Melancholieke rust op Zorgvlied

Amstelveense begraafplaats door en door Amsterdams

Aan het begraven in de kerk, eeuwenlang gangbaar onder de stedelijke elite, kwam in 1866 een eind. De hygiëne was in het geding. Na het verbod kwamen er parkachtige begraafplaatsen voor de welgestelde Amsterdammers in de nabijheid van de stad. Zorgvlied, de oase aan de Amstel, is daarvan een fraai voorbeeld. Hoewel door en door Amsterdams, is deze begraafplaats merkwaardig genoeg Amstelveens eigendom.

Al sinds de Middeleeuwen lieten gerespecteerde burgers zich begraven in de kerk, een traditie die ondanks de onhygiënische kanten hiervan niet zomaar uit te bannen was. Alleen Napoleon lukte dit in 1813. Maar toen koning Willem I was teruggekeerd schortte deze, nog voor het jaar ten einde was, het verbod weer op. Veel doden die naar de twee buitenbegraafplaatsen van de stad – Rustoord in Diemen en de Protestantse Familiebegraafplaats in Muiderberg – waren gebracht, werden toen ijlings weer opgegraven en in de kerken herbegraven.

Pas na een alarmerend rapport van een gezondheidscommissie werd het begraven in de kerk per 1 januari 1829 opnieuw verboden. Gemeenten met meer dan 1000 inwoners moesten buiten de bebouwde kom een algemene begraafplaats aanleggen. Gezien de heersende economische malaise was dit voor Amsterdam, met haar ruim 7000 doden per jaar, voorlopig onuitvoerbaar. Pas dertig jaar later, in 1860, ging de Westerbegraafplaats open (waar nu de Westzaanstraat is), zes jaar later gevolgd door de Oosterbegraafplaats (waar nu het Tropeninstituut staat). Toen pas werden de graven in de kerken definitief gesloten. De stedelijke elite moest nu echt naar een andere rustplaats omzien.

Door deze vertraging had Amsterdam een belangrijke ontwikkeling gemist. Op veel plaatsen in Nederland waren na 1829 voorname dodenakkers aangelegd met een parkachtig karakter. Dwalend langs slingerende paden kon een bezoeker daar, als bij toeval, stuiten op fraaie monumenten die tegen een achtergrond van romantisch groen met alle mogelijke doodssymboliek opriepen tot nadenken.

Dat was een grote tegenstelling met de Wester- en Oosterbegraafplaats, waar het dagelijkse decor werd gevormd door een lange stoet van armenbegrafenissen. De begraafplaatsen in Diemen en Muiderberg boden niet langer een adequaat alternatief voor de stedelijke elite. Zij bezaten nog de vorm van de eerste generatie buitenbegraafplaatsen uit de 18de eeuw: een stenen plateau van aaneengesloten grafplaten.

Uitkomst bood de gemeente Nieuwer-Amstel, de voorloper van Amstelveen. Deze gemeente besloeg toen nog een groot gedeelte van het huidige Amsterdam en was al sinds de 14de eeuw bezig zich te verweren tegen de annexatiedrift van de machtige buurman. Nieuwer-Amstel kampte op begrafenisgebied met het probleem dat het kerkhof bij de oude dorpskerk steeds meer uit de gratie raakte. Op het grondgebied van de gemeente was een potentieel alternatief voorhanden: het terrein van het voormalige buiten Zorgvlied, een hooggelegen stuk polder op een prachtige plek aan de Amstel. Voorlopig ontbrak het echter aan voldoende middelen. Daarin kwam verandering toen de rijkere ingezetenen van Amsterdam, na het definitieve verbod op het begraven in de kerk, in beeld kwamen als toekomstige klandizie. Veel welvarende Amsterdammers vonden de Ooster- en Westerbegraafplaats te volks en hadden een voorkeur voor de buiten de gemeente gelegen begraafplaatsen. Burgemeester A. Wiegel Cz. van Nieuwer-Amstel zag nu een wenkend economisch perspectief en haalde het Zorgvliedplan weer uit de kast. In oktober 1867 kocht hij op een veiling in De Brakke Grond het terrein van Zorgvlied aan.

Slingerpaden

Om het bezoeken van de graven “zoo uitlokkend, rustig en aangenaam mogelijk te maken”, zoals burgemeester Wiegel het formuleerde, werd een keur aan specialisten aangetrokken. De firma Zocher, een bekend geslacht van tuinarchitecten, maakte het ontwerp. “Deze architecten hadden met het Vondelpark immers bewezen wat in korten tijd van weiland te maken is,” aldus Wiegel. Hun medewerking stond garant voor een ontwerp met veel slingerpaden en sierlijke beplanting. De aanleg werd begeleid door architect C. Outshoorn, wiens Paleis voor Volksvlijt en Amstelhotel alom de aandacht hadden getrokken. Hij ontwierp het kantoor annex de beheerderswoning.

Om het ambitieuze plan te financieren schreef de effectenfirma Martini Buys en Testas in januari 1869 een lening uit van ƒ 180.000. Maar de animo was niet groot. De nieuwe begraafplaats moest zijn rendement immers nog bewijzen. De effectenfirma haalde maar ƒ 30.000 binnen en daarvan kon Zochers plan niet worden uitgevoerd. De gemeente Nieuwer-Amstel leende nog ƒ 50.000, waarvoor de provincie slechts aarzelend haar toestemming gaf aangezien dit geld niet door de gemeente maar door een commissie zou worden beheerd, hetgeen niet strookte met de zojuist vastgestelde begrafeniswet. Met maar ƒ 80.000 in kas werd uiteindelijk tweederde van Zochers ontwerp uitgevoerd.

Na de opening op 1 november 1870 werd de uitgifte van graven voor Amsterdam in licentie gegeven aan de uitvaartondernemer J.F. Eggerdink op de Herenmarkt, wat de verkoop zeker heeft bevorderd. De tarieven waren gelijk aan die in de stad, maar de tijden waarop kon worden begraven waren ruimer. Eggerdink adverteerde prominent, onder meer met de leuze dat Zorgvlied maar “een half uur gaans buiten de Utrechtsche poort” lag. Het duurde echter nog even voor een redelijk aantal families een graf kocht. Velen wachtten met de aankoop van een nieuw familiegraf tot zich een sterfgeval voordeed.

Verzet tegen annexaties

Zorgvlied was de eerste grootstedelijke voorziening die Nieuwer-Amstel onder de rook van de stad realiseerde. Sinds de jaren 1880 wist deze gemeente nieuwe annexatiepogingen te verijdelen door voor de nieuwe stadswijken op haar grondgebied hetzelfde voorzieningenniveau te bieden als de grote buurman. Op het grondgebied van Nieuwer-Amstel kwamen prominente voorzieningen tot stand als de Oostergasfabriek en een hbs bij het Roelof Hartplein. De bewoners verzetten zich met hand en tand tegen nieuwe annexaties, waarbij ze zich zelfs tot de koning wendden. Tot mateloze irritatie van Amsterdam lukte pas een derde annexatiepoging in 1896. Die was dramatisch voor Nieuwer-Amstel: het inwonertal kelderde van 35.000 tot ruim 5000, en de gemeente verloor haar rijkste gedeelte.

Maar enkele decennia later doemde een schrale troost op. Bij een nieuwe annexatie in 1921 kwam ook Zorgvlied binnen Amsterdam te liggen, maar de stad kreeg de begraafplaats niet in handen. Volgens een speciale regeling bleef deze toebehoren aan Amstelveen – en tot op de dag van vandaag heeft deze Amstelveense enclave zich binnen Amsterdam weten te handhaven.

Zorgvlied is diverse malen uitgebreid, al in 1892 voor de eerste keer. Rond die tijd waren ook de Wester- en Oosterbegraafplaats vol en lagen door de stormachtige nieuwbouw weer tussen de bebouwing. Hadden de Zochers hun opdracht mede te danken aan hun Vondelpark, tuinarchitect L. Springer was juist bezig het Oosterpark aan te leggen, toen hij de opdracht kreeg een representatieve dodenakker aan te leggen in de Watergraafsmeer. Ook hij zag begraafplaatsen als “lieflijke, schilderachtige en poëtische oorden waar men gaarne verblijft”. Voor de patriciërsgraven schiep hij een goede ambiance, terwijl “onder de grashalmen en veldbloempjes der open velden de lijken der armen rusten, beschermd voor de treden van bezoekers”. De Nieuwe Oosterbegraafplaats, tegenwoordig De Nieuwe Ooster geheten omdat een crematorium is toegevoegd, werd in 1894 de tegenhanger van Zorgvlied als stedelijke begraafplaats. Met 30.000 grafplaatsen is het momenteel de grootste begraafplaats van Nederland.

Zorgvlied echter bleef Amsterdammers trekken. Bij de viering van het 125-jarig bestaan in 1995 werd geconstateerd dat Amsterdammers nog altijd ruim tweederde van de begravenen vormen. Zorgvlied was en is niet alleen een begraafplaats voor prominenten, maar heeft zich ook ontwikkeld tot een kerkhof met een eigenzinnige grafcultuur – in die zin hoort deze begraafplaats onmiskenbaar bij Amsterdam.

Bronnen

E. Kurpershoek en H. van den Berg, Zorgvlied, de geschiedenis van een begraafplaats. Amsterdam: D’Arts Amsterdam, 1995.

Gemeentearchief Amstelveen, dossier 5113 (citaten uit nota burgemeester Wiegel).

Delen:

Jaargang:
2004 56

Gerelateerd

Welke geheimen verbergt Lizzy Cottage?
Welke geheimen verbergt Lizzy Cottage?
Column 1 mei 2014
Aprilnummer 2014
Aprilnummer 2014
8 april 2014
Leidseplein, 9 mei 1921
Leidseplein, 9 mei 1921
Hier gebeurde het 16 april 2013