Meisjes, komt werken bij Verkade!

Op 2 mei 1886 opende Ericus Gerhardus Verkade (1835-1907) op de Zaandamse Westzijde zijn eerste brood- en beschuitfabriek. Hij noemde die De Ruyter, naar de oudst bekende Zaanse molen (1439- 1866). Natuurlijk kon Verkade niet vermoeden dat hij aan de wieg stond van een bedrijf dat wereldwijd bekend zou worden. Spoedig kreeg E.G. Verkade steun van twee van zijn vijf zonen, Ericus junior en Arnold. De broodproductie was echter niet het succes waar vader en zonen op hoopten. Omdat het prijsverschil klein was, bleef 'fabrieksbrood' minder gewild dan brood van de warme bakker. Uiteindelijk werd de broodproductie in 1920 stopgezet.

Maar Verkade was niet voor één gat te vangen. Met beschuit, dat hij van begin af aan fabriceerde, had hij meer succes. Vooral door zijn slimme idee de beschuiten niet meer per stuk te verkopen (waardoor ze snel oudbakken werden) maar in bussen met de naam Verkade erop. Al snel werd ontbijtkoek aan het assortiment toegevoegd. Net voor de eeuwwisseling volgden de theelichtjes, Verkades enige oneetbare product. Verkade kocht het Engelse patent voor zijn derde zoon, Anton, die nog geen eigen bedrijf had. Op 7 maart 1898 ging de Waxine lichtfabriek der
Firma E.G. Verkade & Zn open, niet in Zaandam maar op de nummers 122-124 van de Amsterdamse Lauriergracht. Het bedrijf verhuisde al in 1902 wegens ruimtegebrek naar Zaandam. In 1911 begon Verkade met de productie van biscuit, door hem gespeld als "biskwie" om verwarring met beschuit te voorkomen. Het Mariakaakje en de Café Noir werden een begrip.

Omdat in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog de aanvoer van meel en gist stagneerde maar er wel volop suiker was, ging Verkade suikerwerk maken. Toen na de oorlog de import van cacao weer op gang kwam, werden naast borstplaat, caramel en toffees ook bonbons en chocoladerepen gemaakt. Het werd zo'n groot succes, dat in 1937 aan de Zaanoever een gloednieuwe chocolade- en suikerwerkfabriek werd gebouwd. 

Achtervolgd door een mythe
Minstens even bekend als de koekjes van Verkade was het vrouwelijk personeel:
"de meisjes van Verkade". Voor de in 1911 geopende biscuitfabriek trok Verkacle op grote schaal jonge vrouwen aan, omdat die een grotere vingervlugheid hadden dan mannen en bovendien minder salariseisen stelden. In 1924 werkten er al 655 meisjes en vrouwen bij Verkade. Van hen kwamen er maar een stuk of 70 uit Zaandam, waar fabrieksarbeid voor meisjes nog als zeer onfatsoenlijk gold.

Affiche van Verkade, Wikipedia.

In Amsterclam was men daaraan meer gewend. En de meeste Amsterdamse fabrieksmeisjes waren wel bereid naar Zaandam te reizen: Verkade stond bekend als een sociale werkgever. Toch vond men ook in de hoofdstad werken op een kantoor, in een winkel of op een naaiatelier fatsoenlijker dan fabriekswerk. Er deden de wildste verhalen de ronde over die zogenaamde ordinaire, grofgebekte en zedeloze Verkade-meisjes. Vooral de dagelijkse personeelstrein van en naar Amsterdam maakte bij menigeen de fantasie los. Verkade-meisjes stroopten desnoods een onaardige conducteur de kleren van het lijf en gooiden die clan uit het raam. Het ontklede slachtoffer werd op het eerstvolgende halte zonder pardon het perron opgeduwd. Tessa de Loo blies in 1983 in haar verhalenbundel De meisjes van de suikerwerkfabriek die mythe nieuw leven in, al wordt de naam Verkade niet genoemd. Dit sensatieverhaal wordt door de ex-Verkademeisjes zelf verontwaardigd naar het rijk de fabelen verwezen: "We waren geen ordinaire krengen, we hielden het altijd netjes."

Waar komt dat verhaal clan vandaan? Hoe leefden de Verkacle-meisjes in werkelijkheid, in en buiten de fabriek? Om daarvan een beter beeld te krijgen interviewde ik 35 vrouwen die in de periode 1945-1958 bij Verkade werkten. Ze waren toen tussen de veertien en twintig jaar oud waren en hun ouders waren meestal ongeschoolde arbeiders.

Toen Nederland na de Tweede Wereldoorlog met de wederopbouw begon, kwam de jeugd in het centrum van de belangstelling te staan. Konden jongeren hun verantwoordelijkheid wel aan? De verontrusting gold met name jeugdige ongeschoolden, ook wel 'massajeugd' of zelfs 'verwilclercle jeugd' genoemd. Velen dachten dat cle oorlogsjaren - en vooral de Hongerwinter, toen de scholen dicht waren en zowat alles geoorloofd leek om aan voedsel en brandstof te komen - de oude normen en waarden haclclen ondermijnd. Een sprekend bewijs daarvoor leken de Nederlanclse meisjes die al te ongedwongen omgingen met hun bevrijders: "Trees heeft een Canadees" heette een tophit uit die tijd. Vooral in de tóch al niet zo nette arbeidersklasse zouden de jongeren zijn losgeslagen, de meisjes nog erger dan de jongens.

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Die angst nam in de jaren vijftig alleen maar toe. Pedagogen, psychologen, sociologen en maatschappelijk werksters gingen onderzoek doen naar de specifieke problemen waarmee de  fabrieksmeisjes volgens hen kampten. Zo publiceerde het ministerie van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen in 1952 een lijvig rapport over de Maatschappelijke verwildering der jeugd. De onderzoekers vroegen zich zorgelijk af hoe fabrieksmeisjes goede "moeders van morgen" konden
worden als hun omgeving geen goed voorbeeld bood.

Met veertien van school
De meeste Verkade-meisjes kwamen van de oostelijke eilanden, uit Noord, de Jordaan en de Spaarndammerbuurt. Arbeidersbuurten waar iedereen elkaar kende en men op de hoogte was van elkaars wel en wee. De huizen waren er klein en gehorig; de bewoners moesten woekeren
met de ruimte. Vaak sliepen de kinderen bij elkaar op een kamer en met meer in
één bed was heel gewoon. Even gewoon was het dat getrouwde kinderen, in afwachting van een eigen woning, inwoonden bij hun ouders.

Bij mooi weer speelde het leven hier zich buiten af. Ouders zaten voor de deur op de stoep en hun kroost speelde op straat. "Als 's winters de grachten dichtvroren dan ging mijn vader met een buurman een baan vegen. Dan trok je boven je schaatsen aan, liep je naar beneden en dan was er altijd wel iemand die je op het ijs zette." De onderlinge betrokkenheid én de sociale controle in de wijken waren groot. Het gaf de bewoners het vertrouwen 'erbij te horen'. Maar wie kapsones had, viel buiten de boot.

Direct na de Tweede Wereldoorlog was er een tekort aan alles. Om financieel het hoofd boven water te houden namen ook veel moeders een baan. Zodra de kinderen veertien jaar waren, gingen ze van
school en zochten ze werk. Meisjes kwamen op naaiateliers. in de huishouding of in fabrieken terecht. Net als andere werkgevers had Verkade grote behoefte aan nieuw personeel. In Amsterdam werd actief geworven. Op de tramhaltes hingen affiches met de wervende tekst: "Meisjes, komt werken bij Verkade!" In de bioscoop werd die tekst in het voorprogramma op het doek geprojecteerd. Maar de meeste werkneemsters werden toch geworven door mond-tot-mond-reclame via oudere
zussen, buurtgenoten of vriendinnen.

Aanvankelijk gingen de sollicitantjes gewoon op een morgen mee met een vriendin en meldden zich in Zaandam aan de poort. Maar begin Jaren vijftig richtte Verkade een speciaal wervingskantoor in op Prinsengracht 526-528, waar het bedrijf al voor de oorlog een depot had. "Eerst solliciteerde ik samen met een vriendin bij Albert Heijn. Maar zij werd afgewezen en dus wilde ik ook niet. Toen ging ik met een meisje van de huishoudschool naar Verkade. (...) Na veertien dagen lag er een brief in de bus. Ik was aangenomen. Dat andere meisje niet. Ik kon niet wéér zeggen: 'ik ga niet alleen'. Dat had mijn moeder niet goed gevonden. Dus toen ging ik maar."

Meisjes van Verkade bij de fabriek. Zaanmuseum.

Hun ouders vonden het doorgaans de gewoonste zaak van de wereld dat hun dochters in een fabriek werkten. Veel moeders waren zelf in hun jonge jaren fabrieksarbeidster geweest. Zij keken niet op hun dochters neer, maar waren juist trots dat die zo hard werkten. En de meisjes zelf? De Hongerwinter was net achter de rug en wat was er nu aanlokkelijker dan bij een bedrijf te werken waar allerlei lekkers gemaakt werd? "Koekjes ... lekker! Wie wist nog hoe ze smaakten?" aldus
een van de vrouwen.  Een ander vertelde: "Ik was nog erg jong, elf, toen ik in 1946 naar een vijfjarige meisjes-hbs in Zuid ging. Zelf woonde ik in de Dapperstraat, dat was dus een echte arbeidersbuurt, en daar kwam ik dus kinderen tegen van wie de ouders notaris of advocaat waren. Mijn vader was zeilmaker bij de gebroeders Waterborg op de Oudeschans. Dus viel ik helemaal buiten het patroon. Vroeger was het zo: kinderen van arbeiders konden echt niet naar een hogere school. Dus kwam ik bij Verkade."

Af en toe een apie pikken
Sinds 1911 vertrok iedere morgen om tien over zeven vanaf het Centraal Station de veel besproken speciale Verkade-trein. (In de jaren vijftig en zestig zette Verkade bovendien bussen in vanuit Tuindorp Oostzaan en Nieuw-West.) Op het cs stapten de meisjes pratend en lachend in hun trein, en staken een sigaretje op. Twee mannelijke begeleiders hielden een oogje in het zeil. Excessen bleven dan ook uit, maar natuurlijk werden er geregeld geintjes uitgehaald. Een mevrouw vertelde: "Een van die meisjes is mijn schoonzuster geworden en dat was altijd zo'n grapjas. Soms zei ze: 'Wie het eerst in het bagagenet ligt!' Dan dook ze d'r meteen in. (...) We hebben ook weleens gehad dat een meisje d'r treinkaartje vergeten had. Die stopten we dan onder de bank en dan gingen we er met z'n allen met onze benen voor zitten. Als de conducteur kwam, dan zei hij: 'Wat zitten jullie met z'n allen hier opgepropt. ' In Zaandam deden we dan net of we ruzie met haar hadden. Dan durfde niemand ertussen te komen en zo smokkelden we haar het station uit. Als ze ons dan zo hoorden bekvechten, zeiden de mensen: 'Wat een schorem.' Maar ja, we moesten zo'n meisje toch helpen..."

Na een dik kwartier kwamen ze aan in Zaandam. Daar liepen ze in lange rijen, soms zingend, naar de fabriek. Ze kleedden zich om en dan begon een lange dag met eentonig werk. Veel meisjes hadden daar in het begin moeite mee; een enkeling stond te huilen aan de lopende band. Oudere Verkade-meisjes stelden nieuwelingen op de proef. Gaven die jonkies geen krimp, dan werden ze in de groep opgenomen. Het tempo lag hoog en op veel afdelingen werd op premieloon gewerkt: harde werkers kregen een extraatje bovenop het basisloon. Dus werd er hard gewerkt. Maar volgens de meesten was het wél heel gezellig. De meiden zongen en lachten veel en bedachten allerlei geintjes om de monotonie van de arbeid te doorbreken. Ze stopten briefjes met hun adres in een rol beschuit, of ze speelden de dronkenlap als ze kersenbonbons maakten. Soms waren ze het werk zat en zorgden ze, buiten de pauzes om, op een creatieve manier voor wat extra rust. Dat heette "een apie pikken" - een oude Zaanse uitdrukking voor het forceren van een onderbreking. "Ik heb er wel een leuke tijd gehad. Je had de Chobisco-band [soort koekjes-EvG] en die liep helemaal naar een andere afdeling. Daar lagen die koekjes op en dan ging het door zo'n apparaat en dan kwam de chocola er op... Af en toe​vzeiden we dan tegen elkaar 'we hebben trek in een apie' en dan trokken we samen die band stuk. Dan kwam er een monteur bij en hadden wij weer een half uurtje..."

Toch hadden de meisjes een groot verantwoordelijkheidsgevoel: hun werk kwam elke avond af. Als de fabriek 's avonds sloot, liepen ze weer in lange rijen naar het station. Soms haalden ze nog gauw ​​​​​​een kroketje in de stationsrestauratie en ploften daarmee vermoeid neer in de trein.

Dansen en naar de bioscoop
Weer thuis werd er gegeten en voor de meesten lag er dan nog wel een of ander karweitje. Stilzitten was er niet bij. "Wij hadden thuis een vaste regel. Mijn broers poetsten de schoenen. Wij poetsten koper, dweilden de trap, deden de afwas en de strijk." Van uitgaan kwam, behalve in weekend, meestal maar weinig. "Doordeweeks mocht ik nooit weg, want ik moest mijn moeder helpen. Sokken stoppen, sokken breien, strijken en de luierwas doen."  Af en toe speelden ze nog even buiten met jongere broers en zusjes, maar meestal waren ze te moe om nog op straat rond te hangen.

Veel vriendschappen ontstonden zodoende niet thuis maar op het werk. "Mijn vriendinnen werkten bij Verkade. We gingen samen uit, bvamen bij elkaar thuis en als er eentje trouwde dan waren we erbij." Sommige vriendschappen werden voor het leven gesloten. Ze wisselden hartsgeheimen uit, deelden lief en leed, en vertelden elkaar op maandagmorgen de belevenissen van het weekend. Met de vriendinnen van het werk gingen ze naar de film en dan nog even wat drinken bij Heck's
Lunchroom op het Rembrandtplein of bij Ruteck's op de Nieuwendijk. ''Bij Heck's was altijd wel een orkestje en het ijs was er zo verschrikkelijk lekker!" De horeca verdiende niet veel aan hen: ze hadden maar weinig te besteden en vaak zaten ze de hele avond op één consumptie. In het weekend dansten ze heel wat af, bijvoorbeeld op de dansschool van Wim van Beek in de Sarphatistraat of bij Bonel op de Rozengracht. Muziek speelde een belangrijke rol in hun leven: The Skymasters, The Ramblers, Boy Bachman, Frankie Lane en Guy Mitchel waren rond 1950 favoriet. Ook de bioscoop was een grote trekpleister, Hollandia of Odeon, ze gingen daarheen waar hun favoriete films draaiden. "Waar je ontzettend om moest huilen! Want dan was het pas mooi!!! Ik heb ze allemaal gezien van Doris Day, maar dat waren gewoon vrolijke films. Gejaagd door de wind heb ik drie keer gezien en alle keren vreselijk zitten huilen."

De vrijetijdsbesteding van de Verkademeisjes speelde zich dus voornamelijk in het weekend af en van wilde uitspattingen was volgens henzelf geen sprake. In de uitgaansgelegenheden kende iedereen elkaar, dus ook hier was de sociale controle groot. "Doe maar gewoon, dan doe je al
gek genoeg" was tijdens de wederopbouw de lijfspreuk van het Nederlandse volk, inclusief de meisjes van Verkade.

Afwijkend bestedingspatroon
Hoe kwamen de werkneemsters van Verkade en andere fabrieken dan eigenlijk aan hun slechte naam? De verklaring moet vooral worden gezocht in een cultuurverschil tussen de arbeidersklasse en de 'hogere' klassen. Pogingen om die cultuurkloof te overbruggen en meer controle te hijgen over het gedrag van de laagste sociale groeperingen waren vooral gericht op de jongeren - immers de volwassenen van straks. Terwijl de zonen en dochters der burgerij nog een opleiding volgden en een bescheiden zakgeld kregen, verdienden werkende jongeren allang hun eigen geld en hadden een min of meer volwassen bestedingspatroon: uitgaan, roken, make-up en mooie kleren. Dat (vaak heimelijk benijde) afwijkende leefpatroon werd door de nette burgers gemakshalve als onbeschaafd gebrandmerkt. Met een vergrootglas keek men naar activiteiten die niet harmonieerden met de burgerlijke ideeën over wat hoorde en wat niet. Daardoor ontstond een vertekend beeld, dat in de publieke opinie makkelijk tot een groteske karikatuur werd. •

Dank aan de 'Verkade-vrouwen' die het verhaal van hu n jeugd vertelden , en aan Theo Kalf van United Biscuits Netherlands (Verkade) .

Drs . E.W.J .M. van Gerven schreef in 1 990 haar doctoraalscriptie Mijn vriendinnen werkten bij
Verkade. Fabrieksmeisjes tijdens de wederopbouw: een confrontatie tussen ideologie en werkelijkheid
, Historische Pedagogiek, Katholieke Universiteit Nijmegen. 

Literatuur
Honderd jaar Verkade 1886 - 1986. Wormer 1986.

Ineke Hogema en Ivonne van der Padt, Ruytermeisjes en Verkade-vrouwen - vier generaties
vrouwehjke werkneemsters aan het woord. 
Schiedam 1997.

E. Mulder, 'Elias en opvoeding' in: Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. lnleiding bronnenonderzoek. Nijmegen 1985. 

Beeld: Meisjes van Verkade. Zaans Museum.

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Februari
Jaargang:
1997 49
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000