Markante Amsterdammer Adriaan Jaeggi (1963-2008)

Adriaan Jaeggi was (stads)dichter, columnist, journalist, trombonist, romancier, kok, entertainer, redacteur, vertaler, recensent en niet in de laatste plaats Amsterdammer (al was hij er niet geboren). Een levenskunstenaar.

“Wat hebben Groningen, Alkmaar, Hoorn, Zwolle, Dordrecht, Roermond, Middelburg, Antwerpen, wat heeft zelfs bloody Den Helder dat Amsterdam niet heeft? Een stadsdichter.” Zo begint een stuk dat Adriaan Jaeggi op 30 juni 2005 in Het Parool schrijft. “Niets is Amsterdamser: een door de gemeente bezoldigde poëtisch ambtenaar, die een jaar lang op geheel eigen wijze zijn/haar bek mag opentrekken over alles wat hem/haar zint en niet zint. Burgemeester, wethouders, wat treuzelt u? Voordat Almere ons vóór is: geef ons een stadsdichter!”

De stadsdichter komt er – en het is Jaeggi zelf, die op 25 januari 2006 wordt aangesteld. Opmerkelijk, want hij heeft op dat moment pas twee poëziebundels op zijn naam. In zijn rede bij de feestelijke gebeurtenis zegt hij dat de kans op een stadsdichter eerder verkeken leek, omdat de Amsterdamse Kunstraad er weinig in zag. “Gelukkig werken er op het gemeentehuis ook weleens mensen langs elkaar heen. Verstrooide, dichterlijke of anderszins eigenzinnige types, die niet van het advies van de Kunstraad op de hoogte waren, en die het daarom ook wel een goed idee vonden: een stadsdichter, en diezelfde mensen op het stadhuis hebben nog gevoel voor humor ook, want die zeiden: ‘Als jij het dan zo graag wilt, met je grote mond, doe jij het dan maar.’”

IJverig schrijft hij over van alles en nog wat: over de Intreeweek, wanneer kersverse studenten de stad binnenstromen, de nieuwe openbare bibliotheek, de herdenking van Willem Bilderdijk, de verkiezing van de Brouwersgracht tot mooiste straat van Amsterdam, vijf jaar IJburg enz. 

 

Trombone

Adriaan Jan Jaeggi is geen Amsterdammer van geboorte: zijn wieg staat in Wassenaar (3 april 1963) en hij groeit op in Willemstad. De jonge Adriaan houdt van muziek. “Om aan mijn muzikale carrière te kunnen beginnen, moest ik vanaf mijn twaalfde jaar drie kwartier met tegenwind over een Brabantse dijk fietsen (voor toekomstige pelgrims: van Willemstad via Helwijk en Oudemolen naar Fijnaart), drie kwartier uitgefoeterd worden door een rood aangelopen blokfluitleraar omdat ik mijn etudes niet kende, en daarna drie kwartier terugfietsen. Met tegenwind, natuurlijk.” (Tromboneliefde, 2006.)

Tevergeefs doet hij in verschillende steden toelatingsexamen voor het conservatorium, maar de trombone is en blijft een grote passie. Hij gaat in Leiden Engels studeren en begint met schrijven. Het Amsterdamse studentenblad Propria Curespubliceert stukjes van hem. Later vertelt hij: “Ik heb schrijven altijd leuk gevonden, maar toen begon het me te dagen dat het wel eens een roeping zou kunnen zijn. Omdat je opeens door anderen gelezen wordt, je ziet: verrek, daar zit er eentje om mijn verhaal te grinniken! Dat is zo plezierig.” In 1990 treedt hij toe tot de redactie. In zijn ‘Intree’ schrijft hij: “Trombone spelen kan ik al, tot op zekere hoogte. Stukken schrijven, daar ben ik nog maar net mee begonnen.” Jaeggi blijft er drie jaar. “Als je voor PC gaat schrijven wordt je volwassenheid met enige jaren uitgesteld.” (‘Uittree’, 5 juni 1993.)

Vlak voor zijn afstuderen in 1995 komt Jaeggi als redacteur in dienst bij de Amsterdamse uitgever Thomas Rap. Het jaar ervoor maakt hij zijn poëziedebuut Cowboys hebben het maar makkelijk onder het pseudoniem Simon Troost – naar verluidt een samentrekking van de namen van twee voetballers: Simon Tahamata en Sjaak Troost. Uit ‘A man’s home’: Wees welkom in mijn nieuwe huis/ Treed binnen, wees niet bang/ en hang je jas maar in de gang/ aan dat levensgrote kruis.

 

Trots

In die tijd woont hij in de Plantage Middenlaan tegenover een opvanghuis voor alleenstaande moeders en hun kinderen. Hij schrijft erover in zijn debuutroman De tol van de roem (1995): “Als ik thuis was keek ik tv of zat in het raam en keek naar het huis aan de overkant. […] Er woonden ongeveer twintig vrouwen, ongehuwde moeders en vrouwen die op straat waren gezet. […] Ik had mijn favorieten: een lange donkere vrouw, die bijna elke dag andere gekleurde kralen in haar gitzwarte haar droeg, en een meisje dat achter het raam recht tegenover het mijne woonde. Ze zat hele dagen voor het raam en ik zag haar nooit zonder sigaret in haar hand. Soms kreeg ze bezoek van een kleine man met dezelfde koffie-en-melkkleur als zij, en dan was ze van tevoren urenlang bezig om kleren uit te zoeken. Vanaf de overkant gaf ik haar stille aanwijzingen, nee, niet die rode bloes, dat witte T-shirt staat je veel beter, en dan die mooie riem erbij. Bijna altijd werden we het eens.”

Na de dood van Thomas Rap in 1999 verhuist Jaeggi mee naar uitgeverij De Bezige Bij. Dat jaar verschijnt zijn meest succesvolle roman Held van beroep. In 2002 volgt de dichtbundel Sorry dat ik het paard en de hond heb doodgeschoten, waaruit Gerrit Komrij in 2004 twee gedichten opneemt in een herziene uitgave van zijn befaamde bloemlezing van de moderne Nederlandse poëzie. Adriaan is trots. Edele dieren (2007) is zijn derde roman.

 

Grapjes

In Het Parool schrijft Jaeggi poëzierecensies, helder en met humor. Opzettelijk moeilijk doen is niks voor hem, maar oppervlakkigheid evenmin. Hij maakt zich zorgen over de hoeveelheid slechte boeken die ieder jaar weer verschijnt. Bij wijze van grap stelt hij de prijs voor het slechtste boek in: De Gouden Doerian. De eerste wordt in 2005 niet uitgereikt: juryleden haken af vanwege furieuze reacties van vooral Joost Zwagerman. De twee jaren daarna is er wel een winnaar, maar dan is de lol er wel af. Jaeggi houdt wel van grapjes: in 2002 is hij mede-bedenker van het Bal der Geweigerden in Paradiso, tegelijk met het Boekenbal op een steenworp afstand in de Schouwburg, waar steeds minder schrijvers genodigd zijn en steeds meer sponsors en bobo’s.

Over koken schrijft hij in de Volkskrant (de stukjes zijn drie jaar na zijn overlijden verzameld in Chez Adriaan). Kookgoeroe Johannes van Dam is enthousiast: “Toen Adriaan Jaeggi over eten begon te schrijven, veerde ik op. Eindelijk een zielsverwant. Hij was de enige waar ik ooit op reageerde, die me inspireerde. Jaloersmakend mooi.” Het nawoord van Chez Adriaan is voor Sabine Gieben, zijn weduwe: “Ik ontmoette Adriaan bij het schaaltje oude pinda’s, waar weekblad De Groene Amsterdammer zijn medewerkers op hoogtijdagen op vergast. In dat gezelschap van bleke alcoholici viel hij op met zijn gebruinde hoofd en bulderlach.” Drie weken erna staat ze bij hem op de stoep. “Sinds die dag heeft Adriaan elf jaar lang elke dag voor mij gekookt. Koken was zijn lievelingsvorm van liefde.” Sabine en Adriaan krijgen twee dochters: Sara en Olivia.

 

Papa

Adriaan heeft een grote vriendenschaar. Elke donderdag spreekt hij af in café De Engelse Reet met vrienden, onder wie zijn redacteur Jasper Henderson en de schrijvers Jaap Scholten, Tommy Wieringa, Alfred Schaffer en F. Starik. Op verzoek van F. Starik doet hij mee aan de Poule des Doods, de groep dichters die bij toerbeurt een gedicht schrijven voor overledenen zonder kind of kraai. Als in 2008 een bundeling van zijn stadsgedichten verschijnt – Het is hier altijd laat van licht – staan er drie verslagen van zogenoemde Eenzame Uitvaarten in. “In mijn werk als stadsdichter heb ik bij de eenzame uitvaarten altijd ondubbelzinnig het gevoel gehad dat het zinvol werk was; al moet ik ook de man gelijk geven die zich afvroeg wat het voor nut heeft voor iemand die al dood is een gedicht te maken.”

De dood nadert hem snel dat jaar. Adriaan krijgt te horen dat hij darmkanker heeft. Op 3 april schrijft hij zijn eerste column voor Het Parool. Die eindigt zo: “Een goed humeur helpt je niet van je kanker af. Het is hooguit een praktisch bezit, dat je helpt in moeilijke tijden, en dat je roekeloos plannen laat smeden voor ver voorbij de tijd die je gegeven is. Zo heb ik met deze krant de afspraak dat ik vijf jaar een column schrijf en vervolgens ontslagen word. Dan spreken we over 3 april 2013. Ik kan u niet zeggen hoezeer ik uitzie naar die dag.”

Hij overlijdt op 10 juni 2008, net 45. De begrafenis is zes dagen later op Zorgvlied. In Het Parool besluit Maarten Moll zijn in memoriam aldus: “Bij een bezoek, in de laatste weken, kwamen zijn twee jonge dochters nog ter sprake. Hij was bezig een brief aan ze te schrijven. ‘Want ze mogen later niet vragen: wie was papa?’ Hij zei het met een lach. Tot het laatste ogenblik een schrijver.” Redacteur en vriend Jasper Henderson, ten slotte: “Adriaan was gul, geestig, talentvol, geïnteresseerd en vol liefde. Zijn vriendschap was onvoorwaardelijk. Het was altijd oké, je was altijd welkom. Dat mis ik enorm.”

 

Laatste halte

Op 23 februari 1991 schrijft Adriaan in Propria Cures een stukje waarin hij bij nader inzien blijk geeft van een vooruitziende blik. Het heet ‘Laatste halte’ en bevat herinneringen aan zijn net-niet-dood-ervaringen. “Echt dood zijn is natuurlijk iets heel anders”, weet hij. “Echt dood ben je pas als er niets meer van je overblijft. […] Daarom kunt u dit stukje het beste opbergen in een mapje van zuurvrij karton, en het ergens in een laatje leggen. Als u dan over een tijd het volgende bericht tegenkomt: ‘Met leedwezen vernamen wij van het overlijden van Adriaan Jaeggi. Redactie en Stichting Propria Cures’, dan zou u me een groot plezier doen als u dit weer tevoorschijn haalde en het nog eens overlas. Tenzij u eerder gaat dan ik, natuurlijk.”

Ko van Geemert

Aprilnummer 2020

 

Beeld: Privécollectie

Delen:

Editie:
April
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1950-2000 Vanaf 2000
Buurten:
Centrum Oost
Dossiers:
Amsterdammers