Mystieke sjoel in het Rembrandthuis

De Amsterdamse Jodenbuurt telde vele huissjoeltjes. Klein en intiem. Zo begon groothandelaar Jochem Spitz er rond 1870 een in het latere Rembrandthuis. Er hing een mystieke sfeer. En er werd extatisch gedanst.

Een gebedsstandaard met drie gebedenboeken. Op de achtergrond twee portretten en een kaart van ‘Eretz Yisrael’ (Land van Israël)*, met de verdeling volgens de twaalf stammen. Elias Spitz, diamantklover en amateurschilder, maakte dit eenvoudige schilderijtje van een sjoeltje in het huis waar hij op 20 mei 1874 geboren was, het Rembrandthuis aan de Jodenbreestraat. Het dateert van vóór 1906, toen de gemeente het historische pand kocht, dat een jaar later werd overgedragen aan de pas opgerichte Stichting Rembrandthuis.

Het sjoeltje was gesticht door zijn grootvader, de Joodse groothandelaar in “horlogien en fournitouren” Jochem Izak Aron Spitz, die het huis in 1862 had gekocht. Hij bewoonde met zijn gezin het rechterdeel en voerde zijn bedrijf in het linkerdeel. De gebedsruimte was op de tweede verdieping aan de straatzijde rechts en werd na zijn dood vijf jaar later door de familie voortgezet. 

Kleine huissynagogen waren talrijk in de Jodenbuurt. Veel Joden kwamen iedere week, vaak zelfs elke dag, met gelijkgestemden bijeen in de intieme sfeer van kleine huis- en verenigingssjoelen. De plaatselijke parnassiem (bestuurders van de Joodse gemeente, red.) werkten dit soort sjoeltjes tegen; in 1827 vaardigde het Joodse Kerkgenootschap zelfs een verbod uit. Met steun van de minister van Eredienst kon zo bijvoorbeeld de huissynagoge van de invloedrijke Herschel Lehren (1784-1853) aan de Nieuwe Keizersgracht worden gesloten. Maar sinds in 1848 de scheiding tussen Kerk en Staat in de Grondwet was vastgelegd, behoorde staatsinmenging in godsdienstige zaken tot het verleden. Jochem Spitz, en met hem vele anderen, werd geen strobreed (meer) in de weg gelegd bij de uitvoering van huiselijke gebedsdiensten. 

 

Houvast

Directe inspiratiebron was zijn schoonvader, Abraham Prins, die in de Uilenburgerstraat een goedlopende kruidenierszaak dreef. Prins bekleedde een prominente positie als parnas (bestuurder) van de orthodoxe gemeenschap en wist zich op te werken tot een van de belangrijkste conservatieve Joodse leiders in Amsterdam. 

De Jodenbuurt telde in de eerste helft van de 19de eeuw rond de 25.000 zielen, circa 11% van de Amsterdamse bevolking. De meesten waren straatarm en leefden van de steun. Zij misten scholing en kapitaal om nieuwe economische wegen in te slaan en ontbeerden het elan om te emigreren naar bijvoorbeeld Londen (waar in Spitalfields een Nederlands-Joodse wijk ontstond). De Joodse bevolking was na de emancipatie van 1795 ook niet van beroep veranderd, zoals in de omliggende landen, maar ongeschoolde arbeiders, straathandelaars en marktkramers gebleven. Zij leefden geïsoleerd van de niet-Joodse maatschappij en bleven onderling Jiddisch spreken. Hun enige houvast was de onveranderde joodse godsdienst. 

Juist in Amsterdam bestond een sterk verzet tegen elke verandering. De preek in het Nederlands werd hier, voor zover het de Asjkenaziem betrof, pas in 1867 geïntroduceerd. De streng-orthodoxe groep rond Herschel Lehren en zijn jongere broer Jacob Meijer Lehren wist ook de invoering van koorzang tijdens de synagogediensten decennialang te verhinderen. Nog in 1932 registreerden de notulen van de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge met trots: “Onder voorlichting van den Weleerw. Heer Opperrabbijn [...] werd de dienst op den jongsten Vreugde der Wet teruggebracht tot zijn oorspronkelijke toestand, ontdaan van alle gebruiken van vreemde oorsprong.”

 

Stroom

Abraham Prins stond aan het hoofd van de orthodoxe opposanten, die zichzelf “de ware Joden” noemden in de strijd tegen de ‘verlichte’ Joden, die ontbrandde in de Franse tijd en onder het bewind van Willem I voortwoekerde. Hij en andere orthodoxe leiders hielden de hervormingspogingen tegen van de in 1814 opgerichte ‘Hoofdcommissie tot de Zaken der Israëlieten’. Zo’n veertig jaar lang was hij nauw betrokken bij de opleiding van religieuze leiders, een bastion van de conservatieve leiders. Hij bleef aan als curator, toen Jacob Meijer Lehren in 1827 zijn plaats innam. Negen jaar later werd het instituut onder het bestuur van Lehren en Samuel Mulder omgedoopt tot het Nederlands Israëlietisch Seminarium. Het kreeg wettelijke erkenning en werd nu door de staat gesubsidieerd. 

Des te opmerkelijker is het dat Prins tegen de conservatieve stroom in de mystieke ideeën, gebruiken en gebeden van de kabbala adopteerde (net als later zijn schoonzoon). Hij was nauw bevriend met Herschel Lehren, die van huis uit de Luriaanse kabbala volgde. Rabbijn Izak Luria had de kabbala in de 16de eeuw vanuit Noord-Galilea een enorme impuls gegeven. Kenmerkend zijn speciale gebeden die de intieme relatie tussen God en de mens weerspiegelen, extase in het gebed, dagelijkse rituele baden, de messiaanse verwachting en een mystieke band met het ‘land der vaderen’, wat zich vooral uitte in het steunen van de armen in het verre Eretz Yisrael. 

 

Hoofdpijn

Mozes Gans geeft in zijn Memorboek (1971) een beschrijving van de sfeer in de privé-synagoge aan de Breestraat: “Het huissjoeltje van de familie Spitz op de bovenverdieping in het Rembrandthuis vertegenwoordigde door zijn mystieke, op het Heilige Land georiënteerde sfeer wel een heel andere wereld dan de grote synagoge van het kerkgenootschap, waar de sjoeldiensten in de laat-19de eeuw steeds meer aan Hollands-Joodse ideeën over waardigheid en decorum aangepast werden. In die huissjoel in het Rembrandthuis heerste een bijzondere mystieke sfeer, die gevoed werd uit de kabbalistische leer van rabbi Jitschak Lurya, waarvan de Spitzen aanhangers waren. Allerlei bijzondere minhagiem [gebruiken] werden in deze huissjoel gevolgd. Simchat Torah (Vreugde der Wet), de afsluiting van het Loofhuttenfeest, werd met extatische zangen en rondgangen gevierd.” Meijer Perath, een achterkleinzoon van Prins, meldt in Tussen Jeruzalem en Amsterdam (1975) dat er dan extatisch werd gedanst met de Torarollen. “Menigeen kwam er met hoofdpijn vandaan.”

Dansen was volgens de reglementen van de Joodse Gemeente in Amsterdam niet toegestaan in de synagoge: het paste niet bij het statige decorum, dat tegen elke prijs moest worden geëerbiedigd.

Abraham Prins overleed op donderdag 11 april 1850, bijna 82 jaar oud. De kleine synagoge in het Rembrandthuis bleef tot het eind van de 19de eeuw in gebruik. Isaac Spitz zette de zaak van zijn vader voort, maar moest het bedrijf en het huis in 1906 voor f35.000,- verkopen aan de gemeente Amsterdam. De sjoel bestond toen al niet meer. In 1907 werd de Stichting Rembrandthuis de nieuwe eigenaar. Het bestuur wilde het gebouw in eerste instantie zo veel mogelijk terugbrengen in de 17de-eeuwse toestand, maar dat kreeg de bestemming van prentenkabinet. Architect Karel de Bazel tekende voor de ingrijpende restauratie; in 1911 opende koningin Wilhelmina het museum.

 

JAAP COLTHOF IS EEN NAZAAT VAN JOCHEM IZAK ARON SPITZ. DIT ARTIKEL IS EEN BEWERKING VAN EEN HOOFDSTUK UIT ZIJN BOEK VAN MOORDENAAR TOT RABBI. MARKANTE VERHALEN UIT JOODS AMSTERDAM ROND 1800, UITGEVERIJ VAN PRAAG, 2018.

 

* MET ERETZ YISRAEL (LAND VAN ISRÄEL) WORDT IN DE JOODSE TRADITIE HET DOOR GOD AAN ABRAHAM BELOOFDE LAND AANGEDUID.

 

Beeld: Een hoek met gebedenstandaard van de Luriaanse sjoel in het Rembrandthuis, door Elias Spitz (waterverf en potlood op papier), vóór 1906. Particuliere collectie.

Maartnummer 2019
Delen: