Looiersgracht 47. Snoepfabriek Klene in de Jordaan

Op 30 december 1915 opende het suikerwerkbedrijf Klene uit Rotterdam een snoepfabriek op de Looiersgracht. Veel Jordanezen vonden er werk. Klassieke lekkernijen als Frujetta, Ademin en Muntdrop rolden er tot 1988 van de band.

De zoethoutwortels van snoepfabrikant Klene lagen in Rotterdam, maar bij oprichter Johannes Coenradus Klene (1842-1915) stroomde Amsterdams bloed door de aderen. Zijn vader was smid in de Langestraat; beide ouders waren katholieke migranten uit Oldenburg (Duitsland). Johannes zocht echter zijn heil in de Maasstad, waar hij trouwde met een lokale jongedame. Vanaf 1876 – het jaartal prijkt nog altijd op de snoepzakjes – huurde hij als “fabrikant van suikerwerken en confiseur” een bedrijfsruimte in de Korte Wijnstraat. Daar fabriceerde J.C. Klene allerhande suikergoed, zoals pepermunt, koekjes, schuimpjes, chocolade, gomballen, roze dessertmuisjes, (suiker)eieren en droppastilles.

Gaandeweg groeide zijn afzetgebied van klanten uit de buurt tot in Noordwijk, Leiden, Amsterdam en Breda – zelfs tot in het toenmalige Nederlands-Indië. De 20ste eeuw begon voorspoedig: Klene betrok een groter pand aan de Bierkade en ging samenwerken met de Zeeuwse suikerwerkfabrikant Izaak van Melle, die te weinig productiecapaciteit had om aan de stijgende exportvraag te voldoen. Vanuit Rotterdam voeren nu schepen met duizenden kilo’s ‘suikerdrops’, bonbons, zachte dragees en karamel naar zoetekauwen in Griekenland en het Midden-Oosten. Klene kampte nog wel enige tijd met een probleem: zijn opvolging. Zoon Frederik (1875-1948) werkte liever op kantoor bij de Rotterdamse PTT. Maar toen vader Johannes de 65 naderde, koos Frederik toch voor de suikerketels en vanaf 1910 was hij vennoot.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam Klene’s export grotendeels stil te liggen. De productie liep terug en in 1915 overleed ook nog eens de bedrijfsoprichter en eigenaar. Frederik had kapitaal nodig om zijn zus en zijn stiefmoeder te kunnen uitkopen. Met hulp van investeerders stichtte hij op 24 december 1915 de Fabriek van Chocolade en Suikerwerken J.C. Klene en Co...

Frujetta

Een week later kocht Frederik met twee compagnons een fabriekspand in Amsterdam, Looiersgracht 47. Het pand uit 1897 was voorzien van moderniteiten zoals centrale verwarming, elektriciteit en een lift. Frederik Klene woonde er tijdelijk, tot hij terechtkon in zijn huis aan de deftige Koninginneweg (49-hs). In 1916 trouwde hij met zijn Belgische vriendin, die een dochtertje meebracht uit een eerdere relatie.

In de volkrijke Jordaan kwam hij probleemloos aan personeel. Het begin was bescheiden met zestien werknemers, maar in 1937 stonden er 350 mensen op de loonlijst. Vrouwen werkten vooral als inpaksters van snoepgoed, dat Klene als eerste suikerwerkfabriek in rollen verkocht. Frujetta – platte ronde drageetjes – was de eerste variant.

Na de Eerste Wereldoorlog herstelde de binnen- en buitenlandse handel zich en nam de productie van de suikerwerkfabriek weer toe. Extra verkoopstimulans gaven de plaatjes en speldjes van filmsterren en de ministripjes van bijvoorbeeld de tekenfilmfiguur Popeye. Succesvol waren ook de doosjes met ogenschijnlijk medicinale Nederlandsche Maagpepermunt en Ademin-pastilles. Klene’s rolletje zoute drop zou zelfs “het middel tegen hoest en verkoudheid” zijn, riepen de advertenties.

De zaken gingen voorspoedig. Ter uitbreiding van de capaciteit kocht Klene allengs bijna het gehele huizenblok op: het buurpand 45, de achtergelegen Passeerderstraat 42 en 44, en de hoek met de Lijnbaansgracht. Na twee jaar onderhandelen kreeg de snoepfabrikant voor enorme bedragen ook de tussengelegen Looiersgracht 49 en 51 in handen. In 1931 volgden nog Lijnbaansgracht 208-210.

Toverballenautomaat

Die kostbare expansiedrift trok een zware wissel toen de bedrijfsresultaten tegenvielen tijdens de crisisjaren. Een avontuurlijke investering in Duitse marken bleek achteraf onverstandig, vanwege de rappe geldontwaarding. Na de devaluatie van de gulden in 1936 hervatten echter de orders uit het buitenland, tot de Tweede Wereldoorlog opnieuw roet in het eten gooide. De grote voorraden hielpen Klene het eerste oorlogsjaar nog redelijk door, maar daarna ontstond er gebrek aan grondstoffen en verpakkingsmateriaal en stokte de export. De snoepinpaksters konden hun biezen pakken, want de fabriek ging koffie- en theesurrogaten leveren en suiker verwerken voor andere bedrijven. Confiscatie van de kostbare stoomketels en andere machines door de Duitse bezetter wist de directie te voorkomen. Slechts het boekjaar 1944 sloot Klene af met een – gering – verlies.

Na de bevrijding ging directeur Frederik Klene met pensioen, al bleef hij als adviseur betrokken. Zijn aangenomen dochter Simone werkte jarenlang op de administratie, maar zijn opvolgster werd zij niet. Wel was de nooit gehuwde ‘mejuffrouw Klene’ populair bij het personeel. Als dank voor overwerk lagen er pakketten met suiker, drop, thee en koffie klaar om mee naar huis te nemen, een welkome aanvulling op het karige jarenvijftigmenu. Voor laatkomers en dropdieven bestond weinig coulance. Werknemers moesten bij het verlaten van de fabriek een knikker uit een toverballenautomaat trekken. Bij een rode knikker moesten zij hun zakken leeghalen. Meegepikte snoepjes waren reden voor ontslag op staande voet. Johnny Kraaykamp verloor op die manier zijn baan. Jaren later gaf Klene de inmiddels gevierde acteur en komiek een palletlading drop cadeau.

Sneeuwwitje

Hoe het eraan toeging in de fabriek weten we dankzij ‘ome Henk’ Hendriks, die zich liet interviewen door Frank Schweppe voor zijn boek over 125 jaar Klene in 2001. Ome Henk begon in 1950 bij Klene met het kleuren van toverballen, een tijdrovend procedé van verven, drogen en oververven. Hij maakte carrière als voorman van de dropgieterij. Vanwege een chronisch personeelstekort was overwerken eerder regel dan uitzondering, ook op zaterdag. Inspecteurs van de Arbeidsinspectie stelde hij tevreden met een doos drop. Eenmaal per week moest hij assisteren bij het lossen van nieuwe suikervoorraden, “dan zag je eruit als Sneeuwwitje”. Minder fris is ome Henks verhaal over de ratten, die de vroegste werknemers ’s ochtends uit de fabrieksgebouwen moesten verjagen.

In de jaren zestig nam de concurrentie in het ‘gewone’ suikerwerk toe en ging Klene zich steeds meer toeleggen op drop voor de onverzadigbare binnenlandse dropeters. Rampspoed trof het bedrijf in 1966. Eerst ging in de media een campagne van start over het verwoestende effect van suiker op het gebit en vervolgens legde een hevige brand het kantoorpand Looiersgracht 51-53 in de as. Toch bleef Klene zelfs in dat jaar uit de rode cijfers. Een volgende klap bracht de oliecrisis van 1973. Driekwart van de productie bestond uit drop, gemaakt van onder meer wortelsap van de zoethoutplant en Arabische gom uit het sap van de acaciaboom. Die gom werd schaars en duur. Terwijl andere dropfabrikanten overstapten op goedkopere alternatieven, zoals gelatine, hield Klene vast aan de kwaliteitsgrondstof.

De ellende blééf komen: in de zomer van 1978 stak een 17-jarige werknemer uit verveling de kartonzolder in brand, waardoor nog een tweede brand uitbrak. Ondanks bluswerk door ome Henk leed het bedrijf grote schade, omdat een van de twee fabricage-eenheden buiten bedrijf was geraakt. De concurrentie van prijsvechters met inferieure dropproducten, het onderhoud aan de oude panden en het lastige parkeren in de binnenstad deden Klene uiteindelijk de das om aan de Looiersgracht. In 1986 vond de directie in Hoorn een betaalbaar kantoorgebouw met ruimte voor een nieuwe fabriek. Klene was de laatste dropfabriek die Amsterdam verliet. Het industriële erfgoed aan de Looiersgracht en de Lijnbaansgracht wachtte een brute sloop.

Marius van Melle en Maarten Hell

Decembernummer 2020m

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right
Delen:

Buurten:
Jordaan
Dossiers:
Economie
Editie:
December
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950 1950-2000