Leven in het Amsterdamse Dolhuis

‘Die met cranksinnichheyt syn begaeft, die werden hier gespyst ende gelaeft’, stond er boven een van de twee poorten van het Dolhuis aan de Kloveniersburgwal. De geesteszieken kwamen in het Dolhuis niets tekort. Was dat ook echt zo?

De legende gaat dat Christina Boelens, de vrouw van lakenkoper Hendrik Pauluszoon uit de Warmoesstraat*, tijdens haar zwangerschap werd aangevallen door een krankzinnige vrouw, die de trap kwam opstormen en haar bij de keel greep. Toen Christina van de schrik was bekomen, beloofden zij en haar man Hendrik dat zij, als het kindje gezond ter wereld kwam, de gemeenteraad om een plek zouden vragen voor het bouwen van een Dolhuis. Zo geschiedde: in 1561 schonken Christina en Hendrik 3000,- aan de stad. De bouw begon in 1562 op de hoek van de Kloveniersburgwal en de Spinhuissteeg en in 1569 werd het Amsterdamse Dolhuis geopend. Er was plek voor elf personen. De eerste patiënt was ene Elbert Hulk, “priester en inboorling dezer stad”. 

Het Dolhuis heeft tot op de dag van vandaag een negatieve reputatie: mensen sleten er hun leven in eenzame opsluiting, mishandeld en verwaarloosd, zonder enige verzorging. Was het echt zo bar en boos? 

 

Verder lezen? Je vindt dit artikel in het komende decembernummer.

Meld je aan vóór donderdag 21  november 16:00 u., dan krijg je dit nummer thuis.

Word abonnee

Ook leuk als cadeau!

Beeld: Gevelpoort van het Amsterdamse Dolhuis. Stond tot 1791 aan Kloveniersburgwal 50. De voorstelling boven de poort toont de zorg voor de krankzinnigen. Door H.P. Schouten, Collectie Atlas Splitgerber, 1792. Stadsarchief Amsterdam

Delen: