerd of bijgekleurd. Maar omdat het Japanse papier dat de gaten en scheuren in het oude papier dichtte, ook weer verwijderd kan worden (een restauratie dient altijd reversibel = omkeerbaar te zijn), is er weinig bezwaar om deze aanvezelingen een kleur te geven die lijkt op de omgeving. Daardoor springen ze minder in het oog en ontsataat een egaler beeld. De twee stokken zullen niet opnieuw aan de kaart bevestigd worden. Het risico van nieuwe scheuren is te groot. Vanzelfsprekend worden ze wel bewaard.
In het afgelopen acht maanden lag de AUP-kaart uitgerold op een grote tafel van de restauratieafdeling van het Stadsarchief Amsterdam. Tijdens het Open Monumentenweekend van 12 en 13 september (met het dagthema Monumenten op de Kaart), de laatste Landelijke Archievendag op 17 oktober en de laatste Museumnacht op 7 november, kon het publiek haar bekijken. De restauratrices lieten de Van Eesterenkaart aan enkele duizenden bezoekers zien en vertelden daarbij over hun werkproces.
Sinds midden december 2009 is het eindresultaat in de schatkamer van het Stadsarchief in volle glorie te bekijken. Tot eind januari 2010: daarna wordt de kaart opgerold en zal ze nog slechts bij hoge uitzondering te zien zijn. Want hoewel bijzonder vakkundig gerestaureerd, blijft de kaart een kwetsbaar object. Hoe dan ook: dankzij de restauratie is het behoud van deze historisch belangrijke kaart voor de komende decennia veiliggesteld.


 




Een lach en een traan in de Zuid-Jordaan
Verdwijnt het oude Edison-Theater?
Tekst: Peter-Paul de Baar

INHOUD_edisonteaterWie nu het zojuist verlaten pand van Edison Tapijt op de Elandsgracht passeert ziet het bijzondere er niet meteen aan af: een saaie witte blokkendoos met schreeuwerige reclame. Maar dit voormalige Edison-Theater speelde wel een dikke halve eeuw een belangrijke rol in het culturele en sociale leven van de Jordaan. En het weerspiegelt treffend ontwikkelingen in de bioscooparchitectuur. Verontruste buurtbewoners en experts verzetten zich dan ook tegen het plan het huidige pand te vervangen door een hoog hotel met een quasi-oude voorgevel.

In 1912 gaf de Amsterdamsche Bioscoop-Onderneming architect P.J. van Doorn opdracht een theatergebouw te ontwerpen op de Elandsgracht. Een beroemdheid was Van Doorn niet, maar evenmin onbetekenend: hij had heel wat binnenstadspanden op zijn naam, waarvan Keizersgracht 571 (1910) en Westermarkt 28 (1911; restaurant Koh-i-Noor) zijn ‘genomineerd’  voor de gemeentelijke monumentenlijst. Het nieuwe pand kreeg een vrij sobere maar charmante voorgevel in een min of meer klassicistische stijl. Het interieur werd in 1921 vernieuwd in art-deco-stijl.
Van begin af aan werden er hier films vertoond. De projector stond in de halfronde erker boven de brede ingang.  Het filmdoek hing dus voor de muur aan de kant van de achtergelegen doodlopende Lijnbaansstraat (die tot 1875 met recht Elandsstinksloot had geheten). Onder het witte doek was een podium, want vooral in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was het theater veel meer dan een bioscoop. Op het toneel werden dramatische toneelstukken, komische sketches en complete revues vertoond. Het Edison-publiek stond er om bekend dat het bovengemiddeld heftig meeleefde met al het vertoonde. Er heerste er een huiselijke sfeer.  Veel bezoekers kwamen uit de buurt en kenden elkaar. Het theater (met een kleine koffiekamer naast het podium) was daardoor tevens een ontmoetingsplek.
In die verhoudingen sprak het voor zich dat portier Ko van Wens en zijn vrouw Jet, theaterschoonmaakster , in 1937 werden gehuldigd met een grootse rijtoer door de Jordaan, ter gelegenheid van hun 25-jarig dienstverband. Naar verluidt had portier Ko in de eerste jaren ook de rol vervuld van filmexplicateur: de man die luidkeels en dramatisch commentaar gaf bij de stomme films, tot in de jaren twintig de geluidsfilm doorbrak. Ook typerend voor de sfeer: bij de heropening na een kleine modernisering van het interieur in 1935 bood de directie de mannelijke bezoekers een dikke sigaar en de vrouwen een gebakje aan.  

Louis Davids en Louis Bouwmeester
Doorgaans begon het programma met ‘live’-optredens en werd na de pauze een film vertoond.
Het waren niet de minsten die hier optraden.: Louis Davids en zijn zus Henriëtte (Heintje), Esther de Boer-van Rijk (“Kniertje’  in  Herman Heijermans’ Op Hoop van Zegen), de grote Shakespeare-acteur Louis Bouwmeester, Willy Derby, ja zelfs de wereldberoemde Sarah Leander, en na de oorlog natuurlijk Willy Alberti, Johnny Jordaan en Tante Leen. Ook het vermaarde volkstoneelgezelschap van Herman Bouber (De Jantjes, Bleeke Bet, Oranje Hein) was meer dan eens van de partij. Kind aan huis was het komische duo Mie en Ko. De laatste, in de sketches een sullige magere lange slungel, heette in werkelijkheid Jacobus Siliakus (1893-?). De potige Mie was de als vrouw verklede Willem Munnik (1883-1943) , ook bekend als zanger/tekstschrijver Willy Chanson. (Met Siliakus trad hij ook op als ‘Gebroeders Chanson’).
De vertoonde films waren van allerlei soort.  Er zaten heel wat documentaire films bij, voor de Jordanezen in het televisieloze tijdperk belangrijk als venster op de wereld. In 1914-1918 bijvoorbeeld kwam er veel frontnieuws in beeld.  Grootse historische verhalen deden het uitstekend, zoals De laatste dagen van Pompeï, Robin Hood en Danton. Voor rolprenten met een revolutionaire strekking als De Commune van Parijs en Pantserkruiser Potemkin schrok de directie niet terug. Misdaad- en actiefilms kwamen ruim aan bod: Wie is de dader? Misdadigers der wereldstad, Beschermt Uw dochters! Suikerzoete romantiek en melodrama deden het ook uitstekend: Walztraum, Uitgestooten uit de maatschappij, Corsicaanse hartstochten, Haar tweede leven, Kindersmart, De straat der schande. Op een hoger niveau stonden de verfilmingen van beroemde romans:  Alleen op de wereld, Anna Karenina, Het Spook van de Opera,  De klokkenluider van de Notre Dame en De negerhut van Oom Tom. De humor ontbrak natuurlijk evenmin, met Robert en Bertram en enkele films van de vertrouwde Mie en Ko.
De interne renovatie van 1935 was toch niet genoeg, besloot een nieuwe directie in 1939.  Aan het eind van het jaar sloot ‘het Edison’ (ook vaak ‘de Edison’ genoemd) maandenlang voor een grootschalige verbouwing: door architect A.W. Rosenberger werd de klassieke gevel vervangen door een hypermoderne strakke witte pui naar Amerikaanse snit, onder een rechte lijst. Van de oude gevel bleven alleen de twee ronde raampjes bovenin behouden. De perscommentaren waren lovend..
Sindsdien was het theater in de allereerste plaats bioscoop, al bleven er podiumoptredens plaats vinden. Typerend was echter wel dat het toneel was verkleind ten behoeve van een groter aantal zitplaatsen.  Publicist Guus Luijters bewaart warme herinneringen aan het theater van de jaren vijftig: “Veel rumoer, veel opmerkingen. De Edison staat in mijn geheugen gegrift als de bioscoop waar veel Laurel & Hardy’s werden vertoond.”
Maar in 1962 legde de buurtbioscoop het af tegen vooral de televisie. Er kwam een garage in (Kooperberg), en omstreeks 1980 de firma Edison Tapijt. Die maltraiteerde de buitengevel, maar een deel van het interieur, zoals het balkon, bleef intact. Toen bekend werd dat de tapijthal eind 2009 naar de buurpanden 86-88 wilde verhuizen, presenteerde een projectontwikkelaar het plan voor een hotel met 49 kamers, met een gevel die leek op die van 1912, maar wel twee verdiepingen hoger. De rest zou plat gaan.  Daartegen kwamen protesten uit de buurt (onder meer van de Stichting Jordaanmuseum), maar ook de gemeentelijke Welstandscommissie gaf een negatief advies. “De gevel aan de Elandsgracht  mist iedere samenhang en is een optelsom van incidenten.”  Er is dus nog hoop voor het voormalige theater.


 




Hoe de Munt de Munt werd!
Geldproductie in Amsterdam 1672-1673
Tekst: Marcel van der Beek & Albert Scheffers

Inhoud_MUNTWie op Schiphol een taxi neemt naar ‘De Munt’ wordt automatisch afgezet op het Amsterdamse Muntplein. Dat is tenminste de ervaring van buitenlandse relaties van het Utrechtse bedrijf de Koninklijke Nederlandse Munt nv (voorheen ’s Rijks Munt) en het Geldmuseum, in hetzelfde pand. Hoe komt die Amsterdamse Munt eigenlijk aan zijn opmerkelijke naam?

Amsterdam was in de 17de en 18de eeuw hét wereldcentrum van de handel in edele metalen. Omstreeks 1700 werd de helft van al het in Spaans Amerika gewonnen zilver in Amsterdam verhandeld. Maar slechts één jaar lang werden hier uit dat edelmetaal munten geslagen in een daartoe bestemd gebouw.
Het eerste plan voor een speciaal Amsterdams Muntgebouw dateert uit de lente van 1586. De graaf van Leicester, tijdelijk ‘landsheer’, gaf toen ene Hans de Vlaminck toestemming onder andere enkele en dubbele rozenobels met het wapen van Engeland te vervaardigen. Maar Leicester, vertrouweling van de Engelse koningin Elisabeth I, overschatte zijn macht. De Nederlandse gewesten hadden in 1581 de dictatoriale Spaanse koning Philips II weliswaar ‘afgezworen’ als hun opperste heerser en dopten in de praktijk hun eigen boontjes, een land zonder vorst leek echter nog onbestaanbaar. De door Elisabeth uitgeleende Leicester mocht die rol even spelen, maar kreeg van de gezamenlijke gewesten – de Staten-Generaal – geen speelruimte. (In 1588 durfden de Nederlanden het alsnog aan zichzelf tot Republiek te proclameren.) In de Staten-Generaal werd door de vertegenwoordigers van Dordrecht, waar al een officiële muntslagerij bestond, het Amsterdamse plan zó fel bestreden, dat uiteindelijk de Raad van State verbood door te gaan met de “erectie [oprichting] van de voorschreven Munt.”
Pas in 1672 richtte de stad Amsterdam dan toch echt een eigen Munt op. Dat was een noodmaatregel. Niet voor niets ging 1672 onze ‘vaderlandse geschiedenis’ in als het Rampjaar. Binnen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden heerste grote verdeeldheid. Een belangrijk geschilpunt was de positie van de nazaten van Willem van Oranje, die sinds diens dood in 1584 ‘stadhouder’ waren geweest. Dat betekende oorspronkelijk het opperbevel van de gezamenlijke legers, maar de Oranjes claimden steeds sterker ook de politieke macht. Daarom hadden de Staten-Generaal in 1650 het vertrouwen in de Oranjes opgezegd, zonder een aanvaardbare nieuwe opperbevelhebber te kunnen vinden. Vreemde mogendheden roken dus hun kans.
Voorjaar 1672 verklaarden zowel Frankrijk als Engeland de Republiek de oorlog, en eind mei sloten de bisschop van Münster en de keurvorst van Keulen zich hierbij aan. Vooral de snelle Franse opmars leidde tot paniek. Die leidde er in juli toe dat de jonge Willem III van Oranje alsnog tot stadhouder werd uitgeroepen. Mede dankzij hem liep de militaire dreiging na ruim een jaar alsnog met een sisser af.


Specialisten van buiten de stad gehaald
Op 24 juni 1672, daags na de val van Utrecht, was het gevaar echter nog groot en daarmee dreigde in Amsterdam ook een economische crisis. De Wisselbank (zie ons februarinummer) had ineens een acuut tekort aan wisselgeld. Klompen zilver waren er nog genoeg, maar aan muntgeld ontstond een groot gebrek, doordat “door de koopluijden daegelijcks veel gelt uijt de Banck wiert gehaelt.” Verzenden van te vermunten zilver naar de bestaande Munten van Enkhuizen of Dordrecht was veel te riskant. Daarom verzocht Amsterdam de Staten van Holland om de Muntmeester van één van deze beide steden naar Amsterdam te halen en hier zilvergeld te slaan. Helaas stelden die steden daarvoor onmogelijke eisen. Dus besloten de Staten van Holland op 17 september 1672 “het silver van de capitale leeninge geduijrende desen jegenwoordigen noot binnen Amsterdam mede te doen munten.” De bestaande Munten konden immers niet genoeg produceren en dat bracht de salarisbetaling aan de “militie van desen staet, het boots-volck opde oorlogschepen gedient hebbende” in het gedrang.
De genoemde kapitale lening was een door de Staten van Holland op 14 juli 1672 ingestelde ‘oorlogsheffing’ op het vermogen van de rijke burgers. Die mocht niet alleen in muntgeld, maar ook in gouden of zilveren voorwerpen worden betaald. Dat laatste heette voordeliger te zijn dan betaling in munten. De meeste rijke burgers woonden in Amsterdam, zodat de opbrengst daar dan ook heel hoog is. Het ingeleverde zilverwerk werd voorlopig opgeslagen in de kluizen van de Amsterdamse Wisselbank. Op 17 september stelde het stadsbestuur de naar Amsterdam gevluchte Muntmeester van Overijssel Gerrit van Romond aan tot Amsterdamse Muntmeester. Twee dagen later kreeg de stadsthesaurier opdracht om een geschikt gebouw te zoeken voor de op te richten Munt. Die werd gevonden in het stenen wachthuis van de voormalige Regulierspoort aan het eind van de Kalverstraat.
Half oktober rapporteerde burgemeester Cornelis Geelvink dat het gebouw en alle voorzieningen klaar waren “en dat de Muntmeester sijn werk soude konnen beginnen. Naast Van Romond stelde men een aantal uit Zwolle gevluchte gezellen aan. Als specialisten werden ingehuurd Caspar Lenderman, de essayeur* van de provinciale Munt van Overijssel en Geurt Haxter uit Harderwijk, stempelsnijder van de Munt van Gelderland. Het enige dat nu nog ontbrak waren de werkinstructies. Die ontving Muntmeester Gerrit van Romond op 18 oktober. Daarin stond onder meer dat hij zijn muntmateriaal uitsluitend mocht betrekken van de Amsterdamse Wisselbank.

Verbluffend hard gewerkt
Op 9 november 1672 startte Gerrit van Romond zijn productie van gouden dukaten en zilveren rijders. Al een maand later klaagden de verongelijkte Dordtenaren dat de Amsterdammers op hun munten het eigen stadswapen hadden afgebeeld. Dat zou in strijd zijn met de resolutie van de Staten van Holland van 17 september. De Statenvergadering besloot het “hoogwijs” advies van de prins van Oranje te vragen. Of dat ooit kwam is niet terug te vinden, maar een sterke zaak had Dordrecht zeker niet. In de betreffende resolutie stond immers alleen dat de Muntmeester en zijn gezellen de muntslag “zoals binnen de steden van Dordrecht ende van West-Vriesland” zouden “exerceren”, maar uit niets blijkt dat de Amsterdamse munten geen apart onderscheidingsteken mochten hebben. De Enkhuizense verschilden immers ook van de Dordtse. Op de laatste werd een roos of het wapen van Dordrecht als fabrieksteken – het zogenaamde Muntteken – in het omschrift geplaatst. De Enkhuizense munten droegen een vijfbladige bloem, het persoonlijke teken van Muntmeester Gerrit van Romond sr, de oom van de jonge Amsterdamse  Muntmeester.
Begin 1673 vielen de Franse plannen om Amsterdam over het ijs te benaderen in het dooiwater. Dat voorjaar verplaatste de oorlog zich naar het zuiden. Tegen de zomer van 1673 voelden de bestuurders van Amsterdam dat daarmee ook de oorspronkelijke argumenten voor een eigen Munt in Amsterdam wegsmolten. Daarom traden zij met Dordrecht in onderhandeling om de Munt zo lang mogelijk open te houden – in ieder geval tot al het zilver en goud uit de speciale belasting zou zijn vermunt. Maar in oktober 1673 viel toch het doek. Achteraf kan worden vastgesteld dat er in die bijna twaalf maanden verbluffend hard gewerkt is in de Amsterdamse Munt. Het ingeleverde goud- en zilverwerk werd verwerkt tot 57.400 gouden dukaten en 1.386.225 zilveren rijders. De muntslagerijen van Dordrecht en Enkhuizen waren heel wat minder productief.
Nog twee keer waren er plannen om weer muntgeld te slaan in Amsterdam. In 1806 wilde de door de Franse keizer Napoleon Bonaparte geparachuteerde koning Lodewijk Napoleon de muntproductie van zijn koninkrijk centraliseren in Amsterdam, maar dat gebeurde nooit. En in 1839 werd voorgesteld ’s Rijks Munt van Utrecht naar Amsterdam te verplaatsen – alweer zonder effect.  Het muntslagersbedrijf was definitief uit Amsterdam verdwenen, maar de naam bleef. Sterker nog: in 1917 werd het Sophiaplein naast de Munttoren omgedoopt tot Muntplein.


 




Een bijzondere graveur: Christoffel Adolphi
De Amsterdamse graveur Christoffel Adolphi speelde op verschillende manieren een rol in de geschiedenis van de Amsterdamse Munt. Allereerst droeg hij onbedoeld bij aan de totstandkoming ervan. Zonder de oorlogsdreiging van 1672 was die Munt er immers niet geweest. En Adolphi leverde althans één ‘casus belli’  aan de Engelse koning Karel II. Op de gedenkpenning die hij ontwierp ter herinnering aan de Vrede van Breda (einde Tweede Engelse Oorlog, 1667) beeldde hij de Nederlandse Maagd af die de Oorlogsdreiging vertrapte – en in die laatste figuur herkende Karel zichzelf! Excuses van de Staten van Holland mochten niet baten.
In 1631 was Christoffel Adolphi geboren in het Duitse Essen. Wanneer hij naar Amsterdam kwam is onbekend, maar in 1660 woonde hij er in ieder geval al. Tot zijn dood in 1680 was hij vooral actief als stempelsnijder en medaillemaker. Hij maakte vooral gedenkpenningen, met behulp van een medailleschroefpers. Waarschijnlijk was hij de eerste in de Nederlanden die zo’n apparaat bezat.
Meermalen probeerde Adolphi als stempelsnijder bij één van de Nederlandse munthuizen aangesteld te worden. Daarvan getuigt een aantal bijzonder fraaie ‘proefstukken’ in zijn persoonlijke stijl. Adolphi blijkt echter de stempels die hij voor dit doel sneed ook te hebben gebruikt om pseudomunten te maken voor verkoop aan liefhebbers. Uiteindelijk werd hij in 1673 stempelsnijder bij de toen juist opgerichte Munt van Enkhuizen. Het jaar te voren had hij het ook geprobeerd bij de Amsterdamse Munt. (Hieraan herinneren bijzonder fraai afgewerkte proefducatons met het Amsterdamse wapen, waarin zijn stijl herkenbaar is.) Wel kreeg hij ƒ250,– voor zijn bijdrage aan stempels van de Amsterdamse Munt.
Tenslotte lijdt het weinig twijfel dat Adolphi de maker is van een aantal gedenkpenningen die sprekend lijken op Amsterdamse ducatons en gouden dukaten. Het verschil daarmee zit voornamelijk in de zijkant. De meeste stukken zijn veel dikker en dus veel zwaarder, en bovendien zijn zij meestal aan de buitenrand voorzien van een tekst in opwaartse letters die luidt: D:GEDACHTENIS.V.D:MUNTE.V:AMSTERDAM.




 



Rol in de muntslag
Een dergelijk randschrift is zonder schroefpers nauwelijks aan te brengen, terwijl ook de grote regelmatigheid van de uitvoering erop wijst dat deze stukken machinaal zijn vervaardigd. De Amsterdamse Munt heeft nooit een pers bezeten; de enige medaillepers in Amsterdam stond in het atelier van Adolphi. Iedere penning afzonderlijk is met veel zorg vervaardigd en de oplage kan nooit groot geweest zijn. Hiervoor pleit ook het kleine aantal exemplaren dat de tijd overleefd heeft. De tekst duidt erop dat de Munt al was opgeheven toen de gedenkpenningen gemaakt werden of dat in ieder geval het eind in zicht was.
Het Amsterdams Historisch Museum bezit een kleine maar bijzondere collectie stempels die Adolphi’s rol in de Amsterdamse muntproductie iets verhelderen. Vier daarvan zijn muntstempels voor Amsterdamse ducatons en wel de zogenaamde onderstempels, die met een punt in een aambeeld konden worden vastgezet. Van deze vier stempels zijn er twee helemaal gebruiksklaar. De andere twee niet en aan deze is te zien hoe muntstempels destijds werden vervaardigd: in het nog zachte staal werd de afbeelding met kleine stempeltjes ingeklopt. Die kleine stempeltjes, ponsoenen genaamd, zijn direct handmatig in staal gegraveerd en daarna gehard, zodat zij hun indruk in het muntstempel kunnen achterlaten zonder zelf vervormd te raken. De rest van de stempels van het museum bestaat uit dergelijke ponsoenen, de enige die in ons land bewaard zijn gebleven. Vijf ervan dienden voor de ruiter op de voorzijde (die in vijf gedeeltes werd ingeklopt), de andere merendeels voor de schilddragende leeuwen van de keerzijde (in twee gedeelten aangebracht). Na de afbeelding werd ook de tekst met letterstempeltjes aangebracht, waarna het muntstempel kon worden gehard.
De AHM-stempels vertonen enkele details die niet voorkomen op de gewone Amsterdamse ducatons: bijvoorbeeld het ovale schildje met het Amsterdamse wapen. Dit schildje komt wél voor op Adolphi’s gedachtenispenningen en proefstukken van ducatons. Mogelijk bestond Adolphi’s rol in de muntslag te Amsterdam dus uit het maken van stempels, of van de ponsoenen, die bedoeld waren om er de bijzondere producten van het munthuis mee te fabriceren.
Van Christoffel Adolphi is geen portret bekend, mogelijk heeft er ook nooit één bestaan. Hij was echter een volle neef van de beroemde dichter en etser Jan Luyken. Misschien heeft Luyken dus wel onze Christoffel voor ogen gehad toen hij de figuur van ‘De Signetsnijder’ tekende.


 




 


Larette de goochelkunstenaar
Tekst: Henk van Gelder,

Inhoud-LARETTEBijna niemand kent zijn naam nog. Maar voor de Tweede Wereldoorlog was de in Amsterdam gevestigde joodse goochelaar Larette misschien wel ’s werelds beste in zijn vak. In 1943 pleegde hij zelfmoord om uit Duitse handen te blijven. Deze zomer dook hij onverhoeds op in een tv-spotje.

Opeens was Larette er weer. Even maar. In een reclamefilmpje voor Oldtimers drop waren deze zomer authentieke filmbeelden uit 1938 van het optreden van een goochelaar te zien. De reclamemakers hadden de voor hen onbekende man echter de fantasienaam Tony Padrami gegeven. Van Larette hadden ze nog nooit gehoord. En ook niet van ’s mans tragische dood in 1943, waarbij hij zichzelf als jood een kogel door het hoofd schoot op het moment dat de Gestapo bij hem op de stoep stond. Toen dat verhaal een paar dagen na de start van de reclamecampagne naar buiten kwam, was de schrik groot. Prompt werd het spotje teruggetrokken. “Als we hadden geweten hoe het met die goochelaar is afgelopen”, zei een woordvoerder van het reclamebureau (De Frank Pels Company) in NRC Handelsblad, “zouden we deze beelden natuurlijk nooit hebben gebruikt.”
Larette heette eigenlijk Cornelius Hauer. Hij was in 1889 in Wenen geboren als telg van een Hongaars-joods geslacht en had zich eind jaren twintig in Amsterdam gevestigd. Hij moet een groot magiër zijn geweest – in vooroorlogse knipsels is hij “de man met de mysterieuze handen” (Het Vaderland) en zelfs “wellicht ’s werelds besten goochelaar” (NRC). Zijn boek De goochelkunst en haar geheimen, waarvan de eerste druk in 1939 verscheen, gold na de oorlog nog jarenlang als standaardwerk.
Naast zijn drukbezette artiestenpraktijk werkte hij tevens als goochelleraar in zijn eigen Instituut voor Goochelkunst – beter bekend als Studio Larette  – waar onder de weidse naam Nederlandsche Verkoopcentrale van Moderne Goocheltrucs ook trucs met bijbehorende apparatuur te koop waren. In de winkel in het souterrain van zijn woning (Willemsparkweg 128-huis) demonstreerde de grote Larette zijn klanten maar al te graag hoe zo’n attribuut met maximaal effect moest worden gebruikt. “Wonderfabriek”, luidde de kop boven een reportage die De Groene in het voorjaar van 1939 wijdde aan het in goochelkringen welbekende adres van Larette.

Duitsers voor de deur
Aanvankelijk maakte de oorlog geen verschil. Larette meende veilig te zijn omdat zijn ouders al katholiek waren geworden en hij zelf ook als zodanig te boek stond. Bovendien was hij getrouwd met de 25 jaar jongere Joke Kortmulder die uit een Brabantse (en dus eveneens katholieke) fabrikantenfamilie afkomstig was. Hij liep zonder ster op zijn jas, bleef optreden en zette ook zijn zaak voort. De jonge goochelamateur Dick Harris – later zou hij de manager van Rudi Carrell in Duitsland worden – kwam nog in de zomer van 1942 drie trucs bij Larette kopen. En ook de scholier Bram Bongers, die na de oorlog beroemd werd onder de naam Fred Kaps, behoorde tot de klanten.
Wat er op 14 mei 1943 precies is gebeurd, laat zich niet meer achterhalen. Dat er twee Duitsers op de stoep stonden, was volgens Harris niet ongebruikelijk. Het adres aan de Willemsparkweg stond in die dagen keurig vermeld in het Duitse goochelblad Die Magie, zodat er af en toe ook Duitse soldaten naar de winkel kwamen die hun kantinefeestje met een goocheltruc wilden opvrolijken. Ook deze twee hadden klanten kunnen zijn. Maar in dit geval moet Larette onraad hebben geroken. Snel liep hij naar een andere kamer, greep het pistool dat hij blijkbaar onder handbereik had en schoot zichzelf neer. Toen zijn vrouw en de twee Duitsers op het lawaai afkwamen, was hij al dood.
Vier dagen later werd Cornelius Hauer onder grote belangstelling begraven op de RK Begraafplaats Buitenveldert. “Grote ontroering heeft in de artistenwereld het plotselinge verscheiden van den eminenten goochelkunstenaar Larette gewekt”, schreef het vakblad Het Amusementsbedrijf in een paginagroot verslag dat eindigde met de regels: “Diep geroerd verlieten allen de dodenakker. Larette moge de eeuwige rust zijn geschonken.”

[TK] Grootmeester op zijn gebied
Over de doodsoorzaak kon Het Amusementsbedrijf in 1943 vanzelfsprekend niet schrijven. Zelfs dit voorzichtige verslag werd onmiddellijk opgemerkt door Max Blokzijl, de man die na de oorlog wegens zijn propagandistische radiopraatjes werd geëxecuteerd. Als hoofd van de afdeling Perswezen van het nationaal-socialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten stuurde hij een verradersbriefje aan de secretaris-generaal van dit ministerie. Hij wees erop dat de dagbladen al op 18 mei een “noot” hadden ontvangen, waarin stond dat het niet was toegestaan melding te maken van het overlijden van C. Hauer alias Larette. “Daarenboven is het aan de Nederlandsche pers verboden over joden te schrijven”, voegde Blokzijl er ten overvloede aan toe.
“Laten komen”, schreef een foute functionaris met rood potlood onder het briefje. Uit een andere potloodnotitie op de achterkant blijkt dat Fred Thomas, de hoofdredacteur van Het Amusementsbedrijf, inderdaad op het matje is geroepen. Tegenover de man van het ministerie zou hij hebben verklaard die noot aan de dagbladen niet te kennen. Zijn blad was immers geen dagblad. En toen het verbod op schrijven over joden ter sprake kwam, zou Thomas te zijner verdediging hebben gezegd dat Larette nog tot kort voor zijn dood was doorgegaan met optreden. Meer vermeldt het dossiertje niet, zodat te vermoeden valt dat de hoofdredacteur met de schrik vrijkwam.
Pas in het eerste naoorlogse nummer van Triks, Nederlandsch Maandblad voor de Goochelkunst, dat in oktober 1945 verscheen, kon Larette eindelijk naar waarheid worden herdacht als één van “hen, die als slachtoffer van het nazie-regiem voorgoed van het toneel zijn verdwenen.” Triks-hoofdredacteur Henk Vermeyden, die zijn goochelcarrière was begonnen als assistent van Larette, eerde zijn leermeester als “grootmeester op zijn gebied.”
Studio Larette is na de oorlog nog enige tijd door anderen voortgezet. “Maar met Larette was de ziel uit het bedrijf verdwenen”, zegt Dick Harris. Zelfs de goocheldozen van Studio Larette, die destijds voor menige jongen een felbegeerd verjaarscadeau waren, zijn nu zeldzaam geworden. Bijna niemand kent zijn naam meer. Geen wonder dus dat hij deze zomer onverhoeds verscheen in een tv-spotje dat haastig moest worden teruggetrokken toen bleek dat zijn echte verhaal veel te navrant was om te worden gebruikt voor een dropreclame.




 


Frontsoldaten veroveren de straten
Het straatmeubilair van de Amsterdamse School
Tekst: Isabel van Lent

Lantaarnpalen, brandmelders, lichtmasten, girobussen, urinoirs of afvalbakken. Wat ze ook moesten ontwerpen: de getalenteerde architecten bij Publieke Werken maakten er iets moois van in de jaren 1910-1940. In de  opvallende stijl van de Amsterdamse School. Stadsdeel Westerpark bouwt er nu op voort.

Het is een opvallend eenvoudige lantaarnpaal. Een grijze mast, eindigend in een tweetand, met daarop een eigenaardig hoedje dat veel wegheeft van een legerhelm uit de Eerste Wereldoorlog. Het leverde de lantaarnpaal in de jaren twintig zijn bijnaam op: ‘De Onbekende Frontsoldaat’. De paal staat in de tuin van Museum het Schip en wordt vergezeld door andere markante en soms eigenaardige objecten. Zoals een knalrode rechthoekige zuil met daarop een blauw zwaailicht en daaronder de tekst: “Brandmelder. Breek ruit. Druk knop in. Open deur en telefoneer.”
Straatmeubilair is een breed begrip. Het omvat alle objecten in de openbare ruimte met een heldere gebruiksfunctie. Kenmerkend voor het straatmeubilair van de Amsterdamse School uit de periode 1910-1940 zijn de felle kleuren – bedoeld om de objecten te laten opvallen – primair rood, blauw en geel, maar ook ingetogen donkergroen en grijs. De vormgeving is vaak verrassend modern en strak, met geometrische vormen zoals cilinders en balken, maar ondanks de simpele hoofdvorm dikwijls met elegante en ambachtelijke details. Groot, leesbaar en tegelijkertijd verfijnd is de vormgeving van de letters ter verduidelijking van functies zoals ‘Brandmelder’ of ‘Gemeentegiro’. Het meeste straatmeubilair is van gietijzer, wat aantrekkelijk was voor massaproductie, maar ambachtelijk materiaal zoals hout werd niet geschuwd.
De Amsterdamse School staat bekend om haar brede uitdrukkingsvormen. Behalve architectuur werden interieurs, beeldhouwwerk en typografie door dezelfde vormgevers verzorgd, die daarmee deze uitbundige en expressionistische stijl breed verspreidden. In dezelfde tijd vonden diverse maatschappelijk ontwikkelingen plaats waardoor in de stad een grote behoefte ontstond aan nieuw straatmeubilair. De Dienst Publieke Werken hield zich als officieel gemeentelijk architecten- en ingenieursbureau hiermee bezig. De Dienst PW was verantwoordelijk voor stadsontwikkeling, de inrichting van de openbare ruimte, het ontwerpen van gebouwen met een openbare functie en het onderhoud hiervan.

Moderne Frontsoldaat
De Frontsoldaat – officiële naam: Paal PW 24 – is een ontwerp uit 1924 van de architect Pieter Lucas Marnette. De Frontsoldaat verlichtte de nieuwe uitbreidingswijken rondom de grachtengordel, de ring ’20-’40. De straatmeubelen in deze wijken werden in de stijl van de Amsterdamse School architectuur vormgegeven. De gestroomlijnde lantaarnpaal was schokkend modern en functionalistisch, zonder enige decoratie. Het ontwerp viel allesbehalve in de smaak bij de Amsterdammers, wat hem zijn misprijzende bijnaam opleverde. Deze lantaarnpaal was onderdeel van de elektrificatie van Amsterdam. De hele stad ging in 1917 volledig over op elektrische straatverlichting – in 1923 waren alle gaslantaarns uit het straatbeeld verdwenen.
Marnette werkte veertig jaar voor de Dienst PW en liet een indrukwekkend oeuvre aan architectuur en straatmeubilair achter. Behalve voor de Frontsoldaat is hij verantwoordelijk voor kabelkasten en splitskasten die nog steeds in gebruik zijn. In 1927 ontwierp hij de brandmelder bijgenaamd ‘de Rode Brigadier’. In een periode waarin telefooncellen nog geen gemeengoed waren, kon men via dit opvallende paaltje toch snel de brandweer of politie bereiken. Natuurlijk werd door kwajongens ook veel misbruik gemaakt van de brand- en politiemelders.
Marnette was een van de vele getalenteerde architecten die bij PW in loondienst werkten. Johan Melchior van der Mey was in 1911 de eerste die de functie van esthetisch adviseur vervulde. Piet Kramer werd in hetzelfde jaar aangenomen als zijn assistent. Beiden waren hoofdrolspelers in de beginperiode van de Amsterdamse School. Zij oefenden (samen met andere gelijkgezinde architecten zoals Marnette) door hun rol binnen de dienst een grote invloed uit op het Amsterdamse straatbeeld. Deze artistieke impuls kwam van de in 1907 bij PW aangestelde directeur Andries Wilhelm Bos. Bos stimuleerde de kwaliteit van de vormgeving, die vanaf de 19de eeuw zwaar in het slop was geraakt. Voor het eerst werden in plaats van technisch tekenaars, architecten benaderd om publieke werken te ontwerpen.

Kunst- en smeedwerk
Fraai straatmeubilair kan van een gewone straat een openluchtmuseum maken. Dit geldt zeker voor de bruggen van de Amsterdamse School, voor het grootste deel ontworpen door Piet Kramer. Ze illustreren het Amsterdamse School ideaal van een ‘totaalkunstwerk’. Hierin zijn architectuur, beeldhouwwerk, typografie én straatmeubilair in de vorm van ingewikkelde smeedijzeren brughekken, geïntegreerde zitjes en bijpassende lichtmasten letterlijk tot één geheel gesmeed.    Door de bevolkingstoename werd het aan het begin van de 20ste eeuw steeds drukker in Amsterdam. Auto’s, trams, fietsers en voetgangers vulden de straten. Uitbreiding van het stratennetwerk was onontkoombaar en om dat te kunnen doen, moesten grachten worden gedempt, straten verbreed en ook nieuwe bruggen aangelegd. Met de bruggen zou ontwerper Kramer nog decennialang zoet zijn. Hij realiseerde er tijdens zijn carrière meer dan tweehonderd (waarvan zeventig in het Amsterdamse Bos), vaak in nauwe samenwerking met stadsbeeldhouwer Hildo Krop.
Typerend voor Kramers bruggen zijn de smeedijzeren hekken met krullen, vlechtwerk en gecompliceerde verbindingen. Op rustige plekken met weinig verkeer buiten het centrum ontwierp hij echter houten bruggen. Om deze donkere gebieden goed te verlichten, werden op elke hoek opvallende lichtmasten geplaatst. Een voorbeeld is brug 409 aan de Emmastraat over het Noorder Amstelkanaal. De brug werd in 1960 gesloopt; de vier lichtmasten staan nu in Museum Het Schip. Net als de smeedijzeren brughekken, laten de lichtmasten een kant van het Amsterdamse School straatmeubilair zien die niet industrieel maar puur ambachtelijk is. Ze hebben een armatuur met een driehoekige grondvorm van een koperen raamwerk met matglazen ruiten. Aan de achterkant loopt de houten mast over in de armatuur door middel van een gecompliceerd geconstrueerde houten ‘ribbenkast’. Een donkerrood geschilderde houten kap met een prominent uitstekende punt dekt het geheel af. De lichtmasten lijken dan ook meer op beeldhouwwerken die toevallig licht geven.

Stoere zuilen en helmen
Sinds de teloorgang van de Postbank wordt nog wel eens weemoedig teruggedacht aan de tijd dat robuuste blauwe zuilen van de Postgiro de straten kleurden. Deze stoere staande girobussen werden geïntroduceerd in 1918 en waren van de hand van Marnette. Ze hebben een karakteristieke vorm van een naar boven toe breder wordende, helblauwe zuil met cannelures. De zuil staat op een naar buiten opkrullend ‘voetje’. Op het kegelvormige deksel staat de tekst ‘Gem. Girokantoor’ met daaronder in rood, wit en zwart het wapen van Amsterdam.
Amsterdam was de eerste stad in Nederland met een eigen gemeentegiro, opgericht in 1917. Aanvankelijk was de giro alleen bedoeld voor betalingen en ontvangsten van de gemeente, maar in 1918 werd het ook voor particulieren mogelijk om een girorekening te openen. Datzelfde jaar werd dankzij de oprichting van de Postcheque- en Girodienst landelijk giraal betalen mogelijk. Net als de Rijkspostspaarbank viel deze dienst onder de PTT. Op initiatief van kunstliefhebber Jean François van Royen, vanaf 1918 algemeen secretaris en plaatsvervangend directeur van de PTT, werden voor het eerst professionele vormgevers benaderd om zich bezig te houden met de vormgeving van brievenbussen.
In 1926 had de PTT behoefte aan een kleiner model girobus dat gemakkelijk te plaatsen zou zijn in aanvulling op de massieve staande bussen van Marnette. Kunstenaar en grafisch ontwerper Anton Kurvers werd hiervoor benaderd. Hij maakte diverse ontwerpen voor post(giro)bussen en postzegelautomaten. De hangende girobus uit 1926  – waarvan het ontwerp overigens al uit 1922 stamde – is organisch gemodelleerd en kan worden bevestigd aan een paal of gebouw door middel van drie bijpassende grote blauwe schroeven. De girobus is afgedekt met een overhellende gewelfde deksel, waaronder de brievensleuf schuilgaat. Door de typische vorm werd deze girobus ‘het helmtype’ genoemd. Ondanks de elegante gestroomlijnde vormgeving, was de bus door zijn zware gewicht in de praktijk niet handzamer dan het staande model van Marnette.

Voor een schone stad
‘De krul’ is beroemd en berucht bij elke Amsterdammer. Het urinoir in de vorm van een dubbele krul werd in 1914 ontworpen door Van der Mey. Het ontwerp was sterk gebaseerd op een eerder model uit 1869. De groene gietijzeren bouwwerken werden op grote schaal door de stad verspreid. Kenmerkend zijn de Amsterdamse andreaskruisen, waarmee de krullen zijn geperforeerd op een manier die de persoon binnen niet helemaal aan het zicht onttrekt, maar toch voldoende privacy geeft.    Een schone stad met schone bewoner was het streven in zowel de Woningwet uit 1901 als het beleid van wethouder Floor Wibaut. Om een eind te maken aan epidemieën, zoals cholera, waren de woningwetwoningen een stuk moderner dan de krotten in de voormalige arbeiderswijken. De bewoners hadden er de beschikking over stromend water, een toilet en ramen die open konden. Ook de Dienst PW droeg haar steentje bij, door diverse badhuizen te bouwen en ‘proper’ straatmeubilair zoals urinoirs te ontwikkelen.
Het was opnieuw Marnette die in 1932 een ander onmisbaar meubel voor de schone straat ontwierp: een afvalbak van gietijzer. De bak bestond uit een grijze cilinder op een smalle sokkel met daarin een felgele emmer. In stoere zwarte letters was de afkorting SR van Stadsreiniging aangebracht. De afvalbak kreeg wijdverbreide bekendheid dankzij prenten van kunstenares Fré Cohen die de functie van de afvalbak verduidelijkten.

Een nieuw leven
Het straatmeubilair was uitsluitend bedoeld om het gemak en om de hygiëne en veiligheid van de Amsterdammers te verbeteren. Het staat het symbool voor de modernisering van de stad aan het begin van de 20ste eeuw. Veel van de ontwerpen uit de jaren 1910-1930 worden nog steeds gebruikt, bijvoorbeeld elektriciteitskasten en urinoirs. Andere objecten, zoals brandmelders en girobussen, zijn door maatschappelijke veranderingen overbodig geraakt. En lantaarnpalen mogen nog steeds onmisbaar zijn, de Frontsoldaten van Marnette zijn lang geleden al vervangen door andere – meer eigentijdse – modellen.
Lange tijd verkeerde het straatmeubilair in de luwte van de belangstelling van (kunst)historici – met als uitzondering de publicatie Straatmeubilair Amsterdamse School 1911-1940 van Kasper van Ommen uit 1992. Inmiddels is de aandacht opgelaaid. Niet alleen door de permanente tentoonstelling in de tuin van Museum het Schip, maar ook door plannen van stadsdeel Westerpark om deze historische objecten weer in de straten terug te plaatsen. Zo krijgen deze utiliteitsvoorwerpen een nieuw leven als kunstobjecten.
Het stadsdeel knapt de Spaarndammerbuurt op en wil het oude straatmeubilair daar een prominente plek in geven. Stadsdeelstedenbouwkundige Piet Koster leidt met veel enthousiasme dit project: “Het is ontzettend boeiend dat architecten die gebouwen ontwierpen, zich ook betrokken voelden bij de objecten die op straat kwamen te staan naast die gebouwen.” De herplaatsing van het straatmeubilair zal in samenhang gebeuren met de op stapel staande ontwikkeling van de nabijgelegen Houthaven. Een van de te bouwen wijken krijgt de Amsterdamse School als thema. Door het straatmeubilair op strategische plekken in de Spaarndammerbuurt neer te zetten, ontstaat een route van de oude naar de moderne Amsterdamse School.

Delen: