Mijn Surinaamse roots

Frederiek Dalhuijsen stuurde Ons Amsterdam het verhaal van haar grootvader, naar aanleiding van de juni-special over Surinaamse Amsterdammers. Alexander Denz (1895-1996) kwam begin twintigste eeuw vanuit Suriname naar Amsterdam, waar hij trouwde en een gezin stichtte. Hij zou maar liefst 101 jaar oud worden. Zijn kleindochter deed uitgebreid genealogisch onderzoek naar zijn voorouders. Dalhuijsen wist een verrassende familiegeschiedenis naar boven te halen, waarbij een oudtante haar eigen slaafgemaakte moeder, halfzus en nichtjes in eigendom bleek te hebben:

Mijn opa, Alexander Alfred Samuel Denz, kwam in 1919 op 24-jarige leeftijd naar Amsterdam. Hij trouwde er in 1932 met mijn oma en heeft er zijn hele verdere leven gewoond. Hij is 101 jaar oud geworden en is in 1996 in Paramaribo op de begraafplaats Marius Rust van de Evangelische Broedergemeente begraven.

Alexander Denz, roepnaam Alfred of Freddie, was de jongste van negen kinderen. De precieze reden van zijn vertrek naar Nederland is onbekend, maar in maart van 1919, het jaar van zijn vertrek, overleed zijn vader, Eduard Gerhardina Dorff. De naam Dorff kwam van Eduards voormalige eigenares, de mulattin Augustina Gerhardina Uldolica Knobbelsdorff (1800-1863), vroedvrouw van beroep, die in 1863 veertien slaven bezat. Omdat zijn ouders niet waren getrouwd, droeg Alexander de achternaam van zijn moeder: Denz.

In Amsterdam

Op mijn grootvaders Amsterdamse persoonskaart staat ‘aangekomen op 3 september 1919’. In 1921 is hij ingeschreven op de Brederodestraat. In Suriname was hij onderwijzer op een lagere school. In Nederland haalde hij aktes Frans en Esperanto en zijn hoofdakte. Een vaste aanstelling bij een school heeft hij pas na de oorlog gekregen. Hij was betrokken bij de oprichting van de Evangelische Broedergemeente, maar een regelmatige kerkganger was hij niet. Later werd hij vrijmetselaar.
In Amsterdam heeft hij mijn oma leren kennen, de doopsgezinde Geesje (Gesina) Verburg. Ze was winkelbediende in de feestartikelenzaak P.F. Cladder in de Utrechtsestraat 47. Ze was de oudste van vier kinderen en woonde in de Albert Cuypstraat, waar haar twee zussen en broer tot aan hun dood zijn blijven wonen. Alexander en Geesje trouwden in 1932; in dat jaar werd Hermine Denz geboren, mijn moeder.

Op latere leeftijd ontdekte mijn moeder dat ze nog een halfzuster in Paramaribo had: Alfred had voor zijn vertrek een relatie met Sophia Adriana Daalen (1896-1924), en uit die verhouding werd Thelma Augusta (1919-2015) geboren. We hebben een paar keer bij haar gelogeerd.

Slaafgemaakt en vrij binnen één gezin

Net als de naam Dorff, stamde ook de naam Denz af van slaafgemaakten. De familie Denz kreeg die naam na de afschaffing van de slavernij in 1862 – slaafgemaakten hadden alleen een voornaam. In het archief van de manumissies (vrijlatingen) vond ik dat mijn overgrootmoeder Helena Magdalena Denz op 24 februari 1857 in slavernij was geboren, en toen ‘Magdalijntje Martha’ werd genoemd. Ook haar moeder, Johanna Margaretha en haar tante Helena (Henriette) Wilhelmina waren slaafgemaakten. Toen hún moeder, Janssie Doortje of Dora (1806-1832) overleed, werden Johanna en Henriette eigendom van hun tante, Janssies halfzus, de kleurlinge Margaretha Eckhart of Eckhard.

In het Luthers doopregister staat de doop vermeld, op 21 januari 1801, van deze Margaretha Eckhart, een onecht ‘mulatte kind’, ‘geboren 14 augustus 1796, het aangenomen dochtertje van F.A. Eckhart’. Bij de vader staat niets ingevuld, maar de moeder wordt vermeld als ‘de negerinne Jansie van de plantage Johanneszoon behoorende aan den heer Matile’. Deze Jansie was vermoedelijk uit Afrika gehaald, en zal rond 1775 zijn geboren.

Jansie had dus dochters van twee verschillende mannen: Margaretha (1796 -1836) was het kind van de Duitse soldaat en chirurgijn Friedrich Anton Eckhart (ca. 1765-1808). Zij zal al vroeg, wellicht door de doopakte, zijn vrijgekomen. Dora, geboren in 1806, was het kind van een onbekende zwarte man, mogelijk net als moeder Jansie een tot slaaf gemaakte op de plantage Johanneszoon. Deze plantage was eigendom van Hendrik Frederik Matile (Gorcum, 1747- Paramaribo, 1815). Matile was in 1785 getrouwd met Clasina Noortman, de weduwe van Elie Penard (1735-1782). Hij kwam zodoende in het bezit van de plantages Johanneszoon, Hannover, en L’Inquietude. Bij de Tawaycoerakreek had Matile nog een plantage, Indigoveld genaamd.

Jodensavanne

In de volkstelling van 1811 staat Margaretha vermeld als ‘Margaretha van Eckhard coulered’. Ze woonde op de estate van haar vader die inmiddels overleden was. Margaretha was toen 15 jaar oud en ging nog naar school. Ze bezat bovendien vijf slaven: een man Hoop (overleden in 1834, 45 jaar oud), een vrouw Mimie (overleden op 15 maart 1837, 57 jaar oud), haar twee kinderen Martha (nog een baby) en Première (?), en Janssie, Margaretha’s eigen moeder. Waar haar halfzus Dora toen was, en in wiens bezit, is niet bekend.

Janssie sr. stierf in 1821 in Paramaribo. Ze is op Jodensavanne in Suriname begraven, waar toen een grote Portugees-Joodse gemeenschap leefde. Dat ze daar begraven is, zal het gevolg zijn geweest van de relatie van haar dochter Margaretha Eckhard met de Portugees-Joodse Isaac Jacques de Mesquita (1794-1865). Hij was zelf de zoon van een slaafgemaakte vrouw, Deborah van Mesquita (± 1760-na 1845, tenminste 84 jaar oud) , en haar eigenaar Isaac Abraham Bueno de Mesquita (1744-1827). Hij kwam vrij door het testament van zijn vader, in 1828, waardoor hij in staat was met Margaretha te trouwen en hij hun vier kinderen kon echten: Isaak Jacques Junior was geboren in 1815, in 1821 Jansje Theodora, in 1823 Frederik Anton en in 1825 Sara Antoinetta. Na hun huwelijk kregen ze samen nog vier kinderen.

Isaac Jacques de Mesquita kwam in 1833 met zijn broer Laurens Aron in het bezit van de plantage Huwelijkszorg aan de rechteroever van de Saramacca, bij fort Groningen, en van de plantage Uit en ‘t Huis. In 1830 kochten de broers samen de helft van deze koffieplantage van de weduwe Heilbron, later zou Isaac deze volledig in eigendom krijgen. Na de dood van zijn vrouw Margaretha in 1837 verkocht hij de plantage. Het huis aan de Keizerstraat 129 uit de boedel van Margaretha werd in 1838 voor f 2000,-- verkocht aan Laurens Aron, die het in 1839 weer zou doorverkopen.

Onder de bezittingen van Margaretha bevonden zich ook slaafgemaakten. In de slavenregisters (1830-1863) vinden we Margaretha Eckhardt als eigenares van 42 slaven, waaronder haar halfzusje Dora, overleden op 23 juli 1832. Na Margaretha’s eigen overlijden in 1836 werden de twee dochtertjes van Janssie Doortje, Henriette (1830-1883) en Johanna Margaretha (1828 - 1917), overgezet op naam van haar echtgenoot, oftewel hun oom, Isaac Jacques de Mesquita.

‘Voor den vrijdom’

Johanna Margaretha en Henriette werden op 21 december 1848 ‘voor den vrijdom’ door I.J. de Mesquita verkocht aan Joseph Cornelis Jone (?-1858). Jone was zelf een voormalig slaafgemaakte (zijn manumissie was in 1842), en volgens de archieven van de Evangelische Broedergemeente (EBG) Johanna’s partner. De archieven vermelden verder dat beide vrouwen - Johanna en Henriette - uit de EBG zijn verstoten; de eerste wegens overspel in augustus 1853, de tweede een jaar eerder vanwege hoererij. Henriette werd hiervoor van de plantage Huwelijkszorg heengezonden, ze heeft in 1853 haar manumissie gekregen en heette van toen af aan Henriette Wilhelmina Harteck (een verbastering van Eckhart). Ze overleed in 1883 op 52-jarige leeftijd. Haar zus Johanna Margaretha kreeg pas na de officiële afschaffing van de slavernij in 1862 (de Emancipatie) haar vrijheid. Zij had onder meer in 1857 dochtertje ‘Magdalijntje Martha’ gekregen, na de Emancipatie vijf jaar later Helena Magdalena Denz genoemd. Deze zou op haar beurt de moeder worden van Alexander Alfred Samuel Denz (1895-1996), mijn opa waarmee dit verhaal begon.

De opa en moeder van Frederiek Dalhuijsen

 

Delen:

Editie:
Juni
Jaargang:
Rubriek:
Herinneringen
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950