Leven in het Amsterdamse Dolhuis

‘Die met cranksinnichheyt syn begaeft, die werden hier gespyst ende gelaeft’, stond er boven een van de twee poorten van het Dolhuis aan de Kloveniersburgwal. De geesteszieken kwamen in het Dolhuis niets tekort. Was dat ook echt zo?

De legende gaat dat Christina Boelens, de vrouw van lakenkoper Hendrik Pauluszoon uit de Warmoesstraat*, tijdens haar zwangerschap werd aangevallen door een krankzinnige vrouw, die de trap kwam opstormen en haar bij de keel greep. Toen Christina van de schrik was bekomen, beloofden zij en haar man Hendrik dat zij, als het kindje gezond ter wereld kwam, de gemeenteraad om een plek zouden vragen voor het bouwen van een Dolhuis. Zo geschiedde: in 1561 schonken Christina en Hendrik 3000,- aan de stad. De bouw begon in 1562 op de hoek van de Kloveniersburgwal en de Spinhuissteeg en in 1569 werd het Amsterdamse Dolhuis geopend. Er was plek voor elf personen. De eerste patiënt was ene Elbert Hulk, “priester en inboorling dezer stad”. 

Het Dolhuis heeft tot op de dag van vandaag een negatieve reputatie: mensen sleten er hun leven in eenzame opsluiting, mishandeld en verwaarloosd, zonder enige verzorging. Was het echt zo bar en boos? 

De Franse militair geneesheer Guillaume Daignan had na een bezoek aan het huis in 1777 een heel andere indruk: “Ik geloof niet dat het mogelijk is een zindelijker of beter onderhouden huis te zien. De ongelukkigen worden niet langer in cellen gehouden dan tot zij rustig zijn. Zij worden goed verzorgd, zelfs de ergste onder hen.” De realiteit van het dagelijks leven in het Dolhuis lag dus waarschijnlijk een stuk genuanceerder.

De teksten die boven de twee fraaie poorten van het Dolhuis zijn aangebracht geven een idee over het leven in het huis en over de boodschap die het wilde uitdragen. Dit Godtshuys wert gesticht uyt liefde, milt van aer/ Het toomt de dolhyet die zich zelf noch niemant spaert.En: Die met cranksinnichheyt syn begaeft/ Die werden hier gespyst ende gelaeft.De rijmpjes laten zien dat het Dolhuis vooral een liefdadigheidsinstelling was, waar krankzinnigen opvang en verzorging genoten; bovendien duiden ze erop dat krankzinnigheid werd gezien als iets dat iedereen kon overkomen en waar men op een barmhartige manier mee diende om te gaan.

 

Selectie

Meestal kwamen mensen in het Dolhuis terecht na een opnameverzoek bij de burgemeesters door een familielid, de geloofsgemeente of iemand uit hun sociale netwerk. Er volgde een selectieprocedure: in welke situatie bevond de krankzinnige zich, was het Dolhuis wel de juiste plek, waren er geen alternatieven en wie betaalde voor de opname? Over het algemeen waren er vier praktische redenen voor opname: het veroorzaken van overlast en consternatie, het in gevaar brengen van anderen, het in gevaar brengen van zichzelf en de noodzaak tot verzorging. 

De capaciteit van het Dolhuis was beperkt ende selectie grondig. Verzoeken werden dan ookregelmatig afgewezen, omdat de situatie niet ernstig genoeg was of omdat een andere manier van verzorging de voorkeur genoot. Bijvoorbeeld in het geval van de ‘melancholische’ Gerrit Weggelte. In 1768 diende zijn moeder een opnameverzoek in. Ze verklaarde dat “tot haar uiterste smart en droefheid” haar zoon al ruim een half jaar geleden “was geraakt in zijn verstand” en inmiddels “geheel krankzinnig” was. Hij had twee zelfmoordpogingen gedaan, die slechts ternauwernood verijdeld konden worden. Zij had hem derhalve met handen en voeten aan het bed gebonden om ongelukken te voorkomen. Dolhuisdokter Anthonius Wilhelmus Schaaf onderzocht Gerrit en concludeerde dat hij “geheel en al bij zijn zinnen was, niet kwaadaardig maar klagende somwijlen te zijn in ene zekere gemoedsstrijd”. Schaaf adviseerde de moeder “het nog enige tijd met haar zoon aan te zien”. Mensen werden dus niet zomaar opgesloten. Alleen de ernstigste gevallen kregen in het Dolhuis een plek. 

 

Soulagement

Ze kwamen dan in eerste instantie terecht in een van de cellen die aan een galerij rondom de binnenplaats stonden. Deze ‘dolhuisjes’ waren ongeveer drie bij vier meter, met een houten krib en een gemetseld privaat. Twee deuren sloten de cel af. In de binnendeur zat een luikje waardoor het voedsel werd aangereikt en dat ’s zomers zorgde voor extra licht en lucht. In de winter werd de cel verwarmd door tussen de twee deuren warme stenen te plaatsen. Het Dolhuis had een relatief grote binnentuin, waar de krankzinnigen die in een rustige bui verkeerden zich mochten begeven.

Het Dolhuis werd bestuurd door regenten en regentessen, de dagelijkse zorg was in handen van de binnenvader en -moeder, ondersteund door knechten en dienstmeiden. Zij waren verantwoordelijk voor de lichamelijke verzorging van de mensen. Alle mannen werden vier keer per jaar geschoren en iedereen kreeg één keer per week een wasbeurt. Lakens en kleren moesten wekelijks verschoond. Uit een weekmenu in het archief van het Dolhuis blijkt dat de bewoners tweemaal daags een redelijk gevarieerde, voedzame maaltijd voorgeschoteld kregen en dat er meerdere malen per jaar lekkere extra’s op tafel kwamen, zoals koeken of een gebraden eend. 

De binnenvader en -moeder beloofden bij hun aantreden dat zij “... aan de geconfineerden alle hulp en soulagement in dezelve ongelukkige omstandigheden moeten toebrengen en dezelve in alle ordentelijkheid behandelen en voorts zorgdragen dat dezelve door elkaar of door de knechts of meiden niet mishandeld worden en in gevallen zulks tot hunnen kennis mocht komen, daarvan aanstonds verslag moeten doen”. De nadruk lag op verzorging en ‘soulagement’: verzachting van het leed. 

 

Kettingen

Het beeld van het Dolhuis als een plaats van mishandeling en straf wordt er nadrukkelijk door tegengesproken; in het archief is ook niets te vinden over lijfstraffen. Wel zijn er aanwijzingen dat fixatie werd toegepast. Eenverslag van een bezoeker uit 1790 meldt dat de krankzinnigen waren vastgeketend en dat het rammelen van de kettingen in de wijde omtrek van het huis te horen was. Maar er zijnvraagtekens te stellen bij deze verklaring, omdat een paar jaar eerder door het stadsbestuur over de geluidsdichtheid van de dolhuiscellen was gesproken. Zij stelden toen vast dat er buiten niets te horen was.

Het Amsterdamse Dolhuis was er dus in de eerste plaats voor het verzorgen en in bewaring stellen van verwarde mensen tot ze gekalmeerd waren. Daarnaast werd er gewerkt aan hun herstel. De meeste patiënten verbleven er maar kort. In de 17de eeuw zat meer dan de helft er korter dan vijf jaar, en in de 18de eeuw verliet zelfs meer dan 60% het huis binnen een jaar. De korte verblijfsduur wijst erop dat het Dolhuis vooral gebruikt werd alseen therapeutisch instrument om tot rust te komen, ver van de prikkels, zorgen en spanningen van alledag.

Voor ontslag uit het Dolhuis was van belang dat de krankzinnigen door het personeel en de familie werden geobserveerd. De binnenvader moest erop toezien dat ze niet aan hun lot werden overgelaten en dat een verbetering in iemands toestand niet onopgemerkt bleef. De familie diende regelmatig het verzoek voor de vrijlating in. Het kwam erop neer dat men vanwege de verbetering in het gedrag van de krankzinnige persoon de zorg graag weer thuis wilde proberen te geven. 

 

Proefverlof

De familie kon tot die conclusie komen, omdat zij tijdens de opsluiting betrokken bleef door bezoekjes en het doen van de wekelijkse was. Het Dolhuis was niet afgesloten van de gemeenschap. De krankzinnigen werden niet voorgoed verstoten, maar  bleven op een bepaalde manier onderdeel van de samenleving. In 1781 besloten de regenten zelfs twee mannen en één vrouw, van wie de conditie tijdens het verblijf beduidend was verbeterd, een soort proefverlof te geven. Zij mochten veertien dagen overdag het huis verlaten, mits zij zich ’s avonds weer meldden aan de poort.

Het Dolhuis had een chirurgijn en een dokter in dienst, die vooral verantwoordelijk waren voor de fysieke gezondheid van de krankzinnigen en de beoordelingen voor opname, zoals in het geval van Gerrit Weggelte. Van een psychiatrische behandeling in moderne zin was geen sprake. Toch was er wel behandeling mogelijk, zoals blijkt uit het verzoek in 1732 door Elisabeth Vlek. Haar zoon, de chirurgijn Abraham Vlek, zat al vier jaar zonder enige verbetering in het Dolhuis en zij wilde graag dat de Amsterdamse dokter Joseph Celle hem zou behandelen, op kosten van de burgemeesters. Celle had al eerder iemand in het Dolhuis genezen. Na uitgebreid overleg gingen ze akkoord.  

Het Dolhuis was dus zeker geen plek uit een horrorfilm, maar bood een tijdelijk verblijf aan mensen die niet meer in de samenleving konden functioneren, waar ze verzorgd werden en tot rust konden komen, met als doel voldoende te herstellen om weer naar de samenleving terug te keren.

 

MARTJE AAN DE KERK IS MEDISCH HISTORICUS. ZIJ PROMOVEERDE OP 18 SEPTEMBER AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM OP HAAR ONDERZOEK MADNESS AND THE CITY. INTERACTIONS BETWEEN THE MAD, THEIR CAREGIVERS AND URBAN SOCIETY IN AMSTERDAM, ROTTERDAM AND UTRECHT, 1600-1795.ZIJ IS NU ONDERZOEKER BIJ DE FACULTEIT CULTUURWETENSCHAPPEN AAN DE OPEN UNIVERSITEIT. 

* HENDRIK PAULUSZOON HEETTE VAN GISP, HEER VAN DER DOES; IN LATER JAREN WERD HIJ BIJ VERGISSING OOK ‘BOELENS’ GENOEMD.

 

Kader

HET DOLHUIS 1561-1791

Het 16de-eeuwse Dolhuis werd in de 17de eeuw uitgebreid en kreeg daarbij ook een nieuwe binnenplaats. In 1703 was er plaats voor 32 mensen. Na de brand op Paasmaandag 1731 kwam er ook in het herbouwde Buitengasthuis of Pesthuis ruimte voor krankzinnigen, zij het slechts enkele cellen, die in de winter zelfs onbruikbaar waren. Het Dolhuis bleef tot en met 1791 de plek voor ernstige krankzinnigen. Pas in 1792 werd het Buitengasthuis vergroot en aangewezen als enig krankzinnigengesticht. Het Dolhuis maakte plaats voor een kerk van de Herstelde Lutherse Gemeente. 

November/Decembernummer 2019
Martje aan de Kerk

 

 

Beeld: Gevelpoort van het Amsterdamse Dolhuis. Stond tot 1791 aan Kloveniersburgwal 50. De voorstelling boven de poort toont de zorg voor de krankzinnigen. Door H.P. Schouten, Collectie Atlas Splitgerber, 1792. Stadsarchief Amsterdam

Delen: