Lief en leed in de ‘Jodenkerkstraat’

Het joodse verleden van de Nieuwe Kerkstraat

De namen zullen weinig Amsterdammers nog iets zeggen: Jodenkerkstraat, Portugese Kerkstraat of Sjoelstraat. Het zijn de vooroorlogse bijnamen voor de Nieuwe Kerkstraat, die haar joodse verleden verraden. Op enkele gebouwen na is weinig van dat verleden overgebleven. Maar tot de Tweede Wereldoorlog was het ondanks de armoede een levendige joodse straat, met vele sjoels, joodse instellingen en winkeltjes. 

Ingeklemd tussen de nieuwe grachten – vanaf de beroemde Magere Brug tot aan de Roetersstraat en doormidden gehakt door de Weesperstraat – ligt de Nieuwe Kerkstraat. Voor de oorlog maakte deze straat deel uit van de Jodenbuurt. De joodse Weesperbuurt ontstond rond 1700 toen Amsterdam ten oosten van de Amstel werd uitgebreid met de nieuwe grachten, zoals Nieuwe Herengracht, Nieuwe Keizersgracht en Nieuwe Prinsengracht. Al vanaf het begin trokken veel joden naar dit nieuwe gebied. De rijke joden, veelal van Portugese afkomst, gingen de nieuwe grachten bewonen. De zijstraten bleven over voor arme geloofsgenoten - zo ook de Nieuwe Kerkstraat. 
Het was armoe troef in de Nieuwe Kerkstraat. Vooral het stuk tussen de Amstel en de Weesperstraat was erg arm en werd vooral bewoond door asjkenazische (alias ‘Hoogduitse’) joden, voornamelijk afkomstig uit Oost-Europa. (Maar na 1890 bijvoorbeeld óók de kinderrijke Italiaanse schoorsteenvegersfamilie Vitali). De bevolkingsdichtheid was er veel hoger dan in de rest van de stad en dit stuk werd dan ook gerekend tot de krottenbuurten van Amsterdam. De bewoners in het gebied tussen Weesperstraat en Roetersstraat hadden het iets beter. Daar woonden veel sefardische alias ‘Portugese’ joden (van Portugese en Spaanse afkomst), waardoor dit deel van de straat ook wel Portugese Kerkstraat werd genoemd. 
“Ik heb in de armenbuurt gewoond, in de Kerkstraat tussen de Amstel en de Weesperstraat”, vertelt Joop Emmerik in het boek Herinnering aan Joods Amsterdam. “Dat was een heel arme buurt. Er was maar een enkele af en toe die kon zeggen dat het hem goed ging; misschien een paar winkeliers die daar hebben gezeten.” Ook historicus Ben Sijes beschrijft in zijn boek Ik vergat nog iets te vertellen zijn herinneringen aan de armoede die heerste in de straat waar hij opgroeide: “De Joden-Kerkstraat (was) in menig opzicht een beruchte straat, voornamelijk door haar vechtersbazen. Er vond namelijk menigmaal - laten we het voorzichtig noemen - treffen met de politie plaats, hetgeen niet zeggen wil dat de bewoners onderling altijd in pais en vree leefden. De armoede was zo groot en de opgehoopte economische spanningen hadden zo weinig uitlaat, dat het rumoer van ruzies tussen gezinnen een welkome afleiding vormde voor degenen die het geschreeuw en gescheld nu eens van een afstand konden beluisteren.”
Uitbundige zomeravonden
Maar het was lang niet alleen maar ellende in de Nieuwe Kerkstraat. Het was er levendig, met veel kleine winkeltjes, zoals een schoen- en laarzenmaker, een winkel in verfwaren, een tabakshandel, een winkel in spiegels en lijsten. En melkboer Levie de Jong, vader van vakbondsleidster Alida en grootvader van historicus Loe. Ook woonden er vele venters die langs de deuren gingen met allerlei waren zoals bloemen, fruit en sigaren. Tussen de bewoners onderling bestond een grote saamhorigheid. Vooral het stuk tussen de Weesperstraat en de Amstel was een echte familiestraat. “Ruzies mochten er dan vaak zijn geweest, even talrijk waren de pogingen van buren om de twisten te beslechten”, schrijft Sijes. “Dan werden er soms 'taartjes' gehaald om de ruziemakende partijen te verzoeten en verzoenen. Het was een der vele uitingen van de solidariteit, de onderlinge verbondenheid van deze arme dagloners en kleine neringdoenden.”
De joodse Nieuwe Kerkstraat en de christelijke Kerkstraat waren twee aparte werelden, waarvan de Magere Brug de grens vormde. Om dit verschil te benadrukken werd de Kerkstraat door de joden vaak Christenkerkstraat genoemd en de bewoners van de Kerkstraat noemden de Nieuwe Kerkstraat op hun beurt Jodenkerkstraat. Sijes: “Veel relaties tussen beide straten waren er niet; zij bleven in hoofdzaak beperkt tot een verfwinkel in de Kerkstraat, waarvan de eigenaar, een forse, grote man, ook wel naar de overkant van de Amstel ging om ruiten in te zetten. Verder was er nog een strijkinrichting (zoals dat toen heette) waar een paar opvallend lange vrouwen werkten; maar daarmee waren de contacten vrijwel uitgeput.”
De bewoners van de Nieuwe Kerkstraat organiseerden voor de nodige ontspanning ook verschillende activiteiten. Zo werd er eens per jaar een boot gehuurd om een tocht te maken op de Amstel. Emmerik herinnert zich: “En dan kwamen ze ´s avonds met volle muziek van die boot gemarcheerd, zó de (Nieuwe) Kerkstraat in, met het muziekkorps voorop. En de hele straat liep leeg, iedereen ging erachteraan lopen in een hele lange stoet.” Afgaande op Emmerik en Sijes, moet het regelmatig een feestelijke boel zijn geweest. Beiden herinneren zich uitbundige zomeravonden. “Op zomerse vrijdagavonden zongen en dansten de bewoners mee met de muziek uit de grammofoon die ergens voor een open raam was gezet,” schrijft Sijes. En Emmerik: “Mijn vader draaide dan grammofoonplaten, op zo´n grammofoon met van die grote hoorns. Dat was dansmuziek. Dat ding moest je aandraaien, en dan speelde hij uit het raam en dan gingen de mensen dansen op straat. Je had daar toen ook een familie Swaab; hun zoon Barend kon ontzettend goed piano spelen. En die jongen heeft vaak gespeeld met het raam open, en dan stonden de mensen er met plezier naar te luisteren.”
Sjoelstraat
Dat de Nieuwe Kerkstraat een joodse straat was, kon niemand ontgaan. De straat telde liefst drie sjoels (Jiddische term voor synagogen) en werd daarom ook wel Sjoelstraat werd genoemd. In 1841 werd op huisnummer 26 de eerste sjoel opgericht door de vereniging Neir Mitswoh Wetouro Our (Het Gebod is als een Licht, de Wet als een Vuur). De vereniging groeide en betrok daarom op 28 oktober 1913 een door de joodse architect Harry Elte ontworpen gebouw dat de huisnummers 10 tot en met 14 besloeg. Hier was ruimte voor 192 mannen en 26 vrouwen. 
Een eind verderop in de straat, op nummer 149, werd in 1889 een sjoel geopend die een vreemde eend in de bijt was: de Russensjoel van de vereniging Nidchei Jisroeil Jechaneis (De Verdrevenen van Israël zal Hij Verenigen). Deze vereniging was in 1884 opgericht door Russische joden die op de vlucht voor de pogroms in Amsterdam waren gestrand. Opvallend aan de Russensjoel was dat de diensten veel vrijer en minder stijf waren dan in de Hollandse synagogen. Geïnspireerd door het Oost-Europese chassidische jodendom werd in deze sjoel grote nadruk gelegd op het gevoel, wat veel jongeren aantrok. Op de feestdag Simchat Torah werd met thorarollen gedanst. 
Historicus Jaap Meijer (vader van Ischa) schrijft hierover in zijn boek Het verdwenen ghetto: “De extatische houthandelaar, Gazzen Matzner. Met lange, zwarte baard en flitsende, fanatieke ogen. Dansende met het ‘Sefer’ (Thora). Zingende met die hoge doordringende gilstem, die de voorhallen der hemelen doorscheuren wilde. Vol was het er. Gevaarlijk vol, zodat de tussenmuur het eenmaal bijna begaf.” Ook literator Abel Hertzberg beschrijft deze uitbundige sfeer in zijn boek Brieven aan mijn kleinzoon: “Wat alleen gold was de spontaniteit van het hart (....) in de sjoel in de Kerkstraat, waar de religieuze ontboezeming ongebreideld en bijna wild aan de dag kon treden. De vurigheid van het gebed werd er niet getemperd, want dat gold als verstandelijk en koud.”
Naast de Russensjoel werd in 1896 op nummer 147 een sjoel geopend door de vereniging Rino oe-Tefillo (Zang en Gebed), de zogenoemde Matrozensjoel. Rino oe-Tefillo ontstond in 1878 en was vanaf 1888 gevestigd in een sjoel op Waterlooplein 10. Deze sjoel was met drie verdiepingen een stuk ruimer dan die in de Nieuwe Kerkstraat, die klein was en geen vrouwengalerij had, waardoor de vrouwen op een kleine verhoging achterin moesten zitten. Waarom de vereniging zoveel ruimte inleverde voor een veel kleinere benedensjoel is niet bekend. 
Waarschijnlijk is de bijnaam Matrozensjoel ontstaan omdat deze bezocht werd door joodse handelaren die met de pakschuitendienst van Rotterdam naar Amsterdam kwamen en bij de Magere Brug van boord gingen. Zij konden voor hun gebed dan nog bij de Matrozensjoel terecht, omdat de ochtenddienst pas laat werd gehouden.
Liefdadigheidsinstellingen
Behalve de sjoels waren er meer joodse instellingen in de Nieuwe Kerkstraat te vinden. Nadat rond 1670 het tweede deel van de grachtengordel was gereedgekomen, stokte prompt de economische groei. Niet alle bouwgrond leek nog nodig voor het bouwen van huizen en het stadsbestuur besloot daarom grote stukken grond aan liefdadigheidsinstellingen te schenken. Zo kwam het dat er voor de oorlog in de Weesperbuurt twee joodse ziekenhuizen en een aantal verzorgingstehuizen stonden. Ook in de Nieuwe Kerkstraat waren er enkele. Zo was op nummer 127 het Metaarhuis gevestigd, dat was verbonden met het Nederlandsch Israëlietisch Ziekenhuis op de Nieuwe Keizersgracht. Hier werden overleden patiënten van het ziekenhuis gereinigd. “Aan de Keizersgracht erin en aan de Kerkstraat eruit”, was een bekende, wrange grap. 
Vlak naast het Metaarhuis stond op de nummers 131 tot en met 139 het Nederlands Israëlitisch Oude Mannen- en Vrouwenhuis dat in 1833 was opgericht. Bij de buren op nummer 141 werd aanvullend joods onderwijs gegeven aan ongeveer 150 kinderen. Deze Portugees Israëlietische Godsdienstschool werd eind jaren twintig gesloten, waarna er een tabakshandel kwam. 
Op nummer 16 was het Fernandes Nuneshuis te vinden: een hofje voor arme Portugees-Joodse vrouwen. Rond 1788 had Joseph Fernandes Nunes in zijn testament laten vastleggen dat zijn geld besteed moest worden aan een stichting om deze arme vrouwen op te vangen. Hij voldeed hiermee aan het joodse gebod om als welgestelde burger te geven aan de armen. Op de gevelsteen staat een tekst uit het bijbelboek Genesis, in het Hebreeuws en het Nederlands: “Ende de Heere was met Joseph, soodat hij een voorspoedich man was.” Daarboven prijkt een andere steen met de naam van de oprichter.
Nog enkele sporen 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel joden uit de Nieuwe Kerkstraat gedeporteerd en raakten de sjoels en joodse instellingen buiten gebruik. Na de oorlog kregen ze een andere functie. Door verbouwingen gingen veel joodse kenmerken verloren. Toen Jaap Meijer het Metaarhuis eind jaren veertig in Het verdwenen Ghetto beschreef, zag het gebouw er nog hetzelfde uit als voor de oorlog, alleen had het een andere functie gekregen: “Aan de overkant het Metaheirhuis, met zijn sombere teksten uit Job over de eindigheid van het menselijk leven. En zijn ietwat lugubere bestemming tot wijnkelder...” Inmiddels is de gevel verbouwd en zijn de Hebreeuwse tekst en het symbolische beeldhouwwerk aan de gevel verdwenen. Het naastgelegen Nederlandsch Israëlietisch Oude Mannen- en Vrouwenhuis is vervangen door een nieuwbouwcomplex.
Gelukkig zijn ook enkele sporen van het verleden bewaard gebleven. De oude sjoel van de vereniging Neir Mitswoh Wetouro Our op nummer 26 werd in 1953 verbouwd tot magazijn en in 1999 vond er nogmaals een verbouwing plaats. Maar de gevel is tot op de dag van vandaag grotendeels intact gebleven. De Russensjoel werd na langdurige restauratie in ere hersteld en in 1987 weer in gebruik genomen door de nog steeds bestaande vereniging Nidchei Jisroeil Jechaneis. De Duitsers hadden in 1943 de opschriften van de gevelstenen van het Fernandes Nuneshuis onleesbaar gemaakt, maar tegenwoordig zijn de teksten weer leesbaar. Beide stenen werden midden jaren negentig gerestaureerd.
Ondanks deze enkele zichtbare overblijfselen zullen weinig passanten vandaag de dag stilstaan bij het verleden van de Nieuwe Kerkstraat. De oorlog maakte een einde aan haar eeuwenoude joodse identiteit: de Jodenkerkstraat, Portugese Kerkstraat en de Sjoelstraat zijn voorgoed verdwenen.

Delen:

Jaargang:
2009 61

Gerelateerd

Een letter van banket
Een letter van banket
2 november 2009
Gevelsteen is een blijvertje
Gevelsteen is een blijvertje
2 november 2009
De Bijenkorf als hoofdkwartier
De Bijenkorf als hoofdkwartier
2 november 2009