Leo Schatz. 'Nee hoor, wij zijn arbeiders!'

Op 4 oktober 2014 stierf schilder en dichter Leo Schatz (96). Hij groeide op in een Joods sociaaldemocratisch gezin. In de Tweede Wereldoorlog verloor hij zijn ouders en tweelingbroer. Bij gelegenheid van z’n 95ste verjaardag verraste hij zijn twee dochters en vele vrienden met zijn in eigen beheer uitgegeven jeugdherinneringen: ‘Wij zijn de jonge garde van het proletariaat.’ Kinderjaren aan de overkant van het IJ en in Betondorp. Een paar fragmenten.


“We drukken op de bel bij Japie Lunstro aan de overkant van de straat, mijn tweelingbroertje en ik. We zijn een jaar of negen.
Of Japie op straat mag spelen.
Mevrouw Lunstro kijkt ons vragend aan: ‘Zijn jullie joden?’
Wij: ‘Nee hoor, wij zijn arbeiders.’
 
Japie mag op straat spelen. Hij zit bij ons in de klas op de Musschenstraatschool. Japie is een witblond, schraal jongentje. Hij maakt indruk op ons, want hij heeft een grote broer die heel sterk is en op de ambachtsschool zit. Bovendien is zijn vader tuinman.
Wij hebben ook een grote broer, maar daarover later.
Japie voelt zich veilig want Henkie Hoekstra, die twee heel grote broers heeft, is niet op straat. Bij hem kun je niet aanbellen of ie op straat komt. Dat moet je gewoon afwachten.

Onze straat, de Nachtegaalstraat, over het IJ, is een van de eerste straten met huizenblokken van de Algemene Woningbouwvereniging, die voor arbeiders waardige woningen bouwt. De straat is ongeveer driehonderd meter lang, kruist de Spreeuwenlaan en gaat dan als een hele lange straat verder, uitlopend op het IJ.
In dat tweede deel, na de Spreeuwenlaan, staan de woningen van de katholieke woningbouwvereniging; het zijn kil-uitziende huizen. Wij zijn altijd een beetje bang om door dat deel van de straat te lopen!

Wij spelen altijd buiten, iedere dag. Tollen, hoepelen, knikkeren, pinkelen, bokspringen en voetballen. Dat kan allemaal midden op straat. Ook in de vakanties, want mensen doen daar nog niet aan, behalve ons gezin. Wij gaan wel veertien dagen weg naar Soest of zelfs vier weken naar Nieuwpoort bij Oostende.
Mijn vader verdient dan ook 45 gulden per week in de diamantindustrie en dat is heel veel. Op vrijdag na het werk neemt hij mooie grote karamels mee. Op zaterdag werkt hij niet, want de diamantwereld is dan gesloten. We eten op vrijdagavond kippensoep en kip, die de kippenboer komt brengen. Het is midden jaren ’20.


De mosselenman, die tegen de avondschemer achter zijn karretje loopt te roepen: ‘Mooie verse mosselen!’ wordt bij ons thuis vermeden. Dat is ordinair eten, daar doen wij niet aan. Margarine is ook niets voor ons. Wij gebruiken alleen roomboter. (…) Onze lange meester op de Musschenstraatschool, meneer Aalderink, die zijn hoofd altijd scheef houdt, snuit om half elf altijd zijn neus. Hij haalt dan de keurig opgevouwen witte zakdoek tevoorschijn, vouwt hem helemaal open, plaatst zijn neus er midden in. Hij snuit altijd met hetzelfde geluid, hard en toch beschaafd en vouwt de zakdoek dan weer met heel zijn aandacht op dezelfde wijze op. Ik word er elke dag weer door gefascineerd, waardoor ik de aandacht voor de les verlies.


Voor in de klas zitten links Connie de Jager en Thera de Wilde. Ze zijn niet alleen de knapsten van de klas, maar ook de mooiste meisjes. Onder de lessen besteed ik veel tijd om naar ze te kijken.
Thera kan vooral zo mooi schoonschrijven. Je moet al je vingers en vooral je wijsvinger recht houden. Ik kan dat niet. Mijn wijsvinger moet diepgebogen zijn in een scherpe hoek. Het lukt me bovendien haast nooit om geen inktvlek op mijn schrift te krijgen. De binnenkant van mijn middelvinger is altijd blauw van de inkt.


Meneer Aalderink stelt de twee meisjes steeds maar weer als voorbeeld. Ik ga ze hierdoor meer en meer bewonderen en de meester minder aardig vinden, wel met moeite, want hij is ook lid van de SDAP en praat wel eens met mijn ouders die veel respect voor hem hebben.
Op een dag stelt de meester ons een rekenvraag, die je volgens een formule gemakkelijk op papier kunt uitrekenen. Maar dat mag niet: je moet het uit je hoofd doen.

Meester Aalderink snuit om half elf altijd zijn neus

Het komt er op neer, dat ergens iets bij komt, van iets anders weer een getal af en daar de helft weer bij. Zoiets was het, geloof ik.
 “Wie weet het?”
Er komt geen antwoord uit de klas. Dan steek ik mijn vinger op.
“Nou Leo, wat is het?”
Ik zie een pijnlijke verbazing op meester Aalderiks gezicht: het is ’t  juiste antwoord.
Een  complimentje kan er niet af. Juist dan gaat de bel: de school gaat uit.
Als een overwinnaar ga ik naar huis. Ik wil later iets groots worden.”

MET DANK AAN FRANS VAN LIER EN FRANS LIESHOUT.

Beeld: De Nachtegaalstraat in 1926. Stadsarchief Amsterdam.

Delen:

Buurten:
Noord
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Januari
Jaargang:
2015 67
Rubriek:
Stemmen uit het verleden
Tijdperk:
1900-1950