1756: Paniek door aardschokken

lutherse kerkVan aardbevingen weten ze in Groningen alles af, sinds de grond er verzakt door gaswinning. Voor bevingen ten gevolge van tektonische spanning, zoals in sommige bergachtige gebieden, hoeven ze niet te vrezen. Toch komen ook in onze contreien soms lichte aardschokken voor.

Een uitloper van een slenk diep onder het aardoppervlak van Brabant en Limburg is de zwakke plek in de aardkorst. In 1756 was er eentje en in Amsterdam zat de schrik er goed in.

Dit artikel werd u aangeboden uit Ons Amsterdam editie 10 - 2017.
Tekst: Peter Paul de Baar

Beeld: Wim Ruigrok, Stadsarchief

Het was even voor achten op woensdagmorgen 18 februari 1756 dat de aarde bewoog. Toevallig had de Staten-Generaal die dag uitgekozen voor een algemene dank-, vast- en bededag. Zo’n dag was jaarlijks en de kerken liepen dan vol. Het verhoogde de saamhorigheid en de collectieve dankbaarheid voor de goedertierenheid Gods straalde misschien ook nog een beetje af op Hunne Hoogmogenden zelf.

paniek in de oude kerkEr was dit keer een bijzonder tintje aan, want op 1 november jongstleden had een zeer zware aardbeving Lissabon grotendeels verwoest, gevolgd door een vloedgolf, terwijl in hoger gelegen delen van de stad felle branden uitbraken.

Tienduizenden slachtoffers waren gevallen. In Marokko had dezelfde beving eveneens veel schade en slachtoffers geëist, met name rond Fez. De zeebeving had ook Amsterdam beroerd. Zo waren schepen losgeslagen doordat het water plotseling in beweging was gekomen. Dat was meer dan drie maanden geleden.

Nu was er in de Oude Lutherse Kerk aan het Spui op deze dankdag een vroegdienst aan de gang, toen ineens de grond begon te trillen en de kroonluch-ters heen en weer zwiepten. Er brak pa-niek uit. Mensen op de galerij klommen langs de pilaren naar beneden, mensen probeerden naar buiten te vluchten en raakten bekneld in het gedrang, omge-vallen stoelen beletten een snelle vlucht en angstgeschreeuw zorgde al met al voor een weinig stichtelijk tafereel.

De beving duurde kort, niet meer dan twee minuten, maar met de ramp van Lissabon in het achter-hoofd zat de schrik er flink in. Het was in alle opzichten schokkend. Simon Fokke maakte er een mooie prent van.

Snikken

Ook in andere kerken was de consternatie groot. De Opregte Haarlemsche Courant berichtte dat in de rooms-katholieke kerk De Pool aan de Buitenkant “verscheyde menschen door het vluchten na beneden bijna zijn dood gedrongen en vertreeden”. Dat was de Sint-Annakerk, die in 1720 van het Kattenburgerplein was verplaatst naar pakhuis De Pool aan de later naar Prins Hendrik vernoemde kade. In 1900 zou deze schuilkerk vervangen worden door nieuwbouw op de Wittenburgergracht (in 1970 gesloten en acht jaar later gesloopt). Waar De Pool ooit stond, is nu een onbebouwd terreintje.

De dienstdoende pastoor van De Pool, Joannes Baptista van Scorrenbergh, had niet de tegenwoordigheid van geest om zijn kudde tot rust te vermanen. Zijn collega van De Papegaay in de Kalverstraat wel, weten we uit het dag-boek van Jan Boer, een katholieke kantoorklerk die vanaf 1747 elf jaar lang alles optekende wat hij van belang vond. Hij was die dag wat later opgestaan en had van de aardbeving niets gemerkt. Om half elf ging Boer naar de mis en de pastoor was op de gebeurtenis bij de vroegmis teruggekomen. Hij vertelde over de chaos en hoe hij rust had gebracht door te roepen: “Beminden, houd stand, bereid u tot de dood en als we moeten vergaan, waar kunnen we het beter afwachten dan in Gods huis?”

In zijn preek zei de pastoor ook dat sommigen de verschrikkelijke aardbeving in Lissabon hadden geweten aan het in Gods ogen onwelgevallige optreden van de Inquisitie, anderen aan de schromelijke zonden van de inwoners van Lissabon. Waar anders dan aan de lankmoedigheid en barmhartigheid van de genadige God kunnen we de lichte aardschok van die ochtend toeschrijven?, vroeg hij zich hardop af. De gevolgen wa-ren immers gering gebleven. Laten we dan boete doen, waartoe ook onze lieve vaders des vaderlands, Hunne Hoogmogenden, hebben vermaand. Misschien hebben wij nog wel meer zonden gepleegd dan de inwoners van Lissabon! Na die woorden barstten alle kerkgangers in snikken uit.

Straf

Meer dan 200 jaar later haalde dominee Rudolf Evenhuis – die wegens doofheid zijn beroep niet meer kon uitoe-fenen en daarom vrijgesteld werd om de geschiedenis van de hervormde kerk in Amsterdam te schrijven – deze anekdote aan om de in de 18de eeuw groeiende worste-ling bij gelovigen over de Almacht Gods te illustreren. Hoe is rampspoed te rijmen met de Bijbelse boodschap ‘God is liefde’? Orthodoxe predikanten zagen in elke ramp een vingerwijzing Gods. Heel bont maakte het de Haagse predikant Gosuinus van Kessel (1703-1756), die het treffend vond dat de ramp in Lissabon op Allerheili-gen plaatsvond: alle kerken zaten vol en het handjevol protestanten was de stad uitgegaan om moeilijkheden te voorkomen. Katholieken redeneerden net zo. De oudkatholieken zagen in de catastrofe een straf voor de zonden van de Inquisitie en van de jezuïeten en op hun beurt meenden de jezuïeten er een straf voor de ketterij van de oudkatholieken in te moeten zien.

wandelende torenDe aardbeving die op 18 februari 1756 tot paniek in onder meer de Oude Lutherse Kerk leidde, had zijn epi-centrum in Düren (bij Aken). Daar ging het er heftiger aan toe dan rinkelend glaswerk, zwaaiende kroonluchters en wild luidende torenklokken. Er vielen slachtoffers door neerstortende schoorstenen, muren scheurden en huizen werden onbewoonbaar. De schok werd ook in Luik en Brussel gevoeld, zelfs tot in Friesland. Maar al met al was het een lichte beving, die in Amsterdam althans weinig voorstelde. “Op de Elandsgracht viel een spiegel aan gruijs en viel porceleijn van de schoorsteen”, meer vond de krant niet vermeldenswaard.

Zo’n lichte beving had men in Amsterdam al eens eerder meegemaakt. Op 18 september 1692, om precies te zijn. Er waren golven in de grachten en het IJ geweest en de klokken van de Oude- en de Zuiderkerkstoren sloegen aan het kleppen. Paniek? Welnee. Het was door de re-cente ramp in Lissabon dat een soortgelijke lichte trilling in 1756 als uitermate schokkend werd ervaren