Nieuwezijds Kolk, 23 november 1577

Een mislukte aanslag op Amsterdam


“Zeeghe, zeeghe, de stad is onze.” Zulk krijgsrumoer moet op de ochtend van zaterdag 23 november 1577 rond acht uur geschald hebben over het Singel ter hoogte van de huidige Haarlemmerlsuis. Een paar honderd protestantse soldaten (de welbekende geuzen) drongen de stad binnen bij de toenmalige Haarlemmerpoort, die stond waar nu de Haarlemmerstraat begint. Met geweld wilden zij het toen nog katholieke en Spaansgezinde Amsterdam aan de kant van de opstand tegen Spanje krijgen. Dat mislukte: voordat de klokken die ochtend elf sloegen, was alles al weer onder controle. Op de Niuwendijk, bij de Nieuwezijds Kolk en op de Dam was toen wel zwaar gevochten. D “moedernaeckte” lichamen van de gesneuvelde geuzen zouden er nog de hele dag én de daarop volgende nacht blijven liggen.

De aanval had plaats onder leiding van kapitein Herman Helling, commandant van het garnizoen in Haarlem, die handelde in opdracht van de Staten van Holland en Zeeland. Willem van Oranje was niet op de hoogte van het plan en zou het zeker hebben afgekeurd, ook al moest Helling beloven dat er niet zou worden gemoord, geplunderd of gebrandschat. De commandant pakte de missie aanvankelijk omzicht aan en wist door een krijgslist met zijn mannen de stad binnen te komen. Door blunders die daarna volgden mislukte het plan echter jammerlijk. Het verhaal gaat dat de Haarlemmer Helling het toenmalige Korenmetershuis op de Nieuwenzijds Kolk aanzag voor het stadhuis, misschien doordat aan de gevel van dit gildehuis een groot stadswapen hing. Met zijn poging het in te nemen ging veel kostbare tijd verloren, waardoor het gezag in het echte stadhuis op de Dam in actie kon komen.

Een krijgslist
Al op vrijdag 22 november 1577 arriveerden Hellings adjudant François Gircourt bij de Haarlemmerpoort. Hij mocht met zijn companen (vier tot acht man) naar binnen na inlevering van wapens en inschrijving in een soort gastenboek. Gircourt bracht met zijn verspieders de nacht door met drinken en dansen. De volgende ochtend vervoegden ze zich weer bij de Haarlemmerpoort om hun wapens op te halen en veinsden toen buiten de poort een dronkemansruzie met een ander groepje geuzen dat zich daar ophield. De poortwachters kwamen daarop naar buiten om de zaak te sussen. Andere geuzen die zich schuilhielden in bootjes op het IJ, kwamen vervolgens te voorschijnen maakten zich meester van de Haarlemmerpoort. Zo kon een klein legertje over de huidige Korte Nieuwendijk de stad in trekken. Ter hoogte van de Martelaarsgracht (toen nog een echte gracht, net als de Nieuwezijds Voorburgwal) splitste het geuzenleger zich. De van oorsprong Amsterdamse hopman Nicolaas Ruychaver – in Geuzenveld zou later nog een straat naar hem worden vernoemd –trok met zijn groep over de Nieuwendijk naar de Dam. De ongelukkige Helling nam de Nieuwezijds Voorburgwal en stuitte op het Korenmetershuisje. Het gebouwtje dat hij wilde bezetten was overigens niet hetzelfde als het huidige Korenmetershuisje, dat pas in 1620 werd gebouwd.
Het verhaal over de tragikomische verwisseling van het Korenmetershuisje en het stadhuis werd voor het eerst verteld door P.C. Hooft in zijn Nederlandsche Historiën. Hooft maakte het allemaal nog hilarischer door er bij te vermelden dat de door Helling verwachte versterkingen door een misverstand in Haarlem bij de stadspoort stonden te wachten in plaats van bij de Amsterdamse Haarlemmerpoort. Later zijn er bij de versie van Hooft vraagtekens gezet, omdat geen enkele ooggetuige melding maakte van deze details. De letterkundige J.A. Alberdingk Thijm, die vlak bij de Kolk werd geboren, maakte over Hellingen zijn mannen het volgende rijmpje:
“Links was het Korenmetershuis, waar plompe Staatsche klanten, als was ’t het Amsterdamsch Stadhuis, hun zegeteken plantten.’

‘Waar sijt ghi nu Moortdammers’
Terwijl Helling zich bezighield met het Korenmetershuisje, stormden andere geuzen onder leiding van Ruychaverover de Nieuwendijk naar de Dam, die toen nog ‘die Plaetse’ genoemd werd en er heel anders uitzag dan tegenwoordig. “Waar sijt ghi nu Moortdammers”, moet het in de buurt van de Nieuwe Kerk geklonken hebben toen de geuzen het plein opstoven. Met bloeddorstige kreten als “haer, haer” en “kil, kil” probeerden ze de Amsterdammers schrikt aan te jagen. De geuzen werden onder vuur genomen vanuit het Waaggebouw dat toen nog op het plein stond en vanuit het oude stadhuis (ter hoogte van de huidige Paleisstraat). De aanvallers maakten rechtsomkeert en kozen dezelfde weg terug naar de Haarlemmerpoort.. Op de Korte Nieuwendijk werd bij de Martelaarsgracht nog een barricade van kisten en matrassen en ander huisraad opgeworpen, maar ook daar werden de geuzen weggevaagd. Naar verluidt werden ze onder vuur genomen door twee kanonnen die door Amsterdamse vrouwen werden aangesleept. Daarbij werd de hopman Wolfert Michielsz ter hoogte van de Engelsesteeg doorzeefd. De geuzen trokken zich uiteindelijk terug bij de Haarlemmerpoort, vanwaar Helling een ijlbode om versterking stuurde naar een naburige collega. Die versterking werd geweigerd en ook de hulptroepen die volgens plan werden verwacht, kwamen niet opdagen. Toen tot overmaat van ramp kapitein Helling in het gebouw van de Haarlemmerpoort bezweek aan zijn verwondingen en er ook nog eens per ongeluk een tonnetje buskruit ontplofte, raakte de geuzen in paniek en vluchtten. Er waren toen zo’n veertig van hen gesneuveld en ongeveer dertig gevangen gemaakt. De gevangenen werden overigens opvallend mild behandeld en begin december al weer vrijgelaten.



Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman


Maart 2002

Delen: