Mode voor elke beurs. Confectie-pioniers kwamen uit Duitsland

De eerste confectiekleding betekende 150 jaar geleden een revolutie in de kledingbranche. Als alternatief voor dure maatkostuums, kwam betaalbare kleding in de winkels, in serie gemaakt naar standaardmaten. Dankzij Duitse ondernemers als Gerzon, Dreesmann, Kreymborg en Lampe nam de confectie in Amsterdam een grote vlucht. Sindsdien konden ook minder welgestelden in het nieuw gekleed gaan en daarmee veranderde het straatbeeld.

Op 30 juni 1897 benoemde de Amsterdamse gemeenteraad een commissie om het hoofdstedelijke kledingbedrijf in kaart te brengen. Dat scheen geweldig te zijn gegroeid, met alle voor- en nadelen van dien. Daar was geen woord te veel mee gezegd, concludeerde de commissie in 1900 in haar eindrapport: “De kleedingindustrie te Amsterdam heeft zich gedurende de laatste vijftig jaar ontwikkeld van kleinbedrijf tot grootbedrijf.”

Het kopen van een kledingstuk ging tot 1850 heel anders dan tegenwoordig. Kledingstukken werden op maat en op bestelling vervaardigd door kleermakers of (thuis)naaisters. De klant kocht zelf de stof bij een lakenhandelaar of manufacturenzaak en ging vervolgens voor eventuele franje naar een garen- en bandzaak. Met dat materiaal vervaardigde de naaister of kleermaker het verlangde kledingstuk ‘op maat’. Het laten maken van kleding was overigens alleen weggelegd voor de gegoede burgers. De arbeidersklasse en de lagere middenklasse waren aangewezen op tweedehands kleding of op het zelf maken van kleren. In het midden van de 19de eeuw besteedden arbeiders slechts één procent van hun inkomen aan kleding.

Die situatie veranderde in de laatste decennia van de eeuw. De Amsterdamse economie, die rond 1850 danig in het slop zat, beleefde een opleving na 1870. De eenwording van het Duitse Rijk betekende voor Amsterdam in het bijzonder dat er een groot achterland ontstond met opkomende industrieën (denk aan het Ruhrgebied), waarvoor de grondstoffen deels via Amsterdam werden aangevoerd. De aanleg van het Noordzeekanaal in 1876 en de opening van het Centraal Station in 1889 versterkten de positie van Amsterdam als handelsstad. De economie trok aan, het inwonertal groeide explosief en Amsterdam leek zowaar weer wat van haar oude glorie hervonden te hebben. Maar wat betekende dit nu voor de verandering in het kledingbedrijf?

Mode voor de lage klassen

In Wenen was omstreeks 1845 het idee ontstaan om kleding goedkoop, in grote aantallen en in een aantal standaardmaten te produceren. Men kwam op deze gedachte doordat de vraag naar gedragen kleding te groot was geworden. Door technische vernieuwingen, met name de perfectionering van de naaimachine en de opsplitsing van de productie in deelbewerkingen, moest het mogelijk zijn kleding seriematig te vervaardigen voor een lage kostprijs. Na enig experimenteren kon men deze zogenaamde confectiekleding inderdaad voor nagenoeg dezelfde prijs aanbieden als de gedragen kleding. Het afzetgebied verbreedde zich van Oostenrijk naar Duitsland, waar Berlijn zich ontwikkelde tot het centrum van de confectie-industrie. Deze Duitse ondernemers hadden met de productie van kleding op grote schaal een aanzienlijke voorsprong op hun Amsterdamse collega’s, die in deze periode nog gericht waren op de ambachtelijke kleermakerij en weinig belangstelling toonden voor innovatie.

Het waren dan ook Duitse entrepreneurs die de Amsterdamse kledingproductie zouden opstoten in de vaart der volkeren. Vanaf 1870 zochten veel Duitse stoffenhandelaren hun heil in Nederland. De meeste waren afkomstig uit Westfalen, vooral uit het dorp Mettingen. Als handelsreizigers in textiel trokken die al eeuwenlang geregeld door Nederland en al rond 1840 waren ze daar begonnen van die lappen kleding-op-voorraad te maken en uit te venten. Dat ze vervolgens massaal naar ons land verhuisden had alles van doen met de Duitse eenwording. In de nieuwe natiestaat onder leiding van de krijgshaftige kanselier Bismarck was een Kulturkampf ontstaan tussen het protestantse Pruisen en andere bevolkingsgroepen, met name katholieken en joden. De laatsten werden wettelijk achtergesteld en vernederd. Daarom verlieten mensen als Johann Peek, Heinrich Cloppenburg, Anton Kreymborg, Benedictus Lampe en Anton Dreesmann hun vaderland en trokken (vaak na een aantal jaren in Noord- en Oost-Nederland) naar het razendsnel groeiende Amsterdam, dat al vaker in zijn geschiedenis handig wist te profiteren van de kennis en het kapitaal van mensen die hierheen kwamen vanwege het liberale klimaat.

De vraag naar kleding steeg ondertussen snel in Amsterdam. Tegen het eind van de eeuw besteedden arbeiders en kleine middenstand al vijf procent van hun budget aan kleding, vijf keer zo veel als rond 1850. Dat extra geld werd deels besteed aan de confectiekleding die nu op de markt gekomen was. In Amsterdam kon men daarvoor rond 1880 al terecht bij De Pheniks van A. Cahen in de Kalverstraat en bij Insulinde van de (ook joodse) familie Kattenburg in de Sint Antoniesbreestraat; in 1886 openden de Kattenburgs hun nog vele grotere Magazijn Nederland aan de noordkant van de Dam. Voor arbeiders was confectie een uitkomst: eindelijk konden ze nieuwe kleding kopen in plaats van alleen gedragen broeken, jurken en jassen. Toch konden heel wat mensen zelfs de goedkoopste confectie nog altijd niet betalen. Pas in de loop van de 20ste eeuw zou het voor iedereen mogelijk worden zich in het nieuw te steken en zou mode een begrip worden voor alle sociale klassen.

Imitatie van de elite

Aanvankelijk werd de confectiekleding ingevoerd uit Duitsland, maar deze kleding was van zo’n slechte kwaliteit dat ze alleen aftrek vond bij de lagere inkomensgroepen. Confectie had nog zo’n beroerde reputatie, dat verkopers ze vaak presenteerden als tweedehands maatkleding! Vanaf 1880 echter werd kwalitatief betere confectie ingevoerd, die in de smaak viel bij die groep mensen die de grote groei van de confectie-industrie mogelijk zou maken: de middenklasse. Winkeliers, ambtenaren, dominees en hoofdonderwijzers die dankzij de economische boom in Amsterdam niet meer ieder dubbeltje hoefden om te draaien, wilden uiterlijk graag lijken op de traditionele elite. Confectiekleding was voor hen een welkom hulpmiddel om de rijken te imiteren. De producenten speelden ook op dat verlangen in: met eenvoudige middelen gaven zij goedkope kleding een luxe tintje. In de confectie-industrie werd dus goed in de gaten gehouden wat ‘in’ was bij de elite, om dat vervolgens te kopiëren en in grote aantallen als nouveauté te presenteren. Zo kwam het dat confectiekleding, oorspronkelijk bedoeld om de arbeiders een alternatief te bieden voor gedragen kleding, aan een opwaartse mars door de sociale klassen begon. Uiteindelijk zou zelfs de gegoede burgerij zich schoorvoetend aan deze nieuwe trend conformeren.

Tot 1890 werd in Amsterdam de meeste confectiekleding nog geïmporteerd, maar men begreep dat er meer geld te verdienen viel met het zelf produceren van kleding: de vraag was er groot genoeg voor geworden en bovendien werden er meer eisen gesteld aan de kwaliteit van de kleding. De buitenlandse ondernemers die in de voorgaande decennia in Amsterdam manufacturenzaken waren begonnen zagen er wel handel in en namen nu ook zelf de productie van confectiekleding ter hand. Zij konden immers bogen op een kennisvoorsprong: Duitse ondernemers als Gerzon, Goudsmit (van de Bijenkorf), Vroom en Dreesmann hadden niet alleen meer kaas gegeten van kledingproductie, maar wisten ook hoe ze een grootwinkelbedrijf moesten bestieren. Zij waren kooplieden die geïnteresseerd waren in winstmaximalisatie en gebruik wilden maken van moderne productiemethoden.

Overigens moet men niet denken dat deze lieden zich in Amsterdam opwerkten in de stijl van de American dream, van krantenjongen tot mediamagnaat. Om een winkel en een productielijn op te zetten was veel kapitaal nodig, en dat was vaak voorradig bij de nieuwe ondernemers. De maatwerkers ‘oude stijl’ bezaten dit kapitaal meestal niet, niet in de laatste plaats doordat hun klanten vrijwel alles op rekening lieten zetten, waardoor de kleermakers met een chronisch liquiditeitsprobleem kampten.

Kledingwinkels en naaiateliers

Hoe nu pakten de nieuwe ondernemers de productie van confectiekleding aan? Er waren grofweg twee manieren van produceren: en detail en en gros. Onder confectie en detail werd het produceren van kleding voor verkoop in de eigen winkel verstaan. Bij confectie en gros ging het om de vervaardiging van kleding voor wederverkopers; deze kleding was doorgaans van mindere kwaliteit. Aangezien winkeliers en handelaren in Amsterdam het voortouw namen bij de productie van confectie, werd hier in de beginjaren vrijwel alleen en detail geproduceerd. De Nederlandse confectie en gros was aanvankelijk geconcentreerd in Groningen en Twente. In de kledingateliers in Amsterdam werkten doorgaans zo’n 30 tot 100 mensen. Deze ateliers bevonden zich boven de winkel, of lagen er niet ver vandaan. Ook werd veel werk uitbesteed aan thuisnaaisters, wat kostenbesparend werkte voor de winkeliers, maar slecht voor de arbeidsomstandigheden.

Opvallend is de concentratie van de eerste confectiewinkels in een klein deel van de stad. Het merendeel vestigde zich langs de as Nieuwendijk-Dam-Kalverstraat en in de Leidsestraat, nu nog steeds de belangrijkste winkelgebieden van Amsterdam. De ‘losse’ ateliers waren aanvankelijk veelal in de oostelijke binnenstad gevestigd, later ook in de Pijp en de westelijke grachtengordel. Deze concentratie had te maken met het verschijnsel cityvorming, waarbij de woonfunctie van de binnenstad langzaam plaats maakte voor werk- en winkelfuncties.

Dit proces had wel tot gevolg dat de grondprijzen in deze winkelstraten de hoogste van de stad werden. Na 1880 waren prijzen van ƒ 500 tot ƒ 600 per vierkante meter niet ongewoon. Alleen de meest efficiënte en moderne bedrijven konden op deze plekken overleven. Dit waren over het algemeen de winkels die gerund werden door de nieuwkomers. Zo ging de opkomst van de confectie in Amsterdam hand in hand met de doorbraak van het grootwinkelbedrijf. Een goed voorbeeld is De Bijenkorf. De Zeeuwse jood Simon Philip Goudsmit begon in 1870 een garen- en bandwinkel op de Nieuwendijk en noemde die De Bijenkorf. In 1894 bezat De Bijenkorf al drie panden op de Nieuwendijk en de zaken gingen zó goed dat in 1914 alle zaken in één gebouw werden ondergebracht, op de hoek van de Dam waar het nog altijd staat. Vanaf 1926 breidde de firma zich uit naar andere grote steden. Ook andere zaken in stoffen en confectiebedrijfjes ‘van buiten’ groeiden tussen 1880 en 1920 vanuit Amsterdam uit tot landelijke grootwinkelbedrijven: C. & A. Brenninkmeijer, Hollenkamp, Kreymborg, Lampe, Peek & Cloppenburg, Vroom en Dreesmann, allemaal werden het ketens van kledingwinkels met een nieuwe, moderne uitstraling. De vestiging van warenhuizen met een breed assortiment (Bijenkorf, V&D) was de laatste schakel in het proces van schaalvergroting, waardoor de kleine middenstand het steeds moeilijker kreeg. Men liet zich dan ook geregeld in negatieve zin uit over het ‘Duitse grootkapitaal’, maar feit is dat dankzij de kennis en initiatieven van de Duitse immigranten de Amsterdamse kledingnijverheid vanaf 1890 een enorme bloei kende. Vanaf 1900 had de confectie-industrie in Amsterdam een toonaangevende positie binnen Nederland, die zij pas in de jaren zeventig zou verliezen doordat de industrie zich verplaatste naar de lagelonenlanden.

 

M. Rutjes is student geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is gebaseerd op zijn scriptie De opkomende modegrachten; de Amsterdamse kledingindustrie 1870-1920, Amsterdam 2003.

De Winkel van Sinkel

Tot ver in de 20ste eeuw kende iedereen nog het vers:

“In de Winkel van Sinkel is alles te koop.

Daar kan men krijgen: mandjes met vijgen,

doosjes pommade, fleschjes orgeade,

hoeden en petten, en damescorsetten,

drop om te snoepen en pillen om te …”

Dat eerste warenhuis van Nederland – heeft echt bestaan, op de Amsterdamse Nieuwendijk. Het was waarschijnlijk ook het eerste Amsterdamse adres waar confectiekleding verkocht werd. Anton Sinkel, afkomstig uit het Duitse Cloppenburg (gelegen in het hertogdom Oldenburg), begon in 1821 een stoffenzaak in Nieuwendijk 174 en trok daar al snel 176 bij (nu is hier een HEMA-filiaal gevestigd). De stoffen die hij er verkocht kocht hij zelf in op de jaarmarkten van Leipzig, Berlijn en Braunzweig. Anton Sinkel overleed in 1848 en zijn medewerker Anton Povel nam daarop de winkel over. Deze ging na 1860 ook Duitse herenconfectie importeren; zo’n tien jaar later liet Povel die ook zelf maken op eigen ateliers. Hij breidde het winkelassortiment razendsnel uit, met dames- en kinderconfectie en lingerie, met meubelen en tapijten – maar inderdaad ook met drop en pillen, nadat hij omstreeks 1880 een deal had gesloten met een apotheek in de Kalverstraat. In 1912 werd Sinkels firma opgeheven. Het succes van de winkel was in Sinkels geboortestreek allerminst onopgemerkt gebleven en hij is ongetwijfeld een voorbeeld geweest voor mensen als Anton Dreesmann, Johann Peek en Anton Kreymborg (ook allen rooms-katholiek en afkomstig uit Oldenburg) die vanaf 1870 ook hun geluk in Amsterdam kwamen beproeven.

Modehuis Gerzon

Eduard (1862-1935) en Lion Gerzon (1867-1929) waren twee zonen van een joodse slager in Groningen. Zij gingen in de leer bij een stoffenfirma in Keulen, waarvoor zij in Nederland verkoopreizen ondernamen. Zo kwam Eduard Gerzon in 1880 voor het eerst in Amsterdam terecht. Op 4 september 1889 begonnen de broers hun eerste eigen zaak op Nieuwendijk 163 in (volgens de advertentie) “gebreide en geweven goederen, kousen, handschoenen, corsetten, damesblouses en nouveautés”. Van de oprichters was Eduard de intellectueel en zakelijk leider en Lion de sociaal behendige inkoper metFingerspitzengefühl.

Die eerste winkel werd in 1893 verplaatst naar de Kalverstraat, hoek Sint Luciënsteeg, en daar is de zaak tot 1970 gebleven, met dien verstande dat op die plek de oude panden werden vervangen door een groot betonnen winkelpaleis. De winkel op de meer volkse Nieuwendijk werd gesloten.

Gerzon gold als dé zaak voor de betere middenstand, dat werd benadrukt door de luxe inrichting van de winkels met brede en hoge entrees. Bovendien konden klanten hun aankopen laten thuisbezorgen, een service waar de nodige zorg aan werd besteed: de medewerker die met paard en wagen de adressen afging, ging gekleed in een keurig beige livrei. Gaandeweg werd de damesconfectie een steeds belangrijker deel van het assortiment. Alles was er, van mantels, blouses, peignoirs, baljaponnen en ‘gewaden voor schouwburg en receptie’. Alle kleding werd sinds 1916 vermaakt en deels gemaakt op de eigen ateliers in een groot nieuw pand tussen Spuistraat en Singel, nu een hotel. De individualisering van de kledingstijlen werd Gerzon in 1970 fataal.

Kreymborg

Deze in haar nadagen oersaaie kledingzaak, begon behoorlijk smaakmakend. In april 1905 opende Anton Kreymborg (1862-1946) uit Westfalen zijn eerste Amsterdamse winkel op het adres Leidsestraat 105. Eerder was hij filiaalchef van P&C in Groningen en Leeuwarden. Meteen maakte Kreymborg op allerlei spectaculaire manieren reclame voor zijn zaak. Zo lokte hij de schooljeugd en hun ouders naar de Leidsestraat, door met Sinterklaas speculaaspoppen plus een portret van de jonge koningin Wilhelmina uit te delen. Hij zette wilde dieren in de etalage. En hij gooide zélf zijn spiegelruit in, om de openheid van zijn winkel te symboliseren.

Later vestigde Kreymborg ook een zaak op de Nieuwendijk, nummer 200-206. Eind jaren zestig ging het bergafwaarts met de zaak. De winkel in de Leidsestraat sloot in 1968. Binnen de grote familie Kreymborg braken oorlogen uit. In 1970 lieten Antons kleinkinderen zien dat zij net als hun opa heel goed hun eigen glazen konden ingooien. Toen hun vader, een van de acht kinderen van de stichter, door broers buitenspel was gezet, gooiden Ilse en Willem tijdens een aandeelhoudersvergadering een sherrykaraf en een asbak door de ruit van de vergaderzaal. Willem kreeg ontslag op staande voet; Ilse was niet in dienst, maar was niet meer welkom op de vergaderingen. Kort daarop werd Kreymborg verkocht aan het Bijenkorf-concern (KBB). Dat sloot in 2001 61 filialen, waaronder het Amsterdamse.

Peek & Cloppenburg

Peek & Cloppenburg werd in 1869 opgericht in Rotterdam door Johann Th. Peek (1845-1907) en Heinrich A.A. Cloppenburg (1844-1922), net als de bekende confectiefamilies Lampe en (C. & A.) Brenninkmeijer afkomstig uit Westfalen. Hun tweede zaak (1880) ging open in Utrecht. Daarna volgden Leiden en Den Haag (1882). Op zaterdagavond 19 september 1885 openden Peek en Cloppenburg in Amsterdam in Nieuwendijk 168-170 “een geheel nieuw groot Magazijn, ingerigt volgens de eischen des tijds” met “een overgrote collectie uitslui tend eigen gemaakte Heeren- en Kinderkleedingstukken”. Aan het begin van de nieuwe eeuw had P&C al elf filialen (ook in Berlijn en Düsseldorf) en zeventien andere verkooppunten.

Het tegenwoordige winkelpaleis aan de Dam, ontworpen door architect A.J. Joling, werd geopend op 11 april 1917. In 1991 werd de bovenverdieping verhuurd aan het wassenbeeldenmuseum van Madame Tussaud. In 1903 moest elders in Nederland een aantal filialen worden ogeheven, maar nog altijd heeft P&C (soms onder de naam Anson’s) een kleine 100 winkels in Nederland, België, Duitsland en Oostenrijk. Peek & Cloppenburg staat vanouds bekend als een zeer degelijke zaak die de mode op veilige afstand volgt.

C. & A. Brenninkmeijer

C&A, dat zijn de voorletters van Clemens en August Brenninkmeijer, de grondleggers van het grootste kledingbedrijf van Amsterdam, en een van de grootste ter wereld. Zelf zijn ze waarschijnlijk nooit in Amsterdam geweest. Ze werden geboren in het Duitse Mettingen (Westfalen), bakermat van diverse katholieke confectiegeslachten. Clemens en August openden in 1841 samen een stoffenfirma in Sneek: aanvankelijk een magazijn in een boerenhuis, sinds 1861 een echte winkel, voor stoffen én confectiekleding. In 1870 droegen de broers de fakkel over aan de tweede generatie. Hermann G. Brenninkmeijer (1850-1906), zoon van Clemens, en Clemens jr. (1862-1938), zoon van August, opende in 1893 op de Nieuwendijk hun eerste zaak in Amsterdam, en daar is de zaak nog steeds te vinden. In 1896 opende Bernard, oudere broer van August, een tweede zaak in Leidsestraat 39, die later werd opgeheven. C&A richtte zich van begin af aan op klanten met een bescheiden inkomen. De derde generatie breidde het bedrijf in de jaren twintig uit naar Duitsland en Engeland en in 1946 naar Amerika. Het oorspronkelijke pand op de Nieuwendijk was intussen in 1903 vervangen door een prachtig winkelpaleis, van de Nieuwendijk doorlopend naar het Damrak, ontworpen door de beroemde H.P. Berlage. In februari 1963 brandde dat af en in 1968 opende burgemeester Samkalden de nieuwbouw die er nog steeds is.

C&A is nog steeds een familiebedrijf van katholieke signatuur (alle nieuwe winkels worden door priesters ingezegend), met een zeer besloten bedrijfscultuur: “Openheid is zwakte,” liet een Brenninkmeijer zich rond 1980 ontvallen.

 

Tekst: Mart Rutjes

November-December 2004

M. Rutjes is student geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is gebaseerd op zijn scriptie De opkomende modegrachten; de Amsterdamse kledingindustrie 1870-1920, Amsterdam 2003.

Beeld: Hulpgebouw van magazijn De Bijenkorf, met links op de achtergrond Beurs van Berlage, ca 1910. Stadsarchief Amsterdam.

Delen:

Jaargang:
2004 56
Dossiers:
Economie Mode
Editie:
December November
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900